Marks & Spencer: Renault-wet is slechts een doekje voor het bloeden

Bij de sluiting van de Franse en Belgische afdelingen van Marks & Spencer verklaarde de Franse premier Jospin dat hij geschokeerd was door de "brutale" wijze waarop de aankondiging van de sluiting gebeurde. Daarop werd een procedure gestart om de ongeldige wijze waarop de sluiting gebeurde aan te klagen. Ook in Belgie werd de discussie gevoerd over de wijze waarop de sluiting gebeurde, niet over de sluiting zelf.

De begeleiding van een collectief ontslag bij een bedrijfssluiting is het onderwerp van de zogenaamde Renault-wet van februari 1998. Het belangrijkste aspect van die wet is de verplichting om de regels van kennisgeving en informatie aan de werknemers bij een collectief ontslag effectief na te leven. Met andere woorden: de wettelijke bepalingen hiervoor waren voordien reeds aanwezig. Het instellen van de wet Renault was vooral een symbolische zaak om de "goede wil" van enkele politici te tonen. Uiteraard niet door middel van een nationalisatie van het winstgevende bedrijf, maar via enkele nieuwe procedure-regels. De Renault-wet bepaalt enkel dat de werkgever moet aantonen dat de regels voor een collectief ontslag werden nageleefd. Daarbij moet de werkgever de ondernemingsraad (of als er geen ondernemingsraad is de vakbondsafvaardiging of als er geen vakbondsafvaardiging is alle werknemers) schriftelijk meedelen dat er een voornemen is om tot collectief ontslag over te gaan. De werknemers moeten de mogelijkheid krijgen om er vragen over te stellen en pas dan mag de beslissing officieel genomen worden om over te gaan tot een collectief ontslag (artikel 66 van de Renault-wet). Net dat aspect zou Marks & Spencer in Belgie niet nageleefd hebben. In een persmededeling hadden ze het over een "beslissing" om over te gaan tot een collectief ontslag, ze hadden volgens de Renault-wet moeten zeggen dat ze een "voornemen" hadden om dit te doen. Nu zal Marks & Spencer omwille van het gebruik van het woord "beslissing" wellicht extra moeten betalen.

Dat verandert natuurlijk niet veel voor de situatie van de werknemers van Marks & Spencer, zij staan sowieso op straat. Hoe hen dat meegedeeld wordt zal weinig veranderen aan hun situatie, het blijft een harde boodschap. Bovendien kan de vraag gesteld worden als de aankondiging wettelijk moet gebeuren via de ondernemingsraad in hoeverre de verantwoordelijkheid voor het aankondigen van het ontslag niet afgeschoven wordt op de delegees. Daarnaast is de belangrijkste tekortkoming van de wet Renault natuurlijk dat er eigenlijk niets veranderd is aan de regels, die wet was enkel een bliksemafleider om te vermijden dat een massale beweging zou ontwikkelen. De regels die in de wet Renault voorzien zijn, bestonden voordien al. Een aanbeveling van de Internationale Arbeidsorganisatie (aanbeveling nr. 119 van 1963) bepaalde reeds dat iedere afdanking om economische redenen eerst moet voorgelegd worden aan de werknemers en dat bovendien de overheid moet ingelicht worden. Een CAO uit 1975 (CAO nr. 24) gesloten in de Nationale Arbeidsraad stelde al dat de werkgever bij een collectief ontslag de werknemersvertegenwoordigers vooraf moet inlichten en hen moet raadplegen.

Er is nog steeds geen wettelijke manier om een collectief ontslag of bedrijfssluiting tegen te gaan. Een batterij duur betaalde advocaten volstaat om zeker te zijn dat op korte termijn toch kan overgegaan worden tot een bedrijfssluiting zonder ook maar n wet overtreden te hebben. De wet Renault is op dat vlak dus absoluut niet effectief.

Betekent dit dat we de wettelijke middelen maar moeten overboord gooien? Neen, natuurlijk niet. Het is echter belangrijk dat we zien op welke wijze we zaken kunnen afdwingen. De arbeiders van Forges de Clabecq hebben daarbij een belangrijke overwinning geboekt toen ze in 1997 van de rechtbank te Nijvel afdwongen dat de rechter de maatregelen die de curator op eenzijdig verzoekschrift had gevraagd afwees omdat het iedere vorm van collectieve actie van de werknemers zou uitsluiten. Dat was een erg belangrijke beslissing aangezien meer en meer tegen stakingspikketten wordt opgetreden via eenzijdige verzoekschriften die dwangsommen opleggen. De beslissing die bij Forges de Clabecq genomen werd in november 1997 ging in tegen tal van uitspraken van rechtbanken. Wat was er in dit geval dan anders? Juristen zullen dat natuurlijk betwisten, maar het belangrijkste verschil was de sterkte van de arbeiders van Clabecq die een beweging opbouwden tegen de sluiting van Forges de Clabecq, o.a. via de Multicolore Mars van 70.000 arbeiders uit heel het land. Door een sterke krachtsverhouding op te bouwen was het ook mogelijk om via gerechtelijke weg zaken af te dwingen. Daarbij kan zelfs de vraag gesteld worden als ook op juridisch vlak in Clabecq niet meer bereikt is dan bij Renault waar de wet-Renault toch wel een erg magere stap was. De uitspraak over de dwangsommen bij Clabecq was belangrijk omdat het een overwinning betekende maar ook omdat het een impact kan hebben op toekomstige zaken rond dwangsommen. Anderzijds moeten we geen illusies hebben dat het opheffen van dwangsommen mogelijk zal zijn zonder een krachtsverhouding in de samenleving op te bouwen. Zonder een krachtsverhouding zal moeiteloos teruggegrepen worden naar rechtspraak die dwangsommen op eenzijdige verzoekschriften aanvaardt.

Op juridisch vlak kunnen argumenten gevonden worden om heel wat zaken af te dwingen. Bij het ontslag van een delegee zou de verplichte rentegratie (na een beslissing daarover in een paritair comit) mogelijk zijn op basis van regels van de Internationale Arbeidsorganisatie (I.A.O.) die ook in Belgie gelden. En dat ondanks andere bepalingen in de Belgische wetgeving over beschermde werknemers in de wet van 1991. Het opheffen van een stakingspikket via eenzijdige verzoekschriften zou volgens I.A.O.-bepalingen ook niet mogelijk zijn. Waarom worden die regels niet toegepast? Omdat wetten voldoende vaag genoeg zijn opgesteld om in alle mogelijke richtingen genterpreteerd te worden, er soms tegenstrijdige regels zijn en omdat het bovendien duidelijk is dat rechterlijke uitspraken in grote mate afhangen van de maatschappelijke druk die er heerst.

De uitdaging waar de werknemers van Marks & Spencer voor staan is dan ook niet om alle hoop te vestigen op een proces waarbij de Renault-wet ingeroepen wordt. Om effectief zaken af te dwingen moet een beweging opgebouwd worden die offensief optreedt tegen collectieve ontslagen en bedrijfssluitingen. Het opbouwen van een sterke beweging zal het bovendien gemakkelijker maken om ook op juridisch vlak zaken af te dwingen wat op zijn beurt opnieuw een beweging tegen een bedrijfssluiting kan versterken. We mogen ons echter niet vergissen in de volgorde van strijdmiddelen die we hanteren. We moeten vertrekken van het enige strijdmiddel waar we zeker van zijn en dat is de sterkte van een georganiseerde arbeidersbeweging.

Geert Cool 1