Revolte van Servische bevolking werpt Milosevic omver

Een beweging van arbeiders, boeren en studenten maakte be-gin oktober een einde aan het regime van president Milosevic. De val van de Servische dictator werd voorafgegaan door een week van stakingen, die op 5 oktober uitliepen op een massale belegering van het parlement in Belgrado. Angst voor repressie maakte plaats voor een onverzettelijke bereidheid om Milosevic en zijn kliek definitief van de macht te verjagen.

Politie en leger waren niet langer bereid om het regime met de wapens te verdedigen. Ze veranderden uit lijfsbehoud van kamp. Een opstandige beweging van voornamelijk arbeiders en jongeren slaagde op korte tijd in iets waar het Westen - denk aan de luchtaanvallen van de Navo - en de rechtse oppositie in Servië jarenlang in faalden: de omverwerping van het regime.

De manier waarop Milosevic aan zijn einde kwam, paste niet in het schema dat de Servische oppositie en hun sponsors onder de westerse grootmachten in gedachten hadden. Fundamentele verandering - zeg maar revolutie - waarin de arbeidersklasse - wel-iswaar spontaan, dus niet echt politiek georganiseerd - de hoofdrol speelt, is niet iets waar het kapitaal en haar media op zitten te wachten. In die milieus had men liever een paleisrevolutie gehad, een beschaafde "ver-andering van personeel" in de top van het regime. Op de historische verdiensten van straatagi-tatie en bestormingen die mensen van hun werk houden, wordt de heersende politieke en economische elite sinds Seattle, Washington en Praag - alarmsignalen die verder reiken dan het versplinterde bewustzijn van de jaren '90 - niet graag gewezen.

Vandaar de klemtoon op het zogenaamd "chaotische" karakter van de opstand. Vandaar ook de vastbesloten wil om het regime van Milosevic in het bedenkelijke korset van laatste "communistische bolwerk" te wringen. Eén en ander moet verwarring stichten omtrent de sociale kwesties die mee aan de basis liggen van de omwenteling in Servië, kwesties die fundamenteel het gevolg zijn van de invoering van een niets ontziende "vrije markt".

De beslissing van de mijnwerkers om Milosevic de rug toe te keren, was een beslissende factor in de omwenteling. Tijdens de bewegingen die 10 jaar geleden het stalinisme van de kaart veegden - regimes die een totalitair bewind combineerden met een bureaucratisch gecontroleerde planeconomie - slaagde de arbeidersklasse er niet in om zijn stempel op de gebeurtenissen te drukken. Ze ging in de meeste gevallen op in "burgerverenigingen" die een ingebeeld "algemeen belang" op kapitalistische basis voorstonden. Sindsdien geniet men in de meeste landen van Oost- Europa de levensstandaard van Latijns Amerika.

De revolutie in Servië is in dit opzicht anders. In de stad Cacak, één van de centra waar de opstand begon, werd na een dagenlange staking een konvooi opgericht dat duizenden arbeiders, boeren en jongeren omvatte. Ook soldaten en politiemannen sloten zich aan bij de bewa-pende arbeiderscolonne, die onder leiding stond van de lokale burgemeester Velja Ilijic. Het gesjoemel met de verkiezingen, de onwil om plaats te ruimen voor de verkozen oppositie van Kostunica, was de spreekwoordelijke druppel. In zijn opmars naar Belgrado zwol de beweging aan tot een vloedgolf die in enkele uren het regime op de knieën dwong.

De opstand in Servië had veel kenmerken van een klassieke revolutionaire situatie: de bereidheid bij arbeiders en jongeren om tot de finish door te vechten, de actieve of passieve steun van de middengroepen in de maatschappij, een verbrokkelend staatsapparaat dat de heersende elite geen bescherming meer biedt. De Servische arbeiders en jongeren hadden echter geen politiek instrument om hun funda-mentele belangen uit te drukken: een revolutionaire socialistische partij die de economie kon nationaliseren onder een regime van arbeidersdemocratie.

Toch is dit geen heruitgave van '89-'92. De Servische bevolking is zich vandaag meer bewust van de gevolgen van de kapitalis-tische markt. Privatiseringsprogramma's van Milosevic leidden tot massale werkloosheid en verarming. Het westerse kapitalisme bevindt zich ook in een andere situatie dan in '89-'92. Er waren de crisissen in Azië, Rusland en Latijns Amerika. De wereld zag ook het protest van een laag van jongeren en arbeiders in het Westen tegen de programma's van het IMF en de Wereldbank.

Er zitten veel elementen van een sociale revolte in deze beweging. Handlangers van Milosevic werden in talloze bedrijven door de arbeiders uit hun posities ont-zet. Wat nodig is, is niet het ver-vangen van de ene manager door een andere. Het CWI roept op voor het opzetten van democratisch verkozen comités in de bedrijven en universiteiten.

Deze comités van arbeiders, arme boeren en jongeren zouden zich lokaal en nationaal moeten organiseren om Milosevic-getrouwen uit te sluiten, de boeken van de bedrijven te openen, de verdediging van de beweging te organiseren en Milosevic en zijn medestanders te berechten.

De rechtse oppositie van Kos-tunica kan met haar pro-kapitalistische programma en nationa-listische drijfveren niet aan de verwachtingen van zowel de Ser-vische bevolking als de omringende naties voldoen. Kostunica verzette zich in '95 tegen de "toegevingen" van het vredesakkoord van Dayton, dat het einde van de Bosnische oorlog markeerde. In Montenegro en Koso-vo staat men erg argwanend tegenover zijn Servische nationalisme. Enkel het aan de macht komen van de Servische arbeidersklasse kan tegemoet komen aan de zucht naar stabiele democratische rechten en sociale gelijkheid. Een socialistische federatie van de Balkan zou, op basis van een democratisch ge-controleerde planeconomie, een levensstandaard kunnen garan-deren die de volkeren uit de regio de mogelijkheid biedt om vreedzaam samen te leven.

1