dinsdag 1 juni 2010

Lezersbrief over het communautaire standpunt van LSP en een antwoord

Het communautaire standpunt van LSP en de tweetalige affiche die we gebruiken om dit te onderstrepen, wekt discussie los. Dat was ook onze bedoeling, links moet op dit punt antwoorden naar voor brengen. We kregen een lezersbrief met een kritiek op ons standpunt naar aanleiding van het edito in het meinummer van ons maandblad. LSP staat open voor beargumenteerde discussie en publiceert de lezersbrief alsook een antwoord door Anja Deschoemacker. Reacties zijn uiteraard steeds welkom via redactie@socialisme.be


Antwoord door Anja Deschoemacker

Ik heb je mail met aandacht gelezen en ik wil je mijn opmerkingen laten weten. Uiteraard zal dit als lezersmail worden gepubliceerd op de site als dat je wens is.

Je begint je mail met de opmerking dat de taal- en cultuurstrijd van de Vlamingen deel uitmaakt van hun sociale strijd en daarmee niet in tegenstelling is. Als we het over het verleden hebben, ben ik grotendeels akkoord. Zoals ik ook in “De nationale kwestie in België – een antwoord van de arbeidersbeweging is nodig” schreef, heeft de sociaaldemocratie een enorme fout begaan door zich te vereenzelvigen met de Belgische staat en geen aansluiting te zoeken bij een essentieel sociale en democratische beweging als de Frontbeweging.

Maar ook in de Frontbeweging zouden wij, indien we aanwezig waren geweest, niet gewoon een programma verdedigd hebben voor “zelfbestuur” op zich, maar voor “socialistisch zelfbestuur”. Wij denken dat socialisten en communisten binnen de pluralistische Vlaamse Beweging de idee hadden moeten verdedigen – zoals de marxist Connoly in Ierland had gedaan – dat zelfbestuur of zich enkel een verschuiving had betekend van uitgebuit worden door Belgische kapitalisten naar uitgebuit worden door hun Vlaamse tegenhangers.

Maar de sociaaldemocratie deed niets van dit alles. Enerzijds was vanuit een meer algemene stelling om alles wat verdelend kon werken voor de arbeidersklasse – de vrouwenkwestie, de kwestie van de rechten van Vlaamse arbeiders, … uit de weg te gaan en het enkel te hebben over de levens- en arbeidsvoorwaarden van de arbeiders. De Belgische sociaaldemocratie was niet de enige die er zo over dacht. Economisme, zoals men dat toen noemde, was zeer wijdverspreid. Slechts enkele krachten, voornamelijk Lenin, Rosa Luxemburg,… spraken zich hiertegen uit. Wij verdedigen vandaag nog steeds het standpunt van Lenin op het vlak van de nationale kwestie, tegen het economisme en het negeren van de nationale kwestie vanwege de meeste linkse stromingen vandaag. De nationale kwestie weerspiegelt immers reële verschillen die, als ze als geen openlijke discriminatie zijn, vaak zo worden aangevoeld. Daar kom ik straks op terug.

Anderzijds had de houding van de Vlaamse socialisten ook te maken met het feit dat het socialisme in Vlaanderen een minderheid vertegenwoordigde terwijl de socialistische beweging in Franstalig België een veel groter gewicht had in de samenleving. Deels had dat te maken met de verschillen in sociale opmaak tussen Vlaanderen en Wallonië: een veel groter deel van de bevolking werkte in de industrie in Franstalige België (ook in Brussel, dat bij de eeuwwisseling nog steeds een stad was waar de meeste inwoners als handarbeiders werkten) terwijl in Vlaanderen het gewicht van de kleine arme boerenstand nog veel zwaarder was. De socialisten in Vlaanderen rekenden op hun kameraden in Wallonië om de grote gevechten met het patronaat te winnen.

In Franstalig België was neerkijken op Vlaanderen (minderwaardige taal, ultrakatholiek, provincialistisch,…) de normale praktijk. Dat had uiteraard ook invloed op de Franstalige arbeidersklasse. Algemeen werden Vlamingen in de Franstalige pers voorgesteld zoals migranten vandaag, kortweg zoals crapuul. Dit werd weerspiegeld in het (foute en ondemocratische) standpunt van “socialisten” als Destrée en anderen. Voor hen was de nationale aanhankelijkheid aan het Franstalige België belangrijker dan de arbeiderseenheid tegen het Belgische patronaat. Een grote fout die bovendien op verschillende momenten in de geschiedenis wordt herhaald.

