Tweede hoofdstuk:
Empirisme en
historisch materialisme
§1.Het
paardenmiddel van de Duitse filosofie
Moesten we totnogtoe genoegen nemen met het lijdzaam
vaststellen van de gevolgen van
Wallersteins methode, nu wordt het stilaan tijd om de methode zelf onder het
mes te nemen.
Tot onze grote onthutsing ontdekken we dat we ons
hiertoe temidden van een ware volkerenslag moeten begeven. Gelukkig vliegen
hier andere projectielen over en weer dan de onbeschaafde argumenten van het
moderne oorlogstuig: hier kruisen Duitse 'Grundlichkeit'
en Britse 'Common sense' de wapens!
Hoewel de Britten de ongelukkige roep hebben een stuk
bekrompener te zijn in hun zinnelijkheid dan bijvoorbeeld de Fransen, op één vlak zijn ze toch de meest
zinnelijke mensen ter wereld. In de filosofie voert bij hen de onmiddellijke zintuiglijkheid immers het
hoogste woord en niets anders dan de directe
ervaring is hun religie.
De Duitsers van hun kant hebben, in de vorige twee
eeuwen, de filosofie en de methode, of liever gezegd het filosoferen over de methode, tot een nationale
bezigheid verheven. Heeft de Duitse bourgeoisie in de laatste eeuwen op het
politieke vlak nooit veel uitgespookt dat haar op een gelijke hoogte kon
plaatsen met haar Franse en Britse spitsbroeders, haar denkrimpels verraden een
groots plan dat de ganse mensheid aanbelangt! Beheersten Russen en Fransen het
land, de Britten de zee, de Duitsers golden als onbetwiste heersers over het luchtruim. Zo oordeelde de dichter Heinrich Heine anderhalve eeuw geleden.
De Duitser wiens gelaatstrekken het meest gewichtige
plan verraden is Georg Wilhelm Friedrich
Hegel. Als men aan Hegel wil ontsnappen, dan moet men eerst goed weten
waaraan men wil ontkomen. Dat is het oordeel van de moedige man die het op zich
heeft genomen om de Nederlandse vertaling van Hegels leer van het
wetenschappelijk kennen (het voorwoord tot zijn Fenomenologie van de Geest) van een inleiding te voorzien.
Wanneer we ons van Hegels achterhaalde idealistische
voorstellingen hebben losgeworsteld en diens geniale methode overhouden, dan
belanden we bij een tweede Duitser. Deze Duitser is Karl Heinrich Marx en
wanneer we hem de kans geven om voor zichzelf te spreken, dan blijkt telkens
weer dat mensen als Wallerstein met hun ogen dicht of op zijn minst met het
gelaat naar de grond gekeerd voor zijn altaar hebben gelegen.
Met vereende kracht geven beide Duitsers het Britse
gezond verstand tezamen met zijn uitzaaiingen aan gene zijde van de Atlantische
Oceaan het antwoord dat ze verdienen. Tenslotte is het niet het historisch
materialisme dat de heer Wallerstein opnieuw heeft uitgevonden, maar de methode
van John Locke.
I.
"Er is weliswaar veel over kapitalisme geschreven
door marxisten en anderen van politiek links, maar aan de meeste van deze
boeken kleven een paar gebreken. Eén soort betreft al die logisch-deductieve
analyses, die uitgaan van wat kapitalisme in essentie zou zijn, en die
vervolgens kijken hoever het zich heeft ontwikkeld op verschillende plaatsen en
in verschillende tijden." (Wallerstein, p.7)
Wallerstein ergert zich blauw aan de
"logisch-deductieve" manier van werken die door marxisten en sommige
anderen van politiek links wordt gevolgd. Zoals we weten, verkiest hij een
inductieve methode, vertrekken van de zogenaamde onmiddellijke realiteit om
zich dan te verheffen tot het algemene. De deductie gaat te veel uit van
onbevraagde waarheden, zo redeneert onze schrijver, de essentie, de abstracte
formule, wordt als doctrinair uitgangspunt genomen.
