Besparingen bouwen democratisering af
De afgelopen decennia kenden we in het onderwijs een zekere democratisering. Zolang de maatschappij een agrarisch stelsel kende, was er weinig onderwijs nodig. Enkel een aantal geestelijken gepriviligeerden hielden zich bezig met bijbelstudie. De ‘gewone’ mensen leerden de boerenstiel van vader op zoon. Pas met het tot stand komen van de stedelijke samenleving, waarbij er meer handelaars waren en ook een sterkere arbeidsspecialisatie, ontstond de behoefte van onderwijs inzake boekhouden, recht,…Dit bleef beperkt tot een kleine toplaag. In de overgang naar de kapitalistische samenleving ontwikkelde het onderwijssysteem dat nog steeds model staat voor het huidig onderwijs.
Religieuze groepen organiseerden elite-scholen met selectie van de toekomstige toplaag als doel. Door concurrentie en prestatie werden de "besten" beloond. Daarnaast werden deze scholen ook gebruikt om de heersende waarden en normen aan te leren. Dit onderwijs bleef beperkt tot een kleine laag in de samenleving, namelijk de kinderen van de burgerij en de adel. De andere kinderen moesten zo vlug mogelijk aan het werk.
De nood aan geschoolde arbeidskrachten leidde tot de vorming van beroepsgericht onderwijs. De algemene vorming bleef beperkt tot het college waar enkel de kinderen uit de hogere middenklasse en de burgerij terecht konden.
Onder invloed van een sterke arbeidersbeweging (de strijd tegen de kinderarbeid en voor degelijk onderwijs vormde van bij het begin een onderdeel van het programma van arbeidersorganisaties zoals vakbonden) en de groeiende vraag naar hooggeschoolde arbeiders (door de modernisatie van het productieproces) groeide het universitair en hoger onderwijs. De kinderen uit de arbeidersklasse bleven echter grotendeels verstoken van deze ‘hogere’ opleiding. Zij moesten nog steeds dienen als voetvolk om het vuile werk op te knappen. Ook de basisprincipes van het onderwijs (selectie, disciplinering, prestatie, concurrentie,…) bleven behouden.
Vanaf mei ’68 kwam het recht op onderwijs voor alle lagen van de bevolking op de voorgrond. Het vernieuwd secundair onderwijs dat in België werd ingevoerd had onder meer tot doel het democratiseren van het onderwijs en dit toegankelijker maken voor de lagere klassen. De prestatiegerichtheid werd deels vervangen door algemene vorming en het aanleren van sociale vaardigheden.
Sinds de economische crisis vanaf 1974 en de daarmee gepaard gaande stijgende werkloosheid, bespaart de regering systematisch in het onderwijs. De kapitalisten willen niet langer investeren in degelijk onderwijs voor iedereen. Voor hen is een hooggeschoolde elite voldoende als de scholing van de massa maar voldoende afgestemd wordt op de noden van de bedrijven.
Het is dan ook geen toeval dat bijvoorbeeld de Europese Ronde Tafel van Industriëlen (ERT) in de jaren ’80 een rapport opstelde over het onderwijs en de kritieken van de bedrijfswereld naar voor bracht. Dat is binnen dit systeem immers de kern van de zaak: het onderwijs is er voor en door de bedrijven. Maar hoe zit het dan met de individuele ontplooiing van iedereen? En hoe zit het dan met de vrije keuze van opleiding? Dat zijn zaken die wij centraal moeten stellen. De school moet meer zijn dan een fabriek waar kant en klare volgzame werknemers gekweekt worden.
