Wat is fascisme...

De voorbije weken werden overal vergelijkingen gemaakt met het fascisme in Italië onder Mussolini en Duitsland onder Hitler. Doorheen de historische voorbeelden zijn een aantal belangrijke elementen van het fascisme duidelijk geworden. Fascisme wordt gekenmerkt door het breken van de onafhankelijke arbeidersorganisaties. Vakbonden en partijen werden verboden. De arbeidersklasse wordt er verboden om zich te organiseren, in de plaats daarvan opteren fascisten voor corporatisme (gemeenschappelijke organisaties van patroons en arbeiders op bedrijfsniveau). Een tweede aspect dat zowel in Italië als Duitsland prominent naar voor kwam was het nationalisme, meestal samen met racisme. Daarnaast draagt het fascisme een sterk ethisch conservatisme mee (vb. tegen vrouwenrechten). Ten slotte is het ook opvallend dat er telkens na een nederlaag van de arbeidersbeweging overgegaan wordt tot een gewelddadige politiek van de fascisten.

Van waar komt de FPÖ?

De FPÖ ("Oostenrijkse Vrijheidspartij") komt voort uit het in 1949 gestichte "Verband der Unabhängigen" (VdU). Deze partij was een verzamelplaats voor heel wat ex-nazi's (er waren in Oostenrijk 700.000 NSDAP-leden). In 1949 haalde de VdU 12% van de stemmen. Als reactie hierop reageerden SPÖ en ÖVP met het versneld "integreren" van de voormalige nazi's in de Oostenrijkse samenleving. Dit had redelijk wat effect, in die zin dat de VdU voornamelijk stemmen behaalde bij ontevreden ex-NSDAP leden omdat de VdU hun belangen verdedigde. Aangezien er geen vervolgingen kwamen, brokkelde de bestaansreden van een eigen belangenpartij af, en ging de VdU ook electoraal sterk achteruit. In een poging de verdeling in het extreem-rechtse kamp tegen te gaan, werd in 1956 de 'Vrijheidspartij' opgericht, waarin de VdU opging. De partijleider tot 1978, Friedrich Peter, was ex-SS officier en stelde in interviews dat het "geen schande is om het vaderland te verdedigen". Er waren pogingen de FPÖ om te vormen tot een gematigder rechtse partij, o.a. met de steun van de SPÖ die in 1960 vakbondsgeld in de FPÖ-kas stortte om hen te overtuigen deel te nemen aan een coalitie. Eind jaren '70 is er een crisis in de partij door een machtsstrijd tussen de meer liberale vleugel en de neo-nazi vleugel. De liberalen haalden het nipt, maar kenden serieuze tegenstand van o.a. de Karinthische partijsecretaris, Jörg Haider. Tussen 1983 en 1986 nam de FPÖ deel aan een coalitie met de SPÖ en kreeg ze o.a. de post van vice-kanselier. In 1986 sloeg de balans tussen de FPÖ-vleugels om, werd Haider partij-voorzitter en werd een SPÖ-ÖVP coalitie gevormd. Dit was mogelijk nadat de FPÖ tot 1983 systematisch achteruitgegaan was in de verkiezingen tot 5%. Door de machtsovername van de extreem-rechtse vleugel begon de FPÖ zich als anti-establishment partij te profileren en kende een vlugge groei: in de verkiezingen van 1990 haalden ze 16,6%, 10 jaar later in '99 is dat al 26,9%.

Zijn FPÖ, VB,... fascistisch?

Net zoals de FPÖ komt het Vlaams Blok recht uit de traditie van de collaboratie. Dat wordt onder andere duidelijk in het programma van deze partij. Centraal in dat programma staat het distantiëren van het rotte systeem. Daartegen moet een "grote kuis" georganiseerd worden. Hiermee bouwt extreem-rechts een anti-establishment imago op. Dat is de basis waarop het Blok heel veel stemmen haalt. Daarnaast spelen ook de racistische elementen in het VB-programma een rol. Minder bekende punten uit het programma worden liefst onder het stof gelaten. Het corporatisme, nog steeds in het VB-programma, komt amper aan bod. Voor dat punt is er echter nog geen voldoende maatschappelijke draagkracht om ermee naar buiten te komen, vandaar wordt het vakbondsstandpunt in de koelkast gestopt. Met de ethische thema's scoort het Blok voornamelijk in de deftige, kleinburgerlijke milieu's.

