Tweede hoofdstuk:

 

                              Empirisme en historisch materialisme

 

 

 

 

 

 

 

§1.Het paardenmiddel van de Duitse filosofie

 

Moesten we totnogtoe genoegen nemen met het lijdzaam vaststellen van de gevolgen van Wallersteins methode, nu wordt het stilaan tijd om de methode zelf onder het mes te nemen.

Tot onze grote onthutsing ontdekken we dat we ons hiertoe temidden van een ware volkerenslag moeten begeven. Gelukkig vliegen hier andere projectielen over en weer dan de onbeschaafde argumenten van het moderne oorlogstuig: hier kruisen Duitse 'Grundlichkeit' en  Britse 'Common sense' de wapens!

Hoewel de Britten de ongelukkige roep hebben een stuk bekrompener te zijn in hun zinnelijkheid dan bijvoorbeeld de Fransen, op één vlak zijn ze toch de meest zinnelijke mensen ter wereld. In de filosofie voert bij hen de onmiddellijke zintuiglijkheid immers het hoogste woord en niets anders dan de directe ervaring is hun religie.

De Duitsers van hun kant hebben, in de vorige twee eeuwen, de filosofie en de methode, of liever gezegd het filosoferen over de methode, tot een nationale bezigheid verheven. Heeft de Duitse bourgeoisie in de laatste eeuwen op het politieke vlak nooit veel uitgespookt dat haar op een gelijke hoogte kon plaatsen met haar Franse en Britse spitsbroeders, haar denkrimpels verraden een groots plan dat de ganse mensheid aanbelangt! Beheersten Russen en Fransen het land, de Britten de zee, de Duitsers golden als onbetwiste heersers over het luchtruim. Zo oordeelde de dichter Heinrich Heine anderhalve eeuw geleden.

De Duitser wiens gelaatstrekken het meest gewichtige plan verraden is Georg Wilhelm Friedrich Hegel. Als men aan Hegel wil ontsnappen, dan moet men eerst goed weten waaraan men wil ontkomen. Dat is het oordeel van de moedige man die het op zich heeft genomen om de Nederlandse vertaling van Hegels leer van het wetenschappelijk kennen (het voorwoord tot zijn Fenomenologie van de Geest) van een inleiding te voorzien.

Wanneer we ons van Hegels achterhaalde idealistische voorstellingen hebben losgeworsteld en diens geniale methode overhouden, dan belanden we bij een tweede Duitser. Deze Duitser is Karl Heinrich Marx en wanneer we hem de kans geven om voor zichzelf te spreken, dan blijkt telkens weer dat mensen als Wallerstein met hun ogen dicht of op zijn minst met het gelaat naar de grond gekeerd voor zijn altaar hebben gelegen.

Met vereende kracht geven beide Duitsers het Britse gezond verstand tezamen met zijn uitzaaiingen aan gene zijde van de Atlantische Oceaan het antwoord dat ze verdienen. Tenslotte is het niet het historisch materialisme dat de heer Wallerstein opnieuw heeft uitgevonden, maar de methode van John Locke.

 

 

 

                                                           I.

 

"Er is weliswaar veel over kapitalisme geschreven door marxisten en anderen van politiek links, maar aan de meeste van deze boeken kleven een paar gebreken. Eén soort betreft al die logisch-deductieve analyses, die uitgaan van wat kapitalisme in essentie zou zijn, en die vervolgens kijken hoever het zich heeft ontwikkeld op verschillende plaatsen en in verschillende tijden." (Wallerstein, p.7)

Wallerstein ergert zich blauw aan de "logisch-deductieve" manier van werken die door marxisten en sommige anderen van politiek links wordt gevolgd. Zoals we weten, verkiest hij een inductieve methode, vertrekken van de zogenaamde onmiddellijke realiteit om zich dan te verheffen tot het algemene. De deductie gaat te veel uit van onbevraagde waarheden, zo redeneert onze schrijver, de essentie, de abstracte formule, wordt als doctrinair uitgangspunt genomen.

We hebben al voldoende gelegenheid gehad om de inductieve methode van Wallerstein in de historische beschrijving aan het werk te zien. Ofwel handelde hij zonder aarzelen in tegenstrijd met zijn eigen inductieve voornemens, door wel degelijk van het abstracte uit te gaan in plaats van de "tegenwoordige realiteit". Ofwel leidde zijn inductieve spraakwaterval tot de meest ongeordende opeenhoping van oorzaken, gevolgen, krachtlijnen, factoren,...

Nochtans gelooft hij dat "de werkelijkheid een geïntegreerd geheel is" (zie p.7 onderaan)!

Welnu, nergens, maar dan ook nergens, slaagt hij erin om de werkelijke verhoudingen tussen de feiten, de verhoudingen die van de werkelijkheid een geïntegreerd geheel maken, op welke manier dan ook tot stand te brengen.

Voor Wallerstein bestaat slechts de formele tegenstelling tussen deductie en inductie. Hij beschouwt ze niet als tegengestelde bewegingen die in het werkelijke wetenschappelijke denken gezamenlijk voorkomen, twee keerzijden van het logisch denken die in de integraal van de wetenschappelijke methode een eenheid vormen.

Nochtans zou men kunnen zeggen dat de rede zich dagelijks van deze eenheid bedient. Op intuïtieve wijze hanteert de arbeider die met zijn buurman een praatje maakt veel meer het spitsvondig wisselen van inductie en deductie, dan onze burgerlijke geleerden in hun wereldhistorisch opzet de sociale wetenschap te omwentelen. Zelfs de dialectische methode in haar geheel behoort tot de vaardigheden van de dagelijkse rede en er is de praktische ingesteldheid van een marxist voor nodig om dit in te zien.

"Een huisvrouw," zo merkt Trotsky op, "weet dat een bepaalde hoeveelheid zout in de soep deze laatste een aangename smaak geeft, maar dat nog meer zout de soep totaal oneetbaar maakt. Bijgevolg laat een ongeletterde boerenvrouw zich bij het maken van soep leiden door de Hegeliaanse wet van de omzetting van kwantiteit in kwaliteit."(Trotsky, In Defense of Marxism, New Park, London, 1971, p.106)

Het komt erop aan deze "natuurlijke" rede, dit instrument dat meer dienstbaar gebleken is aan het overleven en de natuurhistorische ontwikkeling van de mensheid, dan de formele logica van onze verlichte geesten, tot bewuste wetenschappelijke methode te maken. Deze methode, die tevens het juiste inzicht geeft in wat het wetenschappelijk denken zelf is, is niets anders dan de wetenschappelijke dialectiek zelf.

De formele scheiding van deductie en inductie is een prestatie van de formele logica, die voor haar falen ze opnieuw te verenigen gestraft werd om voor de rest van haar dagen totaal onbruikbaar te blijven voor de ontleding van verschijnselen die een beetje ingewikkelder zijn dan de elementaire bewegingen in de klassieke natuurkunde.                  Samengestelde verschijnselen, zoals maatschappelijke verhoudingen, kunnen niet door de formele logica worden verklaard zonder hun complexe karakter geweld aan te doen door middel van het starre formalisme.      

Ook Wallerstein die eveneens een ingebakken afkeer van het starre formalisme koestert, amputeert echter de ledematen van het denken waar hij ze in feite aan elkaar moest naaien. De starre formule stelt hij gelijk aan de abstractie in het algemeen en elke vorm van afdalen van het abstracte naar het concrete aan versteend wereldschematisme. Daarom denkt hij de wetenschappelijke analyse te kunnen redden door de deductie zoveel mogelijk te weren en de historische kritiek voornamelijk verder te laten bewegen op de inductie. Dit vormt althans het theoretische voornemen van Wallerstein.

Nog afgezien van de gelegenheden waarbij Wallerstein er eenvoudig niet in slaagt om zich aan deze belofte te houden, zien we telkens weer dat de inductie hem niet verder brengt dan twee treden in de richting van de wetenschappelijke formule om hem dan terug in een warwinkel van de ongeordende historische gegevens storten. 

Om zijn eigen tekortkomingen aanvaardbaar te maken, beroept hij zich op een nogal bedenkelijke vorm van argumentatie, die een beetje doet denken aan de woedebui van een kind dat zijn zin niet krijgt: zonder dat hij het nodig vindt om deze stap op één of andere manier te rechtvaardigen verwerpt Wallerstein gewoon het "essentialisme" van de marxistische methode. Het is niet langer een deugd om in de op het eerste zicht chaotische stroom van afzonderlijke feiten de elementaire drijfkrachten te zoeken, in de wirwar van maatschappelijke betrekkingen de fundamentele betrekking die de lijm vormt tussen al de overige; het is een ideologische afwijking, een dogmatische uitwas...

Door middel van deze methode, waarin het enige bindmiddel tussen de van elkaar losgescheurde verhoudingen van het kapitalisme het abstracte begrip Historisch Kapitalisme  (of de vage formule centrumperiferie) zelf is, bewijst Wallerstein dat hij er, alle voornemens om tot een "geïntegreerd beeld" te komen ten spijt, niet in slaagt zijn Amerikaanse afkomst te loochenen.

Over John Dewey's geschiedenisfilosofie schrijft George Novack het volgende:

"Een filosofie die moet opboksen tegen de hedendaagse 'sociale en morele twistpunten' moet uitgerust zijn met een juiste opvatting over de richting en de oorzaken van de geschiedenis. Dewey's relativisme en particularisme verhinderden hem echter om tot een inzichtelijke en samenhangende theorie van de historische ontwikkeling te komen. Onder het mom de historische absolute begrippen van het idealisme te verwerpen, ontkende hij dat een algemene theorie over de processen van sociale ontwikkeling enige geldigheid of waarde kon hebben. Theorieën de onderwerpen als 'de staat, het individu; de aard van deze instellingen als dusdanig, de maatschappij in het algemeen' zijn waardeloos, ja zelfs schadelijk, zegt hij (Dewey), aangezien ze het onderzoek niet bijstaan maar afsluiten'. Historische, sociologische en politieke veralgemeningen verwerven slechts praktisch nut en betekenis in verbinding met concrete omstandigheden. Dit wantrouwen in veralgemeningen over de aard van de historische ontwikkeling gaven een eclectisch karakter aan Dewey's verklaring van sociale processen. Zijn neiging om heen en weer te wiegen tussen bijna-materialistische en idealistische stellingen is onder andere merkbaar in zijn interpretatie van de ontwikkeling van de mentaliteit vanaf de wilde maatschappij, over de denkers uit de oudheid tot zijn eigen filosofie."(Novack, Pragmatism versus Marxism, An Appraisal of John Dewey's Philosophy, Pathfinder Press, New York, 1978, p.201-202-mijn cursief)

John Dewey is een vooraanstaand figuur in de Amerikaanse traditie van het filosofische pragmatisme. Deze laatste school is op haar beurt weinig anders dan het klassieke Britse empirisme aangepast voor gebruik op Amerikaanse bodem.

Dewey is zich meer dan bewust van zijn eigen strekking. Hij verwerpt heel duidelijk elke algemene theorie over de geschiedenis.

Wallerstein daarentegen stapt in de rol van tragische held, van een Oedipus die zijn noodlot tracht te ontvluchten maar het juist daardoor verwezenlijkt.

Hij wil juist niets liever dan, op zijn minst voor de historische ontwikkeling van het kapitalisme, tot een algemene theorie komen en hij doet met dit oogmerk werkelijk aandoenlijk oprechte pogingen "... om de totale geïntegreerde realiteit zo adequaat mogelijk weer te geven door achtereenvolgens datgene te behandelen wat tot uitdrukking komt op het economische, politieke en cultureel-ideologische gebied."(p.7-8)

Maar aangezien hij niet kan loskomen van zijn inductieve obsessie blijft hij, net zoals Dewey, gedoemd tot oriëntatieloos heen en weer zweven tussen gevulgariseerd materialisme en idealisme. Evengoed als bij Dewey wordt de historische ontwikkeling bij Wallerstein niet doorgrond, maar verschroot tot een waarachtige Augiasstal vol vervormde en door elkaar vliegende voorstellingen krampachtig samengehouden door het starre formalisme van de centrum- en periferieverhouding.

Het was maar een kwestie van tijd eer de feitelijke theoretische wanorde die, in weerwil met haar eigen wetenschappelijke pretenties, binnen de Wereldsysteem Analyse bestaat, in eigen rangen, -en met rechtstreekse verwijzing naar de ideeën van Wallerstein zelf!- haar bewuste uitdrukking zou vinden in een openlijke ontkenning van de mogelijkheid om tot een eengemaakt wetenschappelijk inzicht in de historische ontwikkeling te komen. Bij een Vlaamse leerling van Wallerstein lezen we, zonder onze weg kwijt te raken tussen de wild in het rond gestrooide aanhalingstekens:

"Ik heb meermaals vermeld dat 'feiten' 'theoriegebonden zijn' en dat 'de' geschiedenis niet in haar geheel aanschouwd kan worden. Men is steeds afhankelijk voor zowel de selectie van bronnen en 'feiten' als voor de verklaring van bepaalde 'vooronderstellingen' die nooit perfect gescheiden kunnen worden van de fameuze (ideologische) 'waarden' en 'wereldbeelden’... We kunnen niet uitsluiten dat er ook andere maatschappelijke krachten werkzaam zijn die niet onder onze historische systemen 'gesubsumeerd kunnen worden'" (Saey M., Wereld-Systeem Analyse, Een antwoord op 1968, Imavo VZW, Brussel, 1996, p.72) 

De heer Saey heeft er geen flauw benul van dat hij daarmee het laatste beetje wetenschappelijke schijn prijsgeeft dat de Wereldsysteem Analyse moet onderscheiden van de gevestigde burgerlijke geschiedschrijving: 'de' geschiedenis, de historische beschrijving in grote stijl, neemt voor Saey dan ook de gestalte aan van een "mythe" (ibidem), net zoals voor de door hem verketterde postmodernisten de evolutietheorie slechts één van de verhalen over de natuurgeschiedenis vormt, evenwaardig aan bijvoorbeeld het Hebreeuwse scheppingsverhaal. Het is niet omdat er zich binnen het kader van de geschiedenis feiten voordoen die zich niet rechtstreeks en door middel van noodzakelijke bepaling laten terugbrengen tot het ontwikkelingsproces van de productiekrachten, dat de theorie van het historisch materialisme niet de algemene strekking van de menselijke geschiedenis kan behelzen. Het verval van het Franse absolute vorstendom was een vaststaand en onvermijdelijk gegeven, ook zonder de geslachtsdrift van Lodewijk XV die hem meer openstelde voor de nefaste politieke inmenging van Madame de Pompadour, dan voor de goedbedoelde raadgevingen van Turgot en Quesnay of van zijn meest bekwame militaire adviseurs. Ook zonder het gewillig oor van de Tsarina voor de charlatan Raspoetin was het mes geslepen voor de dynastie van de Romanows. Misschien laten zelfs de meest toevallige historische feiten zich wel degelijk "subsumeren" onder een algemene theorie als men ze beschouwt als de contingente uitdrukkingen van de algemene beweging. Bij nader inzien vormen zowel de vooraanstaande rol van de maîtresses in de politiek van de Franse vorsten als de positie van Raspoetin aan het Russische hof, het bijgeloof van de Tsarina en de karakterzwakte van de tsaar de rechtstreekse uitdrukkingen van een levensbeschouwelijke en zedelijke crisis die op haar beurt weer verband houdt met de ganse maatschappelijke doodsstrijd, die dan weer wel geheel kadert in de structurele tegenstellingen tussen onderbouw en bovenbouw.   

Bestaat het ganse proces van wetenschappelijke abstractie er niet in dat men de verschillen en zo men wil, de toevalligheden, buiten beschouwing laat om de algemene, fundamentele en noodzakelijke gelijkenissen duidelijk te maken?

Is het dan, van de andere kant, niet logisch dat men ter wille van de wetenschappelijke duidelijkheid soms afstand doet van het contingente dat niet onmiddellijk in verband te brengen is met het algemene, noodzakelijke?

De Wereldsysteem Analyse is zo getraumatiseerd door de dogmatische verdraaiingen van het stalinisme, dat het uiteindelijk, op de empirische wijze waarmee ze te werk gaat, niet anders kan, dan het kind met het badwater weg te gooien en uiteindelijk de wetenschappelijk te doorgronden samenhang tussen de historische tijdperken ook maar naar de mestvaalt van de geschiedenis verwijst als "essentialisme" en dogmatisme. Maar daardoor werpt ze zichzelf terug op het braafburgerlijke bedrijf van de gevestigde geschiedschrijving die zich ertoe beperkt om heen en weer te pendelen tussen het richtingloos opstapelen van schijnbaar steeds toevallige gebeurtenissen enerzijds en een beklemmend historisch schematisme anderzijds.

Tegen deze theoretische beestenboel is maar één kruid meer gewassen, en het is meteen een paardenmiddel: De Duitse filosofie.

Zoals geweten ontleent het marxisme zijn methode aan de Duitse traditie van de kritische filosofie, die begint met Immanuel Kant en eindigt met Ludwig Andreas Feuerbach. De kritische methode werd geperfectioneerd door het Duitse idealisme, dat zich geen minder ambitieus doel stelde dan door te dringen tot de ware aard van het wetenschappelijk denken.

Hegels Encyclopedie der Filosofische Wetenschappen, betekent dan weer, nog meer dan zijn Fenomenologie van de Geest, een hoogtepunt in de traditie van het Duitse idealisme. Is de Fenomenologie, zoals de jonge Marx schreef, de bakermat van Hegels filosofie, de Encyclopedie is de meest volledige weergave van zijn systeem.

Na Hegel begon het ontbindingsproces van de idealistische wereldbeschouwing in een school, enerzijds, die de reactionaire trekken van Hegels leer benadrukte om oude, hopeloos vermolmde religieuze dogma's te reanimeren, en een richting, anderzijds, die Hegels methode als vooruitstrevende kritiek op de instellingen van het Pruisische absolutisme  ging toepassen.

In zijn jonge jaren een overtuigd aanhanger van laatstgenoemde stroming, gaf Marx, nadat Ludwig Feuerbach in zijn Wesens des Christentums zijn vernietigende maar toch slechts voorlopige vonnis had geveld over de godsdienst, het hegeliaanse idealisme als dusdanig de nekslag. Of zoals Engels het uitdrukte: Marx plaatste Hegel op zijn kop, of juist van zijn kop op zijn voeten.

Om een lang verhaal kort te maken: Marx heeft de idealistische wereldbeschouwing vervangen door een materialistische, maar behield de methode, Hegels logica.

Zolang we ons beperken tot de logica van Hegel is het mogelijk de oude Duitser zelf aan het woord te laten, zonder de leesbaarheid te bezwaren door voortdurend aan diens uitspraken het materialistische voorbehoud te moeten koppelen.

De logica, zegt Hegel, is de wetenschap van de zuivere idee, 't is te zeggen: de idee in haar abstracte element van het denken:

"De logica is de meest moeilijke onder de wetenschappen in die zin dat ze niets vandoen heeft met intuïties, zelfs niet, zoals de meetkunde, met abstracte zintuiglijke voorstellingen, maar met zuivere abstracties en ook in die zin dat ze een zekere kracht en een zekere oefening vereist om zich terug te kunnen trekken in de zuivere gedachte, deze laatste stevig vast te houden en om zich te kunnen bewegen binnen een dergelijke gedachte."(Hegel, Encyclopédie des Sciences Philosophiques en Abrégée, Gallimard, 1970, 1ste dl, Science de la Logique, §19, p.93)

De logica is de wetenschap van het denken als dusdanig, de voorwaarden waaronder de rede van het ene oordeel op het andere mag overgaan. Wat de vorm betreft, heeft de logica drie

aspecten : a) Het abstracte aspect, "dat uitgaat van het begripsvermogen (qui relève de l'entendement)", b) Het dialectische of "negativo-rationele" aspect en c) Het speculatieve of "positivo-rationele" aspect (Encyclopédie, p.139)

Deze drie aspecten, zo voegt Hegel er onmiddellijk aan toe, zijn geen van elkaar gescheiden delen van de logica, maar drie momenten die werkzaam zijn in elk logisch denken. Het eerste aspect, het verstaan, onderscheidt het ene abstracte begrip van het andere, paalt hun verschillende betekenissen af tegenover elkaar. Het dialectische moment is het gebeuren waarbij dergelijke bepalingen overgaan in hun tegengestelde. Het derde element, tenslotte, het speculatieve of positivo-rationele moment begrijpt de tegengestelden als deel uitmakend van een zelfde werkelijkheid.

Zelfs voor de klassieke formele logica, wier spelregels slechts de wederzijdse uitsluiting van tegengestelden kent, die niet dialectisch redeneert, maken de tegengestelden deel uit van hetzelfde systeem.

Als we redeneren op het niveau van de methode zelf, dan zien we dat A en -A eenvoudigweg niet zonder elkaar kunnen. Zonder de tegenstelling tussen A en -A stort het hele systeem van de Fregeaanse logica in elkaar. Tenslotte is deze volledig gebaseerd op een formele weergave van hun onderlinge verhouding in het zogenoemde ex falso quodlibet: als A en niet-A waar zijn, dan is ook B automatisch waar; als ik zowel de propositie als haar ontkenning mag aanvaarden, dan mag ik alles aanvaarden, dan ben ik bij de trivialiteit aanbeland.

Een formeellogicus van de klassieke stempel zou natuurlijk kunnen opmerken dat ik mij nu ongeoorloofd van het niveau van de logische taal zelf op het niveau van de methode als eenheid begeef. De dialectische methode is er juist op gebaseerd dat het zichzelf als wetenschappelijk kennen wil doorgronden door van het lagere niveau naar het hogere te verschuiven en omgekeerd.

De Fregeaanse logica beweegt zich steeds op hetzelfde niveau, het niveau uitgestippeld door zijn strenge syntaxis, door alles deductief af te leiden uit een paar centrale stellingen. Daardoor wordt versteent deze logica zodanig het denken dat het niet tot een volledig en algemeen begrip kan komen van wisselende verhoudingen in de werkelijkheid zonder juist de beweeglijkheid, het wisselen zelf, buiten beschouwing te laten.

Maar Wallerstein verwerpt de deductie; hij doet aan inductie. Zijn verkeer tussen het bijzondere en het algemene voltrekt zich in de omgekeerde richting.     

Wallersteins inductieve methode is een reactie -en in het voorwoord tot zijn Historisch Kapitalisme verklaart hij dat uitdrukkelijk- tegen de starre deductieve benadering.

Maar voor Hegel zijn mensen van het slag van Wallerstein nihil novum sub sole*. 

     Hegel: "De behoefte van één kant aan een concrete inhoud tegenover de abstracte theorieën van het begripsvermogen... leidde in de eerste plaats tot het empirisme, dat, in plaats van de waarheid te zoeken in de gedachte zelf, haar uit de ervaring wil puren, uit het uiterlijke en innerlijke heden." (Encyclopédie, p.104- cursivering van de auteur)

Wallerstein: we moeten uitgaan van de tegenwoordige realiteit van het kapitalisme.