Maar als we naar vandaag terugkomen, denk ik dat ook jij niet kunt ontkennen dat er ondertussen wel zaken zijn veranderd en ernstig veranderd. Het moeilijke van de Belgische nationale kwestie – maar vergelijkbaar met bijvoorbeeld de verschuiving in de nationale kwestie in Noord-Ierland die al ettelijke jaren plaatsvindt – ligt hem juist in die verandering. Vlaanderen levert sinds de jaren ’60 niet alleen een meerderheid van de bevolking – wat steeds zo is geweest – maar wordt dan ook economisch sterker dan Wallonië dat hard wordt geraakt door desindustrialisatie (waarbij de jobs in de industrie in veel mindere mate dan in Brussel worden vervangen door jobs in de openbare diensten, commerciële diensten en administratie). De werkloosheid en armoede beginnen er te groeien, wat in scherp contrast staat met de economische opgang die Vlaanderen toen kende (o.b.v. het aantrekken, door gunstige belastingsregimes, van multinationale bedrijven.

Vandaag ligt het gemiddelde inkomen in Wallonië 26% lager dan in Vlaanderen. In Brussel is het bijna onmogelijk geworden om nog een degelijke en goed betaalde job te vinden indien je niet minstens de twee belangrijkste landstalen kent. Ondanks een bijna doorlopende meerderheid in Wallonië voor de sociaaldemocratie is er bijna nooit een socialistische premier geweest en slechts gedurende een korte periode een Franstalige premier. Ik zeg niet dat vandaag Wallonië of de Franstalige Belgische bevolking wordt onderdrukt door de Vlaamse, maar het omgekeerde kan toch echt ook niet meer worden beweerd. Natuurlijk zijn figuren als Maingain beroepsprovocateurs, maar de communautaire aanvallen vandaag komen vanuit Vlaamse kringen, wat het ergens normaal maakt dat het in Franstalig België tot een defensieve reactie en dus politieke frontvorming leidt. Wij komen overigens in het Franstalige deel van het land, waar alle partijen (zoals in Vlaanderen) zich min of meer als verdediger van de Franstaligen opstellen, ook op tegen het beeld van een rechts en egoïstisch Vlaanderen. We wijzen er op de verantwoordelijkheid van de Franstalige partijen in het hele gedoe. Wij leggen er bijvoorbeeld uit dat als in België geen tweetaligheid bestaat, dat niet is omdat de Vlaamse beweging zich daartegen heeft verzet, maar juist de Franstalige politici daar niets van moesten weten. Indien zij dat niet hadden tegengehouden, zouden de Franstaligen in Halle-Vilvoorde vandaag geen enkel probleem hebben om hun eigen taal te gebruiken.

Over de problemen in BHV zelf stellen wij niet dat ze “niet belangrijk” zijn, laat staan dat het een “circus” is, zoals de PvdA beweert. De reden waarom die flamingante partijen en figuren daar zoveel stemmen krijgen, heeft volgens mij ook veel meer te maken met de hoge woonprijzen in die regio dan met het kiesdistrict zelf. Een oplossing voor die hoge woonprijzen dringt zich op, maar dit ligt volgens mij niet in de splitsing van de kieskring en evenmin in taalvoorwaarden en de afschaffing van de faciliteiten – wij eisen een massaal programma van sociale woningbouw en stadsrenovatie in zowel Brussel als in Halle-Vilvoorde, volgens ons de enige manier om voldoende betaalbare woningen te verzekeren en feitelijk ook de enige manier om de prijzen op de privéwoningmarkt ook te drukken.

Ik wil hier ook vermelden dat hetzelfde proces van stijgende woningprijzen zich voordoet in de rand van alle grote steden, waarbij beter verdienende gezinnen (uit de middenklasse, maar vaak ook arbeidersgezinnen met twee inkomens, zich in de rand vestigen omwille van de hogere levenskwaliteit (groener, kindvriendelijker, minder lawaai,…) maar ook omdat de huisvesting in de steden zelf vaak weinig kwaliteit bieden voor veel geld. Rond Brussel wordt dat proces zeer zichtbaar (of hoorbaar) omdat de inwijking in die randgemeenten (of de uitwijking uit de stad) vaak anderstalig is, terwijl dat in Antwerpen of Gent vaker uit eveneens Vlaamse gezinnen bestaat. Maar sociale verdringing door stijgende woonprijzen gebeurt daar evengoed.

