Na Genua: welke weg vooruit?
De 300.000 man/vrouw sterke betoging in Genua en de staatsrepressie ertegen vormen keerpunten zowel voor Italië als voor de groeiende wereldwijde oppositie tegen de kapitalistische globalisering. Leden van het CWI (Comité voor een Arbeiders Internationale) uit 10 verschillende landen betoogden mee in Genua. Een analyse door Robert Becher.

Voor Italië symboliseren ze de start van een nieuw radicalisatieproces. Net als in 1994, toen Berlusconi voor het eerst een regering vormde, komen arbeiders en jongeren massaal op straat. Vijf dagen na de verkiezing staakten de metaalarbeiders voor betere lonen. Nauwelijks een maand later organiseerden ze betogingen van 60.000 in Milaan, 50.000 in Turijn en 50.000 in Bologna.

Politiek kwam deze radicalisatie tot uitdrukking in een opiniepeiling net voor de G8-bijeenkomst. 25% van de Italianen ging niet akkoord met de anti-globaliseringsbeweging, 56% steunde maar niet indien er geweld zou aan te pas komen en maar liefst 16% vond zelfs het gebruik van geweld gerechtvaardigd.

Hoedanook, het geweld dat plaatsvond in Genua werd grotendeels geprovoceerd door elementen binnen de Italiaanse staat. Daartegen werd massaal betoogd (de dinsdag erna): in Bologna, Rome en Milaan meer dan 50.000; in Florence 30.000 en in Genua 15.000. Spijtig genoeg werden geen verdere massa-acties aangekondigd.

De protesten in Genua werden veel groter dan verwacht. Op 19 juli betoogden we met 50.000 tegen de immigratie- en asiel-politiek van Berlusconi, terwijl er 15.000 waren verwacht. Een dag later kwamen 70.000 actievoerders samen op het niet gecoördineerd protest tegen de start van de bijeenkomst van de G8. En tenslotte, op zaterdag 21 juli, verwachtten de organisatoren 120.000 betogers en het werden er maar liefst 300.000! Minstens 90% van de betogers waren Italiaans.

De PRC, een links reformistische afgesplitsing van de oude Italiaanse Communistische Partij, was dominant op de zaterdag-betoging. Er was ook een groot contingent van metaalarbeiders. Meer dan op andere anti-globa-liseringsprotesten bracht deze betoging grote aantallen samen rond zowel binnenlandse als buitenlandse thema’s.

Fascistische elementen vooraan in aanvallen op betogers

De moord op Carlo Giuliani, de eerste dode op Italiaanse protestacties sinds 24 jaar, veroorzaakte een breed debat over de rol van het staatsapparaat en meer specifiek over de rol van politie in burger, politieprovocateurs en fascisten.

De aanwezigheid van deze pro-vocateurs in gewone kledij, die nauw overlegden met de politie, veroorzaakte heel wat discussie. Vooral de nachtelijke aanval op het lokaal mediacentrum van het GSF (Genua Social Forum - orga-nisatoren van de betoging be-staande uit meer dan 800 orga-nisaties) schokte de publieke opi-nie. Marteling en illegale opsluiting door fascistische leden onder de politie waren schering en inslag.

Veel Italianen herinneren zich de geschiedenis van Mussolini’s fascistische dictatuur en ook dat in de 15 jaar voor 1960 94 men-sen werden gedood op stakingen en andere protestacties. Begin jaren ’60 en ’70 begonnen de fascisten en hun steunpilaren on-der de politie met hun terroristische “strategie van de spanning”. Deze strategie mondde uit in een fascistische bomaan-slag op het spoorwegstation van Bologna waarbij 85 mensen omkwamen.

Het “mani pulite” (schone handen) onderzoek in de vroege jaren ’90 bevestigde het bestaan van een “sotogoverno” (verborgen regering) bestaande uit reactionaire elementen uit het staatsapparaat, de politieke partijen en het groot kapitaal.

