Regeringspartijen tegen de vlakte
Dat de regeringspartijen een flinke opdoffer te wachten stond, wist iedereen, maar dat ze zo'n kater zouden oplopen, gaat toch wel alle verwachtingen te boven. Exit Dehaene en Tobback. Na 11 jaar oppositie zijn de liberalen aan zet.
Partijbureaus, journalisten en professoren zijn nu druk in de weer om een uitleg te vinden voor de zwart-groene zondag. De meest voor de hand liggende verklaring is uiteraard de dioxine-crisis. Dat de milieuproblematiek zo vlak voor de verkiezingen in de belangstelling kwam, heeft ongetwijfeld bijgedragen aan het succes van de groene partijen. Agalev en Ecolo samen winnen maar liefst negen zetels in de kamer.
De dioxine-vergiftiging is echter niet het eerste schandaal in dit land. In de jaren '80 al regende het schandalen. Toen leken de affaires echter geen of nauwelijks invloed te hebben op het kiesgedrag.
In de jaren '90 begon deze houding te keren. In een poging om de machtspositie van de PS in Wallonië te breken, werden allerlei schandalen breed uitgesmeerd in de pers. De PS en ook de SP hebben daarvoor een zware tol betaald. Het resultaat is echter dat de gevoeligheid voor schandalen bij de bevolking enorm is toegenomen. In de verkiezingen van '95 kon Tobback, bijna in zijn eentje, het tij nog afremmen. Hij slaagde erin de schandalen naar de achtergrond te dringen met zijn oproep 'de SP is nodig' en door van de sociale zekerheid het thema van de verkiezingen te maken. Na de witte mars, Agusta en nu opnieuw met de problemen met ons voedsel, is deze strategie totaal ondermijnd.
De belangrijkste winnaar in de schandalencarroussel is ongetwijfeld het Vlaams Blok. Het Vlaams Blok is de enige partij die erin slaagt - ondanks de talloze schandalen waarin ze betrokken is - zich een proper imago aan te meten. Zij wekt de indruk zich niet kost wat kost te willen verkopen in ruil voor regeringsdeelname. Integendeel, het Vlaams Blok heeft tot op zekere hoogte geen regeringsdeelname nodig om haar thema's en programmapunten te verwezenlijken. Deze beginselvastheid - liever groot worden in de oppositie, dan het vertrouwen van de kiezer te misbruiken om mee aan de vetpotten te zitten - is ongetwijfeld haar sterkste verkoopsargument. (lees meer op pagina 5)
Uiteraard leggen de schandalen niet alles uit, ze zijn eerder een symptoom van een beleid dat erop gericht is om de effecten van de krisis steeds weer op de arbeiders en hun gezinnen te verhalen. De winsthonger van de bedrijven en het totale gebrek aan politici die "de lat gelijkleggen", hebben geleid tot een afkeer van alles wat met politiek te maken heeft. De bedrijven mogen recordwinsten boeken, frauderen en ons zelfs vergiftigen zonder enige weerstand van de politici. Tegelijk wordt van de arbeiders en hun gezinnen verwacht dat ze de buikriem steeds harder aantrekken.
De kloof tussen arm en rijk wordt hierdoor steeds schrijnender. Hele wijken, vooral in de grotere steden, verkommeren in de armoede. Bij gebrek aan een partij die het gevecht hiertegen op collectieve basis wil organiseren, zoeken velen naar een individuele oplossing. Massale werkloosheid, onzekere en flexibele jobs leiden tot spanningen, meer criminaliteit en ongenoegen. De grote partijen zien dit niet omdat hun cliënteel in het algemeen in de betere wijken woont, of ze weigeren het te zien omdat ze de middelen niet willen vrijmaken om eraan te verhelpen. Als deze verkiezingen één zaak duidelijk maken, is het de nood aan een linkse arbeiderspartij die het gevecht in de wijken en de bedrijven organiseert, een partij die niet nastreeft om kost wat kost mee aan de macht te komen, maar consequent haar programma wil realiseren.