Wat opvalt als de propaganda van het Blok onder de loep genomen wordt, is de verschillende aanpak dat het heeft naargelang de doelgroep. In landelijke gemeenten heeft het soms een compleet andere aanpak dan in de grote steden. Zo komt het Blok uit de meer landelijke propaganda naar voor als de herstellers van de orde, met ethisch conservatieve stellingen in de schijnwerper te plaatsen komen ze bovendien over als sterk pro-establishment. In de steden is de propaganda eerder gericht naar de ontevreden lagen, de ergst getroffen lagen van de arbeidersklasse, voornamelijk in de volkswijken. De aanpak daar is compleet anders, veel verder dan de profilering als "enige oppositie-partij" komen ze daar niet. Je kunt die Blok-kiezers dan ook moeilijk fascisten noemen, een groot deel ervan staat wellicht zelfs niet open voor fascistische ideeën. Als het Blok nu stelt dat ze meer aandacht wil besteden aan het platteland gaat dat ook gepaard met een 'deftiger' imago. De vergelijking met de klassenorientatie van de fascisten in Italië en Duitsland in de jaren '20-'30 vertoont een aantal gelijkenissen. De sociale samenstelling van de Italiaanse fascisten is bijzonder opvallend: van de leden in 1921 waren er 24,3% landarbeiders, 15,4% stedelijke arbeiders, 13,8% studenten, 12% boeren en grondbezitters, 9,2% middenstanders, 6,6% oefende een vrij beroep uit. Bij het kiespubliek van de nazi's in Duitsland in 1930 waren er 34,4% zelfstandigen (boeren en vrije beroepen inbegrepen) terwijl deze groep 17,4% van de totale bevolking uitmaakte. Het belangrijkste verschil met de huidige situatie bestaat misschien uit de verhouding tussen de steden en het platteland, terwijl die stedelijke basis juist een erg passieve basis is. De mobilisatiekracht van extreem-rechts is de afgelopen decennia dan ook niet fundamenteel veranderd. Ook in de jaren '50 kreeg Karel Dillen soms 500 man bijeen voor een meeting. Nu is die mobilisatiekracht niet fundamenteel groter en kan het Blok met moeite duizend personen mobiliseren, en dat voor een partij van 15% van de stemmen!

Een ander element dat gebruikt wordt om een partij als fascistisch aan te duiden is het bestaan van gewelddadige stoottroepen. We moeten echter zien wanneer de fascisten in staat zijn om openlijk geweld te gebruiken. In Italië bvb zijn de fascisten pas na nederlagen van de arbeidersbeweging kunnen overgaan tot openlijk geweld. De maatschappelijke draagkracht of aanvaarding om tot geweld te kunnen overgaan is in grote mate afhankelijk van de reactie van de arbeidersbeweging hiertegen. Op dit ogenblik wordt het geweld van de fascisten niet getolereerd. Enerzijds is de actieve basis van extreem-rechts veel kleiner en anderzijds staat de arbeidersbeweging potentieel veel sterker dan in de jaren 20 en 30. Het is echter wel duidelijk zo dat extreem-rechts wel bereid is om over te gaan tot geweld. Er zijn kleine marginale gevallen geweest van geweld, duidelijk gesteund door de partijleiding, o.a. in Brugge in '96-'97. Door de tegenreactie moesten ze inbinden, en wordt het geweld nu overgelaten aan kleine groepjes die rond het Blok hangen, zoals Odal, dat echter wel rechtstreeks gelinkt is aan het Vlaams Blok via de decennia-lange vriendschap tussen Odal-leider Bert Eriksson en VB-"voorzitter voor het leven" Karel Dillen.

Een punt dat belangrijk is in de vergelijking met de jaren '30 is de economische situatie waarop de fascisten zich baseren. Zowel Mussolini als Hitler zijn groot geworden op basis van een enorme economische crisis die veel dieper was dan nu. De sterke inflatie zorgde ervoor dat de middenklasse al haar spaargeld zag verdwijnen als sneeuw voor de zon. Dit leidde tot een radicalisatie onder die lagen, waar de rechterzijde kon op inspelen bij gebrek aan een overwinning van de arbeidersbeweging. De economische situatie zorgde ervoor dat de arbeidersbeweging voor de keuze stond tussen ofwel revolutie, ofwel de situatie overlaten aan de fascisten. De kwestie van arbeidersstrijd op leven en dood stelde zich.

