Het credo van Verhofstadt:
“Het gaat slecht, dus zal het beter gaan.”

De zogenaamde doelstelling van de regering-Verhofstadt om in de komende 4 jaar 200.000 jobs te creëren, gaat ervan uit dat je in slechte tijden een goede boodschap moet brengen, om het vertrouwen in de economie te doen stijgen. En dat zal dan automatisch tot verbetering leiden. Euh, niet echt!

Vandenbroucke: een sociale Minister van Arbeid?

Vandenbroucke heeft een aantal persoonlijke prioriteiten voor de Werkgelegenheidsconferentie die in september van start gaat: een extra inspanning voor de jeugdwerkloosheid, het fiscaal aantrekkelijk maken van eenvoudige klusjes en een strengere controle op de werkloosheidsuitkeringen.

Vandenbroucke wil al langer een strengere controle op de werklozen. Vooral langdurige werklozen hebben “zichzelf vastgereden in de werkloosheidsval”. Dus moeten we hen eruit schoppen, zo luidt het. Nochtans groeit de langdurige werkloosheid (+ 1 jaar) opnieuw sinds midden 2002, voor jongeren met 12,5% (tussen maart 2002 en maart 2003) en voor ouderen zelfs met 33%. En vandaag zijn er opnieuw meer dan 6 werklozen per openstaande vacature. Werkloosheid kan niet opgelost worden door de werklozen te pesten, maar enkel door de creatie van jobs.

Ook het zoveelste jongerenbanenplan zal niets meer opleveren dan nog goedkopere arbeiders voor de bedrijven. En wie “klusjes” per se als jobs wil beschouwen, moet zelf eens proberen te overleven op het loon dat je daarvoor krijgt. Het opzetten van lokale diensten voor huishoudelijk werk, met de aanwerving van statutaire, voltijdse werknemers aan degelijke lonen, zou integendeel wel een ernstige bijdrage kunnen leveren aan de creatie van zinvol werk. Maar zo sociaal is Vandenbroucke nu ook weer niet…

Naar een hervorming van de arbeidswetgeving?

Er is erger dan Vandenbroucke, Marc De Vos (docent arbeidsrecht aan de Universiteit Gent) bijvoorbeeld. Het is evenwel belangrijk om de rolverdeling tussen academici en politici te zien. Wat De Vos stelt, is immers te aanstootgevend. Maar hij biedt dan weer de mogelijkheid om voorstellen die afbraak inhouden voor te stellen als “niet zo erg als”.

Marc De Vos over de arbeidswetgeving: “zij ademt de geest van een vervlogen tijd: die van voltijdse banen, met vast loon en vaste arbeidsduur” (een job zoals de zijne, feitelijk). En de huidige arbeidsmarkt moet het hebben van tijdelijke arbeid, deeltijdarbeid, flexibele uren, variabel loon,… Zijn oplossing voor de werkloosheid: “vertrouwen op de daadkracht van vrij ondernemend België” (terwijl die “daadkracht” zich vandaag vooral uit in massale ontslagen!). Het streven naar volledige tewerkstelling via normen opgelegd door de overheid klasseert hij onder “neo-communisme”. En hij is blij dat Vandenbroucke een “moderne socialist” is, die dus “beter weet”.

Kan werk gecreëerd worden door de afbraak van alle rechten van de werkenden?

Integendeel! De arbeidswetgeving werd net in het leven geroepen door de strijd van de werkenden om de arbeiders te beschermen tegen de steeds terugkerende crises; het bood werkzekerheid, degelijke lonen en dus bestaanszekerheid. De laatste twee decennia levert de burgerij hierop een niet aflatende aanval. Wat Marc De Vos en Vandenbroucke onderscheidt, is niet de essentie, maar het tempo.

Zoals de moderne (post-) feministen geen feministen zijn, zijn de “moderne” socialisten geen socialisten. Vandenbroucke vertrekt evenmin vanuit de belangen van de loontrekkenden en hun gezinnen. Zijn doel is crisisbeheer in dienst van het patronaat. Hij heeft het rookgordijn van progressief klinkende voorstellen nodig om zijn fundamenteel asociale maatregelen te verbergen.

België heeft een periode van quasi volledige tewerkstelling gekend, net voor het begin van de wereldwijde depressie (een langdurige periode van economische achteruitgang, waarin de conjuncturele bloeiperiodes niet in staat zijn de schade die is toegebracht door de periodes van achteruitgang goed te maken) in 1973-‘74. In zo’n situatie kan de arbeidersklasse (alle loontrekkenden en hun gezinnen) hoge lonen, goede arbeidsvoorwaarden en werkzekerheid afdwingen. Het patronaat sloeg dan ook in paniek. In de loop van de daaropvolgende kwarteeuw werden vrouwen, jongeren en migranten geïntegreerd in de arbeidsmarkt om zo opnieuw een arbeidsreserveleger te creëren dat toelaat de lonen en arbeidsvoorwaarden voor alle arbeiders onder druk te zetten.

België kent een structurele werkloosheid die al zo’n 10 jaar rond het miljoen mensen ligt, alle categorieën samengeteld. Geen enkele maatregel van de laatste 20 jaar heeft hierin verandering gebracht. Wel werden mensen massaal verdreven uit de statistieken, honderdduizenden werden van hun uitkering beroofd. De vakbonden mogen geen duimbreed toegeven tegenover de campagne voor de afbraak van het arbeidsrecht – iedere toegeving zal betaald worden met het zweet en de tranen van de huidige en vooral de nieuwe generaties van werkende mensen.

Als Vandenbroucke een “moderne” socialist is, staat LSP het “oude” socialisme voor: de denk- en handelswijze die vertrekt vanuit de belangen van die bevolkingsgroep (de meerderheid, overigens) die alle rijkdom produceert om ze in het kapitalistische stelsel af te geven aan de minieme minderheid van kapitaalbezitters. De arbeidswetgeving stopt die uitbuiting niet, maar legt ze normen op. Een socialist streeft ernaar die normen te behouden en uit te breiden. En hij/zij streeft naar een systeem waarin die roof van maatschappelijke rijkdom niet langer kan gebeuren en waarin de werkende bevolking die rijkdom democratisch kan beheren in dienst van de volledige samenleving.


Anja Deschoemacker