Groeiende versnippering en tegenstellingen in Frankrijk

In april starten in Frankrijk de presidentsverkiezingen. De strijd wordt voorgesteld als een tussen de rechtse Chirac (momenteel president) en de sociaal-democraat Jospin, tevens premier van de “Gauche plurielle” (PS, groenen en communisten).

Als derde speler wordt ook verwezen naar Chevènement, die met een campagne rond economisch protectionisme en een terugkeer naar vage, democratische “waarden” de stem van de verontruste middengroepen probeert te mobiliseren. Met de electorale opkomst van de antikapitalistische Arlette Laguiller (in de peilingen rond de 8%) kan zich echter een politieke polarisering voltrekken.

De regering-Jospin slaagde er niet in haar sociale pretenties waar te maken. Integendeel. Nog nooit werden in Frankrijk zoveel scholen en ziekenhuizen gesloten, nog nooit gingen de privatiseringen zo snel. De invoering van de 35 -urenweek ging gepaard met meer flexibiliteit, uitholling van contracten en een bevriezing of daling van de lonen. Het leidde misschien tot enkele duizenden nieuwe jobs, maar die werden ruimschoots overtroffen door massa-ontslagen.

Arlette Laguiller heeft met Lutte Ouvrière (LO) een antikapitalistisch discours, maar slaagt er niet in om dat te verbinden met concrete eisen die de strijd vooruithelpen. Ze miste in ’95 reeds de kans om de 1,6 miljoen arbeiders en jongeren die voor LO stemden een kader aan te bieden om de discussie over een nieuwe, brede arbeiderspartij te voeren. Vandaag wijst ze samenwerking met andere linkse groeperingen af.

De deelname aan de verkiezingen door de radicaal-linkse LCR, naast LO, zou gerechtvaardigd zijn als de benadering open was en er een reële poging was om arbeiders in strijd, oppositiestromingen binnen de PC die vechten tegen de regeringspolitiek en andere linkse stromingen te betrekken. De verkiezingscomités die de LCR oprichtte onder de noemer “100% Links” laten echter weinig ruimte voor discussie over de vorm waaronder links zich presenteert. Er worden terechte sociale eisen geformuleerd, zonder een reëel antikapitalistisch programma aan te bieden. Waar de middelen voor de eisen vandaan moeten komen, is onduidelijk.

Stemmen voor LO en LCR zullen stemmen voor het kamp van de arbeiders zijn. Beide organisaties brengen - in tegenstelling tot Gauche Révolutionnaire (zusterorganisatie van LSP/MAS in Frankrijk) - echter geen reëel perspectief voor een nieuwe, brede arbeiderspartij naar voor. Dat is opnieuw een gemiste kans.