Hegel: "Enerzijds heeft het empirisme zijn bron met de metafysica (het strak-deductieve redeneren-nvda.) gemeen, in die zin dat deze laatste om haar definities geloofwaardig te maken - de vooronderstellingen zowel als hun meer nader bepaalde inhoud - evengoed haar garanties ontleent aan de voorstellingen, 't is te zeggen aan de inhoud waartoe de ervaring toegang geeft." (p.105) Anderzijds, zegt Hegel - en nu komt het- "onderscheidt de enkelvoudige waarneming zich van de ervaring en het empirisme verheft de inhoud zoals hij uit  de waarneming voortkomt tot het gevoel en de intuïtie, tot en met de vorm van voorstellingen, proposities, wetten die universeel zijn." (Ibidem)    

Wallerstein en de Wereldsysteem Analyse trachten, vertrekkende van een gigantische opeenhoping van empirische gegevens alle elementen van het wereldgebeuren onder te brengen in het vage en beklemmende centrum-periferieschema. De politiekgeografische verschillen en de internationale economische afhankelijkheid tussen de metropool en de periferie worden overhaast veralgemeend tot een nieuw wereldbeeld dat in de plaats moet treden van de oude marxistische theorie die handelde over de interne bewegingswetten van de kapitalistische productiewijze. Uit de waarneming dat het historisch kapitalisme de huiselijke arbeid van vrouwen "onderwaardeert", wordt algemeen de onderdrukking van de vrouw afgeleid, zonder er rekening mee te houden of het misschien gaat om overgeleverde en bijgeschaafde verhoudingen uit vorige periodes, zonder zich ook maar enigszins te bekommeren om de vraag waarom de gedachte aan de bevrijding van de vrouw juist opgeld begint te maken in de moderne burgerlijke maatschappij.                   

Hegel: "De fundamentele illusie van het wetenschappelijke empirisme bestaat hierin: het maakt gebruik van metafysische categorieën zoals materie, de kracht, en ook het ene, het meervoudige, het universele, het oneindige enz. en volgt eveneens de leidraad van deze categorieën om nieuwe gevolgtrekkingen te maken; en zodoende vooronderstelt en gebruikt het (empirisme) deze vormen van gevolgtrekking en weet uiteindelijk niet meer dat het zelf een metafysica aanhangt en toepast en dat het deze categorieën en hun onderlinge verhoudingen op zo'n manier gebruikt dat ze totaal worden ontdaan van inhoud en kritiek."(p.105)

Bij Wallerstein: het afleiden van het woord kapitalisme uit het woord kapitaal, het verschijnsel kapitaal uit het meerproduct of arbeidsoverschot om uiteindelijk te belanden bij de volstrekt arme definitie van kapitalisme als maatschappijvorm waarin dit arbeidsoverschot wordt aangewend voor zelfexpansie; verder: de inhoudsloze historische veralgemening dat "de factor arbeid steeds een centrale rol heeft gespeeld in het productieproces"; van deze "vaststelling" over naar de loonarbeid, totaal betekenisloos en verkeerd omschreven als de koop en verkoop van arbeid ...

In het algemeen: een grote hutsepot van idealistische en vulgair-materialistische verklaringen, mechanisch op één hoop gegooide veralgemeningen en voorbijgestreefde halve waarheden of volledige dwalingen.

Marx moet hebben voorvoeld dat er meer dan een eeuw later een Wallerstein zou opduiken wanneer hij in zijn Grundrisse de door hemzelf in de economie toegepaste methode wou belichten:

"Het schijnt correct om te beginnen met het werkelijke en het concrete, met de werkelijke onmisbare voorwaarde (the real precondition) dus om in de economie aan te vangen met bijvoorbeeld de bevolking, die het fundament en het handelend voorwerp (the subject) van het gehele sociale gebeuren van de productie uitmaakt. Bij nader onderzoek blijkt dit echter onjuist te zijn. De bevolking is een abstractie wanneer ik de klassen buiten beschouwing laat waaruit ze is samengesteld. Deze klassen op hun beurt veranderen in een lege frase als ik niet vertrouwd ben met de elementen waarop ze berusten. Bijvoorbeeld loonarbeid, kapitaal, etc. Deze laatste veronderstellen op hun beurt dan weer ruil, arbeidsdeling, prijzen, etc. Kapitaal bijvoorbeeld is niets zonder loonarbeid, zonder waarde, geld, prijzen, etc. Wanneer ik dus zou beginnen met de bevolking, zou ik een chaotische voorstelling van het geheel krijgen en ik zou door middel van verdere bepaling, op analytische wijze tot steeds eenvoudiger begrippen komen, van het ingebeelde concrete tot steeds ijlere abstracties, tot ik uiteindelijk ben aanbeland bij de meest eenvoudige bepalingen (determinations)." (Grundrisse, p.100-mijn cursief)

Deze methode, het uitgaan van wat ogenschijnlijk het meest concrete niveau leek - bevolking, de staat, de natie -, zo gaat Marx verder, vormde de werkwijze van de zeventiende eeuwse economen. Het resultaat was niets anders dan een onsamenhangende opeenstapeling van abstracte begrippen zoals arbeidsdeling, geld, ruilwaarde. Van een werkelijke economische wetenschap die naam waardig kon pas sprake zijn wanneer deze abstracties gebruikt werden als vertrekpunt om de maatschappelijke samenhang tussen deze economische categorieën te vatten, dus vanaf het ogenblik dat ze toegepast werden op concrete maatschappelijke verschijnselen. Marx zegt dan ook dat, eens de onderzoeker aan het eind van de eerste beweging, deze van het zogenoemde concrete naar het abstracte, gekomen is, "de terugweg moet worden aangevat".

"Van zodra deze individuele momenten min of meer op solide wijze en als abstracties waren gegrondvest, zagen deze economische leerstelsels het licht die opstegen van de eenvoudige verhoudingen, zoals arbeid, arbeidsdeling, behoefte, ruilwaarde, naar de staat, de ruil tussen de naties en de wereldmarkt." (Grundrisse, p.100-101) Het eindresultaat van deze wetenschappelijke terugreis bleek dan ook "geen chaotische opvatting over het geheel, maar een rijk geheel van talrijke bepalingen en verhoudingen."(Grundrisse, p.100)    

Wallerstein begint niet met de bevolking, maar met het kapitaal, dat zich op één of andere manier onmiddellijk aan hem openbaart als arbeidsoverschot dat voor zelfexpansie wordt aangewend. Het belang van het kapitaal blijkt uit het woord kapitalisme. De uitkomst van zijn inductieve benadering is een vergelijking, niet met twee, maar met drie onbekenden, drie "ijle abstracties": kapitaal, kapitalisme en de relaties die de kapitalist moet aangaan om tot de zelfexpansie van het kapitaal te komen.

Het kapitaal is niet geduid in zijn hoedanigheid als maatschappelijke verhouding; naar het werkelijke proces van zelfexpansie hebben al evengoed het raden; welke relaties de kapitalist moet leggen om tot deze zelfexpansie te komen moeten we vernemen buiten de definitie om.

Eens de tegenwoordige realiteit door de hakselmachine  van de Wereldsysteem Analyse is gehaald, schiet er niets anders meer over dan deze relaties te definiëren vanuit een metafysische kapitalist en een economisch rationele arbeider. De ganse maatschappij wordt herleid tot de verhouding tussen twee personen, of liever gezegd twee geesteshoudingen: de belangstelling van de kapitalist en het economische doorzicht van de arbeider. Plots herinnert de heer Wallerstein zich dat hij aan historische kritiek moet doen. Hij moet uitleggen waarom er van proletarisering sprake is geweest en hij vindt er niet beter op dan in de plaats van de historische en economische analyse de politieke aardrijkskunde te stellen: er was sprake van proletarisering omdat de wereld zich begon op te delen in centrum en periferie. Tenslotte valt het hem te binnen dat hij ook nog moet uitleggen waarom het historisch kapitalisme is ontstaan en hij krijgt niets anders over de lippen dan dat de kapitalistische productiewijze een anomalie in de historische ontwikkeling was, dat de maatschappij zich eigenlijk aan het bewegen was in de richting van een meer egalitaire, gedecentraliseerde maatschappij.

De revolutie in de sociale wetenschap die de Wereldsysteem Analyse aankondigt, is een muis gebaard door een berg. Uiteindelijk zien we Wallersteins beeld van de dingen, naarmate de schaduw van de inductieve methode vlees en kleur krijgt, helemaal niet de gestalte aannemen van het verlangde alternatief op de heersende methode. Voor ons ontwaren we nu de verkalkte gedaante van de bestaande academische praktijk zelf.

 

 

 

                                                          II.

 

Het historisch materialisme heeft zeker niet de pretentie om het laatste woord van de geschiedschrijving te willen spreken. Het weet van zichzelf dat het slechts in staat is om de algemene richting van het historische proces te voorspellen.

Zoals we zo-even aan de hand van Saey konden aantonen en zoals onmiddellijk voortvloeit uit de onwil van de Wallersteinianen om de historische wetmatigheid te aanvaarden, wordt de geschiedenis op de duur niet meer beschouwd als het veelzijdige ontwikkelingsproces van het maatschappelijk leven en wie dat wel doet, krijgt onverbiddelijk het etiket van mythe-breier of idealist opgekleefd.

We laten opnieuw het marxisme voor zichzelf spreken.

"De geschiedenis", zegt Marx, "is niets anders dan de opeenvolging van de afzonderlijke generaties, waarbij elke generatie het materiaal, het kapitaal en de productiekrachten, die alle voorafgaande generaties hebben nagelaten, exploiteert en dus enerzijds de traditionele activiteiten onder totaal veranderde omstandigheden voortzet en anderzijds met een totaal veranderde activiteit de oude omstandigheden verandert. Dit kan men nu zo speculatief gaan verdraaien, dat de latere geschiedenis tot het doel van de vroegere geschiedenis gemaakt wordt. (...) Op die manier krijgt de geschiedenis haar eigen doeleinden, wordt zij een 'persoon naast andere personen'."(Marx, De Duitse Ideologie, dl.I, Socialistische Uitgeverij Nijmegen, p.38)

Voor wie er zoals Wallerstein een oppervlakkig en gevulgariseerd beeld van het historisch materialisme op nahoudt, lijkt de marxistische opvatting over de geschiedenis zich zelf inderdaad schuldig te maken aan de fout waarvoor Marx hier waarschuwt. Wanneer de wetmatigheden die werkzaam zijn in de geschiedenis en die haar algemene richting aangeven zekere voorspellingen toelaten, ligt het voor de empirist voor de hand het marxisme zelf de idealistische doel/oorzaak verdraaiing in de schoenen te schuiven.

"Het ernstigste bezwaar tegen het marxisme," schrijft de historicus Goldston, "blijft ... de filosofische basis. Marx vaagde de mystiek uit de geschiedenis en liet haar zonder het te weten weer toe in zijn theorie van de dialectiek. These, antithese en synthese zijn abstracte, mystieke termen zonder een concrete betekenis. Men heeft het gevoel dat de geschiedenis bij Marx een echt en massief wezen was, dat ieder moment door de deur van zijn armzalige huis binnen kon wandelen en hem een hand geven. Maar geschiedenis is niet meer dan een zelfstandig naamwoord. Hoe hij er ook tegen vocht, Marx bezweek onbewust over de oude menselijke ondeugd realiteit aan theorie toe te schrijven. De geschiedenis neemt voor hem de plaats van God in. De geschiedenis wikt en beschikt, beloont en straft; ze heeft haar eigen logica waarvan wij de hulpeloze slachtoffers zijn." (Goldston R., De Russische Revolutie, Uitgeverij Paris, Amsterdam, 1970, p.48)

Marx was echter beter in het reine gekomen met zijn  idealistische verleden dan Goldston, en met hem de meeste burgerlijke historici en filosofen, willen toegeven. These, antithese en synthese zijn termen die niet mystieker of abstracter zijn dan Minor, Maior en Conclusio, de drie hoofdmomenten van het formeellogische syllogisme.              Integendeel. Het wetmatige verloop van de geschiedenis is bij Marx niet het gevolg van de inwerking van één of andere boven de werkelijkheid zwevende halfgoddelijke stuwkracht, maar van de onderlinge verhoudingen tussen de feiten zelf. De mensen worden geboren, opgevoed en handelen binnen verhoudingen die reeds voor hen zijn beschikt, die hen door voorafgaande generaties werden overgeleverd.

"Men hoeft er niet aan toe te voegen," zo zegt Marx nadat hij de verhouding tussen productiekrachten, productieverhoudingen en de rest van het maatschappelijke leven heeft uiteengezet, "dat de mensen hun productiekrachten -het fundament van hun hele geschiedenis- niet vrijelijk kiezen; want iedere productiekracht is een verworven kracht, het product van vroeger handelen. De productiekrachten zijn dus het resultaat van de aangewende energie van de mensen, maar deze energie zelf is begrensd door de omstandigheden, waarin de mensen zich geplaatst zien, door de reeds verworven productiekrachten, door de maatschappijvorm die er al voor hen is, die ze niet scheppen, die het product is van de voorgaande generatie. Dankzij het eenvoudige feit dat iedere nieuwe generatie verworven productiekrachten aantreft, die haar als grondstof voor nieuwe productie dienen, ontstaat een samenhang in de geschiedenis van de mensen, ontstaat de geschiedenis van de mensheid, die des te meer de geschiedenis van de mensheid is, naarmate de productiekrachten van de mensen en dientengevolge hun maatschappelijke betrekkingen toenemen."(Marx, Brief van 28 december 1846 aan Pawel Wassiljewitsj Annenkow, opgenomen als bijlage tot : Armoede van de Filosofie, Progres, Moskou, 1974, p.166-167) 

Wie hier nog een idealistische, "teleologische" (doelgerichte) opvatting over de geschiedenis in ziet, wie hier de geschiedenis bij Marx in de Rue d'Orléans nr.42 te Brussel ziet binnenstappen om hem de hand te drukken, moet zich geen vragen meer stellen over de samenhang van de historische gebeurtenissen, maar over de samenhang in zijn eigen hoofd.    

 

 

 

 

                                                          III.

 

Het wetmatige verloop van de geschiedenis is niet het gevolg van de inwerking van krachten die op zich genomen vreemd zijn aan de historische feiten zelf, maar van de innerlijke samenhang van de geschiedenis, van de samenhang tussen de feiten zelf, van de werkelijke verhoudingen tussen de feiten. De mensen worden geboren, groeien op, beginnen historisch te handelen in verhoudingen die zij niet zelf hebben gekozen, maar die hen werden overgeleverd. Daarom is niet alleen een gegeven maatschappelijke toestand wetenschappelijk te verklaren, in een aantal wetmatigheden te gieten, maar tevens het ganse historische proces, of alleszins zijn algemene verloop. Zoveel weten we nu al.

Terwijl ze hun geschiedenis maken, ontwikkelen de mensen zowel krachten als daaraan beantwoordende tegenkrachten die,  naarmate de overheersende productiewijze zich verder ontwikkelt, duidelijker aan de dag treden en na verloop van tijd onverdraaglijk zwaar beginnen wegen op de levensvatbaarheid van de productiewijze zelf. Naarmate de productiewijze zich ontwikkelt, ontwikkelen zich tegelijkertijd de tegenstrijdigheden inherent aan deze productiewijze, tot op het moment dat de verschillende samenstellende delen van de maatschappij, productiekrachten, productieverhoudingen, politiek-juridische bovenbouw, de ideeën die ermee moeten overeenstemmen eenvoudig niet meer naast elkaar kunnen blijven bestaan. Dan breekt er een periode van maatschappelijke revoluties aan, die de hinderpalen voor de nieuwe productiewijze ongenadig opruimen.  

Als de mensen de bestaansvoorwaarden van de vorige generaties overgeleverd krijgen, dan erven ze eveneens de tegenstellingen inherent aan deze bestaansvoorwaarden. De generaties die een bepaalde verhouding vervolmaken of uitbreiding laten nemen, ontwikkelen eveneens de tegenstrijdigheden dewelke in deze verhoudingen opgesloten zitten.

Slechts de kenmerken van de dialectische methode, overgang van kwantitatieve ontwikkelingen in kwalitatieve sprongen, het ineenvloeien van tegengestelden, het verschuiven van niveau, kortom het ganse proces van ontkenning en ontkenning van de ontkenning, volstaan om de geschiedenis op wetenschappelijke wijze samen te vatten. Alleen de dialectiek kan opheldering brengen in de stroom van gebeurtenissen die gezamenlijk de geschiedenis van de mensheid vormen.

De primitieve productiewijze van jagen en verzamelen leidde, naarmate de technologie zich verder ontwikkelde, tot een toename van de bevolking, dus tot een toename van de bevolkingsdruk op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen. De mensen moesten steeds actiever ingrijpen in de reproductie van hun hulpbronnen. De kwalitatieve overslag is de agriculturele revolutie, het proces waarbij, in de relatieve korte tijdspanne van enige duizenden jaren, de verpletterende meerderheid van de wereldbevolking is overgegaan op de landbouw. De these is het leven van de spontane productie van de natuur, de antithese de noodzaak tot steeds intensievere bewerking van het product, de synthese de totale omslag van de oude levenswijze in een nieuwe, die het voortplantingsproces van de levende voedselbronnen zelf moet gaan beheersen.

De verdere ontwikkeling van de landbouw vernietigt gaandeweg steeds meer instellingen van de oude maatschappij : de gelijkheid tussen man en vrouw, de democratische besluitvorming, het gemeenschapsbezit van het bewerkte territorium, de egalitaire verdeling van de rijkdom, de maatschappelijke gelijkheid in het algemeen.

De eerste beschavingen zijn meteen ook de hoogste ontwikkelingstrap van het primitieve communisme. Op het gemeenschapsbezit van de landbouwgrond verheft zich een politieke bovenbouw van priester-krijgers, die zich, als wederdienst voor hun rol in het beheer van de waterbeheersingswerken, het arbeidsoverschot toe-eigenen. Deze maatschappijvorm is zo vrij van interne structurele tegenstrijdigheden, dat hij alle technologische ontwikkelingen die binnen haar grenzen tot ontplooiing komen, kan opvangen. Slechts ecologische catastrofes of invallen van vreemde volkeren (en dan nog in een minderheid van de gevallen!) kunnen deze formatie ontredderen. Opstanden leiden hoogstens tot dynastieke veranderingen, niet tot maatschappelijke, of tot de gemeenschappelijke ondergang van de strijdende partijen. Menig vreemde indringer vindt er niets beter op dan de bestaande productiewijze voor zijn rekening te laten verderwerken.

Daarom kon een hogere maatschappijvorm dan het Oosters despotisme of de Aziatische productiewijze zich slechts uit een lagere ontwikkelen en verschoof het brandpunt van het beschavingsproces van de oude Aziatische beschavingen en Egypte naar het primitievere Middellandse Zeegebied, waar de beschaving haar grootste voorwaartse passen niet zette op basis van het centraal beheer van de waterbeheersing, maar op basis van de slavernij.

Van een bijkomstige hulpkracht werd de slaaf het voetstuk van de beschaving. Maar de slavernij kende wel degelijk haar interne tegenstrijdigheden. Eerst en vooral gaf het verval van de oude patriarchale boerenmaatschappij en de usurpatie van adellijke grootgrondbezitters aanleiding tot een heftige klassenstrijd, waarvan de afloop vorm gaf aan de specifieke staatsvormen van de Europese Oudheid. Hoi Polloi* tegen Kaloskagathoi** in Athene, de Kleinaziatische kolonies en de Griekse nederzettingen in Zuid-Italie;Helotoi*** en Spartiaten**** in Sparta; Plebejers en Patriciers, Proletarii en Optimates***** in Rome.    

De slaaf, eeuwenlang een bijkomstige hulpkracht in de landbouw en het ambachtelijke bedrijf, wordt gaandeweg de voornaamste produktieve basis van de samenleving. Opnieuw omslag van kwantiteit in kwaliteit.   

De slavenproductiewijze kende, over het geheel van de Oudheid bezien, drie grote groeifasen.

     De pioniersrol komt ontegensprekelijk toe aan de Griekse stadsstaten uit de Klassieke Oudheid. De Tyranniën die voortkwamen uit de klassenstrijd tussen de adellijke grootgrondbezitters en het volk zorgden voor een landbouwwetgeving en een militaire organisatie (de hoplieten-falanx) die de weg effenden voor de Griekse polis van de vijfde eeuw V.C., aldus Perry Anderson,...

"Maar voor de ontwikkeling van de klassieke Griekse beschaving was een andere en meer doorslaggevende vernieuwing nodig. Deze was natuurlijk het invoeren van de slavernij op grote schaal. Het bewaren van de kleine en middelgrote landeigendom had een opgeld makende sociale crisis in Attica en elders weten op te lossen. Maar op zichzelf zou dit gegeven de politieke en culturele ontwikkeling van de Griekse beschaving bevroren hebben op het niveau van Beotische barbarij, omdat het de ontwikkeling van een meer complexe arbeidsverdeling en van de verstedelijking in de weg stond. Betrekkelijk gelijkwaardige boerengemeenschappen konden dan misschien wel fysiek samenstromen in steden; maar op dit eenvoudig ontwikkelingspeil hadden ze nooit de bloeiende stedelijke beschaving tot stand kunnen brengen waarvan de Oudheid nu voor het eerst getuige was. Hiertoe moest de meerarbeid van gevangenen veralgemeend worden." (Anderson, Passages from Antiquity to Feudalism, p.35)

Het eerste grote stadium van de slavenhoudersmaatschappij bereikte zowel zijn hoogtepunt als zijn slotfase met de Delisch-Attische hegemonie van Athene. De voornaamste beperking van de Atheense ordening bestond erin dat ze er niet in slaagde om de onder de knoet gehouden bondgenoten onder te brengen in één gecentraliseerd staatsbestel. Dit had in de praktijk alleen maar kunnen betekenen dat Athene zijn democratisch model had moeten veralgemenen tot het geheel van de Attisch-Delische bondgenoten, wat gezien de belangrijke rol van de massale volksvergaderingen op dit peil van technische en maatschappelijke ontwikkeling totaal onmogelijk was. De democratische inspraak van de vrije staatsburgers op het thuisfront stond niet alleen in een onwrikbare tegenstelling tot de tirannieke onderdrukking van de aan Athene schatplichtige bondsleden; ze stond ook de vorming van een professionele staatsbureaucratie in de weg, die nodig was geweest om een wereldrijk te leiden. De oorlogen tegen een bond van gelijkwaardige oligarchieën onder leiding van Sparta, de Peloponnesische Oorlogen, wierpen uiteindelijk het doek over de macht en de luister van de stad van Perikles.   

Het patriarchale koninkrijk van de Macedoniërs sprong in het machtsvacuüm van de kortstondige hegemonieën en de uitputtingsoorlogen na de val van Athene en legde de basis voor de tweede groeicyclus van de Antieke beschaving: de Hellenistische fase. De veroveringen van Alexander leidden niet zozeer tot een uitbreiding van de slavenproductiewijze. In wezen lieten de Grieks-Macedonische veroveraars de Aziatische productiewijze zelfs betrekkelijk onaangeroerd. Maar ook al viel het rijk van Alexander na het overlijden van zijn stichter uiteen in een aantal middelgrote despotenrijken, zijn veroveringen vergrootten de reikwijdte van de stedelijke beschaving door het invoeren van gecentraliseerd staatsbestuur boven de hoofden van de oude, in vroeger tijden steeds onder elkaar kibbelende poleis en de bevordering van de wereldhandel op een schaal die het Middellandse Zeegebied nog nooit tevoren had gezien. 

