Indien de krisis geen roet in het eten gooit, kan je vanaf 1 januari '99 je betalingen verrichten in euro. Tenminste, als je na al die jaren van inleveren nog iets over hebt om mee te betalen in wat voor munt dan ook! Daarmee zou voor het eerst gestalte gegeven worden aan de droom van oud-bondskanselier Willy Brandt. Die lanceerde al in '69 het idee van een Europese eenheidsmunt ter vervanging van de nationale munten. Het zogenaamde Werner-rapport van oktober '70 stelde «onomkeerbare vaste wisselkoersen» voorop als centrale doelstelling voor de Europese economische politiek. Toen al werden plannen geopperd om stap voor stap te komen tot een economische en monetaire unie en zelfs een politieke unie vanaf '80.
Door Eric Byl
Deze plannen werden uiteraard nooit gerealiseerd. Ook vandaag blijft nog een lange weg af te leggen. Er is helemaal nog geen sprake van een eenheidsmunt ter vervanging van de nationale munten, hooguit van een gemeenschappelijke munt naast alle andere. Vanaf 1 januari zal je enkel je zogenaamde papieren betalingen (giraal geld, d.w.z. cheques, overschrijvingen en betaalkaarten) in euro kunnen verrichten. Bovendien is er geen verplichting, u kan nog altijd uw betalingen verrichten in de nationale munt indien u dat wenst.
Pas vanaf 1 januari 2002, binnen 3 jaar, doen de euro-munten en de euro-biljetten hun intrede. Tegen uiterlijk 30 juni van dat jaar zou een einde komen aan de mogelijkheid om te betalen in nationale munten. Dat het ooit zover zal komen, is echter uitermate betwijfelbaar
Wisselkoersen weerspiegelen krachtsverhoudingen
In de na-oorlogse periode zorgden de Bretton Woods-akkoorden voor stabiele wisselkoersen. Ze weerspiegelden het enorme overwicht van de Amerikaanse economie. De dollar was de toonaangevende munt, die gedekt werd door de Amerikaanse goudvoorraad. In '71 moest de VS de inwisselbaarheid van dollars tegen goud opgeven als gevolg van de verzwakking van de Amerikaanse economie. De leidinggevende status van de dollar kwam steeds meer onder druk.
De internationale concurrenten, vooral Duitsland en Japan, haalden hun achterstand in. Aan de vooravond van de eerste gelijktijdige wereldrecessie van '74-'75 stortte het Bretton Woods-systeem ineen. De crisis van de wereldeconomie en de toename van de internationale concurrentie leidden tot de groei van de financiële markten en de vorming van drie economische blokken (de VS, Japan en Europa).
Na de instorting van Bretton Woods ('73) poogden de toenmalige 10 lidstaten van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) om hun munten met niet meer dan 2,25% te laten afwijken van de dollarkoers. Deze afspraak, de zogenaamde muntslang, overleefde de recessie van '74-'75 niet. Wat overbleef was een klein blok rond de Duitse mark, met de Benelux-landen en Denemarken wiens economieën sterk verbonden zijn met die van Duitsland.
In '79 werd een tweede poging ondernomen. Het Europees Monetair Systeem (EMS) zag het licht. Ditmaal werden de munten niet gekoppeld aan de dollar, maar aan de ECU waarvan ze maximaal 2,25% mochten afwijken. De ECU is een munt waarvan de waarde bepaald wordt door een korf van Europese munten, waarin de D-mark als zogenaamde ankermunt het zwaarst doorweegt. Het EMS voorzag in de mogelijkheid om in geval van moeilijkheden de wisselkoersen bij te stellen. Dankzij deze flexibiliteit overleefde het EMS de recessie van het begin van de jaren '80. Tussen '79 en '87 moesten de wisselkoersen maar liefst 11 keer worden bijgesteld.
Pas in de late jaren '80, tijdens de uitgerokken periode van matige economische groei, kwam er een zekere stabiliteit. De afhankelijkheid van de nationale staten van de internationale financiële markten als gevolg van de enorme overheidsschulden, dwong hen hun munten te koppelen aan de sterke D-mark en de politiek van de Bundesbank. Een zwakke munt of een lage rente zou kapitaalbezitters immers niet overtuigd hebben om te beleggen in de aanzienlijke overheidsschuld. De relatieve stabiliteit van de wisselkoersen in die periode leidde echter niet tot een naar elkaar toegroeien van de verschillende economieën, integendeel de ongelijkmatige ontwikkeling nam nog toe.