Altijd al waren er fascistische en extreemrechtse elementen aan-wezig in het Italiaanse staatsapparaat. Een parlementair rapport over Gladio (een door de NAVO gesteunde paramilitaire groep binnen het leger) uit 1992 wees uit dat deze organisatie een gewapende bende was die meegeholpen had om de “strategie van de spanning” ten uitvoer te brengen.

Gedurende jaren genoot de neo-fascistische MSI, na de tweede wereldoorlog opgezet door supporters van Mussolini, grote steun binnen de politie en het le-ger. In 1995 hervormde de MSI zichzelf in de post-fascistische Nationale Alliantie (AN), een partij die nog steeds zijn oude naam gebruikt in zijn propaganda en nu deel uitmaakt van Berlusconi’s alliantie.

Sommige van deze fascistische elementen maakten gebruik van de nieuwe rechtse regering om in Genua de betogers aan te vallen. Het was geen toeval dat gedurende de G8-bijeenkomst in Ge-nua Fini, de leider van de AN en nu ook vice-premier, de leiding had over de veiligheidsdiensten. Sommige van de illegaal gearres-teerde actievoerders moesten hulde uitbrengen aan Mussolini en zelfs het fascistisch lied Facetta Nera zingen.

Verdediging tegen de provocateurs

Sinds Genua staat de vraag hoe men zich kan verdedigen tegen dit soort provocaties centraal.

Eerst en vooral moet de hypocrisie van de G8 aan de kaak ge-steld worden. Zij verwerpen geweld enkel als dit hen goed uitkomt. Poetin, verant-woordelijk voor de totale vernietiging van de Tsjetsjeense hoofdstad Grozny, was immers te gast bij de G8.

Na Göteborg zeiden we dat de politieprovocaties een deel van de betogers ertoe bracht gebouwen aan te vallen in het centrum. Terwijl we begrip kunnen opbrengen voor de woede, is het in elkaar slaan van kleine winkeltjes, cafés en restau-rants niet de beste methode.

Het geeft de heersende klasse een argument om gebruik te maken van nieuwe en nog repres-siever maatregelen. Sinds Göte-borg en Genua wordt volop gespeculeerd over het limiteren van de vrijheid van beweging voor betogers in de Europese landen. In België is de staatsveiligheid volop bezig anti-globalisten in kaart te brengen.

Wij willen een georganiseerde massabeweging uitbouwen die in staat is de productiemiddelen uit de handen te nemen van de kapi-talistische elite om deze democratisch te kunnen beheren in het belang van de totale maatschappij en niet in het belang van een kleine elite. Dat is ons doel en niet de vernietiging van eigendom.

Van in het begin trachtte de Italiaanse staat de betogers te intimideren. De politie had als taak rellen uit te lokken. Ze waren in staat een deel van de betogers te betrekken in een kompleet nutteloze aanval op eigendom, rellen met de politie en rellen met andere betogers. Op de zaterdagbetoging probeerden verschillende delegaties provocateurs tegen te gaan door ze uit de betoging te zetten. Grote delen van de betoging waren echter niet georganiseerd om zichzelf te beschermen tegen aanvallen van de politie, noch om de acties van de provocateurs te verhinderen.

De politieke reden waarom de tactieken van de staat zo’n succes hadden, hebben te maken met het feit dat de meeste betogers geen duidelijk doel voor ogen hadden, noch een strategie over hoe de beweging verder moest na de G8-top. Dit maakte dat een groot deel van de woedende jongeren, op zoek naar wraak voor de moord op Carlo, als voornaamste doel hadden de politie te bevechten en eigendom te vernietigen.

Dit heeft een discussie gepro-voceerd binnen de anti-globali-seringsbeweging. Een deel van de beweging distantieert zich van het geweld en lijkt geen onderscheid te maken tussen de geprovo-ceerde geradicaliseerde jeugd, aangetrokken tot een gevecht met de politie, en de repressie en pro-vocatie vanwege het staats-apparaat. De neiging om in de strategie van onderhandeling en samenwerking met delen van het groot kapitaal en de regering te stappen, neemt toe.