Schaalvergroting en "rationalisering"
De maatregelen die vandaag overal voorgesteld worden spreken veelal over de noodzaak van het "rationaliseren" van het onderwijs. Daarmee wordt niet bedoeld dat de leerstof moet geëvalueerd worden en aangepast, maar het besparen op vlak van middelen. Daartoe is een schaalvergroting nodig: verschillende scholen vormen één eenheid zodat de werkingsmiddelen kunnen beperkt worden (minder administratie, beperken van het aantal richtingen per school, grotere klassen,…). De maatregel om het aantal studierichtingen in het algemeen secundair onderwijs van 9 tot 6 terug te brengen is daar een voorbeeld van. Op deze wijze wil men de studierichtingen "optimaliseren" en verhinderen dat er kleine klassen zijn. Een klas met minder dan 20 leerlingen brengt niet genoeg middelen in de enveloppe van de scholengroep om het personeel te betalen. Door de enveloppe-financiering (waarbij iedere scholengroep een budget) moeten de scholen bovendien zelf besparen. En dat gebeurt voornamelijk op de sociale voorzieningen. Het aantal schoolrestaurants dat de afgelopen maanden geprivatiseerd of gesloten is, loopt enorm op. De multinational Sodexho (die in Engeland asielzoekers aan een hongerloon tewerk stelt en in de VS winst maakt op basis van de uitbating van gevangenissen…) koopt zich een plaats in ons onderwijs. We kregen reeds veel reacties van scholieren die klaagden dat de maaltijden in hun school veel duurder werd terwijl de kwaliteit afnam. De doelstelling van een geprivatiseerde keuken is immers niet het aanbieden van een kwaliteitsvolle maaltijd aan jongeren en personeel, maar het maken van winst. Het binnen halen van de bedrijfswereld in het onderwijs is erg voelbaar aan de universiteiten, zeker in de richtingen met exacte wetenschappen, waar meer en meer onderzoeken afhankelijk zijn van de inbreng van bedrijven en bijgevolg ook van de wensen van die bedrijven. Maar de groeiende invloed van de bedrijfswereld is ook op een andere manier merkbaar: er wordt nu zelfs gewerkt met reclame in de scholen!
Het terugbrengen van het aantal richtingen in het secundair onderwijs en de algemene trend van schaalvergroting staan niet los van elkaar. Straks zal binnen de scholengroepen ook gezien worden waar welke richting wordt aangeboden, zodat het niet langer alle richtingen in iedere school worden aangeboden. Hetzelfde zien we nu ook op vlak van universiteiten en hogescholen. Een aantal jaren geleden kwam de voormalige KUL-rector Roger Dillemans met een aantal voorstellen voor de dag. Dit plan werd formeel gezien niet doorgevoerd, maar we zien wel dat het in de praktijk meer en meer wordt toegepast. Voor Dillemans was het nodig dat het hoger onderwijs zou evolueren naar een paar centrale "kenniscentra". De aanwezigheid van verschillende universiteiten was hem een doorn in het oog. Een grote pool rond de Leuvense unief en een grote pool rond de Gentse unief met eventueel nog iets in Brussel, was zijn doelstelling. Vandaag zien we dat door de fusies van hogescholen en hun samenwerking met universiteiten deze doelstelling geleidelijk aan gerealiseerd wordt. De Gentse universiteit heeft bijvoorbeeld een samenwerkingsverband afgesloten met een aantal hogescholengroepen in Oost- en Westvlaanderen waardoor in deze regio een monopolie wordt opgebouwd.
Voor Dillemans was dit mogelijk omwille van "de toegenomen mobiliteit" van studenten en onderwijzend personeel. Wie een bepaalde richting wil volgen, hoeft dit niet vlak bij de deur te doen, maar moet zich verplaatsen naar het "kenniscentrum" dat deze richting aanbiedt. De bijkomende kosten (geld om op kot te gaan, transportkosten,…) moeten er maar bijgenomen worden…
De doelstellingen van de besparingen die we vandaag zien, zijn duidelijk. Het onderwijs moet meer marktgericht worden om te concurreren met de grote instellingen in de VS. Maar als er winnaars zijn, vallen er logischerwijze ook slachtoffers. De creatie van een aantal topscholen en topuniversiteiten maakt dat de rest het met minder middelen moet stellen en afglijdt tot "vuilbakscholen". In de VS gaat de selectie zo ver dat de universiteiten beslissen wie ze toelaten. Aan de topuniversiteiten raak je enkel binnen als je een genie bent, of als je de juiste connecties hebt. Zo was het bijvoorbeeld geen probleem voor prins Filip om aan een topuniversiteit in de VS te studeren. Beter begaafde, maar minder welstellende, jongeren moeten dat maar eens proberen…
Waar wij voor staan:
Socialistisch onderwijs
Marx plaatste de noodzaak van praktisch onderwijs centraal. In ‘Het Kapitaal’ beschreef hij hoe het onderwijs moet gelinkt worden aan de reële wereld om het relevanter te maken en om het onderscheid te doorbreken tussen diegenen die "denken" en diegenen die "werken" (handenarbeid verrichten): "Het deels ontwikkelde individu, die hoofdzakelijk één sociale functie uitoefent, moet vervangen worden door het volledig ontwikkelde individu." (Het Kapitaal, hoofdstuk 13).