Zette de slavenproductiewijze formeel gezien met het Hellenisme een stap terug, of bevroor ze in het beste geval haar verworvenheden, het Hellenisme riep de voorwaarden in het leven waaronder de slavenhoudersmaatschappij haar volgende, hoogste en laatste groeifase kon ingaan: het Romeinse imperium.

De Romeinse slavenmaatschappij bereikte haar hoogtepunt als synthese van de slavernij, die in Athene de voorwaarde vormde voor de democratie, en de aristocratische en imperialistische tradities van het Hellenisme. In deze onderlinge combinatie bereikten beide tradities een veel hoger ontwikkelingspeil dan de mediterrane beschavingen die aan de opkomst van Rome voorafgingen. Maar juist daarom lieten ook de beperkingen, de structurele tegenstrijdigheden van de op slavernij gebaseerde productie zich in de Romeinse fase op de meest doorslaggevende wijze gelden.

Door de arbeider te herleiden tot instrumentum vocale (sprekend gereedschap) dat met lijf en leden toebehoort aan de slavendrijver, werd een enorme accumulatie van rijkdom in de handen van zeer weinigen mogelijk, alsook een nooit geziene vlucht van het culturele leven. Maar naarmate de fysieke arbeid meer en meer een zaak werd van slaven, begonnen ook de remmen van de slavernij op de ontwikkeling van de productiekrachten steeds duidelijker aan het licht te komen.    Slaven zijn totaal onbruikbaar waar gewerkt wordt met ingewikkelde, dure, en fragiele werktuigen die een zekere zorgzaamheid van de arbeider vereisen. Herleiden de bestaande verhoudingen de mens tot sprekend gereedschap, de slaaf laat zijn werktuigen voelen dat hij mens is. Paarden, die door hun fysieke veerkracht onontbeerlijk waren voor de ontginning van zware vruchtbare leemgrond, maar veel minder dan muildieren en runderen de mishandelingen van de slaaf konden verdragen, konden noch in de Oudheid, noch in de slavernij die in de kolonies de sokkel vormde van de vroege kapitalistische ontwikkeling, ingezet worden. Zelfs ijzeren ploegscharen -van de keerploeg die de zoden omkeert in plaats van alleen maar de grond omwoelt was al helemaal geen sprake - kenden in de Oudheid geen algemene verspreiding. Bij de Grieken waren ijzeren ploegscharen eerder uitzondering dan regel. Het is geen toeval dat de laatste grote technologische vernieuwingen van de antieke beschaving bijna één voor één dateren uit de Hellenistische periode en dat er voor de rest werd verdergewerkt met werktuigen en procédés die rechtstreeks waren overgeleverd uit het laat-stenen tijdperk. Het is geen toeval dat, zoals Anderson opmerkt, het museum van Alexandrië de voornaamste van de weinige technische vernieuwingen uit de Antieke periode heeft voortgebracht en dat zijn huisbewaarder Ctesibius "een van de weinige vermaarde uitvinders van de Oudheid was"(Anderson, p.51).

Want niet alleen de slaaf was een hinderpaal voor de ontwikkeling van de productiekrachten. De vrije hield zich op de duur al evenmin bezig met praktische uitvindingen die de productiviteit konden opdrijven. Zo kwam het dat samenlevingen die al begonnen waren met de geheimen van de stoomkracht te doorgronden, voor wie wind- en waterkracht al helemaal geen geheimen meer kenden, grotendeels verder moesten boeren met werktuigen uit de barbarij. De slavernij werd hoe langer hoe minder rendabel. De noodzaak om een topzwaar en peperduur staatsapparaat in stand te houden, gaf aan de slavernij uiteindelijk de genadestoot. Met het einde van de Romeinse expansie droogde ook de toevoer van nieuwe slaven op en de zeer trage voortplanting van de reeds voorhanden slaven was ontoereikend om te voorzien in de behoefte aan arbeidskracht. Vanaf Marcus Aurelius werd het kolonaat, de schatplichtige horigheid in plaats van de slavernij, een officiële instelling en de laatstgenoemde werd geleidelijk aan uitzondering in plaats van regel. Gevangen genomen volkeren werden niet meer in slavernij weggevoerd, maar als inquilini, schatplichtige boeren, aan het werk gezet.     

"De antieke slavernij had haar tijd overleefd. Noch in het grote landbouwbedrijf, noch in de stedelijke manufaktuur was zij nog lonend: de markt voor haar producten was verdwenen. De kleine akkerbouw echter en het kleine handwerk waartoe de reusachtige productie uit de bloeitijd van het rijk ineengeschrompeld was, bood geen plaats voor talrijke slaven. Alleen voor huis- en luxeslaven van de rijken was er nog plaats in de maatschappij. Maar de uitstervende slavernij was nog altijd voldoende om alle produktieve arbeid als slavenwerk te doen beschouwen, als onwaardig voor de vrije Romein, en dat was nu immers iedereen. Vandaar een toenemend aantal vrijlatingen van overbodige, tot last geworden slaven, anderzijds toename van kolonen en van verarmde vrijen. (...) De slavernij loonde niet meer, daarom stierf zij uit. Maar de verdwijnende slavernij liet haar giftige angel achter in de veroordeling van de produktieve arbeid van vrijen. Hier bevond zich de Romeinse wereld in een onontkoombare impasse: de slavernij was economisch onmogelijk, de arbeid van vrijen werd moreel veroordeeld. De ene kon niet meer, de ander nog niet, de grondvorm zijn van de maatschappelijke productie. Het enige wat hier kon helpen was een grondige revolutie." (Engels, De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat, Progres, Moskou, p.199-200)   

De verbrokkeling van het Romeinse rijk en de invallen van de Germaanse stammen gaven uiteindelijk de genadestoot aan de zieltogende Pax Romana.

De feodale maatschappij kwam als synthese tevoorschijn uit de wederzijdse doordringing van twee in ontbinding verkerende stelsels: de antieke beschaving en de primitieve stammenmaatschappij. De overwinning van de feodale verhoudingen, het ontstaan van een samenleving die er geheel en al op is gegrondvest, deze sociale revolutie vormde de volgende grote kwalitatieve omslag.

Hoe primitief ook haar uitgangspunt, de feodaliteit liet over het geheel gezien veel meer technologische vernieuwing toe dan de slavenhoudersmaatschappij. De steden, die zich konden ontwikkelen op basis van de toenemende handel in het landbouwoverschot, werden de thuisbasis van de klasse waaruit de moderne bourgeoisie zich rechtstreeks heeft kunnen ontwikkelen: de handelsburgerij. Uit de strijd tussen de nieuwe burgerlijke verhoudingen en de oude feodale komt de moderne samenleving tevoorschijn.

De geschiedenis van Wallersteins historisch kapitalisme begint met het totale verval van de leenroerige verhoudingen, het ontstaan van de wereldmarkt, de daaruit voortvloeiende definitieve grondvesting van de macht der handelsburgerij, de scheiding van de rechtstreekse producent van het productiemiddel en het navenante ontstaan van de loonarbeid. De burgerlijke revoluties vervolmaken het reeds door de absolute vorsten in het leven geroepen moderne staatsapparaat tot orgaan dat het gemeenschappelijk belang van de gehele nationale burgerij nastreeft. De volwassenheid van de burgerlijke maatschappij wordt ingeluid door de grootscheepse industrialisering en de daarmee gepaard gaande schaalvergroting van het proletariseringproces. Voor de industrialisering vormde het bestaande proletariaat maar een klasse in zover het in dezelfde of vergelijkbare levensomstandigheden deelde. Vanaf de industrialisering begint het proletariaat pas echt een klasse te worden omdat het ook tot het bewustzijn komt van zijn gemeenschappelijk belang, van het feit dat het een klasse vormt. De kapitalistische productiewijze zelf vernietigt ongenadig alle voorkapitalistische klassen en vereenvoudigt de maatschappelijke tegenstellingen steeds duidelijker tot deze tussen loonarbeid en kapitaal, zodat ook de fundamentele sociale en politieke krachtmetingen steeds duidelijker uitingen worden van deze tegenstelling. Anderzijds zijn de maatschappelijke gevechten tussen het proletariaat en de kapitaalbezitters niet slechts uitdrukkingen van hun antagonistische verhoudingen. Ze worden uiteindelijk werkelijke historische krachtmetingen die beschikken over het voortbestaan of het verdwijnen van de bestaande orde.       

Uit de voornaamste structurele antagonismen van de maatschappijen waarin de kapitalistische productiewijze overheerst, laat zich het volgende stadium van maatschappelijke ontwikkeling afleiden. Deze antagonismen bestaan erin dat, ten eerste, de ongeziene vermaatschappelijking van de productie in een steeds ondraaglijker tegenstelling komt te staan met de particuliere toe-eigening van de winst en, ten tweede, onder de heersende verhoudingen het internationale karakter van de productie voortdurend botst tegen de nationale staat. Kortom: de voornaamste beperkingen van de kapitalistische productiewijze zijn het privé-bezit van de productiemiddelen en de nationale staat. Het socialisme is de praktische overwinning van de arbeidende mensheid op deze beide beperkingen die de verdere ontwikkeling van de produktieve krachten in de weg staan.  

De geschiedenis in een notendop; zeer zeker geen gedetailleerde uiteenzetting die op zich de naam geschiedschrijving verdient, maar alleszins een "meer geïntegreerde" weergave dan het empiristische knip- en plakwerk van de Wereldsysteem Analyse.

 

 

 

 

                                                          IV.

 

Hogerop zagen we reeds hoe Wallerstein de lezer zijn meest oprechte voornemens op het hart drukt "de totaal geïntegreerde realiteit zo adequaat mogelijk weer te geven door achtereenvolgens datgene te behandelen wat tot uitdrukking komt op het economische, politieke en cultureel-ideologische gebied."

De materialistische opvatting over de geschiedenis stelt echter hogere eisen dan het domweg achter elkaar behandelen van economie, politiek en cultuur. Zolang hij deze elementen waaruit de maatschappij is opgebouwd in de juiste betrekking tot elkaar zou hebben geplaatst, mocht Wallerstein gerust de volgorde van bespreking totaal hebben omgekeerd. Anderzijds kan het achter elkaar behandelen van economie, politiek en ideologie nooit meer zijn dan een surrogaatoplossing waarop men zich moet beroepen om te camoufleren dat men van het historisch materialisme geen zak begrepen heeft. Wallerstein mag dan voor mijn part honderd jaar lang geknield gelegen hebben voor hetzelfde altaar en evenlang "gevormd zijn in dezelfde smidse als al zijn makkers"(zie p.82)... verder dan een stumperig afkooksel van de marxistische geschiedschrijving komt hij in geen geval.          

Voor ons is het de gepaste gelegenheid om een vooroordeel in verband met het historisch materialisme van antwoord te dienen, dat al zo grijsgedraaid is dat de muziek van de ommezijde er doorheen klinkt maar niettemin een bijzonder taai leven leidt. En wat Wallerstein betreft, zal meteen ook aangetoond worden dat de materialistische maatschappijkritiek de zaken een beetje ingewikkelder ziet dan het slaafs achterna hobbelen van de economie door politiek en cultuur.

Dit godje van de vooroordelen is natuurlijk de zogenaamde eenzijdige bepaling van de bovenbouw door de onderbouw.

Wanneer ze de maatschappelijke productie van hun leven verzorgen, zo zegt Marx, gaan de mensen bepaalde verhoudingen aan, de productieverhoudingen, die aan een bepaalde trap van ontwikkeling van hun materiele productiekrachten beantwoorden. Het geheel van deze verhoudingen noemt Marx de onderbouw, waarop zich een juridische en politieke bovenbouw verheft en waarmee bepaalde maatschappelijke bewustzijnsvormen overeenkomen. Dit is een woordelijke weergave van de wijze waarop Marx in het woord vooraf tot zijn Bijdrage tot de politieke economie de beschrijving van zijn historische methode begint.

Voor de intellectuele Respectability van de moderne samenleving die, net zoals Wallerstein slechts inductie of deductie kent, enkel op de hoogte zijn van determinisme en voluntarisme, is de verleiding bij verschillende gelegenheden te machtig geweest om het verwijt van eenzijdig determinisme aan het adres van Marx te vermijden. Voor wie slechts de eenzijdige bepaling kent of de richtingloze opeenhoping van losse feiten, zijn de uitdrukkingen "in de laatste instantie", "in de laatste analyse", natuurlijk spijkerschrift.

"... Volgens de materialistische opvatting over de geschiedenis is de bepalende factor in de geschiedenis in laatste instantie, de productie en reproductie van het onmiddellijke leven. Noch Marx, noch mijzelf hebben nooit meer beweerd dan dat. Indien iemand deze stellingname verdraait in die zin dat de economische factor het enige bepalende gegeven vormt, verandert hij ze tegelijkertijd in een lege, abstracte en absurde frase. De economische omstandigheden vormen de basis, maar de verschillende elementen van de bovenbouw: de politieke vormen van de klassenstrijd en haar resultaten - de Grondwettelijke ordes eens ze zijn gegrondvest, het gevecht gewonnen door de zegevierende klasse, enz.- de juridische vormen en zelfs de weerspiegelingen van al deze werkelijke gevechten in de hersenen van de deelnemers, politieke en juridische theorieën, filosofische stelsels, religieuze opvattingen en hun verdere ontwikkeling tot dogmatische systemen, oefenen evengoed hun invloed uit op het verloop van de historische krachtmetingen en bepalen, in veel gevallen, op doorslaggevende wijze hun vorm. Er bestaat een wisselwerking van al deze factoren in de schoot waarvan de economische beweging zich uiteindelijk als noodzaak een weg baant, doorheen een oneindige veelheid van toevalligheden (t.t.z. zaken en gebeurtenissen waarvan het onderlinge verband zo verafgelegen is of zo moeilijk aan te tonen dat we het mogen beschouwen als onbestaand en verwaarloosbaar). Zoniet zou de toepassing van de theorie op om het even welk tijdperk me dunkt makkelijker zijn dan de oplossing van een eerste graadsvergelijking." (Engels, Brief van 21-22 september 1890 aan A.J. Bloch, in: Lettres sur le Matérialisme historique, Progres, Moskou, 1980, p.8-9 -eigen cursief)

Engels veegt niet alleen de vloer met het verwijt van economisch determinisme, hij schetst ook nog op onnavolgbare wijze de wisselwerking tussen onderbouw en bovenbouw. De economische ontwikkeling baant zich als noodzaak een weg door de contingente gebeurtenissen die de vorm bepalen waarin de historische krachtmetingen zich hullen.

Over de inwerking van de politiek op de economie schrijft Georgy Plechanow, de vader van het Russische marxisme:

"De politieke instellingen oefenen een invloed uit op het economische leven: ofwel dragen ze bij tot de vooruitgang ervan, ofwel vormen ze er een obstakel voor. In het eerste geval gebeurt er, vanuit het standpunt van Marx, niets verrassends, aangezien elk politiek systeem (bewust of onbewust, dit is hier van weinig belang) in het leven geroepen is om bij te dragen tot de voorwaartse ontwikkeling der produktieve krachten. Het tweede geval spreekt de marxistische voorstelling van zaken evenmin tegen. De historische ervaring toont aan dat, vanaf het ogenblik dat een bepaald politiek systeem ophoudt overeen te stemmen met de toestand van de productiekrachten, vanaf het ogenblik dat het een hinderpaal wordt voor hun ontwikkeling, dit (politieke systeem) begint af te takelen en uiteindelijk wordt afgeschaft. Verre van de leer van Marx tegen te spreken is het laatste geval er uiteindelijk de beste bevestiging van, aangezien het ons laat zien hoe de economie de politiek beheerst en hoe de ontwikkeling der productiekrachten van een volk aan de politieke ontwikkeling ervan voorafgaat." (Plechanow, Essai sur le Développement de la Conception moniste de l'Histoire, Progres, Moskou, 1973, p.166)   

Plechanows taal is zo duidelijk als ze maar kan zijn. Ofwel belemmeren de politieke instellingen de ontwikkeling van de productiekrachten, ofwel werken ze haar in de hand. Ofwel vertraagt de bovenbouw de processen in de onderbouw, ofwel versnellen ze ze. De ontwikkeling van het kapitalisme in Duitsland was een natuurnoodzakelijk proces, waarvan slechts de snelheid waarmee het zich voltrok beïnvloed kon worden door het politieke initiatief. Door de politieke verbrokkeling en het politieke onvermogen van de Duitse bourgeoisie op krachtdadige wijze de burgerlijk-demokratische revolutie door te voeren tegen de feodale krachten die als rem werkten op de ontwikkeling van de handel en de industrie, werd het proces van grootscheepse industrialisering bijna een kwarteeuw uitgesteld. Niet aan de Duitse bourgeoisie, maar aan de politieke vertegenwoordigers van het Pruisische reactionaire Junkertum was het politieke initiatief gegeven om van dit staatkundige lappendeken de voornaamste kapitalistische grootmacht van het Europese continent te maken. Hier waren het de oude krachten van de feodale reactie die zich lieten gelden als vooruitstrevende beweging! En heeft de geschiedenis van Duitsland zich dan verdergezet in tegenstrijd met

de door Marx geschetste algemene historische fasen ? Allerminst: bij het einde van de negentiende eeuw was Duitsland het klassieke land van de moderne socialistische arbeidersbeweging.

De ontwikkeling van de productiekrachten geeft "alleen" de algemene zin van de geschiedenis aan. En deze algemene richting laat zich voorspellen voor zover de aanzetten ertoe reeds in het heden aanwezig zijn. De socialistische revolutie, de heerschappij van het proletariaat en de overgang naar het socialisme zijn dan ook geen mystieke heilsboodschappen meer, maar voorspellingen die gerechtvaardigd worden door de objectieve bewegingswetten werkzaam in de moderne samenleving.  Dit gezegd zijnde moet het voor de lezer nu toch al voldoende duidelijk geworden zijn, vanuit welke positie we in de volgende bladzijden de historische analyse en de  toekomstverwachtingen van Wallerstein zullen beoordelen.

         

 

 

 

 

 

 

 

 

 

§2.Centrum en periferie: de transnationaliteit

   van de productketens

 

De Wereldsysteem Analyse put haar zelfzekerheid uit de wetenschap dat ze de fundamentele mechanismen van de ongelijke ruil heeft ontdekt en gaat bijzonder prat op deze omwenteling dewelke ze in de moderne wetenschap heeft teweeggebracht...

"Ongelijke ruil is een eeuwenoude praktijk. Wat opmerkelijk was aan het kapitalisme als een historisch systeem, was de manier waarop deze ongelijke ruil verhuld kon worden; inderdaad zo goed verhuld dat zelfs de verklaarde tegenstanders van het systeem nu pas begonnen zijn dit mechanisme systematisch te ontmaskeren, nadat het reeds vijfhonderd jaar in werking is." (Wallerstein, Historisch kapitalisme, p.25-26-mijn cursief)

De sleutel voor het verhullen van het centrale mechanisme van de ongelijke ruil lag in de structuur van de kapitalistische wereldeconomie zelf, aldus Wallerstein, namelijk:

"... de ogenschijnlijke scheiding in het kapitalistische wereldsysteem tussen enerzijds het economisch gebied (een wereldwijde sociale arbeidsverdeling met geïntegreerde productieprocessen die alle werkten voor de eindeloze accumulatie van kapitaal) en anderzijds het politieke gebied (schijnbaar bestaande uit afzonderlijke soevereine staten, elk met autonome verantwoordelijkheden voor politieke besluiten binnen het eigen rechtsgebied, en elk beschikkend over gewapende troepen om hun gezag te ondersteunen)."(p.26-mijn cursief)

Met andere woorden: de werkelijke mechanismen van ongelijke ruil hebben zich volgens Wallerstein zolang aan het oog van de wetenschap onttrokken omwille van de schijnbare tegenstelling tussen de nationale staat en de internationale markt.

In werkelijkheid, zo gaat Wallerstein verder, overschreden bijna alle enigszins belangrijke productketens de staatsgrenzen en  ...

"Dat is geen recente ontwikkeling. Het gold vanaf het begin van het historisch kapitalisme zelf. De transnationaliteit van de productketens gaat evengoed op voor de kapitalistische wereld van de zestiende eeuw als voor die van de twintigste eeuw." (p.26)

Hoe ging deze ongelijke ruil nu in zijn werk ?

"Uitgaande van een werkelijk verschil op de markt, dat ofwel ontstond door het (vooralsnog) ontbreken van een complex productieproces, ofwel door kunstmatige schaarstes die geschapen werden met militaire hand (...) verplaatsten de producten zich op zo'n manier tussen de zones, dat het gebied met het minst 'schaarse' artikel dit verkocht aan een ander gebied voor een prijs die meer reële kosten moest dekken dan een gelijk geprijsd artikel dat zich in de tegenovergestelde richting bewoog. Wat feitelijk gebeurde was een verplaatsing van een deel van het totale surplus van de ene zone naar de andere. Zo'n relatie is een centrumperiferie-relatie. Algemeen gezegd, de verliezende zone kunnen we een 'periferie' noemen en de winnende zone een 'centrumgebied'. Deze benamingen geven feitelijk de geografische structuur van de economische stromen weer."(p.26)

Het was dit proces van ongelijke ruil op internationale schaal, deze verplaatsing van het surplus naar het centrum, waar het als kapitaal werd geaccumuleerd dat "onevenredig grote fondsen beschikbaar maakte voor verdere mechanisatie." (p.27)

Voor het gemak van de lezer vatten we de gedachtegang die Wallerstein hier ontvouwt even samen. Als we alles goed begrepen hebben dan wil hij vooral de volgende vier punten vaststellen:

1. Hoewel hij op zichzelf een eeuwenoude praktijk is, geschiedt de ongelijke ruil onder het kapitalisme op dermate verhulde wijze dat men hem pas nu aan het ontdekken en doorgronden is.

2. De sleutel voor deze verhulling ligt in de ogenschijnlijke tegenstelling tussen de al even bedrieglijke wederzijdse onafhankelijkheid van de nationale staten en het geïntegreerd zijn van de wereldmarkt.

3. De internationale arbeidsdeling, zeg maar de transnationaliteit der productketens, bestond evengoed in het kapitalisme van de zestiende eeuw, als voor dat van de twintigste.

4. De ongelijke ruil vormt een relatie van centrum tot periferie. Het eerste is het winnende gebied, het tweede het verliezende.

Deze vier stappen in Wallersteins redenering zijn even zovele dwalingen of op zijn minst dubbelzinnigheden in één groot sofisme.

Ten eerste zijn de mechanismen van de ongelijke ruil beter in kaart gebracht door het marxisme dan door de Wereldsysteem Analyse, die ten allen tijde nooit verder geraakt is dan een impressionistische schets van de wereldverhoudingen.         Ten tweede is de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldmarkt allesbehalve een illusie, maar één van de meest fundamentele tegenstrijdigheden en beperkingen van de moderne samenleving.

Ten derde is de omschrijving van het kapitalisme als wereldsysteem allesbehalve een uitvinding van de lieden die zichzelf de school van de Wereldsysteem Analyse noemen, maar werd reeds glashelder naar voor geschoven door het marxisme, dat de historische consequenties daarvan veel grondiger heeft begrepen dan Wallerstein en zijn Heilige Schare.

Ten vierde en tenslotte laat de eenzijdige fixatie van Wallerstein op de geopolitiek, op de verhouding tussen centrum en periferie, de tegenstrijdige verhoudingen zowel binnen het centrum als binnen de periferie, die minstens evenzeer hun wereldhistorische rol vervullen in de ontwikkeling van de moderne samenleving grotendeels buiten beschouwing. 

