De idee dat een oorlog tegen Irak er een is om olie is breed verspreid. Bush maakt gebruik van 11 september en de aanvankelijke steun voor de “oorlog tegen het terrorisme” om een zijweg in te slaan. Hij wil de 2e grootste oliereserves op wereldvlak binnenrijven. Zeker nu de grootste producent, Saoedi-Arabië, met een politieke crisis wordt bedreigd.
Niet in staat om beursschandalen, groeiende werkloosheid en de kloof tussen arm en rijk in eigen land op te lossen, moet goedkope olie uit Irak (en de winsten die daarmee samenhangen) een uitweg bieden. De politieke en economische problemen die met een oorlog verbonden zijn, worden door de regering-Bush duidelijk onderschat. De partij van Bush, de Republikeinen, is wellicht niet vergeten hoe de scherpe prijsdaling van olie in de jaren ’80 de economie er - erg tijdelijk - weer bovenop hielp.
In de plaats van de “lichte ongemakken” die Bush op weg naar controle over Iraks oliereserves ziet opduiken, zou er wel eens een economische en politieke explosie in de pijplijn kunnen zitten. Het Amerikaanse kapitaal is overmoedig geworden door de hoogtechnologische, relatief bloedeloze “successen” in Afghanistan, Kosovo en de Golfoorlog van ’91.
De regering-Bush heeft vooral geen flauw benul van de enorme maatschappelijke kracht die de arbeidersklasse nog steeds bezit, ook na de moeilijke jaren ’90 en de val van het stalinisme.
Hieronder beschrijft Peter Delsing een overzicht van het toenemende belang van de Perzische Golf in de energie- en winstberekeningen van de westerse grootmachten.
Rond het begin van de 20e eeuw begint olie steeds belangrijker te worden in de westerse energievoorziening. Met olie geraakt de Britse zeemacht 8 keer verder dan met dezelfde hoeveelheid kolen. En wie de zeeën controleert, controleert de wereld.
80% van de olie van de geallieerden tijdens WO 1 is afkomstig uit de VS. In 1870 wordt de gigant Standard Oil Company opgericht, verbonden met de naam van miljardair Rockefeller. Na de oorlog gaan de Britten naarstig op zoek naar alternatieven, om hun afhankelijkheid van de VS - een kapitalistische concurrent - af te zwakken.
In 1909 hadden de Britten al de Anglo-Perzische Olie Maatschappij opgericht. Als meerderheidsaandeelhouder rijft de Britse regering enorme sommen binnen op basis van olie-concessies in het huidige Iran. Het lokale bewind van de Sjah (die zelf op de loonlijst van de Britten staat) krijgt 16% van de nettowinst. In ruil voor leningen van het westerse kapitaal hadden Fransen, Britten en Duitsers zichzelf de bodemrijkdommen, spoorwegen en havens van het Midden-Oosten toegeëigend. De rijkdom van deze landen werd brutaal leeggezogen.
In 1916 stellen de Britten en Fransen een geheim plan op om het Ottomaanse rijk na WO1 onder elkaar te verdelen. Tijdens de Conferentie van San Remo, in 1920, sluiten ze een niet officieel akkoord om de hele olieproductie van het Midden-Oosten onder elkaar te verdelen. De Volkenbond, de voorloper van de huidige VN, deelt de rijpe brokken van het Ottomaanse rijk als “mandaten” uit aan Groot-Brittannië en Frankrijk.
Grenzen worden kunstmatig getrokken, bevolkingsgroepen op religieuze en etnische basis tegen elkaar uitgespeeld, dictatoriale koningshuizen doen dienst als lokale stromannen. Als de Britse, imperialistische diefstal in Irak in het gedrang komt door een volksopstand in 1920, is het antwoord moordend. Staatssecretaris voor Oorlog Winston Churchill “begrijpt de gevoeligheid voor het gebruik van gas niet”. Immers, “het zou een levendige terreur verspreiden en tegelijkertijd geen serieuze, permanente effecten voor de meeste getroffenen nalaten”.
WO1 had druk uitgeoefend op de reserves, na de oorlog stijgt de vraag onder meer door het groeiende autovervoer. Tegelijkertijd groeide bij de Amerikaanse kapitalisten de vrees dat hun eigen oliebronnen niet meer zouden volstaan.
Tussen 1938 en 1955 stijgt de ruwe olie die Standard Oil en Texaco uit Saoedi-Arabië pompen van 67.000 ton naar 47 miljoen ton! Eveneens in 1938 beginnen de Anglo-Perzische Olie Maatschappij en Gulf Oil met de ontginning in Koeweit.