Het is in die periode dat het «Verdrag van Maastricht» het licht zag. Het Verdrag was echter nog maar getekend (in '92) of de spanningen braken opnieuw uit tegen de achtergrond van een nieuwe recessie (in '93). In september moesten de pond en de lire het EMS verlaten. Wat later volgde de Zweedse kroon die eerder op vrijwillige basis gekoppeld was aan het EMS met het oog op een spoedige toetreding tot de Europese Unie. Uiteindelijk moest de marge van 2,25% toegestane afwijking worden verbreed tot 15%, hetgeen bijna neerkomt op vrije wisselkoersen.
Deze afspraak gold tot mei vorig jaar. Vanaf 1 januari '99 wordt de monetaire politiek van 11 van de 15 Europese lidstaten volledig overgedragen op de Europese Centrale Bank. Die beschikt over dictatoriale machten, wordt door niemand gecontroleerd en heeft als enig doel het behoud van monetaire stabiliteit. De 11 zijn Duitsland, de Benelux-landen, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, Spanje, Portugal, Ierland en Finland.
Biedt de monetaire unie kansen? En voor wie?
Volgens Luc Voets die als hoofd van de studiedienst van het ABVV een zogenaamde syndicale visie op de Europese Monetaire Unie (EMU) ontwikkelde, biedt de EMU «geen waaarborgen, maar kansen». Hij geeft grif toe dat «de overgangsperiode zeker niet geruststellend was». Naar verluid waren de convergentiecriteria - de aan de deelnemende landen opgelegde normen om hun economieën onderling op elkaar af te stemmen - niet aangepast aan de economische situatie van dat ogenblik. Ze zouden te eenzijdig zijn toegespitst op bestrijding van de inflatie en het nastreven van begrotingsnormen tegen een tempo dat geen rekening hield met de recessie. Dit zorgde voor een sociaal kerkhof waarbij het officieel aantal werklozen steeg van 12 miljoen in '90 naar bijna 19 miljoen vandaag.
Toch blijft het ABVV gematigd positief. Het spreekt van «stappen in de goede richting (welke?-EB), maar volstrekt onvoldoende». Volgens Luc Voets biedt de EMU immers kansen en nog wel op volgende vlakken: tewerkstelling, fiscale harmonisatie en verdediging van het Europees sociaal model. Hij voegt er veiligheidshalve aan toe dat de buit nog niet binnen is. Is dit naïviteit of bewuste verdraaiing van de feiten? De zogenaamde convergentie heeft de afgelopen jaren al miljoenen Europese jobs gekost. Een gemeenschappelijke munt en één monetaire zone betekenen in de eerste plaats nog meer concurrentie waarbij de meest competitieve bedrijven de zwakkere broertjes genadeloos zullen wegconcurreren.
Loonakkoorden zullen, meer nog dan vandaag, ondergeschikt zijn aan de internationale concurrentie. Internationaal kapitaal zal voornamelijk naar de sterkste economische regio's vloeien. Industriële en economische strukturen in de minder competitieve regio's zullen totaal van de kaart geveegd worden. De winnaars zullen een beperkt aantal reusachtige bedrijven zijn, enkele hoog technologische regio's en een klein deel van de bevolking. De overgrote meerderheid van de bevolking zal erop achteruit gaan.
Het Verdrag van Maastricht dwong de nationale overheden tot het behoud van muntstabiliteit, tot de liberalisering van de arbeidsmarkt en tot begrotingsdiscipline. Hiermee wou men verhinderen dat regeringen zouden toegeven aan druk van de arbeidersbeweging om sociale achteruitgang te kompenseren door extra-overheidsuitgaven. Om haar concurrentiepositie ten aanzien van de VS en Japan veilig te stellen, wou de Europese burgerij de kosten voor lonen, sociale uitkeringen en milieunormen maximaal reduceren. In een eengemaakte monetaire zone, zal de toenemende concurrentiestrijd dit proces nog versnellen. Het zogenaamde Europees sociaal model zal in dat geval nog moeilijker te verdedigen zijn dan vandaag.
Tot besluit stelt het ABVV: «Indien er geen voorafgaandelijke politieke uitdieping komt van Europa, dan is de toekomst somber, met of zonder eutro. Dan dreigt het Europees project immers te verwateren tot één grote vrijhandelszone, waar Margaret Thatcher van droomde. We zouden dan terechtkomen in een jungle zonder sociale en politieke omkadering , waarin de welvaart en de sociale vooruitgang die we de laatste 50 jaar hebben opgebouwd, onmogelijk te behouden is.»
Over welke voorafgaandelijke politieke uitdieping de ABVV-top het hier heeft, is ons niet duidelijk. Vast staat dat heel het kapitalistisch project voor Europa erop gericht is om nationale overheden te dwingen niet langer toe te geven aan de druk van de arbeidersklasse. Alles moet wijken voor de competitiviteit waarbij Europa één vrijhandelszone moet worden zonder ruimte voor sociaal beleid.
