Zij gokken, wij betalen 

Kapitalisme glijdt af naar wereldwijde recessie

Het is doorgaans al niet gemakkelijk inzicht te verwerven in het reilen en zeilen van de ekonomie, laat staan van de financiële markten. Welke doorsnee sterveling houd zich immers dagelijks bezig met aandelen, obligaties en wisselkoersen of futures, opties en andere "afgeleiden". Vandaag wordt dit nog extra gekompliceerd doordat de burgerlijke kommentatoren warm en koud blazen. Terwijl ze de ene dag nog de gezondheid van de "ekonomische fundamenten" prediken, orakelen ze de volgende dag al het instorten van het hele financiële stelsel. Stilaan wordt de werkelijke oorzaak van deze jojo-beweging van de financiële markten zichtbaar, nl. een aanstormende wereldwijde recessie die het leven van miljoenen arbeiders en jongeren de komende maanden en jaren drastisch zal wijzigen. Eric Byl onderzoekt voor Militant Links de oorzaken en waarschijnlijke gevolgen van deze wereldrecessie.

Nieuw ekonomisch paradigma?

Tot voor kort pochten burgerlijke kommentatoren nog vol lof over de gezondheid van de "vrije" markt. Ze hadden het over een nieuw ekonomisch paradigma, een nieuwe perfekte toestand van het kapitalisme waarin konjunkturele krises niet meer zouden bestaan. De basis daarvoor, aldus een aantal VS-ekonomen, zou gelegd zijn door de gunstige kombinatie van liberalisering, globalisering, lage inflatie en nieuwe technologie. Het kapitalisme zou voortaan enkel nog kunnen groeien.

Om ten volle van dit nieuwe gouden tijdperk te kunnen genieten, zouden de arbeiders en hun vakbonden in het Westen wel een aantal "taboes" moeten opgeven. Vastheid van betrekking, een vast en degelijk loon, het recht op een sociale uitkering, ziekteverzekering, een wettelijk gegarandeerd pensioen,... zijn "luxe-produkten" uit het verleden. Voortaan zou de Westerse arbeider zich moeten spiegelen aan de werklust - voor weinig loon - van de arbeider uit Zuidoost-Azië.

Azië zou niet alleen de motor zijn van de wereldekonomie, maar tevens het sluitstuk van een burgerlijk ideologisch offensief. Dit offensief werd ingezet na de val van de stalinistische karikaturen van het socialisme in Oost-Europa en de Sovjetunie zo'n 7 tot 8 jaar geleden. Azië had zogezegd de superioriteit van de vrije markt aangetoond, "oubollige" opvattingen over openbare dienstverlening en wettelijke reglementering van de arbeidsmarkt moesten plaats maken voor de "nieuwe" credo's van privatisering, rentabilisering, flexibilisering en deregulering.

De Aziatische goktent

Zuidoost-Azië nam de rol over die Japan tot het begin van de jaren '90 gespeeld had en later had doorgegeven aan de vier zogenaamde tijger-ekonomieën - Singapore, Taïwan, Hong Kong en Zuid-Korea. Elk om beurt deden ze dienst als model voor het neo-liberale dynamisme dat ons de 21ste eeuw zou binnen loodsen.

De eerste tekenen van krisis in Zuidoost-Azië, die het gevolg waren van een reeks kompetitieve devaluaties(*), werden door de kapitalistische leiders weggewuifd als een "lokaal probleempje", hooguit een toe te juichen korrektie van een overgewaardeerde markt, kortom een storm in een glas water. Het enthousiasme over de nieuwe groeiekonomieën in Thaïland, Maleisië, Indonesië, de Filippijnen en China kreeg men niet zomaar stuk.

De zwakheden van deze ekonomieën lagen nochtans voor de hand. Al deze landen zijn voorbeelden van extreme ongelijkmatige onwikkeling, waarbij elementen van een hoogontwikkelde kapitalistische maatschappij op een kunstmatige manier geïnjekteerd werden in arme, onderontwikkelde en tot voor kort voornamelijk agrarische maatschappijen. De invoering van de "vrije markt"-ekonomie gebeurde er bovendien onder extreem repressieve, autoritaire regimes. Snelle ekonomische groei moest er onvermijdelijk leiden tot enorme tegenstellingen en bijgevolg tot grote sociale spanningen.