De Britten moeten door de dekolonisatie wel terrein prijsgeven. In de jaren ’60 en ’70 steunen de Amerikanen op Saoedi-Arabië en Iran, de grootste olieproducenten in de regio, om hun belangen veilig te stellen. Het zijn allebei corrupte regimes waar de democratische rechten van de bevolking niets waard zijn. In 1979 wordt het onderdrukkende regime van de Sjah omvergeworpen door een revolutie, waarbij islamfundamentalisten het vacuüm opvullen. Het is een soortgelijk scenario waar de VS vandaag in Saoedi-Arabië voor huiveren.
De VS hebben in het Midden-Oosten 2 doelstellingen. De veiligheid van Israël garanderen als betrouwbaar steunpunt voor het imperialisme in de regio, in de strijd om invloed en markten met de stalinistische Sovjetunie. Israël was ook een dam tegen het Arabische nationalisme van figuren als Nasser (die in ’56 het Suez-kanaal had genationaliseerd). Anderzijds, de toevoer van olie naar de eigen economie blijven garanderen en de prijzen hiertoe manipuleren met behulp van Saoedi-Arabië en andere bevriende Golfstaten.
In 1960 wordt de OPEC op-gericht in Bagdad, aanvankelijk bestaande uit Iran, Irak, Saoedi-Arabië, Koeweit en Venezuela. Na de olieschok van 1973 stijgen de prijzen van 2,90 dollar per vat naar meer dan 11 dollar. Tot verbijstering van de kapitalistische grootmachten is het “oliewapen” een feit. De OPEC had een olie-embargo uitgevaardigd om te protesteren tegen de steun van de VS aan Israël, dat de Palestijnen gewelddadig onderdrukt. Tijdens de 2e olieschok, tussen ’78 en ’80, stijgt de prijs per vat van 13,34 dollar naar 32,81 dollar!
Een belangrijke factor in de economische crisis van begin jaren ’80. De “oliecrisis” was echter niet de fundamentele reden voor de overproductiecrisis van het kapitalisme sinds het midden van de jaren ’70. Ze was hoogstens de directe aanleiding.
Na de islamitische revolutie in Iran in 1979 verhoogden de VS hun zichtbare aanwezigheid in de Golfregio, o.a. met de instelling van een Rapid Deployment Force. Er zou niet alleen steun gegeven worden aan bondgenoten, directe interventie om de olietoevoer te verzekeren stond op de agenda.
Vooral Irak - met de inval in Koeweit in ’90 - en Iran werden in de jaren ’90 gezien als lokale concurrenten, na het weg-vallen van de Sovjetunie. Ondertussen groeide de voedingsbodem voor terrorisme en islamfundamentalisme, als uitwassen op de ellendige, maar VS-vriendelijke dictaturen. De poging van de VS-haviken om het Midden-Oosten zogenaamd te “democratiseren” zal eerder eindigen in de vestiging van meer afhankelijke, westers gezinde dictaturen in Irak, Iran, Syrië en mogelijk ook Saoedi-Arabië. Dit schema van imperialistische verovering kan heel de regio doen ontploffen. De problemen voor de VS zullen pas echt beginnen na een mogelijke overwinning op Saddam, als ze al zover geraken.
De VS zijn voor ongeveer 10% van hun olieconsumptie afhankelijk van het Midden-Oosten. Het Internationaal Energie Agentschap verwacht echter dat de wereldconsumptie zal stijgen van 75 miljoen vaten per dag in 2000 naar 120 miljoen vaten in 2030. Nu voorzien de VS nog voor 50% in hun eigen oliebehoeften. Binnen 10 jaar zijn de oliereserves in de VS, volgens een studie van British Petroleum, echter zo goed als uitgeput. De VS zijn dus gedwongen om meer en meer olie in te voeren. Enkel het Midden-Oosten, met ongeveer 2/3 van de oliereserves op wereldvlak, is hiervoor een echt alternatief.
Tegelijk zouden Europa en Japan, belangrijke economische concurrenten en nu al veel meer afhankelijk van olie uit het Midden-Oosten dan de VS, blootgesteld worden aan chantage van de Amerikaanse oliemaatschappijen en regering. Controle over deze regio zal de problemen van het kapitalisme niet oplossen. Het is veel waarschijnlijker dat een inval in Irak alle economische en politieke tegenstellingen binnen dit systeem op een explosieve manier op scherp stelt.