Partijen als het Vlaams Blok en de FPÖ kunnen zich niet manifesteren als klassiek fascistische partijen. Om tactische redenen is dat niet mogelijk in de huidige situatie, het kader van die partijen bestaat echter uit fascisten die bereid zijn, zodra ze in de mogelijkheid gesteld worden, over te gaan tot de omvorming van hun partijen tot klassiek fascistische partijen, zoals de NSDAP in Duitsland in de jaren '30. De fascistische kern is echter nu al aanwezig, vandaar kunnen deze partijen volgens ons fascistisch genoemd worden.

Wordt Oostenrijk fascistisch?

De ervaring van Italië '94-95.

In Italië kwam begin jaren '90 de fascistische MSI in de regering. Dit gebeurde nadat alle traditionele partijen een enorme crisis hadden ondergaan (het verdwijnen van de sociaal-democratie en de christen-democratie, omvormen van de communisten in de PDS,...) voornamelijk omwille van corruptie en de reactie van de bevolking daartegen. De anti-corruptie beweging zorgde ervoor dat een alliantie met de neo-fascistische MSI van Fini in de regering kwam onder leiding van Berlusconi. Hierover schreef 'De Militant' (dec.-jan. 94-95, nr. 137): "Het succes van de neo-fascisten was te wijten aan de uitzichtloze crisis van Italiaans economisch en politieke weefsel. De stemmen voor de Nationale Alliantie waren geen stemmen voor fascisme, maar tegen corruptie, misdaad, saneringen en werkloosheid. De neo-fascisten begrepen dat er geen basis bestond voor een open fascistische partij. Daarom verborgen ze zich achter een democratisch masker ondermeer door de verbrande naam MSI te veranderen in het neutralere Nationale Alliantie. Van een fascistische reactie met een massabasis vergelijkbaar met de jaren '20 en '30 was helemaal geen sprake". Dit betekende echter niet dat we gelaten reageerden op deze situatie, er werd in De Militant tevens gewezen op de "noodzaak van een onverzoenlijke strijd tegen neo-fascisten en iedere vorm van racisme". De sterke interne verdeeldheid in die regering en de massale mobilisaties van arbeiders eind '94 maakten dat de regering Berlusconi vlug ten val kwam.

Het Oostenrijks regeringsprogramma:

Het regeringsprogramma dat nu voorgesteld wordt is een versnelling van de besparingsplannen. Het is een neo-liberaal programma dat op een tempo zal doorgevoerd worden waar Margeret Thatcher enkel kon van dromen: · CAO's worden niet meer per sector afgesloten, maar per bedrijf
· verhoging van het remgeld (deel van de ziektekosten dat je zelf moet betalen) met 20%
· verlaging van pensioenen met 19% voor brugpensioenen
· privatisering van de werkloosheidsdiensten
· "actieve welvaartstaat": werklozen gemeenschapswerk laten verrichten in ruil voor hun uitkering
· loonlastenverlaging voor de patroons
· privatiseringen (o.a. de post en het spoor staan op de agenda)
· jobverlies van 9000 in de openbare diensten
· verlaging van het loon voor de overuren in de openbare diensten
· invoeren van inschrijvingsgeld voor studenten
· meer flexibiliteit voor stagairs en jongeren in een statuut van leercontract, o.a. toestaan van nachtarbeid voor deze categorieën.

Indien de Oostenrijkse regering erin slaagt om dit programma door te voeren, zal dit voorbeeld wel erg snel gevolgd worden in andere landen. Van de sterke reacties van traditionele partijen tegen extreem-rechtse regeringsdeelname zal dan niet veel meer overblijven. Het protest dat nu echter bezig is in Oostenrijk kan een eerste stap zijn voor een beweging tegen het besparingsbeleid. Net zoals in Italië in 1994-95 zal ook in Oostenrijk de arbeidersbeweging een beslissende rol spelen.

Er is echter wel een groot gevaar dat de FPÖ van de coalitie zal gebruik maken om zichzelf te versterken, wat in Oostenrijk door het gebrek van een sterke linkse partij misschien in grotere mate mogelijk zal zijn dan in Italië begin jaren '90. Het potentieel van de arbeidersbeweging is echter wel nog aanwezig. In Italië heeft een massale stakingsbeweging ertoe geleid dat de regering Berlusconi niet kon functioneren. Daarnaast bleek dat de regering Berlusconi absoluut niet stabiel was. Het is niet uitgesloten dat eenzelfde proces zich voordoet in Oostenrijk (op beperktere schaal). De protesten die nu plaatsvinden hebben nog niet het massale karakter dat de regering kan doen vallen, maar kunnen wel een eerste basis zijn om de druk binnen de vakbonden te vergroten.