Verder is er de kwestie van de minderhedenpolitiek van de Vlaamse overheid – of beter: het gebrek daaraan. De Franstaligen in Halle-Vilvoorde zouden volgens de laatste cijfers die ik heb gezien zo’n 120.000 mensen bedragen (waarbij ongeveer de helft in de faciliteitengemeenten en de helft in de rest van Halle-Vilvoorde). Je kunt er niet van onder uit dat een dergelijke groep in alle democratische staten van de wereld een minderheidsstatus zou verkrijgen, waaraan rechten als de Belgische faciliteiten zouden worden toegekend. Vlaanderen kan haar vroegere discriminatie in België niet gebruiken (als ze democratisch wil blijven) om vandaag die groepen zelf te discrimineren. Maar dat is exact wat vandaag gebeurt. Wij zouden in het verleden de sociale Vlaamse strijd voor gerechtvaardigde eisen hebben gesteund indien onze stroming toen aanwezig was, maar socialisten geven enkel steun aan de bevrijdingsstrijd van onderdrukte naties (met haar programma voor het zelfbeschikkingsrecht der naties), niet aan haar vestiging als dominante nationale groep die op haar beurt haar nationale cultuur oplegt aan de bevolking binnen haar grenzen. Wij steunen met andere woorden het Vlaamse revanchisme niet, dat vandaag alle Vlaamse partijen (met uitzondering van radicaal links) heeft veroverd. Wij zijn er niet mee akkoord dat de discriminatie die Vlaanderen in het verleden heeft geleden vandaag door Vlaanderen wordt toegepast op de Franstaligen (waarover ook moet gezegd dat het zeker niet enkel om Franstalige bourgeois gaat, maar vaak ook over gezinnen van tweeverdieners die in Brussel werken, maar in de rand een kindvriendelijke woning in een rustige en groene omgeving kunnen kopen voor hetzelfde geld als een appartement in Brussel hen had gekost).

Wat de faciliteiten betreft: iedere aanval op de faciliteiten duwt de Franstalige arbeidersgezinnen in de rand regelrecht in de armen van figuren als Maingain, terwijl die gezinnen evengoed gewonnen kunnen worden voor een socialistisch programma. De aanvallen of de faciliteiten maken de eenheid van de arbeidersklasse in de komende strijd tegen het enorme besparingsprogramma die de burgerij met de volgende regering wil opleggen moeilijker. En voor ons gaan de belangen van de arbeidersklasse – ongeacht de moedertaal, de nationale afkomst of godsdienst, de sekse of seksuele oriëntatie van de arbeiders in kwestie – voor op de belangen van “de Vlaamse natie”. Daarom zijn wij socialisten en geen burgerlijk nationalisten.

Ik woon vandaag al zo’n zes jaar in Brussel, na mijn hele leven in Vlaanderen (18 jaar in Knokke, 16 jaar in Gent) te hebben gewoond. We hebben er met LSP ondertussen al een aantal verkiezingscampagnes opzitten in de kieskring BHV. Mijn ervaring met de Franstaligen in Brussel en in de rand is dat de meesten van hen Nederlands willen leren, maar dat op volwassen leeftijd een taal leren na de werkuren en bovenop de tijd die je gezin van je vraagt, helemaal niet evident is. In ons programma komen wij dan ook op voor taallessen tijdens de werkuren (uiteraard met doorbetaling van het loon), enerzijds om te vermijden dat ééntaligen gediscrimineerd worden bij de aanwerving o.b.v. hun talenkennis, anderzijds om overal waar dat nodig is een tweetalige dienst te kunnen aanbieden.

Dat zou een oplossing zijn voor die Franstalige jongeren die vandaag door een ondergefinancierd Franstalig onderwijssysteem nooit de kans hebben gekregen Nederlands te leren, maar ook voor de Vlaamse jongeren die uit het technisch en beroepsonderwijs komen en die in Brussel geen job kunnen vinden omdat ze nooit de kans hebben gekregen Frans te leren. Of voor de Vlaamse werknemer die gaat solliciteren in een bedrijfje met een Franstalige baas in een faciliteitengemeente, zoals het voorbeeld dat jij aandraagt.

Volgens ons is de enige kracht die de strijd kan voeren voor dergelijke sociale eisen – recht op een goed betaalde job die werkzekerheid biedt, recht op een betaalbare woning, recht op degelijk onderwijs voor onze kinderen, recht op gezondheidszorg of nog op een degelijk pensioen enz. – de arbeidersklasse. Die arbeidersklasse is niet ééntalig, maar meertalig, zeker in Brussel waar reeds meer dan de helft van de bevolking niet haar oorsprong in de Belgische gemeenschappen heeft; in Antwerpen is dat overigens ook al opgelopen tot een derde, in Gent tot een vierde. De arbeidersklasse moet, als ze haar kracht wil samenbundelen voor de strijd, wat nodig is om te overwinnen, consequente democratie in haar vaandel dragen.