Zoals we reeds zagen in het vorige hoofdstuk vormt Wallersteins vertoog over de proletarisering slechts het voorwendsel -hijzelf zou zeggen: de empirische grondslag, om tot de algemene wetmatigheden van de centrumperiferie verhouding te komen.

Maar Wallerstein is al zodanig in de ban van zichzelf en zijn geniale ontdekking, dat hij onmogelijk nog oog kan hebben voor bijkomstigheden zoals het werkelijke ontstaansproces van de klasse die het kapitaal voortbrengt. "Onmiddellijk ontdekken we verscheidene mechanismen die historisch gezien de ongelijkheid vergrootten," roept hij triomfantelijk uit ! (zie p.27)

Het is goed dat hij erbij vermeldt dat hij verscheidene mechanismen ontdekt en niet alle. Het ontstaan van de kapitalistische productiewijze en meer in het bijzonder het proces waarbij de initiële opstapeling van kapitaal plaatsgreep, de zogenoemde primitieve of oorspronkelijke accumulatie, voltrokken zich als een gecombineerde ontwikkeling van processen die later het "centrum" van de kapitalistische wereld zouden gaan uitmaken en op de wereldmarkt die bij het begin van de zestiende eeuw een feit geworden was.

De wereldmarkt en de internationale arbeidsdeling of de transnationaliteit van de productketens is een bestendig kenmerk van het kapitalisme, is van bij het prilste begin tot het bittere einde aanwezig.

En waarom?  Omdat deze het uitgangspunt van de kapitalistische productiewijze vormt. Internationale arbeidsdeling bestond reeds voor er sprake was van kapitalisme. Ze werd ons overgeleverd door het hoogste ontwikkelingsstadium van de oude middeleeuwse samenleving, met haar doorgedreven arbeidsdeling tussen stad en platteland, tussen commerciële en ambachtelijke activiteit in de stad en tenslotte tussen de steden zelf.

In de eerste bladzijden van zijn Modern World System zegt Wallerstein:

"De stelling in dit boek zal zijn dat er drie dingen essentieel waren voor het ontstaan van een dergelijke kapitalistische wereldeconomie. De uitbreiding van de geografische omvang van de betreffende wereld, de ontwikkeling van zeer uiteenlopende manieren van arbeidsbeheersing voor verschillende producten en verschillende gebieden van de wereldeconomie en de vorming van betrekkelijk sterke staatsapparaten in wat de centrumlanden van deze kapitalistische wereldeconomie zouden gaan worden" (Het moderne wereldsysteem, dl.I, p.25)   

De wereldmarkt en de eerste ophoping van geld -dat later besteed kon worden als kapitaal- in de handen van een paar individuen bestond reeds voor de kapitalistische productiewijze, en dat is geen recente ontdekking en zeker niet de ontdekking van Wallerstein en de tiërmondistische schrijvers die het pad voor de Wereldsysteem Analyse hebben geëffend.

"Het eerste gevolg van de arbeidsdeling tussen de verschillende steden was het ontstaan van de manufacturen, productietakken die het gildenwezen waren ontgroeid. De manufacturen kwamen het eerst tot bloei in Italië en later in Vlaanderen; historische voorwaarde hiervoor was de aanwezigheid van handelsverkeer met buitenlandse naties. In andere landen, Engeland en Frankrijk bijvoorbeeld, beperkten de manufacturen zich aanvankelijk tot de binnenlandse markt. Behalve de voorwaarden die genoemd zijn, veronderstellen de manufacturen bovendien nog een reeds vergevorderde concentratie van de bevolking- met name op het platteland- én van kapitaal dat, de gildewetten ten spijt, deels in de gilden, deels bij de kooplieden in handen van enkele individuen begon te accumuleren."(Marx, De Duitse Ideologie, dl.I, SUN, Nijmegen, 1971, p.62-63- mijn cursief)   

Het voordeel van Wallersteins wereldschematisme bestaat erin dat men het zowat overal kan op toepassen. Een groot nadeel evenwel bestaat erin dat men het ook kan toepassen op verhoudingen waarvoor Wallerstein zijn leer helemaal niet voorbestemd heeft. In de logica noemt men dat trivialiteit.     Nadat hij de hinderlijke kwestie van de ontstaansgeschiedenis van het proletariaat uit de plooien van zijn gelaat heeft gewreven, bestaat voor Wallerstein nu nog slechts de wereldmarkt, de transnationaliteit van de productketens als centrumperiferie verhouding. Als we met alle geweld willen vasthouden aan het idee van centrum en periferie, dan kunnen we in het tijdvak van de primitieve accumulatie deze verhoudingen op het economische vlak zelfs waarnemen binnen centrum en periferie en dan nog niet eens noodzakelijk als verhouding tussen "winners en verliezers". De opbloei van de wolmanufaktuur in Vlaanderen gaf ongetwijfeld een krachtige stoot aan de kapitalistische landbouwhervormingen in Engeland, waar de weg voor de nieuwe plattelandsburgerij en de verburgerlijkte aristocratie op 28 klassiek-feodale geslachten na was schoongeveegd door de Rozenoorlogen. De eersten die hierbij verloren waren de duizenden Engelse boeren die plaats moesten ruimen voor de schapenkudden waarin hun heren grootgrondbezitters nu eenmaal een meer geschikte bron van inkomsten zagen dan het oude pachtstelsel.

Zelfs voor de Wallersteiniaanse invulling van de verhouding centrumperiferie gaat de abstract gestelde wereldomspannende verhouding tussen winnaar en verliezer maar op als men één en ander een beetje willekeurig buiten beschouwing laat. Zoals geweten verhief het Nederlandse kapitaal zich aanvankelijk op de achteruitgang en zelfs bewuste onderwerping van de Hanzesteden aan de Oostzee. De Poolse edellieden die hun vrije pachters vanaf de vijftiende eeuw opnieuw tot lijfeigenschap brachten ten behoeve van de voedselproductie en de bosontginning voor de handel met de Nederlanden zullen zichzelf waarschijnlijk alleen maar in een hysterisch-katholieke uitspatting van boetedoening en zelfbeklag als verliezers hebben beschouwd. De Afrikaanse stamhoofden die mensen van hun eigen ras bij duizenden uitleverden aan Portugese, Spaanse, Engelse en Hollandse slavendrijvers waren evenmin de grote verliezers van de primitieve accumulatie. Als men eraan houdt de zaken zo abstract te stellen, waren de tienduizenden landlopers die in Europa de manufaktuur werden ingedreven even grote verliezers als de Afrikaanse, Aziatische en Oost-Europese boeren.

Zoveel weet ook Wallerstein. Maar hij spreekt allang niet meer over de uitbuitingsverhoudingen binnen centrum en periferie Voor hem zijn nu nog slechts de politiekgeografische verhoudingen, waarvan hij de ontdekking op de naam van de Wereldsysteem Analyse schrijft, van tel.   

Om de door Wallerstein zo zelfzeker opgeëiste originaliteit in verband met de transnationaliteit van de productketens en de wereldwijde indeling in "winners en verliezers" enigszins tot haar ware proporties terug te brengen, geven we enige uittreksels die zo duidelijk voor zich spreken dat ze volgens ons maar weinig aansluitende commentaar behoeven.

Marx in 1847: "Zonder de slavernij zou Noord-Amerika, het verst ontwikkelde land, in een patriarchaal land veranderen. Veegt men Noord-Amerika van de wereldkaart, dan heeft men anarchie, het volledige verval van de handel en van de moderne beschaving. Laat de slavernij verdwijnen en U veegt Amerika van de wereldkaart (...) De moderne volken hebben de slavernij in hun landen enkel en alleen kunnen verhullen, terwijl ze haar in de Nieuwe Wereld onverhuld hebben ingevoerd."(Armoede van de filosofie, p.103)

"De behoefte aan een voortdurend uitbreidende markt voor haar producten jaagt de bourgeoisie voort over het gehele aardoppervlak. Ze moet zich overal nestelen, overal vestigen, overal verbindingen tot stand brengen. Door middel van haar uitbuiting van de wereldmarkt heeft de burgerij een kosmopolitisch karakter gegeven aan productie en consumptie in elk land. Tot groot verdriet van de reactionairen heeft ze de industrie de nationale grond waarop zij gevestigd was, van onder de voeten getrokken. Alle oude gevestigde nationale industrieën zijn vernietigd of worden dagelijks met de grond gelijkgemaakt. Ze worden ontworteld door nieuwe industrieën, wier invoering een kwestie van leven en dood wordt voor alle beschaafde naties, door industrieën die niet langer inheemse grondstoffen verwerken, maar ruwe materialen onttrokken aan de meest afgelegen zones; industrieën wier producten niet slechts in de thuislanden verbruikt worden, maar evengoed in elke uithoek van de wereld. In de plaats van de oude behoeften, die bevredigd werden door de productie van het eigen land, vinden we nieuwe behoeften, die voor hun bevrediging de producten van verafgelegen landen en luchtstreken behoeven. In plaats van het oude lokale en nationale isolement en onafhankelijkheid, krijgen we nu verkeer in alle richtingen, universele wederzijdse afhankelijkheid tussen de naties." (Manifesto of the Communist Party, integraal opgenomen in The Revolutions of 1848, Pelican Books, Harmondsworth, 1973, p.71)

Marx in 1867: "De ontdekking van goud- en zilverlanden in Amerika, de uitroeiing en onderdrukking van de inheemse bevolking en haar opsluiting in de mijnen, de beginnende verovering en plundering van Oost-Indië, de verandering van Afrika tot een gebied voor de handelsjacht op de zwarte bevolking vormden de dageraad van het tijdperk der kapitalistische productie. Deze idyllische gebeurtenissen zijn de voornaamste elementen van de oorspronkelijke accumulatie. (...) De verschillende factoren van de oorspronkelijke accumulatie vindt men nu, min of meer in chronologische volgorde, voornamelijk over Spanje, Portugal, Holland, Frankrijk en Engeland verdeeld. In Engeland worden zij tegen het einde van de zeventiende eeuw systematisch samengevat in het koloniale stelsel, het systeem van staatsschulden, het moderne belastingsysteem en het stelsel van protectie. Deze methoden berusten ten dele op het meest brute geweld, bijvoorbeeld het koloniale stelsel." (Het Kapitaal, dl.I, hfst.24, p.586)

"De behandeling van de inheemse bevolking was natuurlijk het ergst in de nederzettingen, die uitsluitende bestemd waren voor de export, zoals in West-Indië, en in de aan roofmoord prijsgegeven rijke en dichtbevolkte landen als Mexico en Oost-Indië. Maar ook in de eigenlijke koloniën verloochende het Christelijke karakter de oorspronkelijke accumulatie niet. De nuchtere virtuozen van het Protestantisme, de puriteinen van Nieuw-Engeland, stelden in 1703 volgens een besluit van hun Assembly (volksvergadering) een premie van £40 iedere Indiaanse scalp en voor iedere gevangen roodhuid, ..." (p.587)

"Het koloniale systeem liet handel en scheepvaart als in een broeikas rijpen. De Gesellschaften-Monopolia (Luther) waren geweldige hefbomen voor de concentratie van het kapitaal. De kolonie verschafte aan de als paddestoelen uit de grond opschietende manufacturen een afzetmarkt en een accumulatie, die door het marktmonopolie werd verveelvoudigd. De buiten Europa rechtstreeks door plundering, onderwerping en roofmoord buitgemaakte schat vloeide terug naar het moederland en werd daar in kapitaal omgezet. Holland, dat het eerst het koloniale stelsel volledig ontwikkelde, bereikte reeds in 1648 het hoogtepunt in de bloei van zijn handel. Holland was in het vrijwel uitsluitend bezit van de Oost-Indische handel en van het verkeer tussen het Zuidwesten en Noordoosten van Europa. Zijn visserij, scheepvaart en manufacturen overtroffen die van elk ander land. De kapitalen van de republiek waren misschien wel omvangrijker dan die van de rest van Europa bij elkaar.' Gülich vergeet eraan toe te voegen: de Hollandse volksmassa (de verliezers van het centrum-P.V.d.B.) was in 1648 reeds meer overwerkt, verarmd en wreder onderdrukt dan die van de rest van Europa bij elkaar." (p.588)

"Terwijl de katoenindustrie in Engeland de kinderslavernij invoerde, gaf deze tegelijkertijd de stoot tot omzetting van het vroeger min of meer patriarchale slavenbedrijf in de Verenigde Staten in een commercieel uitbuitingssysteem. In het algemeen had de verkapte slavernij der loonarbeiders in Europa de slavernij sans phrase (zonder omhaal) van de Nieuwe Wereld als voetstuk nodig."(p.593)

Rosa Luxemburg in 1912: "De kapitalistische accumulatie heeft (...) als geheel, als concreet historisch proces, twee verschillende aspecten. Het ene betreft de warenmarkt en de plaatsen waar de meerwaarde wordt voortgebracht - de fabriek, de mijn, het landbouwbedrijf. (...) Het andere aspect van de kapitaalsaccumulatie betreft de relaties tussen het kapitalisme en de niet-kapitalistische productiesystemen. Het toneel daarvan beslaat de gehele wereld. De meest overheersende methodes zijn kolonialistische politiek, het systeem van internationale leningen, de politiek van invloedssferen en oorlogen. Geheel onverbloemd vieren hier machtsmisbruik, bedrog, onderdrukking en plundering hoogtij en men moet zich werkelijk inspannen om onder deze chaos van politieke geweldshandelingen en krachtmetingen nog de strenge wetten van het economische proces te ontdekken." (De accumulatie van kapitaal, in: Orde heerst in Berlijn, p.130-131)

Lenin in 1916: "Het toenemen van de binnenlandse, maar vooral ook van de internationale warenruil is een karakteristieke trek van het kapitalisme. De ongelijkmatige en sprongsgewijze ontwikkeling van afzonderlijke ondernemingen en takken van industrie, alsmede van sommige landen, is onder het kapitalisme onvermijdelijk."(Imperialisme als hoogste stadium van kapitalisme, Progres, Moskou, 1989, p.78)

Max Schachtman in 1933: "... de ontwikkeling van elke bestaande maatschapijorde totnogtoe, en in het bijzonder van de moderne kapitalistische maatschappij, is er één geweest in de richting van toenemende wereldwijde verbindingen en onderlinge afhankelijkheid. Het kapitalisme bereikt zijn hoogste ontwikkelingsfase, zijn meest indrukwekkende economische hoogten, niet door zich terug te trekken binnen zijn nationaal omhulsel, maar door vanop ieder nationaal terrein deze verbanden te leggen die het onlosmakelijk verbinden met de rest van de wereldeconomie. De economie van de Verenigde Staten, van Frankrijk of Indië, vormt slechts de nationale uitdrukking van een wereldeconomie."(The First Ten Years- History and Principles of the Left Opposition, New Park, Londen, 1974, p.25)    

De uittreksels die we hier aan de lezer voorleggen zijn geen toevallige, zijdelingse bedenkingen, maar vormen fundamentele inzichten in de bepaling van de revolutionaire strategie van het marxisme, dat als eerste de moderne beschaving heeft erkend als wereldsysteem.       

De beroemde slotwoorden van het Communistisch Manifest zijn geen moralistische verzuchting naar wereldvrede, maar de kernachtige samenvatting van de strategische noodzaak tot internationale organisatie van het proletariaat in het bestrijden van een systeem dat wereldwijd georganiseerd is.     Wanneer Lenin zijn tactische slogan van "de revolutionaire heerschappij van arbeiders en boeren" tegenover de oude "klassiek-marxistische" formule van de burgerlijke revolutie onder leiding van de liberale bourgeoisie stelde, dan was dit op basis van de bedenking dat de Russische Revolutie geen eenvoudige herhaling kon zijn van de Europese revoluties in de achttiende en negentiende eeuw omdat Rusland een heel andere plaats innam in het wereldsysteem dan pakweg Frankrijk en Engeland in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw. Op zich veronderstelt de beroemde uitspraak van Lenin "dat het kapitalisme zou breken in zijn zwakste schakel" een diepgaand inzicht in de internationale structuur van het kapitalisme.

Het was op basis van het inzicht dat de moderne samenleving gestoeld is op een wereldsysteem dat Leon Trotsky zich met klem verzette tegen de stalinistische leer van "socialisme in één land". In 1929 bijvoorbeeld schrijft hij in dit verband:

"De opbouw van het socialisme is maar mogelijk op basis van klassenstrijd op het nationale én het internationale terrein ... De socialistische revolutie kan onmogelijk voltooid worden binnen de nationale grenzen. Eén van de essentiële oorzaken van de crisis in de burgerlijke samenleving bestaat erin dat de productiekrachten die ze heeft voortgebracht buiten het kader van de nationale staat treden ... de socialistische revolutie begint op het nationale terrein, ontwikkelt zich in de internationale arena en wordt voltooid op wereldschaal ... De wereldwijde arbeidsverdeling, de afhankelijkheid van de Sovjetindustrie van de buitenlandse techniek, de afhankelijkheid van de produktieve krachten van de geavanceerde landen van de grondstoffen uit Azië, enz., maken het onmogelijk een autonome socialistische samenleving uit de grond te stampen, geïsoleerd in welke hoek van de wereld ook." (Trotsky, Qu'est-ce que la Revolution permanente, in: De la Revolution, Editions de Minuit, Parijs, 1963, p.364-365-mijn cursief)

Trotsky's theorie van de permanente revolutie, niet bepaald het minst belangrijke onderdeel van zijn intellectuele erfenis, berust geheel en al op de idee van de afhankelijke ontwikkeling van de koloniale en neokoloniale wereld binnen    het kapitalistische wereldsysteem. En wanneer Trotsky in Perspectives and Tasks in the East zijn versie van de "dependentietheorie" uiteenzet, zien we, met een beetje goeie wil en een gezonde dosis verbeelding, niet de stichter van het Rode Leger het woord richten tot de studenten van de Communistische Universiteit voor de arbeiders uit het Oosten, maar de Graue Eminenz van Binghamton:

"De ganse hedendaagse politieke en culturele ontwikkeling is gestoeld op het kapitalisme ... Maar het kapitalisme heeft, schematisch gesproken, twee verschillende facetten: het kapitalisme van de metropool en het kapitalisme van de kolonies."(Trotsky, Perspectives and Tasks in the East, Speech on the Third Anniversary of the Communist University for Toilers of the East, April 21, 1924, New Park, London, 1973, p.3)

Er slechts op wijzen dat de marxisten van bij het begin oog hadden voor de transnationaliteit van de productketens is nog te veel eer voor Wallersteins formuleringen. Hoewel het respectievelijke onderwerp van de vier delen van het Modern World System min of meer samenvallen met de drie kwalitatieve groeistadia van het kapitalisme (Dl.I en Dl.II met de periode van de primitieve accumulatie; dl.III met het tijdperk van de vrije concurrentie; dl.IV met de fase van het imperialisme) laat Wallersteins Historisch kapitalisme deze fundamentele historische groeifasen totaal buiten beschouwing. We vinden er genoegen in om hier een andere, volgens ons veel meer verdienstelijke, grondlegger van de Wereldsysteem Analyse aan het woord te laten:

"Het kapitalisme heeft van bij zijn oorsprong een internationale dimensie aangenomen, " zegt Samir Amin, "maar de inhoud en de werking van deze dimensie is door drie periodes gegaan. Tijdens de mercantilistische periode van de primitieve accumulatie (van de Renaissance tot aan de Industriële Revolutie) vervulde de Amerikaanse en Afrikaanse periferie een beslissende rol in de accumulatie van het geldkapitaal. Gedurende de klassieke premonopolistische periode van het kapitalisme (de 19de eeuw-Samir Amin) hebben de Amerikaanse, Aziatische en Arabo-Ottomaanse periferie bijgedragen tot de versnelling van de industrialisering van het centrum door het opslorpen van diens industrieproducten (in ruil voor landbouwproducten-Samir Amin) en de verhoging van de winstvoet. Intussen, sedert het einde van de vorige eeuw, hebben de monopolies, door de uitvoer van kapitaal mogelijk te maken een nieuwe dimensie verschaft aan het wereld-kapitalistisch systeem."(L'Imperialisme et le Développement inégal, Editions de Minuit, Parijs, 1976, p.111-112) 

In plaats van de geschiedenis van het kapitalisme onder te verdelen in drie vormen, drie regimes van kapitaalsaccumulatie, markeert Wallerstein op de meest oppervlakkige wijze die men zich maar kan indenken de historische ontwikkeling aan de hand van de drie nationale hegemonieën in wereldhandel en -politiek.

Deze verstarring van het levende historische proces speelt natuurlijk opnieuw in de kaart van Wallersteins schema. Hoe meer de historische verschillen door allerlei kunstgrepen zijn weggelakt, hoe sterker het geopolitieke raster van Wallerstein in zijn schoenen staat.

Vooraleer we ons verder bezighouden met deze kwestie, moeten we ons echter eerst buigen over de verhouding tussen nationale staat en wereldmarkt.

Voor Wallerstein bestaat het centrum slechts ogenschijnlijk uit onafhankelijke nationale staten en deze bedrieglijke indruk van onafhankelijkheid vormt het voornaamste mechanisme voor de bemanteling van de wereldwijde uitbuitingsverhoudingen. Anderzijds erkent hij de tegenstelling tussen de nationale staat en de internationale economie als "het meest elementaire dilemma" van het historisch kapitalisme:

"Het historisch kapitalisme functioneerde binnen een wereld-economie maar niet binnen een wereld-staat. Zoals we hebben gezien werkten structurele vormen van druk elke vorming van een wereld-staat tegen."(Wallerstein, Historisch kapitalisme, p.55)

Zoals we in de volgende paragraaf zullen zien, moet Wallerstein zich, om de oplossing van deze paradox tot een goed einde te brengen, gedurende twintig bladzijden (in de Nederlandse vertaling) in de meest onmogelijke meanders keren, terwijl de eigenlijke verklaring als wetenschappelijke formule veel minder plaats inneemt dan Wallersteins ellenlange bespiegelingen over de verschillende hegemonieën van het historisch kapitalisme.      

De voorwaarde voor het ontstaan van de moderne nationale staat was de ontwikkeling van de nationale markt. De ontwikkeling van de nationale markt was dan weer niets anders dan het proces van arbeidsdeling tussen de steden, dewelke op haar beurt het internationale handelsverkeer tot voorwaarde had.