Berlusconi onder druk

Van in het begin was het de bedoeling om betogers te intimideren. Daarbovenop werd alles gedaan om geweld te provoceren. Maar dit had niet het gewenste effect. De rellen in Genua hebben de Italiaanse maatschappij verder gepolariseerd en het wantrouwen in de regering versterkt.

Geconfronteerd met groeiende bewijzen over de brutaliteit van de politie en de illegale arrestaties, was de regering gedwongen drie politiecommandanten te verplaatsen, terwijl ze ondertussen gewoon verder gaat met het crimi-naliseren en intimideren van de betogers.

Deze “anti-geweld”-propagandacampagne zal niet vermijden dat de regering gevangen raakt tussen een groeiende tegenstelling tussen de verkiezingsbeloftes en de ontwikkelende economische vertraging.

Berlusconi’s coalitie won de verkiezingen op basis van dema-gogische populistische beloftes als belastingverlaging, 1,5 miljoen nieuwe jobs op 5 jaar, hogere pensioenen en nieuwe infra-structuurprojecten, maar zeer vlug zal duidelijk worden dat de coalitie er niet in zal slagen hun beloften te houden.

Nu reeds, nog voor de Amerikaanse recessie Europa treft, komt de Italiaanse economie in crisis. Impliciet in de huidige situatie zijn spanningen met de rest van de Europese Unie (EU), vooral over de euro en de te volgen economische politiek.

De EU vraagt verdergaande besparingen in het uitgavenbeleid omdat het begrotingstekort dit jaar kan oplopen tot 1,9 % van het BBP, het dubbele van de 0,8% dat toegelaten is door het stabili-teitspact. Tegen deze achtergrond is het perfect mogelijk dat Berlusconi een soort van nationalistische “Italië eerst”-campagne tegen de rest van de EU zal starten. Daarin zal Berlusconi mogelijkerwijs steun zoeken bij de VS.

Grote delen van de Italiaanse kapitalistische klasse scharen zich voorlopig nog achter Berlusconi. Maar velen betrouwen hem niet en vrezen dat hij zijn positie zal misbruiken voor eigenbe-lang. Een eerste voorbeeld daarvan is de invoering van een wet die het indienen van valse boekhoudkundige cij-fers decriminaliseert, wat betekent dat de drie aan-klachten tegen Berlusconi wegvallen.

Het is mogelijk dat een combinatie van schandalen en groeiende oppositie Ber-lusconi’s regering vooralsnog zal doen vallen.

Hoe vooruitgaan? Een debat dringt zich op

Democratisch Links (DS), de voormalige Communistische Partij die de Olijfboomcoalitie domineerde, onderging een grote nederlaag in de verkiezingen in mei en verdeeldheid groeit in de rangen. Ook onder de vakbonden is er geen eensgezindheid: de leiders van de twee kleinere vakbonden, de CISL en de UIL, hebben laten verstaan dat ze bereid zijn het op een akkoord te gooien met de regering over de invoering van vormen van tijdelijke contracten, terwijl de CGIL, tot nu toe, in de oppositie blijft.

De sleutelvraag voor vele arbeiders blijft het alternatief op Berlus-coni. Het is niet voldoende om op te roepen voor het ontslag van Berlusconi aangezien de Olijfboomcoalitie geen alternatief biedt. De drie jaren van Olijfboomregering hebben aangetoond dat een nieuwe beweging moet opgebouwd worden en de PRC zit in de sleutelpositie daartoe.

De PRC, opgericht in ’91, kende zijn grootste groei tot nu toe tijdens en na Berlusconi’s eerste regering in ’94. Maar toen de Olijfboom-coalitie aan de macht kwam in ’96 hebben ze gedurende 18 maanden de aanvallen op de levensstandaard vanwege de regering ondersteund.