We hebben al voldoende gelegenheid gehad om de
inductieve methode van Wallerstein in de historische beschrijving aan het werk
te zien. Ofwel handelde hij zonder aarzelen in tegenstrijd met zijn eigen
inductieve voornemens, door wel degelijk van het abstracte uit te gaan in
plaats van de "tegenwoordige realiteit". Ofwel leidde zijn inductieve
spraakwaterval tot de meest ongeordende opeenhoping van oorzaken, gevolgen,
krachtlijnen, factoren,...
Nochtans gelooft hij dat "de werkelijkheid een
geïntegreerd geheel is" (zie p.7 onderaan)!
Welnu, nergens, maar dan ook nergens, slaagt hij erin om
de werkelijke verhoudingen tussen de feiten, de verhoudingen die van de
werkelijkheid een geïntegreerd geheel maken, op welke manier dan ook tot stand
te brengen.
Voor Wallerstein bestaat slechts de formele tegenstelling tussen deductie en inductie. Hij beschouwt ze
niet als tegengestelde bewegingen die in het werkelijke wetenschappelijke
denken gezamenlijk voorkomen, twee keerzijden van het logisch denken die in de
integraal van de wetenschappelijke methode een
eenheid vormen.
Nochtans zou men kunnen zeggen dat de rede zich
dagelijks van deze eenheid bedient. Op intuïtieve wijze hanteert de arbeider
die met zijn buurman een praatje maakt veel meer het spitsvondig wisselen van
inductie en deductie, dan onze burgerlijke geleerden in hun wereldhistorisch
opzet de sociale wetenschap te omwentelen. Zelfs de dialectische methode in
haar geheel behoort tot de vaardigheden van de dagelijkse rede en er is de
praktische ingesteldheid van een marxist voor nodig om dit in te zien.
"Een huisvrouw," zo merkt Trotsky op,
"weet dat een bepaalde hoeveelheid zout in de soep deze laatste een
aangename smaak geeft, maar dat nog meer zout de soep totaal oneetbaar maakt.
Bijgevolg laat een ongeletterde boerenvrouw zich bij het maken van soep leiden
door de Hegeliaanse wet van de omzetting van kwantiteit in
kwaliteit."(Trotsky, In Defense of
Marxism, New Park, London, 1971, p.106)
Het komt erop aan deze "natuurlijke" rede, dit
instrument dat meer dienstbaar gebleken is aan het overleven en de
natuurhistorische ontwikkeling van de mensheid, dan de formele logica van onze
verlichte geesten, tot bewuste
wetenschappelijke methode te maken. Deze methode, die tevens het juiste inzicht
geeft in wat het wetenschappelijk denken zelf is, is niets anders dan de
wetenschappelijke dialectiek zelf.
De formele scheiding van deductie en inductie is een
prestatie van de formele logica, die voor haar falen ze opnieuw te verenigen
gestraft werd om voor de rest van haar dagen totaal onbruikbaar te blijven voor
de ontleding van verschijnselen die een beetje ingewikkelder zijn dan de elementaire bewegingen in de klassieke
natuurkunde.
Samengestelde verschijnselen, zoals maatschappelijke verhoudingen,
kunnen niet door de formele logica worden verklaard zonder hun complexe
karakter geweld aan te doen door middel van het starre formalisme.
Ook Wallerstein die eveneens een ingebakken afkeer van
het starre formalisme koestert, amputeert echter de ledematen van het denken
waar hij ze in feite aan elkaar moest naaien. De starre formule stelt hij
gelijk aan de abstractie in het algemeen
en elke vorm van afdalen van het abstracte naar het concrete aan versteend
wereldschematisme. Daarom denkt hij de wetenschappelijke analyse te kunnen
redden door de deductie zoveel mogelijk te weren en de historische kritiek
voornamelijk verder te laten bewegen op de inductie. Dit vormt althans het
theoretische voornemen van Wallerstein.
