Boekbespreking: Nieuw radicaal rechts in Europa

De redactie van ‘De Standaard’ bracht een boek uit over radicaal rechts in Europa. Op zich is dit een belangrijke aanvulling van de boeken die reeds in het Nederlands uitgebracht zijn. Over Europees extreem-rechts was het intussen een tijdje geleden dat een boek uitkwam (“Zwarte Horizonten” van Jos Vandervelpen).

Het boek van ‘De Standaard’ probeert om een schets te brengen van de verschillende extreem-rechtse partijen en probeert er tevens een analyse van te maken. Op dat vlak wordt echter wat tekort geschoten. Het boek biedt hier en daar interessante informatie, ook al is het af en toe teveel gericht op het beschrijven van de sfeer. Maar op vlak van analyse kan er toch wat kritiek geleverd worden.

Volgens ‘De Standaard’ kan gesproken worden van “nieuw radicaal rechts” als overkoepelende term om neo-fascistische en populistische partijen te omschrijven. Die term houdt evenwel geen rekening met de belangrijke verschillen tussen pure populisten en neo-fascisten die gebruik maken van populisme om electorale doorbraken te kennen. Dat onderscheid kan voor burgerlijke commentatoren beperkt lijken, zij kijken immers niet verder dan het electorale spel. Maar voor anti-fascisten die een strategie naar voor willen brengen tegen extreem-rechts is het wel degelijk van belang. Een partij als de Lijst Pim Fortuyn is zoals wij steeds schreven een bijzonder oncoherent geheel waarbij niet geprobeerd wordt een stevig partijkader uit te bouwen dat bereid is om met straatgeweld haar politiek naar voor te brengen, maar waarbij enkel standpunten naar voor worden gebracht die goed in de markt liggen. Op basis van dat populisme kende die partij een doorbraak, maar nu is reeds duidelijk hoe onstabiel de LPF wel is. Dat vereist uiteraard een andere aanpak dan pakweg bij het Vlaams Blok dat recht uit de traditie van de collaboratie komt en jarenlang gebouwd heeft aan een partijkader dat ideologisch gevormd is.

Onder druk van de electorale vooruitgang op basis van een populistisch discours zien we echter dat een aantal neo-fascistische partijen sterke veranderingen ondergaan hebben. Zo biedt het boek ‘Nieuw radicaal rechts’ een interessant overzicht van de ontwikkelingen in Italië waar de omvorming van de MSI tot de “post-fascistische” Nationale Alliantie zelfs leidde tot de afsplitsing van een aantal radicale elementen onder leiding van Rauti. De partij van Rauti slaagt er niet in om een grote doorbraak te kennen, maar heeft wel een aantal partijkaders met zich mee gehaald. Anderzijds is de rechtse pool rond Berlusconi niet te beroerd om een electorale overeenkomst te sluiten met Rauti wat de neo-fascisten een parlementszetel opleverde in Sicilië. Ook interessant is hoe de Lega Nord van Bossi evolueerde van een populistische protestpartij tot een extreem-rechtse formatie. Tot eind jaren ’80 onderhield de Lega Nord goede contacten met de Volksunie in België. Ze profileerden zich als regionalisten zonder een duidelijke ideologische basis. Onder leiding van Bossi is het amalgaam dat de Lega Nord vormde uitgegroeid tot een radicale rechtse formatie.

Ook het stukje over Frankrijk is interessant om te zien hoe Le Pen het FN gevormd heeft. Hij was in de jaren ’50 reeds actief in de populistische beweging van Poujade, een onstabiele formatie gebaseerd op enkele standpunten tegen belastingen voor middenstanders. Die formatie werd gezien als anti-establishment en haalde in 1956 een sterke score op deze basis. De Poujadisten kregen steun van extreem-rechtse activisten als Le Pen, maar het bleef een brede en soms erg dubbelzinnige formatie. Het volstaat bijvoorbeeld om erop te wijzen dat Poujade zelf bij de eerste ronde van de voorbije presidentsverkiezingen zijn steun gaf aan Chévènement, een dissident van de Parti Socialiste... Wat meer aan bod had mogen komen in het stuk over Frankrijk is de samenstelling van de leiding van het FN en de MNR van Mégret.

