Kabila jr. danst naar pijpen van kapitalistische grootmachten

Dinsdag 16 januari werd de Congolese president Kabila doodgeschoten in zijn eigen presidentiële paleis. De daders van de aanslag waren een aantal kindsoldaten die in 1997 nog samen met Kabila de hoofdstad Kinshasa hadden veroverd. Dit werd bevestigd door diverse journalisten, o.a. van de Franse krant Le Monde, die in Congo de laatste uren van Kabila probeerden te reconstrueren. De onzekerheid over hoe het nu verder moest, werd door Kabila's getrouwen zo snel mogelijk in de kiem gesmoord: met de aanstelling van Kabila's zoon, Joseph, leek de controle van het regime over de politieke situatie op een symbolische manier te worden herbevestigd. Als bevelhebber van de landmacht was Joseph Kabila ook de geschikte persoon om het vertrouwen van het leger in die eerste moeilijke momenten zoveel mogelijk te behouden.

Hoewel het er dus niet op lijkt dat Kabila het slachtoffer werd van een buitenlands complot, of een afrekening binnen regeringskringen, liep zijn heerschappij duidelijk op haar laatste benen. Kabila had zich tijdens de laatste periode van zijn bewind voor bijna alle secties van de Congolese samenleving onmogelijk gemaakt, zijn meest directe politieke medewerkers - moe van de onberekenbaarheid en gewelddadige willekeur van hun semi-paranoïde "leider" - incluis.

Kabila kreeg in 1997 met zijn guerilla-beweging AFDL de macht zowat in handen geworpen. De steun van Rwanda en Uganda, niet te spreken over de gewelddadige inmenging op hun grondgebied van Hutu-milities die Mobutu's Zaïre als hun uitvalsbasis gebruikten, was daarbij belangrijk. Maar bovenal was er niemand meer te vinden, ook binnen het leger niet, die de dictator Mobutu te hulp wou schieten. Kabila kwam aan de macht op een golf van ongenoegen met het oude regime. Maar gewend aan jarenlang complotteren om zich als leider van het zuiver militaire type binnen de guerrilla te handhaven, beschikte hij niet over de ideeën, methodes en tradities om Congo boven de imperialistische uitbuiting uit te tillen en als baken voor een socialistische heropbouw van de regio aan de wereld voor te stellen.

Onder Kabila verschrompelden de reeds weinige belastingsinkomsten: enkel de oliesector leverde nog wat geld op voor de staat. De diamanthandel kwam grotendeels in het zwarte circuit terecht. In 1998 braken Rwanda en Uganda met Kabila, die niet bereid was om zich als hun stroman te laten gebruiken. Hij slaagde er ook niet in om Hutu- en andere rebellen van het grondgebied van zijn vroegere medestanders te houden. Rwanda en Uganda richtten op hun beurt rebellenlegers op die Congo binnenvielen om de milities te bestrijden en de aanlokkelijke natuurlijke rijkdommen - goud, diamant, koper, enz. - binnen te rijven. Enkel een militaire interventie van Angola redde op dat moment het regime van Kabila. In ruil voor deze hulp verwierf Dos Santos, de Angolese president, aandelen in de Congolese petroleum-industrie en de controle over de toekomstige olie-ontginning binnen de territoriale wateren van Congo. Angola kreeg ook de distributie van petroleum in Congo in handen. Zimbabwe, een andere bondgenoot van Kabila, werd gepaaid met het beheer van de mijnreus Gécamines en 37,5% van de aandelen van dit bedrijf.

De oorlog die het land verscheurde kostte al aan een miljoen mensen het leven, in wat de eerste "Afrikaanse wereldoorlog" wordt genoemd. Een derde van de kinderen is ondervoed. De meeste scholen werken niet. Leerkrachten worden dikwijls niet betaald om de oorlog te kunnen blijven financieren. Zelfs overlevingslandbouw op het platteland is voor de meeste stedelingen geen optie meer: daarvoor is de onveiligheid omwille van rondzwervende legereenheden te groot geworden. In het laatste jaar is het aantal vluchtelingen meer dan verdriedubbeld: van 750.000 naar meer dan 2 miljoen. Oxfam spreekt over "een van de ernstigste humanitaire situaties in de wereld".