Vanaf het einde van de jaren '80 werden deze ekonomieën overspoeld door kapitaal uit de ontwikkelde kapitalistische landen. Waarom? Deels omdat produktieve investeringen in het Westen niet meer de gewenste rentabiliteit opleverden. Deels omdat door de afbouw van overheidsschulden in het Westen kapitaal dat voorheen belegd was in overheidsobligaties een nieuwe bestemming vond op de lukratieve Zuidoost-Aziatische beurzen. Deels als gevolg van liberalisering van de handel in goederen en financiële middelen.

Het ging vooral om investeerders met een overschot aan liquiditeiten die op zoek waren naar zeer winstgevende investeringen in een selekte groep derde-wereldlanden. De kapitaaltoevoer naar Azië (zonder China) steeg van gemiddeld 4,7 miljard $/jaar in de jaren '80 naar 33,45 miljard $/jaar tussen '91 en '96.

In het begin ging het vooral om investeringen van multinationale ondernemingen op zoek naar goedkope arbeid en grondstoffen. De snelle ekonomische groei en de superwinsten die er gerealiseerd werden, trokken echter meer en meer spekulatieve investeringen in aandelen en obligaties aan. De sterke stijging van de beurzen lokte tevens lokale investeerders, meestal op basis van geld dat ze in het buitenland geleend hadden. De groei van de steden zorgde bovendien voor een stijgende spekulatie in immobiliën.

De groeicijfers van de jongste jaren waren vooral een gevolg van de enorme toename van de investeringen met gemiddeld 20%/jaar, ongeveer drie keer zoveel als de groeivoet van de ekonomie. Dit kon niet blijven aanslepen. In '96 werden de eerste tekenen van een regionale overproduktiecapaciteit (in auto's, microchips,etc.) en een oververzadiging van de immobiliënmarkt zichtbaar. Een vertraging van de export leidde tot groeiende handelstekorten.

De muntkrisis

De direkte aanleiding voor de huidige krisis waren een reeks devaluaties te beginnen bij de Thaïse Baht in juli. De meeste Zuidoost-Aziatische munten waren tot voor kort gekoppeld aan de VS-dollar. Dit moest buitenlandse investeerders verzekeren dat de waarde van hun aandelen min of meer stabiel bleef. Zolang de dollar daalde, leverde dit voordeel op voor deze ekonomieën. Vanaf '95 begon de dollar echter in waarde te stijgen waardoor de export van deze landen duurder werd. Bovendien werden ze eerder al onder druk gezet door een devaluatie van de Chinese munt met 35% in '94. Met nog lagere lonen en nog goedkopere grondstoffen begon China haar aandeel in de wereldhandel op te drijven ten koste van de Zuidoost-Aziatische ekonomieën.

Deze faktoren leidden tot een groeivertraging in '96 en toenemende handelstekorten. Om de ekonomische krisis het hoofd te bieden, besloot de regering van Thailand haar munt los te koppelen van de VS-dollar. Dit leidde vrijwel onmiddelijk tot een scherpe devaluatie. Om de kompetitiviteit te behouden waren ook andere regeringen uit de regio verplicht hun munt te devalueren, maar wegens de overkapaciteit in de regio leidde dit niet tot een herstel van de export. Het enige resultaat was een kettingreactie die uiteindelijk moest leiden tot recessie.

In een poging om een massale vlucht van kapitaal tegen te gaan, besloten de meeste regeringen de rentevoeten fors op te trekken. Daardoor werden diegenen die geld hadden geleend - fabrikanten, bouwondernemingen, exportfirma's en de overheid zelf - extra hard getroffen, temeer omdat de schuld meestal uitgedrukt was in VS-dollars. Bovendien was de "vlucht naar kwaliteit", naar minder risikovolle aandelen in de westerse landen, al ingezet. De financiële zeepbel barstte: banken werden insolvabel, immobiliënprijzen stortten in elkaar en financieringsmaatschappijen gingen bankroet. De konsumentenmarkt die grotendeels gebaseerd was op krediet stortte in.

