“Sociaal Europa” terug naar af

De tijd dat Europese topbijeenkomsten een gezellig onderonsje waren in een ivoren toren ligt definitief achter de rug. Om het metVerhofstadt te zeggen: “de burger heeft de politiek (her)ontdekt”. Die ontdekking leidt echter niet tot een liefdesverklaring, maar tot massaal verzet tegen de Europese intellingen. Desinteresse heeft plaats gemaakt voor woede. De reden? De Unie is het instrument bij uitstek om de patronale agenda door te drukken, met Barcelona voorlopig als triest hoogtepunt.

Al jaren bestoken massa-media, politici en patroons ons met Euroforische propaganda. Twee jaar geleden, in haar actieplan te Lissabon, beloofde Europa volledige tewerkstelling tegen 2010 of 20 miljoen bijko-mende jobs. Dat moest de publieke opinie opwarmen voor de neo-liberale recepten van de éénmaking.

Die vereiste vooral beter op elkaar afgestemde economieën, onder meer via de Maastrichtnormen en later het Stabiliteitspact. Deze inspanning zou gecompenseerd worden door een “sociale nivellering naar boven”, door aan alle Europeanen de sociale voordelen te garanderen die gelden in die landen waar het sociaal weefsel het sterkst is.

De bevolking is altijd sceptisch geweest over die beloften. Enkel een aantal vakbondsleiders en hier of daar een groene of een sociaal-democratische politicus geloven nog in een sociaal Europa. Is het naïviteit of cynisme?

Wie weet. In Barcelona stonden de vakbonden alweer op straat: “Wij willen geen Amerikaans model, we willen het Europees sociaal model”, klonk het. Het was echter tekenend dat de vakbondsbetoging met haar 100.000 deelnemers ruim overtroffen werd door de 500.000 antiglobalisten aangevoerd door de campagne “Tegen het Europa van het Kapitaal”.

Barcelona heeft alle twijfels over de “sociale bedoelingen” van Europa weggenomen. Zelfs de aanwezigheid van de ministers van Sociale Zaken was een stap te ver voor de Spaanse voorzitter. Het was een voorbode van wat nog komen zou “om van Europa tegen 2010 de meest concurrentiële en dynamische kenniseconomie ter wereld te maken”. Het sociaal-democratisch vernislaagje had al plaats geruimd voor het “sociaal-liberalisme” van Verhofstadt.

Die combineerde een meedogenloos neo-liberaal economisch beleid met wat schijnbaar progressieve ethische standpunten. Door als EU-voorzitter in “dialoog” te treden met een selectie “andersglobalisten”, hoopte hij de economische tegenstellingen weg te masseren.

Barcelona vond zelfs Ver-hofstadt nog ‘te sociaal’. Diens poging om een mogelijke VS-aanval op Irak en het gebruik van kernwapens op de top aan te kaarten, viel in beschamen-de dovemansoren. Louis Michel kreeg dezelfde behandeling met zijn voorstel over Israël/Palestina.

Tot ongenoegen van de Britse syndicalisten hebben de Spaanse premier Aznar en diens Italiaanse collega Berlusconi in Blair (New Labour) de ideale partner gevonden voor een ultra-liberale as die opteert voor een frontale aanval op de verworvenheden van arbeiders en jongeren.

“Zonder verdere liberali-sering kan de volledige tewerkstelling tegen 2010 niet worden bereikt”, stellen ze. En dus komen er maatregelen: productiviteitsverhoging (met minder meer produceren), flexibeler arbeidsorganisatie (sneller afdanken) en optrekken van de feitelijke pensioenleeftijd met 5 jaar. Voor ieder logisch denkend wezen leveren die een verlies aan tewerkstelling op en geen bijkomende jobs.

Eveneens bovenaan de agenda in Barcelona stond de liberalisering van electriciteits- en gasdistributie. Officieel luidt het dat concurrentie de prijzen zal drukken. In de praktijk laat de privé-sector de infrastructuur verkommeren waardoor niet alleen de dienstverlening in het gedrang komt, maar op termijn de consument, hetzij als koper, hetzij als belastingsbetaler, er-voor opdraait.

Enkel Frankrijk bood weerstand. Dat heeft echter meer te maken met de nakende verkiezingen en de ijver om de positie van Electricité de France te versterken, dan met de bekommernis om sociale dienstverlening te garanderen.

Duitsland lag dwars over Europese regels betreffende bedrijfsovernames. Ook daar staan echter verkiezingen voor de deur, bovendien presteert de Duitse economie niet al te best. Zoals Le Soir schreef: indien er al een nuance nodig is, dan is het hooguit één tussen het ultra-liberalisme en het “sociaal-liberalisme”.

Arbeiders en jongeren zullen zelf een politiek verlengstuk moeten creëren om hun strijd op een hoger niveau te tillen. In de komende periode zal de strijd voor nieuwe arbeiderspartijen steeds meer op de agenda komen te staan. De vraag blijft hoelang de vakbondsbureaucratie dit proces kan afremmen. De LSP wil bijdragen tot dit proces als nood-zakelijke tussenstap naar massapartijen met een marxistisch programma.

Eric Byl