Welk antwoord bieden op extreem-rechts?

De discussies over een strategie tegen de FPÖ en een strategie tegen het Vlaams Blok, meer concreet naar de gemeenteraadsverkiezingen toe, mogen niet los van elkaar gezien worden.

Het is nodig te kijken hoe partijen als de FPÖ en het Vlaams Blok groot worden. Een aantal specifieke elementen speelden mee in de groei en de sterkte van de FPÖ. Enerzijds was er het sterke anti-communisme in Oostenrijk. De angst voor het communisme zorgde ervoor dat vlak na de tweede wereldoorlog vlug werd overgegaan tot het herintegreren van voormalige nazi's in officiële functies. Daarnaast kan de FPÖ buigen op een rechts-extremistische traditie die aanwezig was in Oostenrijk en waartegen nooit echt opgetreden is. De belangrijkste redenen voor de huidige electorale groei liggen echter voornamelijk in het feit dat er enerzijds geen serieus links alternatief is voor de sociale problemen en anderzijds een erg passieve houding van de vakbond.

Oostenrijk kende jarenlang een enorm stabiel regime. Door haar ligging aan de grens met het voormalige Oostblok was het land van strategisch belang, en kwam er een enorme investering door middel van het Marshall plan. De sociaal-democraten van de SPÖ werden de belangrijkste politieke kracht en Oostenrijk werd een land dat vergeleken werd met Zweden: een kapitalistisch model voor welvaart en sociale vrede door een degelijk uitgebouwde sociale zekerheid. De coalitieregering van SPÖ en ÖVP voerde de afgelopen 14 jaar een beleid van privatiseringen en besparingen. In de jaren '90 waren er twee grote besparingrondes. Dit zorgde ervoor dat de sociale basis van de SPÖ ondermijnd werd, waar de partij in de jaren '70 nog 700.000 leden had (op een bevolking van 7 miljoen!), is dit nu gedaald tot 400.000 en wordt die partij niet langer gezien als een instrument waarmee verandering kan afgedwongen worden. Een groot deel van de ontgoochelde SPÖ-kiezers kwam bij extreem-rechts terecht bij gebrek aan een alternatief. Haider kon zich profileren als enige oppositie tegen het beleid.

Dat is ook de voornaamste bron van groei voor het Vlaams Blok. In regio's als Wallonië zou extreem-rechts eveneens sterk kunnen scoren, maar bij gebrek aan een ééngemaakte partij, slagen ze er niet in om het potentieel te benutten.

Hypocriete reacties tegen Oostenrijk.

De eerste reacties van de Belgische regering en de traditionele partijen bestond uit een scherp afkeuren van de nieuwe Oostenrijkse regering. CVP'ers als Johan Van Hecke bestempelden Haider als een "neo-nazi", minister Louis Michel riep op tot een boycot van het toerisme naar Oostenrijk. Op de nationale betoging in Brussel op 20 februari stapten ook delegaties op van quasi alle traditionele partijen. Bij deze scherpe reactie moeten een aantal kanttekeningen gemaakt worden. Enerzijds doet het establishment hier sterke uitspraken over Oostenrijk, maar anderzijds zijn ze zelf met hun beleid mee verantwoordelijk voor de groei van extreem-rechts. Over het buitenland uitspraken doen is gemakkelijk, een echt antwoord bieden is er echter niet bij. De houding van de traditionele partijen in België kan samengevat worden in één woord: hypocriet! Intussen kan via die weg tevens de aandacht afgeleid worden van de echte problemen waarmee we geconfronteerd worden door het huidig beleid. Ten slotte is het natuurlijk zo dat de discussie over Oostenrijk ook van belang is ten aanzien van de gemeenteraadsverkiezingen. De hevige reacties, vooral uit Wallonië, zijn er ook op gericht dissidenten die eventueel opteren voor een coalitie met het Vlaams Blok, duidelijk te maken dat dit voor de burgerlijke partijen nog geen optie is die aanvaardbaar is.

