Politiek vacuüm vereist nieuwe arbeiderspartij

In de huidige, kapitalistische maatschappij wordt iedereen geacht om voor zichzelf op te komen. Ijverig studeren, hard werken, aanvaarden dat we niet zonder de bazen kunnen, enkel omkijken naar je eigen gezin of familie,… Dat zijn de normen die de traditionele partijen, de media en het onderwijs ons inlepelen, willen we mee zijn in het leven. Na de val van het voormalige Oostblok, in 1989, had het kapitalisme het pleit gewonnen.

Wie wees op de structurele werkloosheid sinds de crisis van de jaren ’70 was een negatief ingestelde achterblijver. Vakbondsstrijd, verzet tegen privatiseringen, verzet tegen flexibele werkuren en onzekere contracten (op maat van de productie en de winsten), verzet tegen stagnerende lonen en hardere werkdruk,… In de omgekeerde wereld van de jaren ’90 waren het tekenen van “conservatisme”. Net nu het collectivistische model, als je de tafelspringers van het kapitaal mocht geloven, zijn failliet had bewezen.

De sociaal-democratie trad in bijna heel Europa tot regeringen toe en voerde mee het afbraakbeleid door. Vandaag zijn deze partijen uitgehold en, met hoogstens wat verschillen in gradatie, verburgerlijkt. Kijk naar de klappen die de PS kreeg in Frankrijk tijdens de presidentsverkiezingen. Of naar de PVDA in Nederland: een historisch dieptepunt bij de recente verkiezingen. Maar ook de vakbondsleiding legde zich neer bij massa-ontslagen en privatiseringen. Geen wonder dat er, bij gebrek aan collectief instrument, werd uitgekeken naar individuele oplossingen.

Naarmate de kloof tussen arm en rijk groeit, wordt het deel van de bevolking dat zijn heil kan zoeken in individuele uitwegen voor de crisis steeds kleiner. Elke recessie sinds de jaren ’70 heeft een zwaardere last op de werkende bevolking gelegd. Deze onvrede en onzekerheid vertalen zich in de electorale successen van neofascisten als Le Pen in Frankrijk, of in de opgang van de rechts-populistische Lijst Pim Fortuyn in Nederland. Zij vullen, op een passieve manier, het vacuüm op dat door de sociaal-democratie en de vakbondsbureaucratie werd nagelaten. Ook de aanslag op Pim Fortuyn is een ontsporing die mee in de hand wordt gewerkt door het ontbreken van een massaal links alternatief, een nieuwe arbeiderspartij die het gevoel geeft dat er collectief kan worden teruggevochten.

We zien vandaag een polarisering - geen verrechtsing - in de maatschappij. In Frankrijk was er een uitgelezen kans om na de eerste ronde van de presidentsverkiezingen - met meer dan 10% voor de "trotskistische partijen" (LO en LCR), honderdduizenden jongeren op straat tegen Le Pen,… - een conferentie samen te roepen en de oproep voor een brede, linkse strijdformatie te lanceren. Enkele tienduizenden arbeiders en jongeren hadden verenigd kunnen worden in het embryo van een nieuwe, gefedereerde massapartij (met respect voor de eigenheid van de verschillende componenten). De reële krachtsverhoudingen op straat hadden verder kunnen worden ontwikkeld.

Voor de weigering om die kansen te grijpen, betaal je een prijs. Misschien niet onmiddellijk in ledenaantal, maar wel in het besef van onvermogen om tegemoet te komen aan de noden van de objectieve situatie. LSP en Internationaal Verzet grepen de kans met acties tegen Le Pen in Luik, Antwerpen en Gent. Dit vermogen om ideeën om te zetten in actie (en daar nieuwe lessen uit te trekken) zal van beslissend belang zijn in de vorming van een reëel instrument voor arbeiders en jongeren in strijd.

Peter Delsing