Aan het uittreksel dienaangaande dat we hierboven uit Marx' Duitse Ideologie hebben gegeven, zouden we kunnen toevoegen:   

Braudel: "Aan de moeizame eenwording van de nationale markt is doorgaans een zekere opbloei van de exporthandel voorafgegaan. Hierdoor ben ik geneigd te denken dat de nationale markten zich bij voorkeur moesten ontwikkelen in of vlakbij het centrum van een economische wereld, in de mazen van het kapitalistische net, en dat er een verband bestond tussen hun ontwikkeling en de geografische differentiatie die toenemende internationale arbeidsdeling met zich meebracht. Overigens heeft omgekeerd het gewicht van de nationale markt een rol gespeeld in de ononderbroken strijd van de verschillende gegadigden om de wereldheerschappij ..."(Beschaving, Economie en Kapitalisme, dl.III, De tijd van de wereld, p.261)           

Wolf: "Economisch gezien werd de crisis van het feodalisme opgelost door de ontdekking, de verovering en de verdeling van hulpbronnen die zich buiten de Europese grenzen bevonden. (...) Maar de 'primitieve accumulatie' vereiste niet alleen het veroveren van deze hulpbronnen maar ook hun concentratie, organisatie en afzet. Deze verrichtingen overstegen al gauw de mogelijkheden van het individuele koopmansbedrijf, van de koopliedengilde of van enig afzonderlijk orgaan van soldaten of ambtenarendom. Het nastreven (van deze "verrichtingen") werkte het ontstaan van overkoepelende organisaties in de hand dewelke dergelijke expansionistische en commerciële inspanningen konden samenbundelen en de surplusproducerende bevolking kon mobiliseren voor deze doeleinden. Deze overkoepelende organen waren staten gekenmerkt door een hoge graad van gecentraliseerd gezag, om het even of dit (gezag) in de handen was gelegd van een enkele bestuurder en zijn cliëntèle, zoals in Portugal of Spanje, of berustte bij een comité van de heersende oligarchie zoals in de Verenigde Provinciën van de Nederlanden." "(Europe and the People without History, p.109)

In de formulering van Wolf, die daarom nog niet minder of meer wetenschappelijk is dan deze van Braudel, is de paradox nog meer dan bij Braudel een oorzakelijk verband van natuurnoodzakelijke bepaling geworden. En dit alles in een fractie van de ruimte die Wallersteins woordenkramerij beslaat ... die de zaken zodanig compliceert dat de schrijver zichzelf meent te kunnen ontslaan van een inzichtelijke verklaring door de bruuske toegeving dat "het elementaire dilemma" van het kapitalisme de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldeconomie (zie hoger) is, onmiddellijk te laten voorafgaan door een blijk van medelijden met de historicus en de meest triviale uitspraak in de geschiedenis van de moderne maatschappijkritiek:

"Wanneer de nauwgezette onderzoeker draaierig wordt ten overstaan van deze institutionele maalstroom, kan hij een rechte koers varen wanneer hij voor ogen houdt dat de accumulatoren van kapitaal in het historisch kapitalisme geen hoger doel hadden dan voortgaande accumulatie, en dat de arbeidersmassa's daarom geen hoger doel konden hebben dan overleven en het verlichten van hun last." (p.55)

Men kan zich natuurlijk de vraag stellen waarom Wallerstein, wanneer hij überhaupt de schijn van samenhang wil bewaren, "het elementaire dilemma" van het kapitalisme niet gewoon buiten beschouwing laat. Voor de methode van de Wereldsysteem Analyse is het immers een koud kunstje om fundamentele zaken te verhullen met willekeurige abstractie en empiristische vaagheid.

Met andere woorden: waarom de aartsomslachtige uiteenzetting die over de tweede helft van het eerste en een groot stuk van het tweede hoofdstuk heen de tegenstelling tussen de "ogenschijnlijke onafhankelijkheid" van de staten en het elementaire dilemma van de moderne samenleving moet opheffen ?

De schuchtere toegeving dat de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldeconomie één van de voornaamste antagonismen (Wallerstein zegt: het voornaamste) komt zeker niet van de hemel gevallen: het is het axioma van waaruit hij straks "de omslachtige en vaak paradoxale of tegengestelde posities van de anti-systeembewegingen" wil afleiden.   

 

 

 

 

 

 

 

 

§3. De nationale staat, de groeifasen van het kapitalisme en

    de strijd om de internationale hegemonie

 

                                                           

Wallerstein slaat twee verschillende kenmerken van het kapitalisme hopeloos door elkaar . Doordat de nationale staat wel degelijk geënt is op een economisch wereldsysteem mogen we inderdaad spreken van een interstatelijk systeem. Anderzijds is de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldwijde vermaatschappelijking van de productie wel degelijk één van de voornaamste beperkingen van de moderne samenleving.

Voor de dialectische methode sluiten beide elkaar geenszins uit. We hoeven slechts aan te nemen dat het interstatelijk systeem zowel gekenmerkt wordt door onderlinge afhankelijkheid als door interne antagonismen. Wat voor formele logici misschien een gemakkelijke goocheltruc lijkt, of nog erger, een irrationele gedachtesprong, is in feite de enige manier om enige orde te scheppen in het wereldgebeuren.        Dat deze antagonismen tussen de verschillende handelsnaties van het opkomende kapitaal er wel degelijk waren, blijkt al uit de eerste blik die we op de geschiedenis vanaf de aardrijkskundige ontdekkingen werpen. Zoals bekend brak na de ontsluiting van Indië en de Nieuwe Wereld een periode van bijna drie eeuwen onafgebroken oorlog uit tussen de verschillende op de wereldmarkt wedijverende staten, een oorlog "waarvan de gehele aardbol het schouwtoneel was". (Marx, Het Kapitaal, dl.I, p.586) De zeventiende eeuw bijvoorbeeld, zowel het bloedovergoten strijdperk van de wrede krachtmetingen tussen de nationale bourgeoisieën onderling als van de politieke gevechten tussen de burgerij en de klassen van de oude middeleeuwse beschaving, kende slechts zeven jaren van vrede: 1610, 1669-1671 en 1690-1682.

De beschrijving van deze gewapende botsingen neemt een flink deel in beslag van Wallersteins Modern World Systeem. Respectievelijk het derde en het zesde hoofdstuk van het tweede deel, Mercantilisme en de consolidatie van de Europese wereldeconomie, zijn volledig gewijd aan deze langdurige, slechts door korte tussenpozen onderbroken wereldoorlog tussen de voornaamste handelsnaties.

In het Historisch kapitalisme anderzijds vinden we slechts enkele vage en onrechtstreekse verwijzingen terug naar het streven van de verschillende staten om zich door middel van bruut geweld een dominante positie op de wereldmarkt te verschaffen.

"In de allereerste plaats was de accumulatie van kapitaal een spel dat voortdurend nieuwe concurrentie uitlokte, en zodoende was er altijd een zekere mate van spreiding van de meest winstgevende produktieve activiteiten. Daarom waren er altijd een aantal staten met een economische basis die hen relatief sterk maakte. In de tweede plaats maakten de accumulatoren van kapitaal in elke staat gebruik van hun eigen staatsstructuren ter ondersteuning van hun kapitaalsaccumulatie, maar zij hadden ook één of ander machtsmiddel nodig tegen hun eigen staatsstructuren. Want wanneer hun eigen staatsapparaat te sterk werd, zou dat wellicht om redenen van een binnenlands politiek evenwicht tegemoet willen komen aan een intern streven naar gelijkheid. Tegen deze dreiging hadden de accumulatoren van kapitaal een andere dreiging nodig, namelijk het omzeilen van hun eigen staatsapparaat door het aangaan van allianties met andere staatsapparaten. Deze dreiging was alleen mogelijk wanneer geen enkele staat het geheel domineerde.(p.48-mijn cursief)

Waarom is het in Historisch kapitalisme bijna al pais en vree terwijl in het Modern World System het bloed van de bladzijden druipt ?

Omdat Wallerstein zijn wereldschematisme stevig in de schoenen wil plaatsen door zowel de sociale als staatkundige contradicties binnen het centrum voor de gelegenheid naar de achtergrond van het historisch gebeuren te verplaatsen; omdat hij in Historisch kapitalisme, de "theoretische samenvatting" van zijn levenswerk veel meer gebonden is om nog slechts de geografische tegenstelling tussen centrum en periferie onder de aandacht van de historische analyse te houden. We hebben slechts het recht om te weten dat de kapitalisten van elke nationale staat "gebruik maakten van hun eigen staatsstructuren ter ondersteuning van hun kapitaalsaccumulatie."

Om te begrijpen hoe Wallerstein zich hier in een onontwarbare knoop werkt, moeten we, ook al is dat niet de meest eenvoudige weg voor de lezer, Wallersteins gedachtegang opnieuw op de voet volgen.

Hoe voerden mensen, of "groepen van mensen" in het historisch kapitalisme hun politieke strijd, vraagt hij zich af ?

"De structuur van het historisch kapitalisme was zo, dat staatsstructuren de meest effectieve hefbomen waren voor politieke verandering; het tot stand komen van zulke staatsstructuren zelf was, zoals we hebben gezien, één van de belangrijkste institutionele prestaties van het historisch kapitalisme. Het is daarom geen toeval dat de controle over de staatsmacht, indien nodig zelfs de verovering van de staatsmacht, één van de belangrijkste strategische doeleinden was voor alle belangrijke actoren in de politieke arena gedurende de geschiedenis van het moderne kapitalisme." (p.39)

De strijd om de staatsmacht is geen gegeven dat slechts kenmerkend is voor het historisch kapitalisme, maar een element eigen aan de  politieke strijd in alle tijdperken waarin de samenleving een klassenstructuur vertoont. De verovering van de staatsmacht door de bourgeoisie was, niet zoals Wallerstein het hier afschildert, een eventuele noodzakelijkheid, maar een objectieve maatschappelijke noodzaak om de productiekrachten vervat in de burgerlijke eigendomsverhoudingen vrije levensruimte te geven. Men kan hoogstens beweren dat er een aantal verschillen bestaan in de ontwikkelingstrap van de moderne productiewijze waarop de politieke strijd van de onderscheiden nationale burgerijen de vorm aannam van open strijd om de staatsmacht. Dit heeft minder te maken met het bewuste politieke initiatief van de bourgeoisie zelf, dan wel met de graad van ontbinding waarin zij de overblijfselen van de bestaande feodale maatschappijorde aantrof.    

Het is allang geen noemenswaardig twistpunt meer dat het absolutisme de eerste grote staatkundige synthese vormde van ontbindend feodalisme en opkomend burgerdom. De vraag blijft echter: wat is er feodaal en wat is er burgerlijk aan het absolutisme en wat is de verhouding van beide maatschappijvormen tot elkaar?               

Wallerstein, die van dialectische verbanden geen kaas heeft gegeten, spreekt echter niet over het karakter van de synthese, zoals iedere serieuze historicus van het overgangsvraagstuk doet. Strikt genomen beschouwt hij het absolutisme zelfs niet als een synthese. Hij houdt zich onledig met de mallotige vraag of het absolutisme dan wel de oorzaak of het gevolg is van het opkomende burgerdom:

"Het is duidelijk," zegt hij, "dat de opkomst van de absolute monarchie in West-Europa in tijd samenvalt met de opkomst van een Europese wereldeconomie. Maar is dat oorzaak of gevolg? Beide standpunten kunnen op goede gronden worden verdedigd. Als aan de ene kant de uitbreiding van de handel en de opkomst van de kapitalistische landbouw er niet waren geweest, zou er nauwelijks een economische basis hebben bestaan voor de financiering van de uitgebreide bureaucratische staatsstructuur. Maar aan de andere kant waren de staatsstructuren zelf weer een ondersteuning van het nieuwe kapitalistische systeem (om er maar niet van te spreken dat ze er de politieke garantie voor vormden)."(Het moderne wereldsysteem, dl.I, p.85)

Uitbreiding van handel en kapitalisme waren een voorwaarde voor het absolutisme, zo vindt Wallerstein, maar het absolutisme van zijn kant bevorderde, althans aanvankelijk, evengoed de verdere groei van de wereldeconomie.     

Alleen al voor het rekruteren van een niet-leenroerige ambtenarij was het bestaan van een ontwikkelde handelsburgerij een voorwaarde voor de concentratie van de staatsmacht in de handen van de kroonadel. Het absolutisme vond, althans aanvankelijk, steun bij het opkomende burgerdom omdat het een uitweg bood uit de impasse waarin de verouderde feodale structuren de ontwikkeling van de handel gevangen hielden. De productieverhoudingen die in de schoot van de feodaliteit tot rijping gekomen waren, begonnen tegen het carcan van de klassieke leenroerige machtsstructuren te beuken en het absolutisme bood zowel aan de handelsburgerij als aan het feodalisme voorlopig een uitweg uit deze impasse.

Slechts de formele logica van de moderne academische praktijk, met zijn starre oorzaakgevolg relaties, kan hier stof vinden voor een wetenschappelijk dilemma.  

De rol van de burgerij in de totstandkoming van het absolutisme doet niets af aan het werkelijke dilemma van zijn klassenatuur. Wie was de heersende klasse in de periode van de sterke vorsten? De adel of de burgerij?

Voor Wallerstein is het feodalisme vanaf het ontstaan van de wereldmarkt zo goed als een afgehandelde zaak. Hij onderzoekt slechts de invloed van de wereldmarkt op het ontstaan van de sterke staten in het centrum en vergeet dat de werkelijke uitkomst van de vorming der eerste nationale staten bepaald werd door het naast elkaar bestaan van twee verschillende productiewijzen.

Het uitsterven van horigheid en lijfeigenschap en het ontstaan van het moderne pachtstelsel op het platteland vormden belangrijke ontbindingsverschijnselen van de middeleeuwse samenleving. Ze luidden het einde in van het feodalisme, maar betekenden op zich niet het einde van het feodale grootgrondbezit. Men kan hoogstens zeggen dat de monetarisering van de feodale verplichtingen, die inderdaad de ondergang van de oude afhankelijkheidsverhoudingen met zich meebracht, het platteland openlegde voor de kapitalistische landbouw. De toe-eigening van de meerarbeid onder feodale verhoudingen kan drie verschillende vormen aannemen, die ieder voor zich drie verschillende ontwikkelingsfasen van feodale uitbuiting markeren.

1. De primitiefste fase is van alledrie de meest onmiddellijke toe-eigening van de meerarbeid: "... de arbeidsrente, waar de onmiddellijke producent met gebruik van rechtswege of feitelijk aan hem toebehorende arbeidsinstrumenten (ploeg, vee, etc.) gedurende een deel van de werkweek grond bewerkt die hijzelf in bezit heeft en de overige dagen zonder enige compensatie op het landgoed van de feodale heer gaat werken ..." (Marx, Capital, dl.III, p.790-kursief van Marx)         

2. In het tweede stadium wordt de arbeidsrente omgezet in pacht in natura, een omzetting "... die vanuit economisch standpunt niets verandert in de (feodale-P.V.d.B.) natuur van de grondrente."(Capital, dl.III, p.794)

3. De omzetting van afdrachten in natura in geld-pacht betekent evenmin dat we onmiddellijk mogen spreken van kapitalisme als bij de overgang van ruilhandel in ontwikkelde warenruil met veralgemening van de geldomloop: "De basis van deze vorm van pacht, alhoewel deze laatste zijn opheffing nadert, blijft dezelfde als de pacht in natura die zijn uitgangspunt vormt. De onmiddellijke producent is, zoals tevoren, nog steeds de bezitter van de grond, hetzij krachtens overerving of één of ander traditioneel recht, en moet voor zijn heer, als eigenaar van zijn meest essentiële productievoorwaarden, bijkomende corveedienst verrichten, t.t.z. onbetaalde arbeid waarvoor geen equivalent wordt teruggegeven, in de vorm van een meerproduct dat wordt omgezet in geld." (Capital, dl.III, p.797)

Het is op grond van de bedenking dat de feodale verhoudingen vooralsnog de overheersende bleven, dat Perry Anderson, zonder de invloed van de bourgeoisie ook maar enigszins te minimaliseren, ertoe besluit dat het absolutisme voornamelijk beschouwd moet worden als een aangepaste vorm van feodale heerschappij:   

"De heren die de eigenaars bleven van de fundamentele productiemiddelen in elke pre-industriële maatschappij waren hier uiteraard de adellijke grondbezitters. Gedurende de vroege moderne tijden bleef de heersende klasse -zowel economisch als politiek- dezelfde als in het middeleeuwse tijdperk zelf: de feodale aristocratie. De adel mag dan wel diepgaande transformaties hebben ondergaan in de eeuwen na het afsluiten van de Middeleeuwen, van het begin tot het einde van de geschiedenis van het absolutisme werd hij in feite nooit afgesloten van zijn uitoefening van de politieke macht. De veranderingen in de vormen van feodale uitbuiting die bij het einde van het middeleeuwse tijdperk hun opwachting maakten waren uiteraard allesbehalve onbetekenend. Het waren inderdaad deze veranderingen die de staatkundige vorm van machtsuitoefening omvormden. In essentie kwam het absolutisme op het volgende neer: een herschikt en heropgeladen apparaat van feodale overheersing, ontworpen om de boerenmassa's in hun traditionele sociale positie te houden - ondanks en in weerwil met de verworvenheden die ze door de algemene veranderingen in hun verplichtingen in de wacht hadden weten te slepen.(...) tegelijkertijd evenwel moest de aristocratie zich aanpassen aan een tweede antagonist: de handelsburgerij die zich in de middeleeuwse steden had ontwikkeld." (Anderson, Lineages of the Absolutist State, Redwood Books, Wiltshire, 1996, p.17-20-kursief van Anderson)     

Het absolutisme was een synthese van opkomend burgerdom en in verval verkerend feodalisme, waarbij laatstgenoemde zich, in haar onvermogen om haar heerschappij op lokaal vlak te verzekeren, moest reorganiseren op het nationale vlak. En beide klassen waren, enige hardnekkige regionalistische edellieden uitgezonderd, min of meer tevreden met deze oplossing: de adel behield zijn hoofd, zijn grond en een aanzienlijk deel van zijn politieke macht; de burgerij haar vooruitzichten op toenemende rijkdom.

Het absolutisme was tegelijkertijd een feodale hergroepering van de laatste hoop, als de eerste herkenbare, zij het dan nog bijzonder onvolmaakte, verschijningsvorm van de moderne nationale staat.    

Na verloop van tijd echter reproduceerden alle kwalen van de oude leenroerige verbrokkeling en willekeur zich gewoon op het niveau van de nationale heerschappij. Hoewel dezelfde verhoudingen waarin de burgerij gedijde een onmisbare voorwaarde geweest waren voor de vorming van een levensvatbare vorstenstaat, begon deze laatste steeds zwaarder te wegen op de beurs en het geduld van de burgerij. In negen op de tien gevallen vormde de nationale belastingpolitiek van het absolutisme, die niets anders was dan de meest ontwikkelde vorm van de traditionele leenroerige heffingen, de onmiddellijke aanleiding voor het uitbarsten van de burgerlijke revolutie. De verkwistingen, de peperdure dynastieke oorlogen en het machtsmisbruik van het absolutisme riepen een situatie in het leven waaronder het kapitalisme onmogelijk verder kon bloeien en al naargelang de uitslag van de vorige klassenbotsingen en de algemene zwakte van het feodalisme bereikte het maatschappelijke antagonisme tussen de bourgeoisie en de oude heersende klassen in de verschillende landen op verschillende ogenblikken het orgelpunt van de burgerlijke machtsovername. De burgerij wist niet steeds wat te doen met de veroverde macht en in Engeland bijvoorbeeld zag zij haar politieke onbekwaamheid bestraft met de noodzaak om in 1660, na de roerige periode van de Great Rebellion, opnieuw de monarchie in te stellen.

Wallerstein die het klassenkarakter van de eerste nationale staten volledig in het midden laat, of liever gezegd er stilzwijgend van uitgaat dat de burgerij er onmiddellijk de heersende klasse vormt, is vanzelfsprekend alleen geïnteresseerd in de internationale verhoudingen.

"De moderne staat is nooit een volledig autonome politieke grootheid geweest," schrijft hij, "Staten ontwikkelden zich en werden gevormd als integrale delen van een interstatelijk systeem, hetgeen bestond uit een verzameling regels waarbinnen de staten moesten opereren en een geheel van legitimeringen zonder welke staten niet konden overleven." (p.47)

Deze beperkingen, zo gaat Wallerstein verder, waren te vinden in de praktijk van de diplomatie, "in de formele regels die de rechtsbevoegdheden en verdragen bepaalden (internationaal recht), en in de grenzen die aangaven hoe en onder welke omstandigheden het middel van oorlogvoering eventueel kon worden aangewend." (ibidem)

En in één elegante stijlfiguur zijn de oorlogen van de Nederlandse handelsburgerij met de Hanzeatische Bond, de afscheuring van de Noordelijke Nederlanden, de oorlog tussen Spanje en Engeland, etc.etc., kortom: de bloedige en bijna onafgebroken wereldoorlog tussen de voornaamste handelsnaties bijna afgedaan als ... diplomatische manoeuvres binnen een weloverwogen machtsevenwicht.

Misschien, als we even op de feiten mogen vooroplopen, zal Wallerstein in het vierde deel van zijn magnum opus de twee wereldoorlogen van de twintigste eeuw zo voorstellen als waren het geen uitdrukkingen van fundamentele tegenstellingen binnen het wereldsysteem, maar ... diplomatische handgrepen binnen het kader van een interstatelijk systeem.         

In ieder geval is de heer Wallerstein niet vergeten dat het er in de geschiedenis van het historisch kapitalisme "ook wel eens" minder vriendschappelijk aan toegegaan is:

"De regels van het interstatelijk systeem werden natuurlijk niet gehandhaafd door middel van instemming of overeenstemming, maar door de wil en het vermogen van de sterkere staten om deze beperkingen op te leggen, eerst aan de zwakkere staten en in de tweede plaats aan elkaar. We moeten bedenken dat de staten zich in een machtshiërarchie bevonden. Juist het bestaan van deze hiërarchie zorgde voor de belangrijkste beperking van de autonomie van de staten."(p.47-mijn cursief)

De voornaamste beperking voor de autonomie van de staten kwam voort uit het bestaan van een internationale hiërarchie; deze hiërarchie is de politieke uitdrukking van het interstatelijk systeem. Inderdaad. Maar even verder geeft Wallerstein toe dat "elke hegemonie van korte duur was" (zie p.49) De staten bevonden zich voortdurend in conflict voor het veranderen of het behoud van hun plaats in de internationale hiërarchie. En veronderstelt dit niet het bestaan van tegenstellingen die zelfs niet met de meest fijn uitgekiende taalruiterij te verzoenen zijn?

Vergeten we niet dat Wallerstein op blz. 26 nog onverkort spreekt over "de ogenschijnlijke scheiding in het kapitalistische wereldsysteem tussen enerzijds het economische gebied (een wereldwijde arbeidsverdeling enz., enz.) en anderzijds het politieke gebied  (schijnbaar bestaande uit afzonderlijke, soevereine staten etc. etc.)". En twintig bladzijden verder is het "meest elementaire dilemma" de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldeconomie.

Eerlijkheidshalve moeten we hier onmiddellijk aan toevoegen dat Wallerstein zijn gedachtegang in het Modern World System de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldmarkt veel consequenter ontwikkelt dan in zijn Historisch Kapitalisme. Het probleem van Wallerstein zit hem niet in het achterhalen van de historische feiten maar in hun systematisering tot wetenschappelijke theorie, in de methode die hij hanteert. Deze systematisering is nu net de opgave van het Historisch Kapitalisme.

Wallerstein, welnu, onderscheidt welgeteld drie perioden van relatieve dominantie:

Ten eerste deze van de Nederlanden in het midden van de zeventiende eeuw;

Ten tweede deze van Groot-Brittannië in het midden van de negentiende eeuw;

Ten derde deze van de Verenigde Staten in het midden van de twintigste eeuw.