Kan de EMU stand houden?
Het lijdt geen twijfel dat de huidige economische integratie veel verder is gegaan dan wat wij hadden verwacht. De ekonomische convergentie binnen Europa is echter hoofdzakelijk kunstmatig. Het is vooral het economisch herstel en de relatieve stabiliteit van de belangrijkste munten die het mogelijk gemaakt heeft voor de burgerij en de Europese regeringen om de eerste passen naar de Europese Monetaire Unie te zetten in mei '98. Dat was tevens het moment waarop de Europese Unie in heel wat landen haar sterkste groei van het decennium kende, een groei die ondersteund werd door een snelle toename van de geldvoorraden.
De ervaring toont echter aan dat monetaire afspraken zelden stand houden in een situatie van economische crisis. Enkel in de gouden bloeiperiode na de tweede wereldoorlog was het mogelijk de wisselkoersen te stabiliseren voor een langere periode. De voorwaarde daartoe was het bestaan van een oppermachtige staat die haar economische voorwaarden aan anderen kon opleggen en een strikte regeling van de internationale kapitaalbewegingen. Maar zelfs in die periode van groei moest men af en toe herschikken. Ongelijkmatige economische ontwikkeling is immers een fundamenteel kenmerk van kapitalistische economieën. Om spanningen te vermijden, moeten de munten af en toe geherwaardeerd worden.
De periode van vandaag is echter in geen geval te vergelijken met die van na WO II. Vandaag bevindt de economie zich in een fase van stagnatie en depressie. De competitie tussen de belangrijkste kapitalistische landen is toegenomen. Het verdwijnen van de gemeenschappelijke vijand in het stalinistische Oostblok heeft de concurrentie tussen de kapitalistische blokken nog verscherpt. Bovendien zijn de financiële markten quasi volledig geliberaliseerd en is er nog nauwelijks controle op kapitaalstromen. Het is onmogelijk om op kapitalistische basis deze enorme tegenstellingen te overbruggen en verschillende aan elkaar gewaagde natie-staten samen te brengen onder één muntunie.
Het is mogelijk dat de EMU van start gaat op 1 januari '99, maar het is zeer onwaarschijnlijk dat een vaste wisselkoers en een ééngemaakte Europese monetaire politiek drie jaar kan standhouden. Een diepgaande crisis en het uiteenspatten van de EMU nog voor de definitieve invoering van de Euro in juni 2002 blijft de meest waarschijnlijke ontwikkeling. Het economisch herstel heeft haar hoogtepunt bereikt. De wereldcrisis die eerst Azië en vervolgens Rusland en Latijns-Amerika getroffen heeft, zal katastrofale gevolgen hebben voor de VS en Europa.
Alles wijst erop dat we naar een regelrechte crash gaan: een overwaardering van de aandelen op een ogenblik van groeivertraging, wanneer bedrijven hun procukten moeilijk verkocht krijgen en de winstverwachtingen tegenvallen. Zo een situatie kan niet blijven duren. Winstgroei is een voorwaarde voor de verderzetting voor de opwaartse trend van de beurzen. Hoe langer deze tegenstelling bestaat, hoe dieper de crash zal zijn.
Het Europees project van de burgerij is een regelrechte aanslag op iedere verworvenheid van de arbeiders. Het is de zoveelste poging om de kapitalistische crisis af te wentelen op de arbeiders en hun gezinnen. Op kapitalistische basis is eenmaking van Europa echter onmogelijk. De vorming van nationale staten is immers een historisch gegeven dat de verschillende Europese burgerijen niet zomaar zullen prijs geven. Ze zullen telkens weer gedreven worden naar pogingen om te komen tot één grote eenheidsmarkt. De crisis van het kapitalistisch productiesysteem zal deze pogingen echter steeds weer doorkruisen. In die crisissen zullen de Europese burgerijen heen en weer geslingerd worden tussen de noodzaak om te komen tot een grotere economische eenheid en hun eigen nationale belangen.
Een verenigd Europa op socialistische basis als eerste stap naar een socialistische wereldfederatie zou een enorme vooruitgang betekenen voor de mensheid. De enorme productiecapaciteit en de technische en wetenschappelijke kennis die de Europese arbeiders hebben opgestapeld, zouden in dat geval niet ten dienste staan van het winstbejag en de concurrentiestrijd, maar van de ontwikkeling van de mensheid. Enkel op die basis zou Europa de nationale beperkingen kunnen overstijgen.