Zelf zeggen ze in hun blad Liberazione dat hun nederlaag in mei daaraan te wijten is. Nu heeft de PRC opnieuw een mogelijkheid om steun op te bouwen, maar hun leiders lijken te aarzelen om een strijdbare socialistische oppositie uit te bouwen.

Hun hoofdcampagne: “een ander links is mogelijk” neemt thema’s op als het herstel van de band tussen lonen en prijzen, een 35-urenweek zonder loonsverlies, een sociale uitkering voor werklozen, hogere pensioenen, beter onderwijs en gezondheidszorg, de verdediging van het milieu en tegen de “kapitalistische globalisering”.

Maar ondanks de titel van de campagne en de aanval op de “kapitalistische globalisering”, wordt deze campagne niet gevoerd in de context van een argumentatie voor een socialistische alternatief. Eigenlijk neemt de PRC simpelweg de slogan “een andere wereld is mogelijk” over van het GSF, zonder zich de vraag te stellen over welk type andere wereld het zou moeten gaan en hoe we deze wereld kunnen bereiken.

Het lijkt erop dat de PRC overal in Italië structuren wil opbouwen naar het model van het Wereld Sociaal Forum dat samenkwam in Porto Allegre (Brazilië) en het GSF. In Genua riep de PRC-leider Bertinotti op voor een “nieuw denken” in de politiek en voor “nieuwe partijstructuren”, zonder echt in te gaan op welke politieke richting de partij zou moeten volgen.

De opbouw van een brede steun is noodzakelijk, maar als dit gepaard gaat met het laten vallen van een socialistische politiek, dan zullen deze bewegingen niet in staat zijn de “andere wereld” waarnaar ze streven ook daad-werkelijk te bereiken.

De oude Communistische par-tijen in Italië en elders hebben gefaald in het veranderen van de maatschappij omdat ze steeds hun programma kunstmatig opgedeeld hebben in een reeks van onmiddellijke eisen enerzijds en hun lange-termijn-perspectief van socialisme anderzijds, iets wat de sociaal-democratische partijen ons reeds hebben voorgedaan. Voor de leiders werd het objectief van het socialisme iets wat in de verre toekomst verworven moest worden en zochten ze voor de na-bije toekomst mogelijke verbete-ringen binnen het kapitalistisch systeem.

Dit betekende dat in periodes van crisis deze partijen niet in staat bleken gelijk welk probleem voor de arbeidersklasse op te lossen. Uiteindelijk werden deze partijen overgenomen door pro-kapita-listische politiekers.

De PRC moet daar lessen uit trekken. Vandaag winnen ze steun, maar ze mogen niet in dezelfde val trappen. Het gevaar bestaat dat de Sociale Forums het mechanisme worden, waarbij de PRC geneigd is deel te nemen in verschillende oppositionele coalities die, in wezen, het kapitalisme niet zullen uitdagen.

De PRC moet zijn eisen linken aan de nood voor de omverwerping van het kapitalisme en uitleggen dat gelijk welke verbetering onder het kapitalisme slechts een tijdelijke overwinning kan zijn. Dit is geen weigering om de verdediging op te nemen tegen de aanvallen van de huidige regering of om te vechten voor een hogere levensstandaard vandaag. Noch is het een afwijzen van tijdelijke strijdbare allianties met verschillende krachten rond verschillende thema’s.

De PRC moet aantonen dat ze “een ander links” is, een links dat ernstig is over de creatie van een andere wereld. Dit vergt de opbouw van een massale anti-kapitalistische beweging met als hoofdpunt de nood aan een regering die bereid is te breken met de macht van de kapitalisten en de basis kan leggen voor de opbouw van een socialistische maatschappij.

Vandaag zit de PRC in een gunstige uitgangspositie om een kwalitatieve stap vooruit te kunnen zetten, maar ze zullen een duidelijk socialistisch programma en een moedig actieplan nodig hebben om dit dan ook te bereiken.