De oorlogen die deze hegemonieën bezegelden waren respectievelijk de Dertigjarige Oorlog, de Napoleontische Oorlogen en in de twintigste eeuw de conflicten tussen 1914 en 1945, die we volgens Wallerstein "beter kunnen beschouwen als één lange wereldoorlog." (zie p.49)   

Hoewel de rivaliteit tussen het Spaanse en Portugese handelsimperium ook onmiddellijk de strijd tussen de overige handelsnaties om de overheersing van de wereldhandel inluidde, telt de anderhalve eeuw dat Spanjaarden en Portugezen de plak zwaaiden over de wereldzeeën voor Wallerstein niet mee. Maar wat Wallerstein vooral vergeet, is dat deze drie hegemonieën samenvielen met drie onderscheiden ontwikkelingsstadia van het kapitalisme, die elk belangrijke kwalitatieve verschillen vertoonden.

De opgang van de Nederlanders, die reeds begon in de vijftiende eeuw, walste eerst over het gebeente van de paalburgers uit de handelssteden aan de Oostzee, leidde vervolgens tot de eerste geslaagde nationale burgerlijke revolutie uit de geschiedenis met de afscheuring van Spanje, dewelke dan weer de laatste hindernissen opruimde voor het tijdelijke overwicht van de Hollandse burgerij in de wereldhandel en de koloniale politiek die er hand in hand mee ging. De opkomst en ondergang van het Portugese en Spaanse handelsimperium en de zegetocht van de Hollandse handelaars vielen samen met het stadium van de primitieve accumulatie, de fase waarin  voorkapitalistische wijzen van toe-eigening nog goeddeels overheersten, maar toch reeds aanleiding gaven tot de initiële opstapeling van rijkdom die vervolgens werd ingezet als kapitaal.     

De hegemonie van Groot-Brittannië valt historisch gezien samen met het stadium van de vrije concurrentie, de periode van het klassieke kapitalisme die begint met de Industriële Revolutie van de late achttiende en de vroege negentiende eeuw. 

Vrije concurrentie betekent ongebreidelde strijd om de heerschappij op de markt. Eén kapitalist slaat er vele andere dood. Vrije concurrentie betekent de voortschrijdende concentratie van kapitaal in steeds minder handen, de versnelde vernietiging van de kleine onafhankelijke producent, vervolgens ook de verdringing van de ene kapitalist door de andere. Uit de vrije concurrentie komt onmiddellijk haar eigen tegendeel voort: het monopolie. Het monopoliekapitaal; de versmelting van bank- en industriekapitaal tot financierkapitaal; het veranderen van de banken van bescheiden bemiddelaars bij betalingen in leidinggevende organen van de kapitalistische productiewijze; het karakteristiek worden van de kapitaalexport in plaats van slechts de warenuitvoer. Deze ontwikkelingen vormen de onmiddellijke voorwaarden voor de overgang van het klassieke kapitalisme van de vrije concurrentie in imperialisme, het laatste en hoogste ontwikkelingsstadium van de kapitalistische productiewijze. De supermonopolies verdelen niet slechts de binnenlandse, maar tevens de buitenlandse markt onder elkaar. De onderwerping van de niet-kapitalistische wereld bereikt een hoogtepunt. De oude koloniale politiek, die zich grotendeels tevreden stelde met een handelsimperium, zet zich om in een agressieve politiek van annexatie. Afrika en reusachtige gebieden van Azië, de vroegere aanlokkelijke wingewesten van de handelsburgerij, worden nu volledig in bezit genomen als kolonies. De strijd tussen de ontwikkelde kapitalistische naties om de leidende positie op de wereldmarkt, wordt een strijd om de wereldmacht.

Hoewel de overgang van vrije concurrentie naar imperialisme zeer zeker gepaard ging met een verdere vermaatschappelijking van de productie, bleven de internationale tegenstellingen tussen de voornaamste kapitalistische mogendheden onverminderd verderbestaan. Deze strijd om de wereldmacht heeft tot tweemaal toe tot wereldoorlog geleid en de rijzende ster van het imperialisme was zonder twijfel de Verenigde Staten. 

In plaats van de verschillende hegemonieën af te leiden uit de verschillende groeistadia van de moderne samenleving, verkiest Wallerstein, zoals het begin van de "Moderne Tijden" op oppervlakkige wijze bij de val van Kontantinopel in 1453 wordt gelegd, op goedburgerlijke wijze af te bakenen door middel van drie oorlogen die volgens hem de overwinning van de ene hegemonie op de andere moesten "bezegelen".

Hoewel zijn vier delen van het Modern World System goeddeels overeenstemmen met de drie grote accumulatieregimes uit de geschiedenis van het kapitaal, ziet Wallerstein bijna geen groeistadia in de ontwikkeling van de moderne beschaving. Hij ziet slechts hegemonieën in een interstatelijk systeem en het nationale aan de nationale staat is voor hem slechts schijn.

Wallerstein, die naar het gezegde van van de Nederlandse sociaal-democraat Joop den Uyl "opereert op de vierkante mijl, tegenover al de broddelaars, detaillisten, etc. en andere vechters op de vierkante centimeter" heeft het rijk van de tegenwoordige realiteit eindelijk verlaten. Maar nu kijkt hij zo ver voor zich uit dat zijn analyse struikelt op de hindernissen die zich vlak voor zijn voeten bevinden. Het is gewoon onnozel om de ganse wereldgeschiedenis van de laatste vier eeuwen eendimensionaal te willen kaderen in de heerschappij van drie hegemonieën, zonder nog maar deze periodes van betrekkelijke hegemonie op hun onderlinge verschillen te onderzoeken.

Voor Wallerstein is de verhouding tussen de vermaatschappelijking van de productie of de wereldwijde arbeidsdeling en de nationale staat aanvankelijk geen tegenstrijdige maar een formeellogische verhouding. Zolang het hem past worden alle internationale tegenstellingen voor hem opgeheven binnen het Yin en Yang van centrum en periferie en alle gebeurtenissen die voortvloeien uit deze zogenaamd ogenschijnlijke tegenstellingen worden met harde hand binnen de Tao van Wallerstein gehouden. En zo ontpopt de Wereldsysteem Analyse zich eerst tot haar eigen verafschuwde alter ego: het eenzijdige deductivisme dat, zoals Hegel al wist, onder de lichtinval van het empirisme steeds als schaduw optreedt van de eenzijdige inductie.

Tenslotte komt Wallerstein, wanneer hij de rol van de anti-systeembewegingen wil uitleggen, terug van zijn opheffing van de tegenstelling tussen nationale staat en wereldmarkt. Wat is nu "het meest elementaire dilemma"? ... de tegenstelling tussen de nationale staat en de wereldmarkt.           Beter onder de galg gebiecht als niet ... maar wie met de duivel gescheept is, moet met hem over !*

    

 

 

 

§4. De klassenstrijd

 

De belangrijkste strijd binnen het historisch kapitalisme, zegt Wallerstein, was deze tussen de kleine groep sterk bevoordeelden en de grote groep slachtoffers van het systeem.

"Deze strijd heeft vele vormen en gedaanten. Wanneer de scheidslijnen tussen de accumulatoren van kapitaal en hun arbeidskrachten binnen een bepaalde staat tamelijk duidelijk zijn, noemen we dat doorgaans een klassenstrijd tussen kapitaal en arbeid. Zo'n klassenstrijd vond op twee gebieden plaats - op het economische gebied (zowel op de plek van de werkelijke arbeid en op de grotere, amorfe 'markt') en in de politieke arena. Het is duidelijk dat er op het economische gebied een open, vanzelfsprekende en directe belangentegenstelling stond. Hoe groter de vergoeding voor de arbeidskrachten, hoe minder surplus er als 'winst' overbleef. Zeker, dit conflict werd vaak verzacht door grootschaliger lange-termijn-overwegingen. Zowel de afzonderlijke accumulator van kapitaal als zijn arbeiders hadden gemeenschappelijke belangen ten opzichte van andere 'paren' elders in het systeem. En een hogere vergoeding voor de arbeiders kon onder bepaalde omstandigheden naar de accumulatoren van kapitaal terugvloeien dan uitgestelde winst, door een toename van de in totaal beschikbare koopkracht in de wereldeconomie. Niettemin zou geen van deze andere overwegingen iets kunnen afdoen aan het feit dat de verdeling van een bepaald surplus een zero-sum-situatie betrof, en dus bleef de spanning noodzakelijkerwijs voortduren. Deze spanning vond voortdurend uitdrukking in een strijd om de politieke macht binnen de verschillende staten." (p.50-51-mijn cursief)         

De klassenstrijd tussen arbeiders en kapitalisten vond plaats op twee gebieden: het economische en het politieke. In zo weinig woorden ontslaat Wallerstein zichzelf van de plicht om de politieke en de economische strijd van de arbeidersklasse in hun juiste verband weer te geven. Politieke en economische strijd vormen voor hem eenvoudige deelverzamelingen van de klassenstrijd.

Er zijn perioden in de geschiedenis van de moderne arbeidersbeweging dat de economische strijd voor onmiddellijke lotsverbetering binnen het bestaande stelsel centraal staat en er zijn evengoed perioden dat de arbeiders geheel en al in het politieke bedrijf schijnen opgeslokt. Er zijn perioden dat de arbeidersklasse op het politieke terrein met revolutionaire eisen op de voorgrond treedt en er zijn perioden dat zij terugkomt van haar vroegere stoutmoedige, hemelbestormende houding om zich te beperken tot pogingen om de politiek binnen de bestaande maatschappij naar haar hand te zetten. Er zijn zelfs perioden van totale inactiviteit op beide vlakken, zelfs van volslagen onvermogen tot georganiseerd optreden, bijvoorbeeld na de totale vernietiging van haar organisaties door de fascistische staat van beleg.

Eerst en vooral komt het er op aan om het voortkomen van de politieke strijd uit de economische te begrijpen. Dan moet men de verschillende etappes van de politieke strijd doorgronden. Vervolgens moet men zich het inzicht eigenmaken in de historische strekking van de proletarische klassenstrijd.

Wallerstein doet geen enkele poging om wat dan ook van de proletarische klassenstrijd te begrijpen. Zoals de eerste de beste zondagsjournalist stelt hij alleen maar vast dat er politieke en economische strijd bestaat.

Voor Wallerstein zijn de strijd van de Engelse Trade-Unions, de Chartistenbond, de Parijse Communards, de Europese sociaal-democratie van voor de Eerste Wereldoorlog, de Russische Bolsjewieken, etc. etc. allemaal één pot nat. Net zomin als hij de verschillende kwalitatieve stadia in de ontwikkeling van het kapitalisme kent, heeft hij oog voor de fasen in de ontwikkeling van de moderne arbeidersbeweging. Als enigen in de wereld zullen de wereldsysteemanalisten geen enkele verwondering tonen, mochten zij op een goeie dag, tijdens één van de talloze vakbondsdemonstraties die heden over de hoofdsteden van de wereld waaien, tegelijk een Hollandse Wederdoper, een Engelse Digger, een Britse wever uit de vroege negentiende eeuw, een Franse Blanquist, een Belgische socialist, een Russische Bolsjewiek en een Duitse Spartakist arm in arm met een hedendaagse vakbondsradicaal zien lopen.

Niet geheel ongevoelig voor een dergelijk hartverwarmend schouwspel, vinden we toch aanleiding om enkele puntjes op de i te zetten. Het historische verschil zit hem immers een beetje dieper dan het feit dat de Wederdoper zich verdedigde met de hellebaard en de Spartakist met in de ene hand het stembiljet en in de andere de Mauser.

De proletarische  klassenstrijd was geen "zero-sum"-operatie, zoals Wallerstein beweert, maar een proces dat zich van de ene historische ervaring naar de volgende steeds in nieuwe kleren stak, nieuwe strijdvormen ontwikkelde, er soms van terugkwam om zich opnieuw aan oude, voorbijgestreefde doeleinden te wijden, maar zich, over het geheel van de recente geschiedenis bekeken, toch in opgaande richting bewoog.    

De verschillende golven van politieke revolutie waarin de arbeiders sedert de Franse Revolutie betrokken werden, vormen tegelijkertijd scherpe scheidslijnen tussen een oud en een nieuw stadium in het politiek volwassen worden van de moderne arbeidersklasse.      

Hoewel het ontstaan van de kapitalistische productiewijze onmiddellijk gepaard ging met opflakkeringen van proletarisch verzet, dateert de moderne klassenstrijd, met haar moderne strijdmethoden en organisaties pas sedert de Industriële Revolutie.   

Pas de grootscheepse mechanisering van het productieproces schakelde de levensvoorwaarden van het proletariaat zodanig gelijk, dat het zich als klasse begon te manifesteren en dat dan nog met grote verschillen naargelang de algemene graad van ontwikkeling van hun land en de politieke tradities die er heersten. Het eerst kwam de moderne arbeidersbeweging in Engeland tot stand, met de halfgeheime vakverenigingen van de vroege negentiende eeuw wier economische strijd na verloop van tijd voor het eerst aanleiding gaf tot de vorming van de eerste politieke massastroming van het industrieproletariaat: het Chartisme. Het Chartisme ontwikkelde zich rechtstreeks uit de in 1831 opgerichte National Union of the Working Classes en kende van bij het begin een heftige strijd tussen een hervormingsgezinde en revolutionaire vleugel. In Frankrijk was de opkomende arbeidersbeweging van bij het begin getekend door de revolutionaire overlevering van de jaren 1792-1794. Mensen als Louis-Auguste Blanqui namen de draad op van de communistische minderheidsfractie in de jakobijnse partij die met de ontmanteling van Babeufs samenzwering (1796) in de kiem was gesmoord, en richtten in de jaren 1830 de Franse communistische handwerkerkringen op. Het Duitse revolutionaire socialisme ontstond in de middens van radicaalliberale ballingen die hun land hadden moeten verlaten tijdens de periode van heftige reactie in de jaren 1832-1836. In 1847 nam de Bund der Gerechten de naam Bund der Communisten aan en het was voor deze kleine partij dat Marx en Engels eind dat jaar het Manifest der Communistische Partij samenstelden.

Over het algemeen waren het de concentrerende krachten van de kapitalistische productiewijze die aanleiding gaven tot het ontstaan van het proletarische klassenbewustzijn. De geplande arbeidsdeling in het bedrijf en de daaruit voortvloeiende onderlinge afhankelijkheid van de verschillende in één ruimte samengebrachte arbeiders voor het vervaardigen van het product; het samenstromen in stadswijken van grote aantallen mensen die onder gelijkaardige omstandigheden moesten leven; het catastrofale karakter van de ineenstorting der oude levensvoorwaarden onder invloed van de industrialisering; het gaandeweg verloren gaan van de oude vormen van sociale controle, uitgeoefend door bijvoorbeeld de kerk, door de vergroting van de stedelijke centra; het ontstaan van nieuwe communicatie- en verkeersmiddelen die het taaie vlies van bekrompen stedelijk provincialisme en besloten achterlijkheid op het platteland doorprikten ... al deze factoren werkten gaandeweg bij de loonarbeiders de bewustwording van hun gemeenschappelijke belangen in de hand.

De overgang van louter economische klassenstrijd in politieke strijd werd niet alleen bepaald door de nationale politieke tradities die de burgerlijke revolutie had nagelaten, maar evengoed, om niet te moeten zeggen vooral, door de botsingen van de arbeiders met hun bazen, door de concrete ervaringen van de klassenstrijd zelf. Marx bleek één van de weinige socialistische leiders die deze samenhang van economische en politieke strijd begrepen had, toen hij in

1865 de volgende woorden tot de Algemene Raad van de Internationale Arbeidersassociatie richtte:

"Als de arbeidersklasse in haar dagelijkse botsingen met het kapitaal laf zou inbinden, zou zij zichzelf ontegensprekelijk beroven van het vermogen de één of andere grotere beweging op gang te brengen." (Loon, prijs en winst, p.79)  

Het uitgangspunt van de politieke bewustwording van de massa der loonarbeiders is niet theoretisch. Propaganda kan het proces van bewustwording in het beste geval hoogstens versnellen. Voor de meesten onder de arbeiders zijn het de praktische omstandigheden waarin zij zich bevinden die hen tot politieke slagvaardigheid opvoeden.

Voor dit verband tussen de economische gevechten en de politieke strijd van het proletariaat, dat nochtans teruggaat op de meest concrete historische ervaringen, is er in het empirisme van Wallerstein geen plaats. Wallerstein ziet slechts de economische naast de politieke strijd en beschouwt het tijdelijk pacteren van nationale arbeidersbewegingen met hun nationale burgerij tegen "andere paren elders in het systeem" als een gang van zaken die inherent is aan de moderne samenleving ... omdat "zowel de afzonderlijke accumulator van kapitaal als zijn arbeiders gemeenschappelijke belangen hadden."

Men kan inderdaad zeggen dat er bij het begin van de georganiseerde arbeidersbeweging in bepaalde landen een gemeenschappelijk belang bestond tussen de industriële burgerij en het proletariaat tegen de politieke macht die zich nog voor het grootste deel concentreerde in de handen van, zij het de oude feodale klassen, zij het de hoogburgerlijke minderheid die beide de opkomende industriëlen uitsloten van de politieke macht. De strijd van de liberale bourgeoisie voor deelname aan de macht, voor de omvorming van de bestaande halfburgerlijke staatsvormen tot politieke organen voor de heerschappij van de gehele bourgeoisie, leunde inderdaad op de massamobilisatie van de arbeiders in de zogenoemde barricaderevoluties. Maar de revolutie van 1848 ontsluierde meedogenloos het geheim van de moderne samenleving: de onverzoenlijke klassentegenstelling tussen de arbeiders en de ganse bourgeoisie. De bloedige onderdrukking van de juniopstand in Frankrijk, van de opstand in Wenen, van de Novemberdagen in Berlijn, hebben de geschiedenis voor eens en voor goed ingepeperd wie tegenover wie staat in de moderne samenleving. Logischerwijze moesten ook de vroeg-socialistische doctrines die de klassenstrijd afwezen en in de periode voor 1848 overheersend waren in de arbeidersbeweging hun laatste adem uitblazen.

"De revolutie van 1848 brengt al deze lawaaierige, bont geschakeerde, bombastische vormen van het voormarxistische socialisme de doodsteek toe. De revolutie laat in alle landen de verschillende klassen van de maatschappij in actie zien. Het afslachten van de arbeiders door de republikeinse bourgeoisie in de junidagen van 1848 in Parijs toont definitief aan, dat alleen het proletariaat qua karakter socialistisch is. De liberale bourgeoisie is honderd keer meer bevreesd voor de zelfstandigheid van deze klasse dan voor elke willekeurige reactie. Het laffe liberalisme kruipt daarvoor op zijn buik. De boeren nemen genoegen met het opruimen van de overblijfselen van het feodalisme en plaatsen zich aan de kant van de orde en weifelen zo nu en dan tussen arbeidersdemocratie en burgerlijk liberalisme. Alle leerstellingen over een niet aan klassen gebonden socialisme en een niet aan klassen gebonden politiek blijken pure onzin te zijn." (Lenin, De historische lotgevallen van de leer van Karl Marx, in: Keuze uit zijn werken, dl.I, Pegasus, Amsterdam, 1972, p.578-579- cursief van Lenin)

Het gemeenschappelijke belang van arbeiders en bourgeoisie in de democratische revolutie vormde een voorbijgaand stadium in de ontwikkeling van de proletarische klassenstrijd en liep terstond teneinde vanaf het ogenblik dat het proletariaat zelfstandig met zijn eigen klasse-eisen op het toneel verscheen.

Nemen we het voorbeeld van het meest stuitende pakt tussen de arbeidersbewegingen en hun nationale burgerijen, de houding van de sociaal-democratie tegenover de oorlogsinspanning van de jaren 1914-1918.   

Op het congres van de Tweede Internationale te Stuttgart in 1907 werd nog unaniem ingestemd met de resolutie die Lenin, Martow en Rosa Luxemburg hadden opgesteld en waarin bepaald werd dat alle socialisten met de middelen die hen ter beschikking stonden het uitbreken van de oorlog moesten trachten te verhinderen. Als de oorlog toch uitbrak dan was het hun plicht "te ijveren voor de spoedige beëindiging ervan en er met alle kracht naar te streven de door de oorlog ontstane economische en politieke crisis uit te buiten om het volk wakker te schudden, en zo de afschaffing van de kapitalistische klassenheerschappij te bespoedigen." De vredesdemonstratie van 1912 in de Dom van Basel herhaalde deze oproep.

Toch ondersteunden, als puntje bij paaltje kwam, alle grote sociaal-democratische partijen de nationale oorlogspolitiek van hun land. De Duitse socialistische parlementairen stemden op 5 augustus voor de oorlogsbegroting. De Oostenrijkse sociaal-democratie, met 540.000 vakbondsleden, 150.000 partijleden, een miljoen stemmen en 82 parlementairen, gedroeg zich al niet anders. In Engeland bezweek de Labour Party al evengoed voor de oorlogsdruk en de Franse S.F.I.O. liet zich eveneens meeslepen door de verzoeningszwendel van de Union Sacrée voor vaderlandsverdediging.

De politieke wending was niet het gevolg van objectieve belangenoverkomsten tussen de arbeiders en de burgerij, maar van een interne ontwikkeling binnen de sociaal-democratie. De groei van de nationale arbeiderspartijen die elkaar in 1889 terugvonden in de Tweede Internationale had plaatsgevonden in de vreedzame periode 1871-1914, toen er in de voornaamste kapitalistische naties van Europa noch revoluties noch oorlogen voorgekomen waren. Deze groei in de breedte ging gepaard met de vorming van een leidende kaste van gebureaucratiseerde partij- en vakbondsfunctionarissen wier levensstijl en opvattingen meer de stempel droegen van de kleine burgerij dan dat ze deze van de arbeidersklasse weerspiegelden.

"In werkelijkheid is de leiding hoegenaamd niet zomaar de zuivere 'weerspiegeling' van een klasse of het product van haar vrije creativiteit. Een leiding wordt gevormd in het proces van botsingen tussen de verschillende klassen of de wrijvingen tussen de verschillende lagen binnen een gegeven klasse. Eens ze is ontstaan, rijst de leiding steeds uit boven haar klasse en komt daardoor bloot te staan aan de druk of de invloed van andere klassen." (Trotsky, The Class, the Party and the Leadership, Cambridge Heath Press, London, 1982,  p.4-5)

Dit proces van bureaucratisering had in de laatste twintig jaar voor de Eerste Wereldoorlog zijn uitdrukking gevonden in de vorming van een openlijk reformistische stroming in de internationale arbeidersbeweging (Bernstein in Duitsland, Millerand in Frankrijk, de minderheidsfractie van de Russische sociaal-democratie, de strekking Troelstra in Nederland, etc. etc.) Het enorme apparaat dat de arbeidersbeweging in de loop der jaren had opgebouwd, begon een leven op zichzelf te leiden en bekommerde zich uiteindelijk nog slechts om zijn eigen voortbestaan.

