Samen met de bommen op Bagdad barstte er meteen een protestbeweging los tegen de oorlog in Irak. De LSP wil binnen die beweging een discussie voeren over de fundamentele oorzaken van oorlogen. Is er een kapitalisme mogelijk zonder verwoestende conflicten? Waarom moet je een antikapitalist en socialist zijn om oorlogen definitief te kunnen stoppen?
> Concurrentie tussen natiestaten
De heersende klasse in deze maatschappij, de burgerij die de grote bedrijven bezit, duwde de beschermers van het middeleeuwse grootgrondbezit van hun troon. Ze maakte op een revolu-tionaire manier komaf met de versnipperde, door toltarieven en aparte munten van elkaar gescheiden feodale koninkrijken. In de plaats verschenen er grote, van 1 munt en - bij voorkeur - 1 taal voorziene natiestaten.
De politieke machthebbers die de belangen van de burgerij beheren, blijven gedwongen om de belangen van hun burgerij tegen die van andere landen te verdedigen. In een systeem gebaseerd op de concurrentie tussen kapitalistische bedrijven, met het eeuwige opdrijven van de omzet en de winst dat daaruit voortkomt, betekent dat een permanente zoektocht naar nieuwe markten en terreinen om te investeren.
WO1 was een gevolg van de concurrentie tussen kapitalistische landen om een zo groot mogelijk deel van de wereldmarkt voor zichzelf toe te eigenen. Duitsland was veel later industrieel ontwikkeld dan Groot-Brittannië. Op het moment dat de Britten, Fransen en andere vraatzuchtige imperialisten Afrika en grote stukken van Azië onder elkaar verdeelden, in de jaren 1870, concentreerde Duitsland zich nog op het lanceren van de eigen industrie.
In 1914 bezit Groot-Brittannië kolonies met een gezamenlijke oppervlakte die 11 keer groter is dan de kolonies van Duitsland - en met 393 miljoen inwoners, tegenover een magere 12 miljoen. De opkomende economische reus Duitsland voelt zich beroofd van nieuwe investeringsmogelijkheden, markten en de toegang tot goedkope grondstoffen. Tegelijkertijd groeit de Duitse export tussen 1875 en 1913 met een viervoud, terwijl de Britse iets meer dan verdubbelde. Toegenomen concurrentie op de wereldmarkt is het gevolg.
Dit vertaalde zich ook in een groeiende militarisering. De Duitse zeevloot wordt snel uitgebreid. Kanonnenproducent Krupp groeit zienderogen. De uitgaven voor het Britse leger zullen in de 2 decennia voor WO1 meer dan verdubbelen. Vandaag staat Halliburton, het bedrijf waar vice-president Cheney van de VS nog altijd een pak aandelen heeft, op de eerste rij om Irak na het bommentapijt "herop te bouwen".
Groeiende koloniale conflicten, militarisering, tegenover elkaar staande allianties in Europa, een uitputting van de winstmogelijkheden in de kolonies en een economische crisis die de werkloosheid in 1913-14 opnieuw opdreef: WO1 was het gevolg van de moordende wedijver tussen rivaliserende kapitalistische staten.
De sociaal-democratische "Socialistische Internationale", die in 1907 nog had opgeroepen voor een algemene internationale staking tegen een oorlog, trekt in 1914 haar staart in. Ze stelt daardoor de arbeiders en hun gezinnen bloot aan een afzichtelijke, 4 jaar durende slachting. Dit toont de verantwoordelijkheid die de vakbondsleiders ook vandaag op hun schouders dragen. Zonder stilzwijgende medeplichtigheid van de pro-kapitalistische "arbeidersleiders" is een oorlog om prestige en olie niet mogelijk.
> Onoplosbare tegenstellingen van de kapitalistische markt
Het imperialisme liet de kapitalisten toe om zich uit de Grote Depressie van 1873-1896 te trekken, toen er sprake was van overcapaciteit tegenover de trager groeiende markt (omwille van de ondermijning van de koopkracht). Maar het leidde tot de onvermijdelijke clash van 1914-18: een kapitalist kan nu eenmaal niet beslissen om niet meer te streven naar omzetstijging en maximale winst - de concurrentie hijgt steeds in de nek.
In de jaren ’20 zou de crisis van het systeem, dat zelfs in de laatste 2 jaar voor WO1 op zijn adem trapte, zich opnieuw in een crisis van overproductie manifesteren.
