De antiglobaliseringsbeweging heeft sinds haar geboorte in Seattle duidelijk aan invloed gewonnen. De betogingen in Genua vormen een, voorlopig, Europees hoogtepunt. In Genua werd een brug geslagen tussen de internationale groepen en de Italiaanse bevolking. Er was duidelijkheid over de rol van de nationale politiek, de regering Berlusconi, in de internationale concurrentie tussen de imperialistische staten. Na de discussies over geweld is de volgende uitdaging de discussie over een politiek verlengstuk van de beweging.
Deze beweging ontstaat niet in een vacuüm maar temidden van een economische en politieke realiteit op mondiaal en nationaal vlak. De economische realiteit is dat het kapitalisme sinds de oliecrisis van de jaren ’70 in recessie is.
Dit betekent in mensentaal dat, ondanks korte periodes van heropleving, de economie krimpt. De enige manier waarop kapitalisten dezelfde winstmarge per eenheid geïnvesteerd kapitaal kunnen verzekeren, is een scherpere uitbuiting van de werkende klassen in Noord en Zuid, een over-exploitatie, en de uiteindelijke vernietiging, van het milieu en de afbraak van sociale voorzieningen.
De privatisering/liberalisering van nuts-bedrijven (bijv. watervoorziening en elektriciteitsdistributie) en de openbare diensten illustreert dat er geen heilige huizjes meer zijn.
De belangrijkste doelstellingen van het kapitaal in de jaren ’80 en ’90 waren: het breken van de macht van de vakbonden, het afbouwen van de welvaartstaat en het drukken van de lonen. Met Margaret Thatcher in Groot-Brittanië en Ronald Reagan in de Verenigde Staten als voortrekkers werd dit politieke programma in alle landen doorgevoerd, onafhankelijk van welke poli-tieke partijen er de regeringen vormden.
In Europa is dit programma de laatste tien jaar vooral door de sociaal-democratie doorgevoerd. Met de medewerking van de vakbondsleiding hadden ze het mak-kelijker om tegenbewegingen te beperken of af te leiden.
De “Actieve Welvaartstaat” van Vandenbroucke, “de Derde Weg” van Blair of “la Gauche Plurielle” in Frankrijk zijn evenveel pogingen om af te stappen van de ‘oude’ sociaal-democratische waarden en de overstap te maken naar ‘democratische’ maar vooral burgerlijke politieke partijen.
De antiglobaliseringsbeweging is de uitdrukking van een groeiend politiek bewustzijn bij een deel van de bevolking. De beweging vindt steun rond haar concrete standpunten. Het verzet tegen de politiek van de traditionele partijen is de lijm die deze nieuwe beweging bijeenhoudt.
Een politiek alternatief
Deze beweging moet vroeg of laat een politiek verlengstuk vinden. Vandaag vinden de antiglobalisten elkaar op de plaatsen waar de toppen van de EU, de Nato, het IMF en de Wereldbank plaatsvinden. Morgen moeten de antiglobalisten een hand uitsteken naar de arbeiders in de fabrieken en de openbare diensten. We vinden elkaar dan aan het stakingspiket, in de betogingen, rond de tafels bij vergaderingen van de actiecomités en de vakbonden.
De echte uitdaging van de nieuwe eeuw is het opbouwen van nieuwe arbeiderspartijen. We beseffen dat het concrete gebeurtenissen zijn, die dit proces op gang zullen brengen. Het muffe parlement kan gebruikt worden als een nuttig platform. Zoals Daens in het parlement van Woeste over de arbeiders van Aalst sprak, moet het onze ambitie zijn om in dat van Verhofstadt te spreken over de arbeiders van Opel en Sabena, de verpleegkundigen van de Witte Woede en de ambtenaren van de openbare diensten.
We zijn ervan overtuigd dat de antiglobaliseringsbeweginging de voorbode vormt van een meer algemene beweging. “Strijd, solidariteit, socialisme” zijn terug als de ordewoorden van een nieuwe generatie.