De groeiende kloof tussen arm en rijk in de VS en in de rest van de wereld legde eind ‘90 de basis voor een oppositiebeweging die men gemakkelijkheidshalve de anti-globaliseringsbeweging ging noemen. In november ‘99 legden 50.000 betogers de bijeenkomst van één van ‘s werelds belangrijkste instituten, de Wereld Handels Organisatie, stil. De burgerij wereldwijd was in shocktoestand. Groeiend protest konden ze missen als de pest. Toen al was duidelijk dat de economie van de VS vroeg of laat in recessie zou gaan, met alle gevolgen voor de rest van de economiëen van dien. Dit protest breidde zich uit naar de rest van de wereld. Na Seattle volgde Melbourne, Praag, Nice, Quebec, Göteborg, ... om tenslotte uit te monden in het massale protest tegen de G8 in Genua. Repressie kon deze beweging niet tegenhouden: het optimisme en de overtuiging dat men door massa-actie een einde kon maken aan uitbuiting en onderdrukking groeide. De autoriteit van regeringsleiders en politie en staat was zoek.
Maar dat bewegingen nooit in één rechte lijn vooruit verlopen, maar systematisch geremd of versneld worden door specifieke gebeurtenissen en ontwikkelingen, kon de anti-globaliseringsbeweging aan de lijve ondervinden. De gruwelijke aanslagen op de WTC torens en het Pentagon deden het tij keren. Deze aanslagen hadden een immens effect op het bewustzijn. Terwijl steun voor het beleid van Bush voor de aanslagen in opiniepeilingen nauwelijks 50%bedroeg, ging zijn populariteit met zijn stoere taal tegen de terroristen stijl de hoogte in. De schrik voor nieuwe terroristische aanslagen verlamde de Amerikaanse maatschappij in zijn geheel, en de arbeidersklasse in het bijzonder.
De verspreiding van het Antrax-virus, waarbij nog steeds niet duidelijk is waar het vandaan komt en wie het verspreidt, heeft bijgedragen tot het ontstaan van een ware angstpsychose in de samenleving en heeft de steun voor de oorlog uiteraard slechts versterkt.
De aanslagen waren voor de burgerij het middel bij uitstek om het roer terug stevig in handen te houden en een gevoel van nationale eenheid te kweken onder de bevolking, in het parlement en op wereldvlak. Allemaal samen voor de strijd van de VS tegen het terrorisme: de internationale “coalitie” tegen het terrorisme was geboren.
Maar net zoals er binnenin deze coalitie een strijd zal ontstaan voor wie welke brokken in de wacht zal slepen, konden we binnenin de VS de eerste tekenen van oppositie waarnemen. De betogingen tegen de oorlog, nog voor de oorlog begonnen was, was een teken aan de wand dat niet iedereen met deze oorlog eens was. Het lijkt erop dat het Antrax-terrorisme deze beweging wat naar de achtergrond heeft gedrukt. Maar ook in het Antrax-verhaal duiken proteststemmen op waarbij het duidelijk wordt dat niet iedere Amerikaan gelijk is voor de wet. Sinds de Antrax-brieven werden verspreid, zijn reeds 4 mensen aan het miltvuur-virus gestorven, waaronder 2 postmannen. Terwijl Pentagon, white-house en alle “nobelen” met veel voorzichtigheid in het oog gehouden worden, moeten postmannen vechten om gehoord en geholpen te worden. Het leven van een postman is immers minder waard dan het leven van een senator, president of één of andere olie of IT-gigant.
Deze oorlog tegen het terrorisme kunnen fundamentele tegenstellingen tijdelijk naar de achtergrond doen verdwijnen. Zeker indien geen enkele politieke massakracht aanwezig is om een fundamenteel antwoord op de immense onzekerheid te bieden. Maar dit kan slechts tijdelijk zijn. Vroeg of laat komen tegenstellingen terug naar boven, en op een hoger niveau. Zoals een zekere Michael Parenti, een Amerikaanse schrijver, schreef in een artikel na de aanslagen: “Het patriottisme dat we vandaag meemaken, is slechts een voorbijgaande rage. Want je kan geen vlaggen eten en de huur kan je niet betalen met wraakgevoelens”.
Els Deschoemacker