Ze moet ook begrijpen dat taalverwerving een proces is, waarbij vooral de economische noodzaak (de taalvereisten op de arbeidsmarkt) aanzet tot het leren van een andere taal dan de moedertaal. De verschuiving in de Belgische situatie is misschien nog het meest duidelijk in de talrijke initiatieven in Wallonië en Brussel voor onderwijs in twee talen, waarbij het in de meeste gevallen wel degelijk om het Nederlands als tweede taal gaat. De constante aanvallen vanwege de Vlaamse partijen, die achter die aanvallen vooral hun onvermogen of onwil verbergen om reëel iets te doen aan de sociale problemen, bemoeilijken dat proces meer dan dat ze het vergemakkelijken. Net een Vlaming, met zijn historische achtergrond van onderdrukking door een eentalig Franstalige staat, zou moeten begrijpen dat pure staatsdwang enkel leidt tot verzet. Beter taalonderwijs, tweetalig onderwijs in Brussel (met een inbreng van de vele migrantengemeenschappen),… gecombineerd met voldoende middelen voor het onderwijs (zelfs taalbadonderwijs zal weinig resultaten boeken in klassen van 30 of meer leerlingen) en met het stimuleren van gezamenlijke culturele activiteiten e.d. zijn volgens ons stukken doeltreffender dan wat vandaag wordt geprobeerd door de Vlaamse partijen.

Ik wil nog besluiten met de opmerking dat wij ons uitgesproken verzetten tegen zowel de eenzijdige splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde als tegen de uitbreiding van Brussel. Ik weet dat spreken tegen het gangbare Vlaamse (of beter Vlaams-nationalistische) eenheidsdenken ons vaak de opmerking oplevert dat we “objectieve bondgenoten” zouden zijn van de Franstalige politici, van Maingain en co. Dat is een foute voorstelling van de zaken, die bovendien bij de meesten voortvloeit uit kwade wil, uit een poging onze ideeën fout voor te stellen.

Marx verdedigde tegenover de Britse arbeidersklasse het opnemen van de Ierse onafhankelijkheid in hun programma. Hij stelde dat de Britse arbeidersklasse nooit vrij zou zijn indien ze zich niet zou vrijmaken van het Britse nationalisme en chauvinisme waarmee de Britse burgerij de arbeidersklasse aan haar verbindt. Enkel door het erkennen door de Britse arbeidersbeweging van het recht van de Ierse arbeiders op onafhankelijkheid zouden de Britse en Ierse arbeiders zich echt kunnen verenigen in de strijd tegen hun gezamenlijke vijand: de Britse heersende klasse.

Hij had evengoed de Franstalige arbeidersklasse kunnen oproepen zich los te maken van de dominante cultuur in het land en op te komen voor het recht van de Vlaamse arbeiders op zelfbeschikkingsrecht. Maar vandaag bevinden we ons toch in een andere situatie. Dat er nog discriminatie van Vlaamse arbeiders bestaat in de Belgische context, kan dan wel waar zijn, maar hetzelfde geldt voor de Franstalige arbeiders, die bijvoorbeeld voor een groot deel worden uitgesloten voor tewerkstelling in de vele administraties en diensten die in Brussel het grootste deel van de arbeidsmarkt uitmaken. België creëert door zijn systeem van machtsdeling tussen de gemeenschappen – waarbij iedere gemeenschap dominant is op zijn eigen grondgebied) overal discriminatie en uitsluiting; we zouden het bijvoorbeeld ook kunnen hebben over de discriminatie van de Duitstaligen binnen de Waalse context, waaraan ik in mijn boek ook aandacht besteedt. Opkomen tegen al die discriminaties, niet alleen eenzijdig die van één taalgroep, is volgens ons het programma dat de arbeidersklasse overal in België zou moeten aannemen om voldoende eenheid te bekomen om te kunnen winnen tegen zij die van alle discriminaties profiteren: het patronaat aan beide zijden van de taalgrens.

Waarschijnlijk zal ik je niet hebben overtuigd van ons standpunt, maar ik vond het toch belangrijk om ons standpunt uit te klaren en komaf te maken met de foute voorstelling die vaak wordt gemaakt dat wanneer je niet akkoord bent met het Vlaamse revanchisme van vandaag, je dan ook niet bereid bent op te komen voor de rechten van de Vlaamse arbeiders, zoals het recht op betaalbaar wonen in Halle-Vilvoorde. We zien echter niet hoe het recht of faciliteiten voor de Franstalige inwoners de rechten van de Vlaamse arbeiders met de voeten treedt. De politiek van de Vlaamse partijen, die niets doen tegen de absoluut overheersende privéwoningmarkt en toelaten dat daar vanuit winstbejag onmogelijke huur- en koopprijzen worden gevraagd, doet dat volgens ons wel.

Ik hoop dat mijn antwoord je wel overtuigt om de discussie verder te zetten, wat ik met veel interesse zal doen. We zullen alvast je mail, samen met dit antwoord, op onze site publiceren.