De Iraakse crisis heeft de kwestie van oorlog opnieuw op de agenda gezet. Niet dat oorlog voordien een zeldzaam verschijnsel was. De laatste 50 jaar waren er honderden gewapende conflicten, het merendeel in de koloniale of ex-koloniale wereld. Sinds de oorlog in Vietnam heeft men echter nooit meer zo’n massale mobilisatie tegen de oorlog gezien. Honderden miljoenen mensen, op de 5 werelddelen, hebben herhaaldelijk tegen de start van deze oorlog betoogd. De oorlog tegen Irak heeft een enorme bezorgdheid doen ontstaan bij iedereen. Zeker en vast in het noordelijk halfrond van de planeet, dat de laatste decennia in grote mate van oorlogen werd gespaard.
De anti-oorlogsbeweging had als voornaamste slogan "geen oorlog om olie!". De vertegenwoordigers van de oliemultinationals wezen op het "simplisme" van deze slogan door hypocriet te stellen: "het eenvoudigste middel voor de Amerikanen om de Iraakse aardolie te verkrijgen zou zijn door hem te kopen". De oliemultinationals proberen natuurlijk de relatie tussen oorlog en de kapitalistische economie, waarvan zij een pijler zijn, te verdoezelen. De multinationals zullen, voor het oog van de Iraakse bevolking, dankzij de oorlog de olie zomaar in hun supertankers kunnen overtanken! Wat we moeten begrijpen, is de rol die olie speelt in de strategie van de Bush-administratie om de huidige crisis van het kapitalisme af te wenden.
Het wereldkapitalisme heeft een uitzonderlijk lange periode van economische groei gekend na de Tweede Wereldoorlog. In werkelijkheid was deze groei niet te wijten aan de deugden van het kapitalisme, maar wel aan de verschrikkelijke vernielingen van de Tweede Wereldoorlog. Deze oorlog heeft tijdelijk de crisis van overproductie van de jaren ‘30 "opgelost" door de overtollige productiecapaciteit te vernietigen (fabrieken, communicatiewegen, infrastructuur,...).
Tegelijkertijd heeft de arbeidersklasse een aantal concessies van de kapitalisten kunnen afdwingen. Maar het begin van de jaren ‘70 heeft het kapitalisme in een nieuwe crisis gestort. De directe aanleiding was weliswaar de plotse stijging van de olieprijzen als gevolg van de Yom Kippoer-oorlog in ‘73, maar de echte reden was de zwakte van het winstpercentage. Het verschil tussen de investeringen en de verkoop van de producten was te klein geworden om de accumulatie van het kapitaal te waarborgen, mede door de uitbuiting van de arbeidersklasse (de toeëigening van meerwaarde).
De kapitalisten moesten dus de verworvenheden van de werkende klasse terugdringen. Dat gebeurde in de jaren ‘80 met de neoliberale regeringen van Reagan, Thatcher, Martens, Kohl, enz. De privatiseringen, de hogere flexibiliteit, de loonmatiging, het snijden in de sociale budgetten,… heeft voor een lichte opleving van de economie in de jaren ’90 gezorgd.
De beurs scheerde hoge toppen. De kapitalisten hoopten te anticiperen op de toekomstige winsten die ze zouden maken, wat de waarde van de beurs deed stijgen. Veel arbeiders, vooral in de Verenigde Staten, hebben zich in de schulden gestoken om hoog gewaardeerde aandelen te kunnen kopen. Maar de aanvallen op de levensstandaard van de bevolking hebben de consumptie ondermijnd. De verwachte winsten bleken onrealistisch en de beurskoersen kenden een vrije val. Het kapitalisme wordt opnieuw geconfronteerd met een crisis van overproductie: de ondernemingen slagen er niet meer in om hun goederen te verkopen, ze moeten hun overproductiecapaciteit afbouwen en dus ook grote groepen arbeiders ontslaan.
De Bush-administratie probeert wanhopig om uit deze crisis te geraken. Maar haar bewegingsruimte wordt beperkt. Bush heeft protectionistische maatregelen getroffen om de Amerikaanse ondernemingen te beschermen, maar op die manier krijgen die ook tegenmaatregelen van Japan en de Europese Unie. Hij heeft de belastingen sterk laten dalen om de consumptie opnieuw op gang te brengen, maar de zware besparingen in de sociale uitgaven neutraliseren die belastingverlaging.
Het onvermogen om de binnenlandse problemen aan te pakken heeft Bush ertoe gebracht om de crisis van het Amerikaanse kapitalisme te exporteren. Het gaat erom de krachtsverhoudingen op wereldvlak in het voordeel van de Amerikaanse economie te wijzigen, door de militaire superioriteit van de VS uit te spelen.
De duizelingwekkende stijging van de militaire uitgaven die dat met zich meebrengt, maakt het voor een aantal sectoren van de Amerikaanse industrie eveneens mogelijk om hun productie opnieuw aan te zwengelen. Vandaar ook de theorie van de "preventieve oorlog", die de VS de mogelijkheid moet bieden om een land aan te vallen omdat de fundamentele belangen van "de Amerikanen" op het spel staan.
De oorlog in Irak is slechts de eerste in een reeks van neo-koloniale oorlogen, met als doel een nieuwe verdeling van de wereld in het voordeel van de VS op te leggen. Door de controle over Irak te verwerven wil het Amerikaanse imperialisme een daling van de olieprijs doorvoeren. Dit door een vervier- of vervijfvoudiging van de productie van de Iraakse ruwe aardolie. Het is noodzakelijk om de energierekening van de Amerikaanse ondernemingen te laten dalen. Dat veronderstelt dat er met de OPEC moet worden gebroken.
Om de winsten van de Amerikaanse oliemultinationals te garanderen moet Bush ook de positie van de Franse en Russische multinationals in het Midden-Oosten ondermijnen. Het gevolg is een groeiende spanning tussen de verschillende imperialistische machten, die op termijn tot nieuwe oorlogen tussen hen zou kunnen leiden. De huidige crisis van het kapitalisme, zoals die van de jaren ‘30, vindt zijn conclusie in oorlog.
Enkel een socialistische samenleving, die de huidige concurrentie vervangt door een democratische planning van de economie, zal deze tegenstellingen kunnen opheffen. De reorganisatie van de economie, onder controle van de bevolking en in dienst van de collectieve behoeften, zou de mogelijkheid creëren om voor eens en voor altijd een einde te stellen aan oorlogen. Er zou geen enkele fundamentele reden meer zijn voor oorlog.
Thierry Pierret