De ideeën van Marx werden verder ontwikkelt na de Russische revolutie, voornamelijk onder impuls van Lenin, zijn vrouw Krupskaya (die lerares was) en Lunacharsky (commissaris voor onderwijs). Binnen een tijdspanne van enkele dagen na de oktoberrevolutie werd het gratis onderwijs ingevoerd. In 1918 werden de scholen omgevormd tot "eengemaakte arbeidsscholen" waar productief werk aan de basis lag van de ontwikkeling van jongeren. Deze scholen waren 7 dagen per week open zodat jongeren er ook terecht konden voor zaken die hen interesseerden, niet enkel voor het volgen van lessen. De Bolsjewieken probeerden een allesomvattend programma op te stellen gebaseerd op het leven en de productie. Lenin stelde in 1918 bijvoorbeeld hoe onderwijs over elektriciteit moest gekoppeld worden aan bezoeken aan elektriciteitscentrales. Krupskaya moedigde het onderwijzend personeel aan om het dagelijks leven als vertrekpunt te nemen voor projecten die gebaseerd zijn op de ervaring van lokale arbeiders en boeren. Op die manier zouden alle volwassenen "onderwijzers" worden. Lunacharsky waarschuwde evenwel dat het belangrijk was dat de scholen het aanleren van vaardigheden centraal zouden stellen en niet het maken van producten.
Zoals Lenin stelde: "De oude school was een school waar geblokt werd, ze dwong de mensen zich een heleboel nutteloze, overbodige en levenloze kennis eigen te maken, die de hersenen verstopten en de jonge generatie tot een verzameling bureaucraten maakte". Daartegenover plaatste hij een kritisch onderwijs gericht op de ontwikkeling van zelfstandige individuen en de ontplooiing van hun capaciteiten.
Andere maatregelen in 1918 waren bijvoorbeeld het overnemen van alle private en godsdienstige scholen door de overheid waarbij de hiërarchie tussen de verschillende leraars werd afgeschaft en vervangen door een gelijk loon voor iedereen. De vrije toegang tot de universiteiten, zonder ingangsexamens of inschrijvingsgeld, werd ingevoerd. Huiswerk en disciplinering werden afgeschaft. De scholen werden georganiseerd door democratische raden zodat ook de jongeren zelf konden meebeslissen over wat er onderwezen werd en hoe dit gebeurde.
Alhoewel Rusland voordien bijzonder weinig ontwikkeld was waardoor het niet evident was om het onderwijs snel op peil te brengen, gaven deze maatregelen aan wat mogelijk is in een socialistisch systeem. Gelijke kansen is daarbij geen hol principe, maar een concrete materiële realiteit.
Jammer genoeg kon dit niet volledig ontwikkeld worden in de Sovjetunie onder druk van de Burgeroorlog waarbij tientallen buitenlandse legers het land binnen vielen en een oorlogssituatie veroorzaakten. Het percentage jongeren dat school kon lopen steeg wel spectaculair, tot 50% in 1923. Na 1924 maakte de stalinistische bureaucratie komaf met de verworvenheden van na 1917. De nadruk kwam opnieuw te liggen op prestaties, examens, selectie,…
De discussies en de experimenten van de bolsjewieken na 1917 zijn echter belangrijk omdat het aangeeft hoe een ander onderwijssysteem er zou kunnen uitzien.
Geert Cool