De partijvoorzitters:
Wij zijn allemaal antiglobalisten

Patrick Janssens stelt in Humo dat de betogers in Göteborg en Genua in feite een sociaal-democratisch Europa willen. Ook de burgemeester van Brussel (Freddy Thielemans) staart naar zijn navel om zichzelf te uiten als antiglobalo. Jos Geysels - de groene Machiavelli - roept het in De Morgen uit: "Het zijn verdorie onze bondgenoten". Stefaan De Clerck, CVP-voorzitter, kan zich niet bedwingen en heeft naar het schijnt nogal wat sympathie voor de beweging en last but not least, hebben we nog, hemelbestormer en vernieuwer, Johan Van Hecke (CVP) die zich aanbiedt als zingever van de beweging. L’embarras du choix? Voor we rood aanlopen van al die ongevraagde liefdesverklaringen gauw enkele vragen.

Cynisme is hier eigenlijk niet op zijn plaats. De anti-globaliseringsbeweging en de thema’s die de beweging aansnijdt zijn te belangrijk. We protesteren tegen een antisociaal en neolibe-raal beleid dat wereldwijd duizenden slachtoffers maakt.

Het gaat om de arbeidsomstandigheden van arbeiders en arme boeren in een land zoals Argentinië. Het gaat om privatiseringen en duizenden ontslagen in de landen van de ontwikkelde kapitalistische wereld.

Het positieve en nieuwe aan deze beweging is, dat we inzien dat de single issue waartegen we vechten het kapitalisme is. De verscheidene campagnes en de verschillende activisten zijn samengekomen om de strijd tegen milieuvervuiling, tegen armoede en hongersnood, tegen uitbuiting door multinationals, tegen de afbraak van de welvaartsstaat te bundelen in een eengemaakte, en daarom potentieel veel sterkere, beweging.

De politici laten uitschijnen dat zij onschuldig en machteloos zijn en dat de krachten van de markt aan elke democratische controle ontsnappen. Deze stelling vloekt met de realiteit en de positie die de politiek in het bijzonder, en de staat in het algemeen, inneemt in de maatschappij. Bovendien zou deze houding de arbeidersbeweging ervan weerhouden hebben de strijd om de Achturendag zelfs maar te beginnen.

Dat de Europese parlementen vandaag praatbarakken geworden zijn als het gaat over sociale bescherming hebben de partijen aan zichzelf te danken.

Als het over sociale afbraak en privatiseringen gaat zien we dat de traditionele partijen, een handje geholpen door de Europese Unie en de Europe-se Commissie wel bijzonder effectief optreden. Tussen 1990 en 1997 verkochten de Europese regeringen voor 185,8 miljard euro aan openbare diensten, bedrijven en instellingen aan de markt. Deze transfer van arm naar rijk werd georganiseerd en uitgevoerd door de nationale regeringen onder de supervisie van de EU.

De reactie van de antiglobaliseringsbeweging op de vleierij van de politieke partijen kan zich beperken tot een aantal eenvoudige vragen.

Zullen de heren, die ons nu met zoveel sympathie bejegenen, tegen de asociale maatregelen van de EU stemmen? Zullen ze de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd stoppen? Verhinderen ze de pogingen om de pensioenleeftijd op te trekken. Stoppen ze de privatiseringen van de openbare diensten? Zorgen ze ervoor dat er eindelijk geld vrijkomt voor hogere sociale uitkeringen? Stappen ze uit de regering als blijkt dat men hiervoor geen meerderheid vindt en komen ze met ons op straat om een grotere oppositie op te bouwen?

Karl Debbaut