Nog afgezien van de gelegenheden waarbij Wallerstein er
eenvoudig niet in slaagt om zich aan deze belofte te houden, zien we telkens
weer dat de inductie hem niet verder brengt dan twee treden in de richting van
de wetenschappelijke formule om hem dan terug in een warwinkel van de
ongeordende historische gegevens storten.
Om zijn eigen tekortkomingen aanvaardbaar te maken,
beroept hij zich op een nogal bedenkelijke vorm van argumentatie, die een
beetje doet denken aan de woedebui van een kind dat zijn zin niet krijgt:
zonder dat hij het nodig vindt om deze stap op één of andere manier te
rechtvaardigen verwerpt Wallerstein
gewoon het "essentialisme" van de marxistische methode. Het is niet
langer een deugd om in de op het eerste zicht chaotische stroom van
afzonderlijke feiten de elementaire drijfkrachten te zoeken, in de wirwar van
maatschappelijke betrekkingen de fundamentele betrekking die de lijm vormt
tussen al de overige; het is een ideologische afwijking, een dogmatische
uitwas...
Door middel van deze methode, waarin het enige
bindmiddel tussen de van elkaar losgescheurde verhoudingen van het kapitalisme
het abstracte begrip Historisch
Kapitalisme (of de vage formule
centrumperiferie) zelf is, bewijst Wallerstein dat hij er, alle voornemens om
tot een "geïntegreerd beeld" te komen ten spijt, niet in slaagt zijn
Amerikaanse afkomst te loochenen.
Over John Dewey's
geschiedenisfilosofie schrijft George
Novack het volgende:
"Een filosofie die moet opboksen tegen de
hedendaagse 'sociale en morele twistpunten' moet uitgerust zijn met een juiste
opvatting over de richting en de oorzaken van de geschiedenis. Dewey's
relativisme en particularisme verhinderden hem echter om tot een inzichtelijke
en samenhangende theorie van de historische ontwikkeling te komen. Onder het
mom de historische absolute begrippen van het idealisme te verwerpen, ontkende
hij dat een algemene theorie over de processen van sociale ontwikkeling enige
geldigheid of waarde kon hebben. Theorieën de onderwerpen als 'de staat, het individu; de aard van deze instellingen als dusdanig, de
maatschappij in het algemeen' zijn waardeloos, ja zelfs schadelijk, zegt hij
(Dewey), aangezien ze het onderzoek niet bijstaan maar afsluiten'. Historische,
sociologische en politieke veralgemeningen verwerven slechts praktisch nut en
betekenis in verbinding met concrete omstandigheden. Dit wantrouwen in veralgemeningen over de aard van de historische
ontwikkeling gaven een eclectisch karakter aan Dewey's verklaring van sociale
processen. Zijn neiging om heen en
weer te wiegen tussen bijna-materialistische en idealistische stellingen is
onder andere merkbaar in zijn interpretatie van de ontwikkeling van de
mentaliteit vanaf de wilde maatschappij, over de denkers uit de oudheid tot
zijn eigen filosofie."(Novack, Pragmatism
versus Marxism, An Appraisal of John
Dewey's Philosophy, Pathfinder Press, New York, 1978, p.201-202-mijn
cursief)
John Dewey is een vooraanstaand figuur in de Amerikaanse
traditie van het filosofische pragmatisme.
Deze laatste school is op haar beurt weinig anders dan het klassieke Britse
empirisme aangepast voor gebruik op Amerikaanse bodem.
Dewey is zich meer dan bewust van zijn eigen strekking.
Hij verwerpt heel duidelijk elke algemene theorie over de geschiedenis.
Wallerstein daarentegen stapt in de rol van tragische
held, van een Oedipus die zijn noodlot tracht te ontvluchten maar het juist
daardoor verwezenlijkt.