Zij gokken, wij betalen

Westerse investeerders die jarenlang superwinsten gerealiseerd hebben op de Zuidoost-Aziatische beurzen verlieten in allerijl het zinkend schip. Om te vermijden dat hele ekonomieën zouden wegzinken zijn Westerse regeringen nu verplicht, via het Internationaal Monetair Fonds, geld vrij te maken om een deel van de failliete bedrijven uit te kopen. De ironie wil dat het juist de arbeiders en jongeren zijn, die jarenlang bedrijven hebben weten sluiten en inleveringen moesten slikken om dat ze niet kompetitief waren met de groeiekonomieën in Zuidoost-Azië, die via belastingen zullen opdraaien voor de kosten van deze krisis.

Het IMF mobiliseerde voorlopig zo'n 3.500 miljard Bfr., maar er zijn grenzen aan de bereidheid van de Westerse regeringen om met hulppakketten op de proppen te komen. Zij vrezen immers voor de politieke gevolgen ervan. Arbeiders en jongeren in het Westen zullen immers niet happig zijn om het puin te ruimen dat spekulanten er achter gelaten hebben. Zij weten maar al te goed welke Westerse banken (o.a. de Generale) beleggingen in Zuidoost-Azië gepromoot hebben en welke bedrijven (o.a. Boelwerf) hun deuren hier gesloten hebben met het oog op meer winstgevende aktiviteiten in deze regio.

Alleen al voor Zuid-Korea, de 11e industriële macht op wereldvlak werd maar liefst 1.800 miljard Bfr. gemobiliseerd. Of dit zal volstaan is zeer twijfelachtig. Zes van de 30 chaebols (grote konglomeraten van bedrijven) zijn bankroet. Volgens insiders zou dit kunnen oplopen tot ongeveer de helft met een massale toename van de werkloosheid tot gevolg. Investeringen in het buitenland door de 4 grootste chaebols - Hyundai, Daiwoo, Samsung en LG - o.a. in de VS en Groot-Brittanië werden reeds geschrapt.

Uitbreiding naar Japan

Het is duidelijk dat Zuidoost-Azië door een diepe recessie gaat met verregaande gevolgen voor de rest van de wereld. Zowel in Latijns-Amerika als in het voormalige Oostblok is een kapitaalvlucht op gang gekomen uit schrik voor een lokale versie van Aziatische krisis. De krisis in Azië zal tevens de export van de VS naar de regio ondermijnen (20% van de VS uitvoer gaat naar Oost-Azië, 12% naar Japan). De Chinese ekonomie, die mee aan de basis lag van de ineenstorting in Azië, is de jongste maanden sterk vertraagd.

Deze recessie zal leiden tot een enorme toename van de werkloosheid en een daling van het inkomen van arbeiders en boeren. Nu al zijn er massale protestbetogingen geweest die het begin inluiden van sociale en politieke beroering.

Het zwaarste impakt zou deze krisis kunnen hebben op Japan, 's werelds tweede ekonomie die instaat voor 14% van totale produktie in de ontwikkelde kapitalistische landen en 8% van de wereldproduktie.

Japan is eigenlijk nooit de krisis van '92 te boven gekomen. De enige basis waarop het Japanse kapitalisme kon standhouden, was de toename van de uitvoer ten gevolge van de lage yen ten aanzien van de dollar. 46% van de Japanse export gaat echter naar andere Aziatische ekonomieën, 12,5% naar Thaïland, Maleisië, de Filippijnen en Indonesië. Dit zal nu zwaar ondermijnd worden.

Bovendien heeft het Japanse financiekapitaal enorme leningen uitstaan in die landen. 35% van de korte termijn-leningen aan Koreaanse banken is afkomstig van Japanse banken. Heel wat van die leningen hebben als onderpand immobiliën, waarvan de prijzen ineengestuikt zijn. Deze leningen zijn zo goed als waardeloos geworden. Het totaal aan slechte leningen van de Japanse banken komt overeen met 10% van Japans jaarinkomsten.