Een oproep tot een boycot van Oostenrijk legt eigenlijk de schuld bij de Oostenrijkse bevolking zelf. Ook bij ons zien we dat een aantal anti-racisten er van uitgaan dat de Blok-kiezer stom is of eens een lesje moet geleerd worden. Dat is volgens ons niet de manier waarop je iets kunt bereiken. Het probleem ligt bij het beleid dat de groei van extreem-rechts mogelijk maakt. Om daar een antwoord op te bieden is een linkse oppositie nodig die bereid is de strijd die plaats vindt te helpen organiseren en die bereid is de belangen van de arbeiders en jongeren te verdedigen. In tegenstelling tot wat sommigen stellen is een ÖVP-SPÖ regering in Oostenrijk absoluut geen alternatief op de huidige regering. Wat er nodig is, is een offensieve linkerzijde die ingaat tegen de besparingen. Hier in België stelt een deel van de linkerzijde dat het met de gemeenteraadsverkiezingen nodig is op te roepen voor lijsten van SP of Agalev als enige alternatief om het Blok te stoppen. Dit gaat voorbij aan de inzet van de gemeenteraadsverkiezingen. In steden als Antwerpen zal het erom gaan als je voor of tegen het huidig stadsbestuur bent, voor de tegenstanders is er daarbij weinig keuze. Alle partijen vormen er één blok tegenover het Vlaams Blok, wat hen een luxe-positie heeft. Door op te roepen om SP of Agalev te stemmen wordt dat enkel nog versterkt. Er is nood aan een serieuze linkse oppositie die ingaat tegen het stadsbestuur zodat de oppositie niet enkel aan het Blok wordt overgelaten, waardoor het Blok slapend rijk wordt.

Cordon sanitaire.

Het cordon sanitaire is zowat het enige verweermiddel waarmee de traditionele partijen extreem-rechts van de macht houden. De cruciale vraag blijft echter welke politiek men dan voorstelt. Het is juist de anti-sociale politiek van de traditionele partijen die de groei van extreem-rechts mogelijk maakt. Uiteraard zijn wij tegen iedere samenwerking met het Blok. Daar waar het cordon sanitaire doorbroken wordt, zullen wij er alles voor doen om dat te verhinderen bvb. door de mobilisatie van jongeren en arbeiders. We moeten echter beseffen dat we voor de strijd tegen het Blok niet moeten vertrouwen op de uitvoerders van de politiek die aan de basis ligt van het electoraal succes van het Blok.

Nood aan een linkse alliantie

Op een ogenblik dat het Vlaams Blok 15% van de stemmen haalt volstaan de oude slogans niet meer, er moet serieus nagedacht worden over nieuwe strategieën aangepast aan de huidige situatie. De oude benadering waarbij slogans als 'Vlaams Blok, rot op!' prominent aanwezig waren kan bijzonder nuttig zijn om een beweging die er is beter te organiseren, vandaag is het echter nodig om de radicaliserende jongeren die iets willen doen tegen het Blok een duidelijker strategie aan te reiken. Vandaar lanceerden we op de betoging van 9 november '99 te Gent een nieuwe slogan: "Werkloosheid? Neen, Armoede? Neen, Woningnood? Neen, Wij vechten voor iets beter". Dit komt beter tegemoet aan onze strategie die erin bestaat een daadwerkelijk antwoord te bieden op de sociale problemen die aan de oorzaak van de groei van het Vlaams Blok liggen. Door in de praktijk duidelijk te maken dat het Blok geen antwoord heeft voor de problemen waarop ze wijzen, kunnen we ervoor zorgen dat de basis gelegd wordt voor het terugdringen van het Vlaams Blok. Dat dit niet eenvoudig zal zijn is evident, in tegenstelling tot het Blok hebben wij geen miljoenen staatssubsidies om iedere paar maanden overal een luxueuze kleurenfolder te bussen.

Centraal in een campagne naar de gemeenteraadsverkiezingen toe moet het idee staan van een echte oppositie, een linkse oppositie tegenover de rechtse oppositie van het Blok. Hiervoor is het idee gelanceerd van de noodzaak aan een linkse alliantie. Het is niet voldoende abstract te stellen dat de sociale problemen moeten aangepakt worden om het Blok te bestrijden. Er moet daar een concreet idee aan gekoppeld worden hoe dat in de praktijk kan. Dat is de bedoeling van de linkse alliantie. Als een dergelijk initiatief er effectief komt, zou het de eerste stappen kunnen zetten voor een terugdringen van het Vlaams Blok. Wij zijn alvast bereid ons daarin in te schakelen en er campagne voor te voeren. We roepen iedereen op ook mee te werken aan het initiatief van een linkse alliantie. 1