De arbeidersklasse en de socialistische revolutie
Hoe de samenleving veranderen? Wat is de rol daarbij van de arbeiders? Hoe kunnen we de link leggen tussen radicaliserende jongeren en de arbeiders? Hoe kunnen we ons op een democratische en efficiënte wijze organiseren? Dat zijn een aantal belangrijke vragen waarop wordt ingegaan in een aantal artikels die vandaag en morgen op deze site verschijnen. |
Mei '68
Wanneer mei ‘68 in de media aan bod komt, wordt er soms gesproken over een "studentenopstand". Het is daarom belangrijk om erop te wijzen dat het voornaamste van de gebeurtenissen in mei ’68 de revolutionaire crisis was die in Frankrijk woedde.
Die begon inderdaad met een studentenopstand. Het Franse kapitalisme, in volle expansie, had vele geschoolde arbeidskrachten nodig, vooral in sectoren als de scheikunde, de luchtvaart of de kernenergie. Men opende daarom de deuren van de universiteiten, ook voor jongeren uit de arbeidersklasse.
De universitaire infrastructuur had echter de tijd niet gehad om zich aan te passen: er was gebrek aan ruimte in de gebouwen, in de universitaire woonplaatsen en de studentenrestaurants. Er was dus een ontevredenheid van de massa van de studenten over de materiële voorwaarden waaronder zij moesten studeren.
Anderzijds was een deel van de jeugd gepolitiseerd door de Cubaanse revolutie en de oorlog in Vietnam. Een minderheid van kritische studenten bracht de ideologische functie van de universiteit in gevaar, die ze - als toekomstige kaders in de ondernemingen - voorbereidde om de "waakhonden" van het kapitalisme te worden.
De ontevredenheid onder de arbeidersklasse was ook groot. Generaal De Gaulle had zich op de macht van het leger gebaseerd toen hij in 1958 aan de macht kwam. De grondwet was zodanig gewijzigd dat ze hem de volledige macht gaf. Een hoop besparingsmaatregelen werden opgelegd aan de arbeiders, die er van overtuigd geraakten dat 10 jaar met De Gaulle toch wel een lange periode was. Het buskruit was klaar. Het was enkel nog de ontsteking die ontbrak.
Op 3 mei 1968 verzamelden 600 studenten op het plein van de Sorbonne (de universiteit in het centrum van Parijs) om te protesteren tegen het feit dat enkelen onder hen, gezien als "agitatoren", voor de disciplinaire raad van de universiteit moesten verschijnen. De rector deed beroep op de CRS, de oproerpolitie, om de 600 studenten tegen te houden. Duizenden studenten kwamen spontaan vanuit de hele wijk om de politie te trotseren en de straten te bezetten.De autoriteiten beslisten om de universiteit te sluiten. De gevreesde CRS bezette op militaire wijze de Latijnse wijk.
De volgende dagen protesteerden de studenten massaal tegen de repressie en op 10 mei namen ze deel aan de herovering van de Latijnse wijk. Ze wierpen tientallen barricades op in de omgeving van de universiteit. Het gevecht duurde de hele nacht en maakte meer dan 600 gewonden.
De repressie leidde tot een solidariteitsbeweging onder de arbeiders. De Communistische Partij, zeer machtig in die tijd (20% bij de verkiezingen!), verraadde de "ultralinkse, pro-vocerende studenten" omdat de communistische studentenvakbond voorbij werd gestoken door meer radicale elementen.
Omwille van de repressie tijdens de nacht van de barricades waren ze echter verplicht om samen met de CGT (de vakbond die destijds volledig gecontroleerd werd door de CP) een betoging te organiseren.. Op 13 mei waren er 1 miljoen betogers, studenten en arbeiders, in de straten van Parijs. De algemene staking brak spontaan uit en verspreidde zich over heel Frankrijk. In enkele dagen tijd waren er miljoenen stakers.
Verschillende fabrieken werden bezet door de arbeiders. De marxistische organisaties, numeriek zwak en hoofdzakelijk ingeplant onder de studenten, probeerden contact te leggen met de arbeiders in strijd. De CGT en CP trokken echter een "cordon sanitaire" op rond de fabrieken, in een poging om de contacten tussen arbeiders en geradicaliseerde studenten te verhinderen.
De CGT en het patronaat, volledig in paniek, onderhandelden koortsachtig over een sociaal akkoord om de arbeiders te kalmeren en de staking te beëindigen. In de fabrieken van Renault Billancourt, waar de CGT en de CP domineerden, verwierpen de arbeiders het akkoord omdat het onvoldoende was. De staking ging dus verder in heel Frankrijk. Na enkele weken was het land volledig lam gelegd. Gedurende 2 dagen was er geen macht die het officiële gezag kon claimen.
De Gaulle, vertrokken naar Duitsland, raadpleegde de Franse generaals om zich te verzekeren van hun steun. Hij wou de burgerlijke orde, indien nodig, herstellen met het leger. Hij keerde terug naar Parijs, gesterkt door de steun van het leger, en kondigde verkiezingen aan.
De CP en de CGT gebruikten de nabijheid van verkiezingen als excuus om de staking stil te leggen. Desondanks ging de staking op verschillende plaatsen nog 2 weken door. Er waren gewelddadige confrontaties tussen arbeiders en de oproerpolitie. In de fabrieken van Peugeot in Sochaux doodde de politie 2 arbeiders. Midden juni werd duidelijk dat de revolutionaire situatie, door het gebrek aan een revolutionaire leiding, niet geleid had tot een overwinning van de arbeiders en studenten. Veel arbeiders gingen terug aan het werk, met het gevoel dat ze een belangrijke kans hadden laten liggen. De middenklasse, bij gebrek aan een besliste leiding van de arbeiders schrik aangejaagd door de revolutionaire crisis, stemde massaal voor de gaullistische partijen.