Het faillissement van de financieringsmaatschappij Yamaichi, met zo'n 750 miljard Bfr. schulden, wijst op het enorme gevaar voor een totale ineenstorting van de Japanse ekonomie. Om dit te vermijden heeft de Japanse overheid een steunplan aan de financiële sektor ten belope van zo'n 2.700 miljard Bfr. opgezet en een belastingsverlaging aangekondigd van maar liefst 550 miljard Bfr. Maar zelfs deze enorme bedragen vertegenwoordigen slechts een fraktie van de totale schulden van de Japanse banken. Zodra die aan het glijden gaan, zullen de reserves snel opgebruikt zijn.

Zijn de fundamentals gezond?

Zelfs nadat de val van de Hong kong-beurs een kettingreaktie op de Westerse beurzen had veroorzaakt, bleven analysten beweren dat er niets aan de hand was. Peter Praet van de Generale sprak over een "lichte korrektie, hooguit een lokaal probleem". In het kielzog van zijn internationale voorpraters wees hij op de gezondheid van de ekonomische fundamenten nl. een lage inflatie, dalende loonkosten en hoge bedrijfswinsten.

Deze drie kenmerken zeggen echter niets over de gezondheid van de ekonomie, integendeel. De lage inflatie is in dit geval niet het gevolg van een sterke toename van de produktie of een ekonomische expansie, maar veeleer van de deflatoire bezuinigingspolitiek die alle Westerse overheden voeren, van een beperking dus van de geldhoeveelheid in de ekonomie. Dit laatste is juist hét hoofdkenmerk van een depressie. Terwijl de overheid in een "gezonde situatie" van groei zal proberen de konsumptie te stimuleren door meer geld in de ekonomie te laten cirkuleren, zal ze in een periode van achteruitgang of stagnatie juist de geldhoeveelheid trachten te beperken om hyperinflatie te vermijden.

Dalende loonkosten zijn evenmin een teken van een gezonde ekonomie. De dalende loonkosten ondermijnen juist datgene waardoor een sterke ekonomie zich onderscheidt van een fragiele groeiekonomie, nl. dat ze kan terugvallen op een sterke binnenlandse markt. De gezondheid van de Westerse ekonomieën in de jaren '50 en '60 lag hem net in de toename van de koopkracht, m.a.w. in de uitbreiding van de markten. Vandaag zien we net het tegenovergestelde, nl. een inkrimping van de markt ten gevolge van stijgende werkloosheid, krimpende overheidsinvesteringen en dalende lonen.

Tot voor kort voorspelden zowat alle ekonomische instellingen (het planburo, de OESO....) een groei. Kenmerkend daarbij was dat die groei in alle gevallen gebaseerd was op een toename van de investeringen en een groei van de export. Telkens werd daaraan toegevoegd dat het partikulier verbruik of het consumentenvertrouwen achterop hinkte. Dit kon ook moeilijk anders: om kompetitief te blijven, wordt drastisch gesnoeid in lonen en arbeidskondities. Dit ondermijnt de binnenlandse markt ten voordele van de exportgerichte sektoren. Meteen neemt de afhankelijkheid van de internationale konjunktuur toe. Maar gezien hetzelfde beleid in heel de westerse wereld wordt toegepast, gezien de groei gebaseerd is op een daling van de loonkosten en een stijging van de investeringen - dus meer produktiekapaciteit op een krimpende markt -, moet dit onvermijdelijk leiden tot een klassieke krisis van overproduktiekapaciteit.