De zwakheid van de analyse van ‘De Standaard’ wordt erg duidelijk in het hoofdstuk over Scandinavië. De auteur van dit hoofdstuk, Jorn De Cock, stelt zich de vraag hoe het komt dat er rechtse lijsten konden doorbreken in Noorwegen en Denemarken terwijl Zweden schijnbaar “gespaard” blijft. Hij verklaart dat vooral door de stelling dat de welvaartstaat in Zweden een soort “staatsideologie” zou zijn door iedereen gesteund wordt waardoor de sociaal-democratie er vandaag nog steeds erg sterk staat. De ‘Sverigedemokraterna’ (SD) mogen echter niet onderschat worden. Het is correct dat deze partij nog niet zo sterk doorgebroken is als de Dansk Folkesparti (Denemarken) of de Fremskrittparti (Noorwegen), maar dit is niet zozeer omwille van de objectieve situatie of de “mentaliteit” van de Zweden. De partij ‘Sverigedemokraterna’ is ontstaan uit een lange reeks afsplitsingen en hergroeperingen van radicaal rechtse groepen. Intern staat de partij erg zwak, wat een doorbraak moeilijker maakt. Een ander element is dat heel wat proteststemmen eerder gegaan zijn naar de ‘Linkse Partij’ (de omgevormde ex-communisten). De dubbelzinnige posities van die partij in een aantal strijdbewegingen of stadsbesturen waar ze mee in de coalitie zitten, maakt echter dat er wel degelijk een reëel gevaar is voor een doorbraak van een oppositiegroep als de Sverigedemokraterna. Het grootste nadeel van de SD is echter de directe link met de gewelddadige neo-nazi scene in het land. Zweden is het land met de grootste productie van ‘white power’-muziek. Er zijn tal van gewelddadige neo-nazi groepen actief die het geweld niet schuwen (zo werd eind jaren ’90 een bomaanslag gepleegd op een journalist en werd een vakbondsactivist vermoord). Dat wordt niet aanvaard door brede lagen van de bevolking, wat voor de SD een probleem is.

In het hoofdstuk over het Verenigd Koninkrijk (eigenlijk over Engeland) staat een interessant interview met Tony Robson van het magazine ‘Searchlight’. De centrale vraag in dit hoofdstuk is hoe het mogelijk was dat de extreem-rechtse BNP die jarenlang niet uit de marginaliteit kwam, nu plots goede scores behaalt in het Noorden van Engeland. Nochtans was de weg voor extreem-rechts in de jaren ’80 versperd volgens de socioloog Husbands: “Als premier rekende Thatcher af met de vakbonden en brak ze de macht van extreem-links, dat zich in het bestuur van grote steden had genesteld. Met haar vurig nationalisme sloot ze ook voor extreem-rechts de laatste toegangsweg naar de electorale macht af.” Robson van Searchlight legt uit hoe de BNP kan groeien: “Met New Labour is het al privatiseren wat de klok slaat. Bovendien wordt er fel besnoeid bij de posterijen en de lokale besturen, die de grootste werkgevers in de regio zijn. Het maakt de mensen angstig en onzeker. Ze kijken uit naar een alternatief. En zo komen ze bij de fascisten terecht.” De Conservatieven maken bovendien het racisme van de BNP aanvaardbaar door zelf geregeld een aantal racistische uitspraken naar voor te brengen.

Het hoofdstuk over Centraal Europa biedt een erg kort overzicht van radicaal rechtse partijen in landen als Roemenië of Slovakije. Dat is interessant omdat hierover bijna nooit iets verschijnt in de media. Er wordt in het boek wel zonder onderscheid naar verscheidene partijen verwezen om een algemeen ‘sfeerbeeld’ te schetsen, wat niet direct de opbouw van een serieuze analyse bevordert, maar wegens het gebrek aan informatie over populistische formaties in Centraal-Europa vormt het boek een nuttige eerste kennismaking.

Dat is eigenlijk wat de algemene indruk na het lezen van het boek. De stukjes zijn erg kort en daarom soms beperkt. Vooral in het stuk over België is dat erg duidelijk, voor een duidelijke kijk op extreem-rechts in België bestaan er veel betere boeken (voornamelijk die van Gijsels en van Spruyt). Daarnaast wil het boek teveel beschrijven zonder diep in te gaan op de achtergrond van leidinggevende extreem-rechtse figuren, het karakter van hun organisaties,... Het boek is een nuttige eerste inleiding, maar vraagt om meer uitgewerkt onderzoek.

Geert Cool