Met bovenstaande historische uitspraak pakt de ACOD uit op de voorpagina van haar aprilnummer van Tribune. Helaas, de wil om het raderwerk helemaal stil te leggen, is doorgaans ver te zoeken bij de vakbondstop. Die opteert meestal onmiddelijk voor stervensbegeleiding, hetzij door een sociaal plan te onderhandelen, hetzij door wat juridisch weerwerk of door een combinatie van beide. Gevolg: het defaitisme van de vakbondstop sijpelt door naar alle geledingen. Syndicale afgevaardigden weten dikwijls niet meer hoe ze kunnen reageren op het zoveelste “herstructureringsplan”.
Als zelfs een bedrijf als Sabena zomaar, als het ware zonder slag of stoot, kan verdwijnen, wat kunnen wij dan beginnen, luidt het. Terwijl heel wat syndicalisten zich dat afvragen, laat Vlaams minister van tewerkstelling Renaat Landuyt uitschijnen dat, op enige uitzonderingen na, de overgrote meerderheid van de Sabeniens intussen al elders aan de slag is. Eenzelfde fabeltje werd ons verteld na de sluiting van Renault. De achterliggende idee laat zich raden: het heeft geen zin om te vechten, binnen enkele maanden zijn we met zijn allen toch elders aan de slag. Er was een zelfmoord van een van de piloten nodig om opnieuw media-aandacht op te wekken. Wat blijkt? Niet eens een derde van de Sabeniens is al terug aan de slag en voor diegenen die toch een andere werkgever hebben gevonden, ging dat gepaard met een flinke inlevering en een ernstige achteruitgang van de arbeidscondities. Einde van de fabel.
Intussen moeten delegees verder roeien met de beschikbare middelen. Dat is niet eenvoudig: de keuze is vlug gemaakt als men moet kiezen tussen vervroegde op rust stelling en een onzekere toekomst in het bedrijf of tussen een afscheidspremie vandaag en een mogelijke totale sluiting morgen. Het vergt al een enorm vertrouwen in de voltallige delegatie om in die omstandigheden de strijd aan te gaan. Daarvoor moeten alle arbeiders regelmatig betrokken zijn bij de syndicale werking via een periodiek bedrijfskrantje of een syndikale nieuwsbrief, regelmatige toelichting tijdens of tussen de werkuren en algemene vergaderingen. Wie niet bereid is individuele arbeiders steeds bij te staan, zal er nooit in slagen alle arbeiders te mobiliseren, laat staan voor een lange periode. Bovendien moeten de delegaties van de diverse vakbonden elkaar kunnen vertrouwen dikwijls tegen hun secretarissen in.
Zelfs als al die voorwaarden vervuld zijn is een overwinning nog bijlange niet gegarandeerd. In het Genste buizenbedrijfje Carnoy werd meermaals wekenlang gestaakt, maar de patroon gaf geen duimbreed toe. De directie van het Aalsterse houtfineerbedrijf Coplac (zie kader) liet de vakbondsmlilitanten weten zich geen zorgen te maken over een langdurige staking. Twee jaar geleden staakte het Canadese zusterbedrijf Interforrest gedurende 8 maand zonder de minste toegeving. Kortom: als een staking geïsoleerd blijft in één bedrijf van een grotere groep (in het geval Carnoy de Nederlandse Koop en in dat van Coplac de Duitse groep Danzer), of tot één bedrijf in een regio, ben je er dikwijls aan voor de moeite. Dat vergt een bewuste politiek van de delegatie om goede internationale contacten te houden en tegelijk een goede samenwerking met andere bedrijven uit dezelfde sector in de regio.
Hoe bouw je zoiets op? Door de integratie van de vakbondstop in het staatsapparaat en de controle die de sociaal-democratie uitoefend op de structuren zijn strijdsyndicalisten meestal verplicht van nul af te beginnen. Een krachtsverhouding opbouwen is een werk van lange adem dat slechts mogelijk is door een bedrijf en haar syndicale delegaties te politiseren. Enkel dan heeft het zin een krachtsverhouding op te bouwen, eerst in het bedrijf, dan in de sector en tenslotte tussen de sectoren. De jongeren die vandaag radicaliseren in de anti-globaliseringsbeweging zullen hun strijd pas met succes kunnen afronden als we hen op dit werk kunnen oriënteren.