Wat dan met de hoge bedrijfswinsten? Het is juist dat de bedrijven in de recente periode de ene rekordwinst na de andere geboekt hebben, gemiddeld een jaarlijkse toename met 20%! Dit is echter niet de weerspiegeling van een groei van de ekonomische aktiviteit, noch van een stijging van de produktiviteit (sinds het begin van de jaren '90 gemiddeld slechts 1%/jaar), maar vooral van intense kostenbesparingen, in het bijzonder door intensievere uitbuiting van de arbeiders. Gillette bijvoorbeeld verhoogde haar winst in het tweede kwartaal van '97 met maar liefst 15% terwijl de totale verkoop in die periode nauwelijks met 1% steeg. In datzelfde kwartaal daalde de verkoop van Coca Cola met 4,3%, de winst steeg echter met 12%.

Een depressie, een langere periode van ekonomische stagnatie of achteruitgang, wordt gekenmerkt door inkrimpende markten, stagnerende produktiviteit, een deflatoire politiek en strukturele werkloosheid, waarbij iedere maatregel van de overheid om deze kenmerken te bestrijden, lijkt te resulteren in het tegendeel. De ekonomische fundamenten die onze specialisten aanhalen om de sterkte van de ekonomie te belichten zijn niets anders dan de kenmerken van zo een depressie.

Naar een nieuwe wereldrecessie?

Tegen deze achtergrond zal de recessie die zich nu ontwikkelt enorme gevolgen hebben. De recessies van '74-'75 en die van '79-'81 zorgden niet alleen voor het ontstaan en de verdubbeling van strukturele werkloosheid en armoede, maar ook voor immense strijdbewegingen. In die periode was de autoriteit van de sociaal-demokratie en die van de "kommunistische" partijen, daar waar ze nog over een massabasis beschikten, enorm. Dit stelde hen steeds weer in staat de bewegingen af te leiden naar het parlement en het kapitalistisch systeem te redden.

De recessie van '91-'93 was minder diep, maar langer uitgerokken dan de twee vorige. In termen van groei van de werkloosheid en bezuinigingsmaatregelen waren de gevolgen ervan voor de arbeidersbeweging wellicht zwaarder dan de vorige. Het begin van de jaren '90 werd echter gekenmerkt door de ineenstorting van het stalinisme en het ideologisch offensief van de burgerij tegen alles wat maar enigszins met socialisme te maken had. Dit ging gepaard met een offensief over de weldaden van de markt waarbij eerst Japan, dan de tijgers en tenslotte de goeiekonomieën van Zuidoost-Azië de wereld zouden redden.

De totale kapitulatie voor de markt van de sociaal-demokratische en de stalinistische leiders (bijv. in China en de Sovjetunie) hadden een verlammend effekt op brede lagen van arbeiders en jongeren. Zelfs diegenen die aktief in de strijd betrokken waren, die geen enkele twijfel hadden over hun identificatie met de arbeidersklasse, die niet twijfelden aan de noodzaak om iedere dag weer tegen de patroons en de kapitalistische staat te vechten, vroegen zich dikwijls af of er wel echt een valabel alternatief bestond voor het kapitalistisch systeem vanuit sociaal en ekonomisch oogpunt.

De komende recessie zal dieper zijn dan de vorige, maar vooral leiden tot veel diepgaander politieke gevolgen. De reserves van de burgerij zijn grotendeels uitgehold, de kloof tussen arm en rijk is groter dan ooit, bij de arbeiders en de jongeren heeft zich een enorme haat voor dit systeem opgestapeld, de globalisering heeft tevens geleid tot een groeiende belangstelling voor internationalisme.

De jaren '90 waren een bijzonder moeilijke periode voor revolutionairen. Ongetwijfeld zullen nog elementen van die periode blijven hangen, globaal genomen is het moeilijkste echter achter de rug. De herinnering aan het stalinisme zal plaats ruimen voor de kolossale effekten van de krisis van het kapitalisme. Arbeiders en jongeren zullen zich verzetten tegen de katastrofale gevolgen van deze krisis, in deze strijd zullen ze op zoek gaan naar nieuwe ideeën. Onvermijdelijk zullen ze terecht komen bij de echte ideeën van het socialisme. In zo een situatie kunnen we de krachten verzamelen voor een revolutionaire tendens die later de basis kan zijn voor de vorming van een internationale van revolutionaire massapartijen.



De Militant
1