De hoorzittingen voor de Brusselse rechtbank slepen zich voort. Iedere maandag wordt begonnen om 9 u, vaak tot de vroege avond. De politie is alomtegenwoordig in dit proces: ze behoudt de “orde” in de publiekszaal en erbuiten. Ze selecteert wie binnen mag en fouilleert de aanwezigen als ze dat nodig acht. Ze kan lang getuigen (in tegenstelling tot de verdediging), leidt het dossier in en is tegelijkertijd burgerlijke partij. Guy Van Sinoy sprak met Silvio Marra, één van de voornaamste beschuldigden.
Wat is uw analyse
van het verloop van
het proces?
Marra: “Tot vandaag dachten we dat het mogelijk was om het proces te beëindigen door mobilisatie. Het is duidelijk dat men naar een veroordeling wil gaan. Dit is slechts een kwestie van nog een aantal hoorzittingen. Het gerechtshof zou het proces onontvankelijk kunnen verklaren. Dat is de these waarvoor onze advocaten hebben gepleit, gezien de talrijke onregelmatigheden in het proces: geen onderzoeksrechter, geen kamer van inbeschuldigingsstelling, inleiding van het dossier door de rijkswacht die tegelijkertijd burgerlijke partij is,... Het dossier bevat solide argumenten voor een onontvankelijkheidsverklaring.”
“De rechtbank heeft echter weinig interesse voor de exacte feiten. Justitie wil ons, steunend op artikel 66 §4 van het strafrecht, doen doorgaan voor de “agitatoren” achter bepaalde incidenten. Wij waren duidelijk de leiders - en dus de agitatoren - van het sociale conflict. Het is onnodig een onderzoek te doen om dat aan te tonen. Een simpele blik op de resultaten van de sociale verkiezingen volstaat. Roberto d’Orazio is verkozen tot voorzitter van de syndicale delegatie, ik ben verkozen tot hoofd van het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk.”
“Maar wij hebben nooit confrontaties georganiseerd. De these van artikel 66 §4 bestaat erin dat iedere leider van een arbeidersstrijd gecriminaliseerd wordt. De hoorzittingen van de getuigen à charge tonen aan dat, ondanks de valse getuigenissen van politieagenten, ze er niet in slagen ons van precieze feiten te beschuldigen. Voor de rechtbank doen bewijzen er echter niet zo veel toe. Het fundament van het proces is de tegenstelling tussen de wereld van de arbeid en die van het kapitaal. In die zin is dit een politiek proces. Wij zijn er vooral schuldig aan een andere visie op de samenleving te hebben. We zijn niet akkoord met de economische regels van deze samenleving die honderdduizenden arbeiders van hun werk beroven en die uitsluiting creëren.”
Hoe schat je de
houding van de
vakbonden in dit
proces in?
Marra: “Aangezien ik uitgesloten ben uit de vakbond, heb ik geen organisatorische banden met hen. Veel syndicale militanten komen echter met me praten over de moeilijkheden die ze dagelijks ondervinden in hun syndicaal werk en ondersteunen ons. Vandaag kan geen enkele syndicaal verantwoordelijke, van de top tot aan de basismilitant in de bedrijven, anders doen dan positie innemen tegenover dit proces. Volgens mij is de enige manier om deze zweer te doen barsten het organiseren van een buitengewoon congres van het ABVV, waarop de uitgesloten arbeiders van Clabecq uitgenodigd worden. Zonder zo’n initiatief zal de herinnering aan Clabecq de vakbonden gedurende lange tijd blijven achtervolgen.”
Denkt u dat de ABVV-leiding gedurende de laatste jaren een draai naar rechts heeft gemaakt?
Marra: “In de praktijk verwijderen de leiders zich steeds verder van de beginselverklaring van het ABVV. Ze hollen de inhoud steeds meer uit: contestatie tegen het systeem, de verzuchtingen van de arbeidersklasse, het socialisme. Ze slikken steeds meer de liberale politiek. Op dit moment slagen de linkse krachten binnen de vakbond er niet in deze rechtse koers te keren. De vakbond is zijn politieke identiteit verloren. Wat er steeds meer een dienstenorganisatie van maakt of nu en dan een juridisch assistentiebureau voor individuele conflicten met een baas.”