Dit is de verschrikkelijke prijs die de bevolking betaalt voor de onwil van Kabila om op een beslissende manier met het imperialisme te breken. Kabila voerde een onmogelijke evenwichtsoefening uit door zich tegelijkertijd op de belangen van westerse bedrijven en die van de Congolese bevolking te willen baseren. Hij sloot contracten af met Amerikaanse en Belgische maatschappijen als American Mineral Fields, Petrofina en Union Minière, maar wierp zichzelf tegelijkertijd op als nationalistisch leider van de Congolese volksmassa’s. De oorlog met de buurlanden werd door Kabila gebruikt als een excuus om de economische onmacht op basis van de bestaande, imperialistische structuren toe te dekken.

Van het parlement met 300 leden dat door Kabila was aangesteld, waren er 60 door hemzelf en 240 door zijn directe omgeving aangewezen. Kabila deinsde er niet voor terug om legerofficieren uit het Mobutu-tijdperk opnieuw in het regime op te nemen. De beloofde presidents- en parlementsverkiezingen werden in 1999 voor onbepaalde duur uitgesteld, terwijl Kabila zelf alle macht naar zich toe trok en niemand uit zijn eigen omgeving nog echt vertrouwde. Het leger werd slecht of niet betaald, 80% procent van de officieren genoot geen militaire opleiding. Etnische tegenstellingen werden zonder veel scrupules gestimuleerd om de eigen greep op de macht te verstevigen.

Bovendien was Kabila een hindernis geworden voor de vrede waar zowel zijn eigen bevolking als zijn belangrijkste bondgenoten, Angola en Zimbabwe,

steeds meer op uit waren. Kabila wou van geen gesprek met de gewapende rebellen weten. Zijn verzet tegen een VN-vredesmacht wekte de irritatie van de grootmachten op. Kabila jr., daarentegen, maakte met bezoeken aan de VS, Frankrijk, België en de VN al snel duidelijk dat de nieuwe regering bereid was om zich in de agenda van het imperialisme in te schakelen: ja, ze willen een stabiel raamwerk creëren waarin westerse bedrijven zaken kunnen doen en ze kanten zich niet tegen de komst van een VN-vredesmacht, maar daar zullen dan wel financiële compensaties moeten tegenover staan die de infrastructuur van het land er bovenop helpen.

Hiermee komt Joseph Kabila tegemoet aan de verwachtingen van Angola en Zimbabwe, wiens troepen tijdens de begrafenis van Kabila sr. onbetwist heersten in Kinshasa - ook de "vijanden" Rwanda en Uganda waren op deze begrafenis uitgenodigd.

Angola kreeg door zijn interventie de controle over de olie-ontginning aan duizend kilometer Atlantische kust. Stabiliteit in Kinshasa is noodzakelijk om deze markt, en de diamanthandel, optimaal te laten renderen. Een eengemaakt Congo snijdt ook de pas af naar de diamant-ontginning voor de Angolese Unita-rebellen.

Ook Zimbabwe heeft zijn redenen om tot een akkoord te komen. Financieel werd de uitbating van de Gécamines een fiasco. President Mugabe, die zich als pan-Afrikanist probeerde te profileren (tegen Rwanda en Uganda die banden hadden met de VS), kampt ook met interne problemen: de landonteigeningen van de blanke boeren, een werkloosheid van 50%, een dalend BNP (-10%) en het IMF dat een lening van 340 miljoen dollar bevriest. In Uganda zijn er binnenkort verkiezingen voor Museveni: de publieke opinie uitte alvast haar ongenoegen over de wilde verrijking van Ugandese militairen in Congo en bloedige conflicten met het Rwandese leger.

Het Rwanda van Paul Kagame wil zich enkel terug trekken als een VN-vredesmacht de verschillende rebellenlegers van haar grondgebied houdt. Een VN-interventie na een vredesakkoord tussen de belangrijkste partijen is een mogelijk scenario. Veel zal echter afhangen van de eenheid binnen het Congolese staatsapparaat zelf: chaos in Kinshasa kan een nieuwe escalatie van het conflict in gang zetten.

Maar zelfs als de regering van Joseph Kabila zich op basis van een vredesakkoord en beperkte financiële steun uit het westen tijdelijk stabiliseert, zal het een erg zwak regime blijven. Geen enkel van de sociale en economische problemen zal fundamenteel worden opgelost. Onderhorigheid aan de dictaten van de vrije markt zal de tegenstellingen uiteindelijk opnieuw doen exploderen. Enkel een programma van socialistische heropbouw, gedragen door de georganiseerde massa’s tegen alle lokale despoten in, is in staat om de regio uit de greep van de kapitalistische overheersing te halen en zich werkelijk te laten ontwikkelen.

Peter Delsing

1