De Belgische beroepsbevolking is de meest productieve ter wereld. Volgens een studie van The Conference Board, een Amerikaans onderzoeksbureau, creëren de Belgische werknemers per uur arbeid de meeste toegevoegde waarde. Wat vroeger echter werd gebruikt als argument om loonstijgingen te rechtvaardigen, wordt nu aangegrepen om te pleiten voor een verdere deregulering van de arbeidsmarkt en een politiek van loonmatiging.
door Karl Debbaut
Het patronaat, de Nationale Bank, en de regering beweren dat de “hoge” loonkosten de ondernemingen onder druk zetten om arbeiders met een lagere productiviteit af te danken. Nog altijd volgens dezelfde redenering stijgt de gemiddelde productiviteit ten koste van de werkgelegenheid en de activiteitsgraad van onder meer de vijftig-plussers.
Ook het IMF probeert deze bizarre redenering ingang te doen vinden. In haar jaarlijks rapport stelt ze dat de hervorming van de arbeidsmarkt en het onder controle houden van de overheidsuitgaven de grootste uitdagingen voor de komende jaren zijn.
Dit offensief heeft niets te maken met een zogenaamd verband tussen productiviteitsstijgingen en de activiteitsgraad. De herstructureringen en afdankingen van de laatste maanden - 4.148 bij Belgacom, 1.400 bij Ford Genk, 1.400 bij Dexia, 225 bij Phillips Hasselt, 214 bij Henkel, ...- zijn niet het gevolg van de productiviteit van de Belgische arbeider, maar van een wereldwijde overproductiecrisis met een krimpende industriële productie (voor België -0,6% in 2001).
Het antwoord van het patronaat: snijden in de overproductiecapaciteit en versnellen van de aanvallen op de arbeidsvoorwaarden. Het patronaat wil naar een meer soepele arbeidsmarkt met lagere lonen. In ruil beloven ze zo goed te zijn om ook de minder productieve arbeiders een baan aan te bieden. Dat zou dan de activiteitsgraad ten goede moeten komen.
Deze kromme redenering moet verbergen dat het partonaat de uitbuitingsgraad wil opdrijven om voor zichzelf dezelfde vette winsten als in het verleden te garanderen.
Herman Michiel, BBTK-afgevaardigde bij Alcatel-Bell Antwerpen, gaf in een opiniestuk in De Standaard (12/03/02) een beeld van wat dit betekent bij één van de grootste multinationals in de ICT-sector: “Begin 2001 waren we wereldwijd met 113.000, eind 2001 met 99.000, en als de lopende herstructureringen zullen zijn afgerond, zijn het er nog 83.000. Alcatel Bell, het grootste Belgische filiaal, heeft zich in het afgelopen jaar van 600 werknemers ontdaan en begon 2002 met een nieuwe aankondiging van het collectief ontslag van 308 mensen”.
Tegenover dit sociaal bloedbad plaatst hij de winstcijfers. “Alcatel verhoogde in 2000 zijn omzet met 40% en verdubbelde zijn winst. In het crisisjaar 2001 daalde de omzet met 5% in vergelijking met het topjaar 2000.... Ter illustratie: Alcatels monster-verlies van 5 miljard euro in 2001 bestaat nog voor geen tiende uit echt operationaal verlies, maar bijna voor de helft uit herstructureringskosten”.
In haar strategie stoot Alcatel alle minder winstgevende activiteiten af en concentreert ze zich op de lucratiefste. Om dit mogelijk te maken moet de arbeidsmarkt zo flexibel mogelijk zijn, en de lonen zo laag mogelijk. Het is juist om die redenen dat het IMF er bij alle Europese regeringen, maar vooral bij de Belgische, op aandringt werk te maken van werkonzekerheid.
Het verwijt dat de opeenvolgende regeringen krijgen, is dat het Belgisch model van sociaal overleg te traag werkt. Groot-Brittanië en Nederland zijn de beste leerlingen van de kapitalistische klas. België en Duitsland de slechtste. In België werkt “slechts” 1 op vijf werknemers deeltijds, in Nederland is dat 41%. Het onbetaald presteren van overuren is een onvermijdelijk deel van de Britse werkomstandigheden geworden: Britse vrouwen presteren gemiddeld 1 uur en 20 minuten per week onbetaald overwerk, de mannen doen dat gemiddeld 2 uur per week. In Duitsland is dit respectievelijk 12 en 36 minuten.
Waar wil het Belgische patronaat naartoe? Een “actieve welvaartstaat” waarin de meerderheid van de werkende bevolking actief is aan lage lonen en onzekere contracten, en een erg kleine minderheid kapitalisten welvaart kent.