De kapitalist puurt zijn meerwaarde niet uit de inzet van machines of grondstoffen, waarvan hij de waarde gewoon verrekend in de prijs van zijn eigen product, maar uit de onbetaalde meerarbeid van de arbeidersklasse. De arbeidskracht is de enige waar die meer waarde voortbrengt dan ze zelf kost, in de vorm van het loon. Mensen worden niet betaald voor de volle 8 uur dat ze werken: ze werken een stuk om zich in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, en een stuk om de kapitalist zijn winsten te bezorgen.
Deze uitbuiting zorgt ervoor dat de meerderheid van de bevolking niet in staat is om alle producten en diensten op te kopen die ze zelf heeft voortgebracht. Het fundamentele probleem in de jaren ’20 was dat de groei van de lonen achterliep op de toename van de productie. Tussen 1920 en 1929 stegen de uurlonen in de industrie in de VS met 2%, terwijl de productiviteit van de arbeiders toenam met 55%. Dit zorgde voor een erg ongelijke verdeling van de rijkdom.
Tegelijkertijd zag je toen ook een andere tendens binnen het kapitalisme aan het werk: de productie van kapitaalgoederen groeide in de jaren ’20 meer dan dubbel zo snel dan de productie van consumptiegoederen. Onder druk van de competitie investeren de kapitalisten meer en meer in machines die de arbeidsproductiviteit moeten opdrijven (om de concurrentie uit de markt te kunnen prijzen), terwijl het enkel uit arbeidskracht is dat ze meerwaarde puren. Wat de winst aantast.
De voordelen van het inzetten van arbeids- en dus kostenbesparende technologie (in een lagere prijs en vergroot marktaandeel), worden meestal snel weggevlakt doordat de rest van de kapitalisten verplicht is dezelfde technologische vernieuwingen door te voeren. Als de markt niet fors genoeg groeit, staan de winsten opnieuw onder druk.
De crisis van ’29 was de diepste kapitalistische crisis tot dan toe: tussen ’29 en ’32 daalde de industriële wereldproductie met 36,2%, de werkloosheid in de VS steeg tot 25%, de lonen zakten er met 1/3 tot 1/4. In Duitsland explodeerde het onbetekenende stemmenaantal van de nazi’s - voor ’29 een lachwekkende verzameling tafelspringers - van 2,6% in mei ’28 naar 37,4% in juli ’32. Dit was mede het gevolg van het misdadige verraad van de sociaal-democratische en stalinistische "arbeidersleiders", die weigerden de potentiële kracht van de arbeidersklasse in een strijd om de macht te gebruiken, en plaveide de weg voor een desastreuze WO2.
> Oorlog om olie en prestige
Sinds het midden van de jaren ’70 kampt het wereldkapitalisme opnieuw met een overproductiecrisis. Tragere groei, in vergelijking met de jaren ’50 en ’60, gaat gepaard met structurele werkloosheid, daling van de reële lonen, ondermijning van de sociale zekerheidsbijdragen, verhoogde werkdruk en flexibele werkuren. De reële werkloos-heid in België nam met iedere recessie sinds ’74 toe, en zakte in periodes van groei niet meer tot onder het niveau van voor de voorgaande crisis. De crisis wordt dus, zoals Marx had voorspeld, met iedere recessie erger. Het probleem met het ka-pitalisme is dat iedere maatregel die de kapitalisten nemen om hun winstvoet te herstellen, de kloof tussen de productie en de koopkracht van de meerder-heid van de bevolking enkel groter maakt. Schuldopbouw bij de staat, de gezinnen en de bedrijven schuift de problemen enkel tijdelijk vooruit.
De instabiliteit en erger wordende crisissen van het kapitalisme zorgen ervoor dat oorlogen binnen dit systeem onvermijdelijk zijn. Bush wil de crisis van de VS-economie exporteren door internationaal de krachtsverhoudingen te veranderen. Controle over de oliereserves in Irak en het Midden-Oosten zou een machtig wapen vormen tegenover kapitalistische concurrenten. Door de olieprijzen te drukken, kunnen de multinationals echter hoogstens tijdelijk de druk op hun winsten verminderen.
De echte bedreiging voor het VS-imperialisme zal uiteindelijk niet bestaan uit de dictators die dit rot systeem creëert, maar uit een wereldwijde beweging van de arbeidersklasse en de onderdrukten. Enkel in een democratisch geplande economie kan je de productie baseren op vrijwillige, internationale samenwerking en kunnen de verspillende crisissen van het kapitalisme worden vervangen door een beredeneerde discussie over evenwichtige ontwikkeling in een socialistische economie.
Peter Delsing