"Ook na het uitbreken van de oorlog stond het vast, dat de arbeiders in korte tijd uit hun patriottische roes moesten worden ontnuchterd door hun eigen bittere ervaringen. Dan had een partij die de resolutie van Stuttgart zou hebben uitgevoerd, de massa's kunnen leiden in de strijd tegen hun regering en tegen de oorlog. Wel had ze dan eerst een periode van isolement, vervolgingen en illegaliteit moeten riskeren. Daartoe waren de meeste grote Europese partijen niet meer bereid. Zo moesten ze onafwendbaar instrumenten worden van de oorlogspolitiek van hun regeringen en daarmee van de heersende klassen. Ze bleven het nog, zelfs toen de massa's toonden weer kritisch te zijn. In plaats van hun aanhang te leiden, volgden zij deze voortaan slechts schoorvoetend in zijn wisselende stemmingen. Vaak poogden zij zelfs, de bewustwording en activiteit van hun leden te verlammen in het belang van hun regeringen." (Wolfgang Abendroth, Sociale geschiedenis van de Europese arbeidersbeweging, SUN, Nijmegen, 1979, p.73-mijn cursief)    

Als de politieke strijd van de arbeidersbeweging haar eigen doeleinden afzweert en in gemeenschappelijk front met de burgerij begint op te treden, dan is dat niet het gevolg van objectief gemeenschappelijke belangen tussen beide, doch veeleer van de tegenstrijdige belangen binnen de arbeidersbeweging.

Het waren deze antagonismen die gerijpt waren binnen de arbeidersbeweging zelf en niet de fundamentele structurele kenmerken van het kapitalisme zoals Wallerstein beweert, die er op de duur toe leidden dat sommige delen van de arbeidersbeweging "er op korte termijn belang bij hadden om de politieke vraagstukken eerder te definiëren in zuiver nationale dan in klasse-nationale termen." (zie Wallerstein, p.51)

    

                                                           

§5. De burgerlijke ideologie: "rationaliteit en                     rationalisering"

 

 

 

De ideeën die in een bepaald historisch stadium van maatschappelijke ontwikkeling overheersen, hangen steeds nauw samen met de verhoudingen die overheersen in de productie van het onmiddellijke, materiële leven. Een ideologie verklaren betekent haar samenhang met deze materiële grondslag van haar tijdperk uitleggen.

Ook Wallerstein begint met de bedenking dat de burgerlijke ideologie verklaard moet worden aan de hand van de revolutie in de maatschappelijke verhoudingen, de wetenschap en de technologie waarmee het ontstaan van de burgerlijke maatschappij gepaard ging.

"Het historisch kapitalisme had, zoals we weten, aspiraties die Prometheus waardig waren. Alhoewel wetenschappelijke en technologische verandering een constante was in de geschiedenis van de menselijke activiteit, werd de altijd aanwezige Prometheus pas van zijn ketens bevrijd (dit is de formulering van David Landes) met het ontstaan van het historisch kapitalisme. Het algemeen aanvaarde beeld dat wij nu hebben van deze wetenschappelijke cultuur van het historisch kapitalisme is, dat zij werd verdedigd door edele ridders tegen het sterke verzet in van de 'traditionele', niet-wetenschappelijke cultuur. In de zeventiende eeuw was het Galileï tegen de kerk; in de twintigste de 'vernieuwer' tegen de mullah. Verondersteld werd dat het steeds ging om 'rationaliteit' versus 'intellectuele onderdrukking'. Verondersteld werd dat dit vergelijkbaar was met (of zelfs identiek aan) de revolutie op het gebied van de politieke economie van de bourgeoisondernemer tegen de aristocratische landheren. Dit fundamentele beeld van een wereldwijde culturele strijd had een verborgen premisse, namelijk die van opeenvolging in de tijd (temporality). 'Vernieuwing' (modernity) zou in de tijd gezien nieuw zijn, terwijl 'traditie' van ouder datum was en voorafging aan vernieuwing; ja, in bepaalde hardnekkige versies van deze beeldvorming was traditie ahistorisch en daarom als het ware eeuwig. Deze premisse was historisch gezien onjuist en daarom fundamenteel misleidend. De veelsoortige 'tradities' die binnen de tijdruimtegrenzen van het historisch kapitalisme bloeiden, waren niet van ouder oorsprong dan de veelsoortige institutionele kaders. Zij zijn voor een groot deel gecreëerd door de moderne wereld, als een onderdeel van het ideologische bouwwerk." (Wallerstein, p.62-63)

In één opzicht heeft Wallerstein gelijk: het is inderdaad onzinnig om de strijd van de burgerlijke wereldbeschouwing tegen de bijgelovige voorstellingswereld van het feodalisme over één en dezelfde kam te scheren met de ideologische propaganda van het imperialisme tegen het moslimfundamentalisme. Deze vereenzelviging is geheel en al het product van de burgerlijke ideologie zelf. Maar daarmee is het dan ook afgelopen met Wallersteins doorzicht in de burgerlijke geesteswereld.

In zijn ijver om in de plaats van de burgerlijke ideologie de Wereldsysteem Analyse te lanceren, begaat hij echter dezelfde fout die hij de "boosaardige" ideologen van de moderne beschaving als leugenachtige verdraaiing in de schoenen schuift.

Er is inderdaad weinig progressief aan de propaganda tegen het moslimfundamentalisme, dat zich door zijn retoriek tegen het Amerikaanse imperialisme de woede van de hele goegemeente in Wall Street op de hals heeft gehaald. We wachten echter tevergeefs op een ernstig onderscheid tussen de historische strekking van het moslimfundamentalisme en het middeleeuwse bijgeloof en daarmee ook op een bevredigende uitleg op het verschil tussen de burgerlijke kritiek erop in de onderscheiden tijdperken.

Aangezien Wallerstein het de moeite niet vindt om een onderscheid te maken tussen de verschillende ontwikkelingsfasen van de burgerlijke maatschappij, hoeven we er ons ook niet over te verwonderen dat hij de historische eigenaardigheden van de ideologische ontwikkeling links laat liggen.

Het fundamentalisme is op een manier geheel en al een kind van het kapitalisme zelf, meer bepaald van zijn internationaal karakter, van de totale onderwerping van de periferie aan de kapitaalstromen uit het centrum. Hetzelfde gaat op voor alle stromingen van religieus geïnspireerd verzet tegen het imperialisme: de kerk van Thomas Kimbangu in Belgisch Kongo, de Mau Mau in Kenia, de bevrijdingstheologie in Latijns-Amerika. Net zoals al deze stromingen is het fundamentalisme inderdaad "gecreëerd door de moderne wereld". Het is een niet-socialistische uitdrukking van de afkeer van de massa's uit de neokoloniale wereld tegenover de wereldmacht van de centrumlanden. Alleen al daardoor, of moeten we zeggen, slechts daardoor, is de kritiek van de westerse propaganda op het fundamentalisme de kritiek van de bezitter op de bezitsloze, een reactionaire, contrarevolutionaire kritiek. Maar het is een kritiek die gebruik maakt van een argumentarium dat dateert uit een vooruitstrevend stadium van ideologische strijd en aangezien vele van deze religieuze bewegingen niet zelden steun zoeken bij historisch achterhaalde denkbeelden, zouden de burgerlijke ideologen onvergeeflijke idioten zijn mochten zij een dergelijke buitenkans om de door hen voorgewende superioriteit van het liberalisme opnieuw in de verf te zetten, niet aangrijpen.

De ideeën van Copernicus en Galileï waren gericht tegen de oude en door de experimentele wetenschap achterhaalde opvattingen van Aristoteles en Ptolemaeus, die elk op hun terrein een belangrijke rol speelden in de rechtvaardiging van de overheersende religieuze opvattingen en daardoor ook de grondstof leverden voor het ideologische cement dat de middeleeuwse klassenstructuur samenhield: het katholicisme. Voor de middeleeuwse ideologen was Aristoteles "de filosoof" en de vermelding van dit epitheton maakte, zonder vermelding va de naam Aristoteles zelf, aan alle lezers van Thomas Van Aquino, Johannes Buridanus, enz. duidelijk over wie het ging. Zoals geweten, bestaat een groot deel van de middeleeuwse filosofische literatuur vanaf de twaalfde eeuw uit Aristoteles-commentaren. Raken aan Aristoteles betekende, tot in de zestiende en zeventiende eeuw nog, raken aan de ideologie van de feodale machtsstructuren.

Alhoewel de persoonlijke levensstijl en de loopbaan van sommige burgerlijke filosofen weinig ridderlijke manhaftigheid vertoonde, getuigde het in alle gevallen toch wel van meer moed om de oude scholastieke denkbeelden te bestrijden dan Wallerstein en zijn school allegaar aan de dag leggen in hun strijd tegen de burgerlijke vooruitgangsidee. Het is voldoende bekend dat de kerkelijke overheden tegen de stokoude Galileï geen andere argumenten vonden dan een rondleiding in de werkplaats van de beulsknechten. Het is ook voldoende bekend hoe Giordano Bruno in 1600 zijn verwerping van het oude heliocentrische stelsel met de vuurdood bekocht. De Joodse minderheid van de Republiek der Nederlanden vond dat Spinoza's geschriften de burgerlijke vooruitgangsidee iets te ver voortstuwden en bedachten hem, na hem een leven lang te hebben vervolgd, met het grafschrift: "Spuw op dit graf, hier ligt Spinoza!"

De strijd van de burgerlijke intelligentsia tegen de waanvoorstellingen van de middeleeuwen effende niet alleen het pad voor de ideeën waarmee de burgerlijk-demokratische revolutie zich tooide voor haar schoonmaakbeurt in de middeleeuwse instellingen. Ze effende met haar strijd tegen de voorwetenschappelijke opvattingen van de scholastiek ook het pad van de experimentele wetenschap die het op haar beurt mogelijk heeft gemaakt dat de prikkels uit de tegenwoordige realiteit van het historisch kapitalisme hapklaar op de studeertafel van professor Wallerstein en na een kauwbeurt in boekvorm de wijde wereld in belanden. De strijd van de burgerlijke intelligentsia heeft zelfs rechtstreeks de methode van Wallerstein opgeleverd.

"Zonder het uitwerken van de empirische wetenschappen op eigen kracht, had de filosofie zich nooit verder ontwikkeld dan bij de Ouden." Zo oordeelde de oude Hegel in verband met Francis Bacon, de onmiddellijke voorloper van Lockes empirisme.(Hegel, Lectures on the History of Philosophy, dl.III, University of Nebraska Press, Lincoln, p.176)  

De burgerlijke ideologie, zegt Wallerstein, is universalistisch (zie p.67)...

"Universalisme is een kennistheorie. Het is een geheel van opvattingen over wat kenbaar is en hoe het gekend kan worden. De essentie van deze benadering is dat er zinvolle algemene uitspraken over de wereld gedaan kunnen worden- de fysieke wereld, de sociale wereld - uitspraken die een universele en permanente geldigheid hebben, en dat het doel van de wetenschap is om te zoeken naar deze algemene verklaringen en die dan weer te geven in een vorm die alle zogenoemde subjectieve, dat wil zeggen historisch-bepaalde elementen uit de formulering weert." (p.67)

Volgens de omschrijving die Wallerstein hier geeft van het universalisme is de burgerlijke ideologie niet veel universalistischer dan het oude katholieke geloof en de mythologieën uit de Oudheid.

Elke heersende klasse of kaste uit de geschreven geschiedenis kon haar eigen levenswijze als het voortdurend toe-eigenen van de meerarbeid van de zwoegende massa slechts rechtvaardigen door haar heersende positie en haar voorrechten op één of andere wijze voor te stellen als natuurlijk en algemeen geldend. De filosofie van de kerkvaders uit de donkere middeleeuwen, de Thomistische filosofie, de mythologieën waarvan de Oosterse despoten gebruik maakten, de predestinatieleer van Calvijn, etc. etc. en nog drie bladzijden vol etcetera's, waren in dat opzicht niet minder "universalistisch" dan het beetje experimentele wetenschap en formele logica waarin het natuurrechtsdenken en de Verlichting de burgerlijke ideologie hebben gewikkeld. Toen hij in 494 V.C. de Heilige Berg besteeg om de opstandige plebejers terug te winnen voor het Romeinse patriciaat moest zelfs Menenius Agrippa een beetje elementaire "universele" anatomie uit zijn mouw schudden om het enge klassenbelang van zijn partijgangers een min of meer universeel karakter te geven. En zoals geweten was Agrippa's verhaal, althans bij de aanhef op het randje van een provocerende eerlijkheid: de plebejers zijn de handen, de patriciërs de maag; als de handen weigeren te werken, sterft de maag af; als de maag afsterft, sterven ook de handen. En hadden de langoren, de heersende kaste uit de verdwenen Polynesisiche beschaving van Paaseiland Wallerstein kunnen horen verklaren dat "Universalisme zowel religie als kennistheorie" is, dat het universalisme "niet alleen respect maar ook verering voor het ongrijpbare, maar toch als werkelijkheid beschouwde fenomeen: waarheid vereist,"(p.67-68) dan hadden ze ongetwijfeld in koor uitgeroepen: "Taboe !"       Heersende ideologie is het voorstellen van het particuliere belang der heersende klasse of kaste als het algemene belang en de denkbeelden van de heersende laag als de enige en algemeen geldige waarheid. De abstracte woordenkraam van Wallerstein brengt in dat opzicht geen snars nieuwigheid aan.   Maar het is triester gesteld met de Wereldsysteem Analyse dan dat. Naarmate we verder lezen, wordt alsmaar duidelijker dat Wallerstein geen knijt begrepen heeft van de maatschappelijke functie die de ideologie bekleedt:

"Er zat iets bedrieglijks in het universalisme. Het maakte geen opgang als een niet-gebonden (?) ideologie, maar als een ideologie die gepropageerd werd door hen die in het wereldsysteem van het historisch kapitalisme over de economische en politieke macht beschikten. Het universalisme werd aan de wereld aangeboden, als een geschenk van de machtigen aan de zwakken. Timeo Danaos et dona ferentes*!" (p.72)

Juist omdat ze telkens uitgaat van de heersende bevolkingslagen, zou men kunnen zeggen er altijd iets bedrieglijks zit aan elke heersende ideologie. Dat is geen uitsluitende eigenschap van de burgerlijke ideologie. Zoals Wallerstein ten voeten uit bewijst, is het zelfs geen uitsluitend kenmerk van de overheersende ideeën. Niet-heersende ideologieën kunnen evengoed een bedrieglijk geschenk van de machthebbers aan de "zwakken" zijn, vooral wanneer ze, zoals de Wereldsysteem Analyse, een amorf samenraapsel vormen van heersende en oppositionele ideeën. Timeo professores et dona ferentes !

Voor de zoveelste keer komt de vernieuwingsdrang van Wallerstein nog niet tot aan de hielen van diegenen die vernieuwd moesten worden.

Zelfs Wallersteins manier van voorstellen, de zogezegd door de bourgeoisie voorgewende tegenstelling tussen het niet-burgerlijke traditionele, ahistorische, en het burgerlijke vernieuwende, vooruitstrevende, stemt niet overeen met de historische werkelijkheid. De bourgeoisie nam veel liever de omgekeerde wijze van voorstellen in de mond : de instellingen van de feodaliteit waren kunstmatig, vergankelijk en onnatuurlijk, de verhoudingen van de burgerlijke maatschappij natuurlijk en bovenhistorisch. Zowel Grotius, Locke, als Spinoza, die volgens ons wel tot de meest vooraanstaande scheppers van de ontwikkelde burgerlijke ideologie gerekend mogen worden, leidden hun ganse maatschappijkritische denken geenszins af uit de idee van de historische verandering, maar uit de zogezegd onveranderlijke wetten van de natuur.

"Het natuurrecht is een gebod van de rechte rede, dat aangeeft dat een daad vanwege haar overeenstemming of strijdigheid met de redelijke en sociale natuur als zodanig moreel laakbaar dan wel moreel geboden is, en dientengevolge verboden dan wel geboden wordt door God, de schepper van de natuur. (...) Voorts is het natuurrecht zo onveranderlijk dat het zelfs door God niet kan gewijzigd worden. (...) Zoals bijvoorbeeld God niet kan bewerken dat tweemaal twee niet vier is, zo kan Hij evenmin bewerken dat wat intrinsiek slecht is iets anders dan slecht is." (Hugo De Groot, Het Recht van oorlog en vrede, Ambo, Baarn, 1991, I, Hfst.I, §X., p.64-mijn cursief)

"Door de natuurwet te schenden geeft de overtreder te kennen dat hij leeft naar een andere wet dan die van rede en billijkheid, die God als perken aan het gedrag van de mensen gesteld heeft voor hun wederzijdse bescherming (...) Aangezien dit een vergrijp is tegen de hele soort en haar vrede en veiligheid, die door de natuurwet wordt verzekerd, mag iedereen op grond hiervan, volgens het recht dat hij heeft om de gehele mensheid in stand te houden, dingen die schadelijk voor haar zijn weerhouden of waar dat nodig is vernietigen. (...) En in dit geval en op deze grond heeft iedereen het recht de overtreder te straffen en de natuurwet ten uitvoer te leggen." (Locke, Tweede Verhandeling over het staatsbestuur, Boom, Meppel, hfst.2,8, p.67-68-mijn cursief)    

"Hieruit nu, dat namelijk de macht van de natuurlijke dingen waardoor zij bestaan en werken, precies de macht zelf van God is, valt gemakkelijk te begrijpen wat het recht van de natuur is. (...) Onder het recht van de natuur versta ik dus de natuurwetten zelf of de regels, volgens welke alles geschiedt, dat wil zeggen de natuurmacht zelf. En daarom strekt het natuurlijke recht van geheel de natuur en bijgevolg van elk individu zich evenver uit als zijn macht. En de implicatie daarvan is, dat wat ieder mens krachtens de wetten van zijn natuur ook doet, hij dat met het hoogste recht van de natuur doet en dat hij ook zoveel recht op de natuur heeft als zijn macht waard is. (Spinoza, Hoofdstukken uit de politieke verhandeling, Boom, Meppel, 1989, Hfst.II, art. 3,4 passim, p.45-mijn cursief)

Het is genoegzaam bekend dat de burgerlijke ideologen de oude scholastiek slechts te boven konden komen door hun opvattingen over mens en maatschappij te vestigen op een fundament dat nog steviger wortels in de grond had gezonken dan de middeleeuwse verafgoding van de autoriteiten uit de Oudheid: de "bovenhistorische" wetten van de natuur. Immanuel Kant zocht niet zomaar een ethisch stelsel uit te brouwen, hij streefde naar een bindende metafysica van de zeden, gegrondvest op een zedelijke regel die op zichzelf, eeuwig en voor iedereen waar ook ter wereld moest gelden als uitgangspunt van zijn morele handelen: de categorische imperatief.   

De burgerlijke ideologie had van meetafaan twee aspecten omdat zij zich van twee kanten moesten indekken. Zij moest, althans aanvankelijk, toen zij nog helemaal niet, zoals Wallerstein beweert, de overheersende leer was, zowel een speerpunt vormen tegen de bestaande feodale orde als een schild tegen de zelfstandige bewustwording van het proletariaat en de door de burgerij onderdrukte klassen in het algemeen.      

Bij het beoordelen van een maatschappelijke revolutie, zegt Marx,

"... moet men steeds een onderscheid maken tussen de materiële, natuurwetenschappelijk nauwkeurig te constateren omwenteling in de economische productievoorwaarden en de juridische, politieke, religieuze, artistieke of filosofische, kortom ideologische vormen, waarin de mensen zich van dit conflict bewust worden en het uitvechten. Zo min als men datgene wat een individu is, beoordeelt naar datgene wat hij van zichzelf denkt, kan men een dergelijk tijdperk van omwentelingen beoordelen uit zijn bewustzijn, maar moet men dit bewustzijn veeleer verklaren vanuit de tegenstellingen van het materiële leven, uit het voorhanden conflict tussen maatschappelijke productiekrachten en productieverhoudingen."(Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie, Pegasus, Amsterdam, 1979, p.7-8)

Het tweeledige karakter van de burgerlijke klassenstrijd verklaart meteen het gespleten karakter van de burgerlijke ideologie, haar revolutionaire, vooruitstrevende en haar fatalistische, systeembevestigende zijde.   

Van de twee onderscheiden conflicten die de maatschappij in de begindagen van het kapitalisme kenmerkte, onthoudt Wallerstein er één : het conflict met de onderdrukten. Maar hij vergeet dat de bewustwording van de bourgeoisie, welke religieuze of filosofische vorm deze op de verschillende ontwikkelingstrappen van de burgerlijke maatschappij ook aannam, tegelijkertijd zowel de bewustwording was van haar tegengestelde belangen met adel en geestelijkheid als van het antagonisme met het menselijk materiaal dat zij door de beendermolen van haar productieproces moest draaien.

De meest ontwikkelde vorm van zuiver burgerlijke ideologie, het liberalisme, verloor, van zodra de laatste belemmeringen op de heerschappij van de burgerij waren opgeruimd meteen zijn vooruitstrevende strekking. Alhoewel deze omslag al een tijd daarvoor in de pijplijn zat, blijft het sleuteljaar in deze het jaar 1848, het jaar dat de arbeiders voor het eerst onder eigen vaandel op het revolutionaire bedrijf van de wereldgeschiedenis verschenen.         

Wallerstein ziet de burgerlijke ideologie op de meest ahistorische manier die men zich maar kan indenken, juist omdat hij er maar één aspect van kent of van wil kennen. Onder de indruk van de massieve Verelendung van de wereldbevolking, gaat zijn gevoel met zijn nuchtere verstand op de loop. Vanuit zijn oprechte verontwaardiging ontzegt hij de burgerlijke maatschappij iedere vooruitstrevende rol in de geschiedenis, zodat ook de burgerlijke ideologie en zelfs de burgerlijke wetenschap voor hem geen progressief bot in hun lijf kunnen ... nee ... mogen hebben. Reeds in het eerste hoofdstuk wordt het hem op een bepaald ogenblik te machtig en hij zucht, de wanhoop nabij :

"We zijn allemaal zo doordrongen van de zichzelf rechtvaardigende vooruitgangsideologie die dit historisch systeem heeft gevormd, dat we het moeilijk vinden om de enorme negatieve kanten van dit systeem in zijn geschiedenis maar te herkennen. Zelfs een zo krachtig aanklager als Karl Marx legde grote nadruk op de historische rol die het voor de vooruitgang heeft gespeeld. Ik geloof dat helemaal niet, tenzij men onder 'vooruitgang' gewoon datgene bedoelt wat historisch van latere datum is en waarvan de oorsprong kan worden verklaard door iets wat eraan voorafging. De balans van het historisch kapitalisme (...) mag ingewikkeld zijn, maar de in eerste instantie te maken berekening wat betreft de feitelijke verdeling van goederen en het toewijzen van middelen, is in mijn ogen inderdaad zeer negatief." (p.34)

We staan hier voor een buitengewoon gewichtige fase in de gedachtegang van Wallerstein. Hier reiken, voor ieders oog, zijn morele gevoel en zijn historisch empirisme elkaar de hand. Voor de empirist die niet de samenhang, doch slechts de som van de maatschappelijke betrekkingen ziet, die de "Noord-Zuid" verhouding profileert, maar de verhoudingen binnen Noord en Zuid blauwblauw laat, kan de geschiedenis uiteraard geen opeenvolging van maatschappelijke organismen zijn, die elk één of andere trap in de ontwikkeling van de produktieve techniek voorstellen. Voeg daarbij de goedkope sentimentaliteit van de burgerlijke liefdadigheid als doorslaggevend wetenschappelijk moment en van de historische ontwikkeling schiet nog slechts de opeenvolging in de tijd over.

Misschien hebben de kringen van natuur- en dierenvrienden al een Wallerstein klaarstaan die ons zal aantonen dat het ontstaan van de zoogdieren zeker geen vooruitgang betekende in de complexiteit en het aanpassingsvermogen van de dierenwereld, gezien het feit dat deze evolutie over het gebeente van de ganse dinosaurusbevolking ging en de strijd om het bestaan ontegensprekelijk een stuk harder geworden is dan in het idyllische tijdperk van grazende of grotendeels aasetende reptielen.

Het wordt zo stilaan duidelijk waarom de bliksems van de goden zolang op zich hebben laten wachten: zowel op de ijle hoogten van de Olympus als in de duistere krochten van de Hades is men zich nog aan het herstellen van de eerste lachbui.

 

 

§6. Historische vooruitgang

 

 

Alhoewel zijn theorie bulkt van de onverzoenlijke tegenstrijdigheden blijft Wallerstein, ook voor het marxisme, toch een taaie klant. Als empirist wiens denkbeelden geen enkele onderlinge samenhang hoeven te vertonen en als modeschrijver die zijn publiek bij tijd en stond met een nieuwe gril van zijn geleerde verbeelding moet kunnen verrassen, kan hij naar believen terugkomen van zijn eigen opvattingen. Hij hoeft zich slechts te wenden tot de tegenwoordige realiteit. Omdat Historisch kapitalisme werd geschreven in een tijd dat de periode van de grote revoluties voorgoed scheen afgesloten, kon hij nog zonder verdere uitleg beweren dat "de toekomstige wereldorde zichzelf langzaam zal vormen, op een manier die we ons nauwelijks kunnen voorstellen, laat staan voorspellen." (p.80)

Wanneer ruimschoots een decennium later de onhoudbaarheid van de huidige verhoudingen voor steeds meer mensen duidelijk wordt, kan de Wereldsysteem Analyse zich zonder problemen opwerpen als de stem van een nieuwe tijd. De arbeiders en het vooruitstrevende kamp in het algemeen moeten echter op hun hoede zijn voor nieuwe profeten die het recept voor de maatschappelijke vooruitgang in hun binnenzak menen te hebben, maar voor de rest een vorstelijke minachting vertonen voor de praktische ervaring van de klassenstrijd. Als schrijver dezes zich zoveel moeite getroost om de theoretische grondslagen van de Wereldsysteem Analyse van antwoord te dienen, dan is dat omdat hij voorziet dat ze in de nabije toekomst aan belang zal winnen, dat ze zal binnendringen in de voorstellingswereld van deze arbeiders die zich het meest de fouten van de burgerlijke intelligentsia hebben eigengemaakt en zich langs deze weg zal trachten op te dringen aan de meest politiek geavanceerde arbeiders.

De sterkte van Wallerstein en de Wallersteinianen is geen intrinsiek kenmerk. Het is geheel en al een gevolg van de zwakte van het marxisme, zijn sedert decennia achteruitgedreven positie in de arbeidersbeweging. Daardoor en door de ideologische verwarring die voortspruit uit de gebeurtenissen in Oost-Europa, waar het maatschappelijke bestel jarenlang is doorgegaan voor "het reëel bestaande socialisme" en de heersende ideologie als het officiële marxisme, ligt voor het ogenblik het veld wijdopen voor de theoretische folietjes van de linkse kleinburgerij.

Wallersteins afwijzende fixatie op de burgerlijke vooruitgangsidee enerzijds en de Verelendung van de wereldbevolking liggen lekker in de mond, zeker in een tijdperk dat de hedendaagse versie van Tuchmanns waanzinnige veertiende eeuw lijkt te zijn.

"Het wekt geen verbazing," zegt hij, "dat de liberalen in vooruitgang geloofden. De idee van vooruitgang  rechtvaardigde de volledige overgang van feodalisme naar kapitalisme. (...) Wel verbazingwekkend is dat hun ideologische opponenten, de marxisten -de antiliberalen, de vertegenwoordigers van de onderdrukte werkende klassen- minstens even hartstochtelijk als de liberalen in vooruitgang geloofden. Ongetwijfeld diende dit geloof ook voor hen een belangrijk ideologisch doel. het rechtvaardigde de activiteiten van de mondiale socialistische beweging op grond van het feit dat deze beweging de onvermijdelijke trend van de historische ontwikkeling belichaamde." (Wallerstein, p.81)

Maar deze "ogenschijnlijk slimme en zeker enthousiaste omarming van het aardse geloof in vooruitgang" had volgens Wallerstein twee tekortkomingen.

"Als de idee van vooruitgang het socialisme rechtvaardigde, rechtvaardigde het ook het kapitalisme. Het was nauwelijks mogelijk om het proletariaat te bejubelen zonder eerst de bourgeoisie te prijzen. Marx' beroemde geschriften over India leverden hiervoor ampel bewijs, maar dat geldt ook voor het Communistisch Manifest. Bovendien, omdat de maatstaf voor vooruitgang van materiële aard is (en konden de marxisten hiermee niet instemmen?), kon de idee van vooruitgang gericht worden tegen alle 'experimenten in het socialisme', hetgeen de laatste vijftig jaar ook gebeurd is. Wie kent niet de veroordelingen van de Sovjet-Unie op grond van het feit dat de levensstandaard er lager is dan in de Verenigde Staten ?" (p.82)

De daadwerkelijke steun van de grondleggers van het marxisme aan de burgerlijk-demokratische revolutie was geen tragische ironie van de marxistische vooruitgangsidee maar een weloverwogen strategie in de proletarische klassenstrijd. Marx wist dat de bevrijding van het proletariaat pas mogelijk was, wanneer de verhoudingen van de burgerlijke maatschappij voldoende waren gerijpt. De democratische revolutie was erop gericht om de laatste hinderpalen van de oude voorburgerlijke samenleving op de ontwikkeling van het kapitalisme te verwijderen en de ganse burgerij aan de macht te brengen. Pas dan zouden de omstandigheden waaronder de machtsovername van de arbeiders zou kunnen plaatsgrijpen tot volwassenheid kunnen komen. En hoewel hij zich vergiste in de daadwerkelijke slagkracht en de revolutionaire wil van de toenmalige bourgeoisie en zelfs de tijdspanne waarin deze overgang zou plaatsvinden schromelijk onderschatte, had hij toch gelijk dat de burgerlijke revolutie een onontbeerlijke voorwaarde vormde voor de proletarische.

Dan volgt het tweede stokpaardje van Wallersteins kritiek op het vooruitgangsgeloof van het wetenschappelijk socialisme. Als de maatstaf van maatschappelijke vooruitgang van materiële aard is, wat een gemakkelijk slachtoffer werd de Sovjet-Unie, met haar voortdurende bevoorradingsproblemen, niet voor de burgerlijke vooruitgangsidee! Enkele jaren nadat Wallerstein deze zinnen neerschreef, werd op wereldhistorische wijze duidelijk hoe materieel de maatstaf voor maatschappelijke vooruitgang wel is, juist met betrekking tot het zogenoemde "reëel bestaande socialisme". Zolang de economische taken van het stalinisme bestonden in het scheppen van de ruwe basis van de moderne industrie, de zware nijverheid, kon de planning van de productie gerust in de handen gelaten worden van de autoritair regerende minderheidskliek. Zolang de productie van productiemiddelen aan de orde was, was de inspraak van de onmiddellijke producent, de arbeider niet echt noodzakelijk. Zolang was de bureaucratische kaste slechts een rem van betrekkelijke aard op de ontwikkeling van de productie en konden de stalinistische staten fier pronken met al dan niet voor de gelegenheid overdreven groeicijfers. Maar van zodra de massale productie en verspreiding van consumptiemiddelen zich aan de orde stelde, werd inspraak van de arbeiders een absolute noodzaak en de remmende rol van het autoritair opgestelde productieplan eveneens van absolute aard.

De geschiedenis heeft met betrekking tot de materiële vooruitgang zo haar onverbiddelijke wetmatigheden: in de strijd tussen twee systemen is de overwinning van het meest produktieve zo goed als zeker. Als de gebeurtenissen van de afgelopen jaren al iets bewezen hebben, dan is het juist de onverkwikkelijke noodzakelijkheid van deze materiële maatstaf.  Wallerstein kiest voor een bredere interpretatie van de materiële maatstaf: dingen als materiële gelijkheid, persoonlijk geluk, kortom vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid, vormen voor hem de toetssteen van maatschappelijke vooruitgang. Het uiteindelijke verdikt van de Wereldsysteem Analyse over de moderne samenleving kan dan ook alleen maar in het nadeel van laatstgenoemde uitvallen:    

"Het is eenvoudig niet waar dat het kapitalisme als historisch systeem een vooruitgang betekende ten opzichte van de verschillende vroegere systemen die het vernietigde of omvormde. Zelfs terwijl ik dit schrijf, voel ik de rilling die het gevoel van blasfemie begeleidt. Ik vrees de wraak der goden, want ik ben in dezelfde ideologische smidse gevormd als al mijn makkers en heb aan hetzelfde altaar geknield gelegen. Eén van de problemen bij het analyseren van vooruitgang is de eenzijdigheid van alle voorgestelde maatstaven. Er wordt gezegd dat de wetenschappelijke en technologische vooruitgang niet betwijfeld kan worden en adembenemend is, hetgeen zeker waar is, in het bijzonder waar de meeste technische kennis cumulatief is. Maar we praten nooit serieus over hoeveel kennis we hebben verloren in de wereldwijde overspoeling door de ideologie van het universalisme. (...) Er wordt gezegd dat het historisch kapitalisme de mechanische mogelijkheden van de mensheid heeft omgevormd. Elke inzet van menselijke energie werd beloond met gestaag groeiende opbrengsten aan producten, hetgeen eveneens waar is. Maar we berekenen niet in welke mate de totale inzet van energie die aan individuen afzonderlijk, dan wel aan alle mensen in de kapitalistische wereldeconomie gezamenlijk, gevraagd werd te investeren, gereduceerd of vergroot werd, hetzij per tijdseenheid hetzij gedurende het leven. (...) Laat ik zeggen dat het allerminst vanzelfsprekend is dat er in de huidige wereld meer vrijheid, gelijkheid en broederschap is dan duizend jaar geleden. Men zou kunnen betogen dat het tegengestelde waar is. Ik probeer de perioden voor het historisch kapitalisme niet rooskleurig af te schilderen. Het waren tijden van weinig vrijheid, weinig gelijkheid en weinig broederschap. De vraag luidt alleen of het historisch kapitalisme op deze gebieden vooruitgang dan wel achteruitgang vertegenwoordigde.(...) Liever wil ik mijn betoog op materiële overwegingen baseren, niet op die van de sociale toekomst, maar op die van het feitelijke historische tijdperk van de kapitalistische wereldeconomie.Ik wil die ene marxistische vooronderstelling, die zelfs door orthodoxe marxisten doorgaans in schaamte wordt begraven, verdedigen, de stelling van de absolute (niet relatieve) Verelendung van het proletariaat." (pp.82-84, passim-mijn cursief)

De historische maatstaf waaraan de levenskracht van een maatschappijorde moet worden afgemeten is niet het algemene "welzijn" of de gelijke verdeling van de welvaart maar de productiviteit van zijn technologie en de daaraan beantwoordende arbeidsverhoudingen.

Totnogtoe was het in dat opzicht met de wereldgeschiedenis van de menselijke samenleving net zo gesteld als met de strijd om het bestaan dat de drijfkracht vormt voor de natuurgeschiedenis. Zoals de aanpassing aan het heersende milieu het doorslaggevende element vormt in de overwinning van de ene genetische variant op de andere, zo worden in de strijd tussen verschillende beschavingen, maatschappijvormen, de overwinningskansen bepaald door de productiviteit van de heersende productieverhoudingen en het ontwikkelingspeil van de productiekrachten.

Men kan dat betreuren, men kan zijn aandacht toespitsen op het enorme leed waarmee de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze hand in hand ging, haar ravages in de wereldbevolking, haar roofbouw  op het natuurlijk leefmilieu, de schrijnende ongelijkheid enz. enz. of men kan deze aanvaarden als onvermijdelijke groeiverschijnselen van de menselijke beschaving, net zoals men de verdwijning van de grote reptielen een paar tientallen miljoenen jaren geleden moet beschouwen als de voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van meer complexe levensvormen die uiteindelijk onze eigen soort heeft opgeleverd.

Houdt dit natuurwetenschappelijk inzicht in dat we morgen elke ingreep in de natuur gaan opgeven om ons over te leveren aan de blinde wetten van de natuurlijke selectie ? Houdt het aanvaarden van de vooruitstrevende rol van het kapitalisme in dat de socialistische arbeiders morgen allen fatalistische liberalen worden ?  

Alleen volgens de analyse van Wallerstein.

Volgens de wetenschappelijke analyse daarentegen heeft het groeiproces van het kapitalisme ook zijn eigen interne tegenstrijdigheden tot ontwikkeling gebracht. De oude Spinoza zegt: men moet niet jammeren, men moet begrijpen. Het begrip van de historische ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze is meteen het begrip van de tegenstrijdige kenmerken van haar ontwikkeling.

Laten we geen enkele twijfel bestaan over de algemene rampspoed waarmee de ontwikkeling van het kapitalisme gepaard is gegaan. Maar tegelijk met de enorme verpaupering van de wereldbevolking, de continentale hongersnood, de verschrikkingen van de moderne oorlogvoering, de nieuwe technieken voor volkerenmoord, etc. etc. heeft de moderne technologie ook de productievoorwaarden in het leven geroepen waardoor het voortbestaan van de heersende uitbuitingsverhoudingen overbodig en zelfs ondraaglijk  is geworden. Het heeft zelfs een ganse klasse voortgebracht voor wie het een kwestie van historische noodzaak is geworden om een nieuwe maatschappijvorm in het leven te roepen.

Maar juist hier wringt het schoentje bij de maatschappelijke laag van middenklasse-intellectuelen die Wallerstein en zijn volgelingen zo welsprekend vertegenwoordigen. Voor hen is niet langer de klassenstrijd de motor van de hedendaagse sociale ontwikkeling. Niet langer de arbeiders zijn de dragers van de nieuwe maatschappelijke orde, maar de zogenoemde anti-systeem-bewegingen:

"Juist nu het kapitalisme zijn meest volledige ontplooiing nadert- de voortgaande uitbreiding van de commercialisering van alles, de groeiende kracht van de wereldfamilie van anti-systeem-bewegingen, de voortgaande rationalisering van het menselijk denken- doet het werkelijke gevaar zich voor. Deze volledige ontplooiing zal de ineenstorting versnellen van het historisch systeem, dat bloeide doordat zijn logica tot nu toe slechts gedeeltelijk werkelijkheid werd. En juist terwijl en omdat het systeem aan het ineenstorten is, zal het meelopen met de krachten van de verandering steeds aantrekkelijker lijken, en daarom zal het resultaat steeds onzekerder worden. Voor alle kameraden gaat de strijd voor vrijheid, gelijkheid en broederschap door, en de plaats van deze strijd zal steeds meer gelegen zijn binnen de wereldwijde familie van de anti-systeem-bewegingen." (p.92)

Zoals we reeds in het eerste hoofdstuk van dit werk hebben opgemerkt, zit er logica in de vaagheid van Wallersteins toekomstverwachtingen. Uit zijn vage schets van wat het kapitalisme is, vloeit een vaag begrip over de maatschappelijke verhoudingen voort. Een wazig begrip van de verhoudingen is meteen een wazig begrip van hun tegenstrijdige aard. En een vaag begrip van de maatschappelijke antagonismen moet wel een vaag begrip van de richting der historische gebeurtenissen tot gevolg hebben. Wallerstein kan dan ook niet anders dan ertoe besluiten dat het resultaat van de doodsstrijd van het kapitalisme "steeds onzekerder wordt".

De onzekerheid ligt hem echter niet in de strekking van het historische proces, maar in de manier waarop Wallerstein ernaar kijkt. De anti-systeem-bewegingen waarover Wallerstein het heeft, vormen al evenzeer een amorfe brij als de ontstaansvoorwaarden voor het kapitalisme waarmee hij zijn analyse begonnen was.

Tenslotte vinden we zelf aanleiding om een speld te steken aan de historische analyse die wij op onze beurt in onze dialoog met Wallerstein op poten hebben gezet. De arbeidersbeweging vormt niet zomaar een deel van "de wereldwijde familie van anti-systeem-bewegingen" historisch evenwaardig aan bijvoorbeeld de vrouwenbeweging. Omdat de gehele burgerlijke maatschappij gestoeld is op de tegenstrijdige verhouding tussen arbeid en kapitaal, omdat het blote proces van het samengaan van arbeidskracht en kapitaal in hetzelfde productieproces rechtstreeks aanleiding geeft tot een ongenadige strijd tussen de bezitters ervan, vormt de proletarische klassenstrijd de kern van de zogenoemde anti-systeem-bewegingen.

Elke maatschappijvorm berust op de productie van de bestaansmiddelen die het materiële voortbestaan van de maatschappij zelf moeten bewerkstelligen. De fundamentele tegenstellingen van een maatschappij zijn dan ook deze in de sfeer van de productie van het onmiddellijke leven. De moderne maatschappij draait met de medewerking van de loonarbeiders, of ze draait helemaal niet.

De middenklasse-intellectuelen die hun neus met vorstelijke minachting ophalen voor de sociale strijd van de arbeiders begrijpen niet dat de strijd van deze laatsten voor onmiddellijke lotsverbetering het begin is van een algemene politieke strijd, die haar apotheose kent in de strijd om de staatsmacht. Voor de intellectuele kleinburger bestaat de strijd voor een andere samenleving in de theoretische onthechting van zijn materiële belang ten voordele van een groot, onbaatzuchtig algemeen menselijk belang. Zijn politieke strijd is waarachtig de strijd voor "broederlijkheid, gelijkheid en vrijheid". Voor de arbeiders begint de strijd om de macht en de bevrijding van de gehele mensheid met de strijd voor het collectieve eigenbelang. De revolutie, zegt Lenin, begint met het gevecht voor warm water op het bedrijf. Maar deze overgang van de louter individuele strijd om het bestaan dat de loonarbeider dagelijks moet voeren om een aantal van zijn behoeften te bevredigen naar de gemeenschappelijke strijd vormt op zichzelf al een grote omwenteling in het bewustzijn van de arbeidersklasse. Het is in wezen de eerste aanzet tot de ontwikkeling van grotere krachtmetingen die tenslotte hun logische uitloper vinden in de sociale revolutie.

Juist omdat deze geestelijke omwenteling reeds vervat zit in de arbeidsverhoudingen die hun alledaagse realiteit gestalte geven, is voor de loonarbeiders de overgang van individueel bewustzijn tot klassenbewustzijn een hindernis die met veel meer gemak genomen wordt dan de overgang bij de intellectueel van een moraliserend bewustzijn naar een sociaal-wetenschappelijk inzicht. Uitgerekend de Wereldsysteem Analyse levert hier ampel bewijs voor.

Met haar neus op de zogenoemde tegenwoordige realiteit gedrukt kan de Wereldsysteem Analyse er niet anders toe besluiten dan dat ...

"Communisme Utopia is, dat wil zeggen 'nergens'. Het is de incarnatie van al onze religieuze eschatologieën: de komst van de Messias, de wederkomst van Christus, Nirwana. het is geen historisch perspectief, maar een hedendaagse mythologie. Socialisme daarentegen is een te verwerkelijken historisch systeem dat zijn plaats in de wereld zal krijgen. Er is geen belangstelling voor een 'socialisme' dat een 'tijdelijk' overgangsmoment wil zijn op weg naar Utopia. Er is alleen belangstelling voor een concreet historisch socialisme, dat in ieder geval voldoet aan de kenmerkende eigenschappen van een historisch systeem dat gelijkheid en rechtvaardigheid maximaliseert, dat de macht van de mensheid over haar eigen leven vergroot (democratie) en dat de verbeelding bevrijdt." (p.92-93)

Het communisme is geen utopie, maar de logische conclusie van dezelfde historische beweging die het socialisme heeft voortgebracht. Het communisme ontkennen, betekent de ganse historische dynamiek achter het ontstaan van het socialisme van de hand wijzen. Het betekent het socialisme zelf ontkennen.

De socialistische revolutie is de openlijke en bewuste strijd om de staatsmacht, of liever gezegd de strijd om het verbrijzelen van de bestaande staatsmacht en haar vervanging door een basisdemocratisch politiek orgaan , de heerschappij van het proletariaat, dat juist door zijn basisdemocratisch karakter ophoudt een staat in de traditionele zin van het woord te zijn. Het is nog slechts een staat in zoverre het een orgaan vormt in de handen van de nieuwe heersende klasse voor de verdediging van haar sociaal overwicht. Het is al geen staat meer in die zin dat de bewaking van de heersende verhoudingen toevertrouwd is aan een gespecialiseerd bewapend orgaan dat boven de massa van de bevolking uittorent. De ordehandhaving is nu toevertrouwd aan de massa van de bevolking. Naarmate de bestaande klassentegenstellingen verdwijnen, met andere woorden, naarmate de maatschappij steeds socialistischer wordt, wordt ook de staatsmacht in steeds groeiender mate overbodig. Onmiddellijk na de machtsovername begint de staat in wezen af te sterven en met het verdwijnen van de klassen verliest hij ook zijn politiek karakter. Wanneer maatschappelijke evoluties uiteindelijk, zoals Marx zegt, ophouden politieke revoluties te zijn, dan is dat geheel en al omdat het uiteindelijke voorwerp van de politieke revolutie, de staatsmacht zelf, is verdwenen.

Hoe heet nu het uiteindelijke resultaat van dit stervensproces, dat zoals gezegd reeds begint met de socialistische revolutie zelf ? Hoe moeten wij de klasse- en stateloze maatschappij noemen ? Niets anders dan communisme, het socialisme van de hogere fase.           

Wallersteins voorstelling van zaken is al met al doordrenkt van een grotere eschatologie dan deze van Marx. Voor de Wereldsysteem Analyse bereikt de nieuwe maatschappij al onmiddellijk zijn afgewerkte eindvorm, zoals uit de langgerekte verschrikkingen van Armageddon onmiddellijk het Rijk Gods tevoorschijn komt.

En als de Wereldsysteem Analyse het niet eens is met dit oordeel, dat ze dan haar gelijk maar bewijst op het veld van eer waar beschikt wordt over leven en dood van elke leerstelling: de historische praktijk.   



     * "Niks nieuws onder de zon."

     *"De massa": arme boeren en handwerkslieden

     **"De voortreffelijken": de aristocratische grootgrondbezitters.

     ***De aan Sparta schatplichtige bevolking uit de Peloponnesos, die  in de zevende eeuw V.C. in opstand kwam en de Spartanen dwong om het kazernecommunisme in te voeren, dat ook in de hedendaagse beeldspraak zijn sporen heeft nagelaten.

     ****Spartaanse aristocraten

     *****De Proletarii waren de door het vanaf de tweede Punische Oorlog tot opbloei komende groot-slavenbedrijf onteigende boeren en brodeloos geworden handwerkslieden, die in Rome samenstroomden om er op staatskosten te leven van brood en spelen. De optimates waren de partijgangers van de aristocratie, het oude patriciaat dat tezamen met een aantal elementen van het oude plebs uitgegroeid was tot de heersende klasse van slavenhouders.

     * Berouw komt nooit telaat, maar wie aan een kwade onderneming begonnen is, kan niet meer terug.

     * Ik ben op mijn hoede voor Grieken met geschenken !