Hij wil juist niets liever dan, op zijn minst voor de
historische ontwikkeling van het kapitalisme, tot een algemene theorie komen en
hij doet met dit oogmerk werkelijk aandoenlijk oprechte pogingen "... om
de totale geïntegreerde realiteit zo adequaat mogelijk weer te geven door
achtereenvolgens datgene te behandelen wat tot uitdrukking komt op het
economische, politieke en cultureel-ideologische gebied."(p.7-8)
Maar aangezien hij niet kan loskomen van zijn inductieve
obsessie blijft hij, net zoals Dewey, gedoemd tot oriëntatieloos heen en weer
zweven tussen gevulgariseerd materialisme en idealisme. Evengoed als bij Dewey
wordt de historische ontwikkeling bij Wallerstein niet doorgrond, maar verschroot
tot een waarachtige Augiasstal vol vervormde en door elkaar vliegende
voorstellingen krampachtig samengehouden door het starre formalisme van de
centrum- en periferieverhouding.
Het was maar een kwestie van tijd eer de feitelijke theoretische wanorde die, in
weerwil met haar eigen wetenschappelijke pretenties, binnen de Wereldsysteem
Analyse bestaat, in eigen rangen, -en met rechtstreekse verwijzing naar de
ideeën van Wallerstein zelf!- haar bewuste
uitdrukking zou vinden in een openlijke
ontkenning van de mogelijkheid om tot een eengemaakt wetenschappelijk
inzicht in de historische ontwikkeling te komen. Bij een Vlaamse leerling van
Wallerstein lezen we, zonder onze weg kwijt te raken tussen de wild in het rond
gestrooide aanhalingstekens:
"Ik heb meermaals vermeld dat 'feiten'
'theoriegebonden zijn' en dat 'de' geschiedenis niet in haar geheel aanschouwd
kan worden. Men is steeds afhankelijk voor zowel de selectie van bronnen en
'feiten' als voor de verklaring van bepaalde 'vooronderstellingen' die nooit
perfect gescheiden kunnen worden van de fameuze (ideologische) 'waarden' en
'wereldbeelden’... We kunnen niet uitsluiten dat er ook andere maatschappelijke
krachten werkzaam zijn die niet onder onze historische systemen 'gesubsumeerd
kunnen worden'" (Saey M., Wereld-Systeem
Analyse, Een antwoord op 1968, Imavo VZW, Brussel, 1996, p.72)
De heer Saey heeft er geen flauw benul van dat hij
daarmee het laatste beetje wetenschappelijke schijn prijsgeeft dat de
Wereldsysteem Analyse moet onderscheiden van de gevestigde burgerlijke
geschiedschrijving: 'de' geschiedenis, de historische beschrijving in grote
stijl, neemt voor Saey dan ook de gestalte aan van een "mythe"
(ibidem), net zoals voor de door hem verketterde postmodernisten de
evolutietheorie slechts één van de
verhalen over de natuurgeschiedenis vormt, evenwaardig aan bijvoorbeeld het
Hebreeuwse scheppingsverhaal. Het is niet omdat er zich binnen het kader van de
geschiedenis feiten voordoen die zich niet rechtstreeks
en door middel van noodzakelijke bepaling
laten terugbrengen tot het ontwikkelingsproces van de productiekrachten, dat de
theorie van het historisch materialisme niet de algemene strekking van de menselijke geschiedenis kan behelzen.
Het verval van het Franse absolute vorstendom was een vaststaand en
onvermijdelijk gegeven, ook zonder de geslachtsdrift van Lodewijk XV die hem
meer openstelde voor de nefaste politieke inmenging van Madame de Pompadour,
dan voor de goedbedoelde raadgevingen van Turgot en Quesnay of van zijn meest
bekwame militaire adviseurs. Ook zonder het gewillig oor van de Tsarina voor de
charlatan Raspoetin was het mes geslepen voor de dynastie van de Romanows.
Misschien laten zelfs de meest toevallige historische feiten zich wel degelijk
"subsumeren" onder een algemene theorie als men ze beschouwt als de contingente uitdrukkingen van de
algemene beweging. Bij nader inzien vormen zowel de vooraanstaande rol van de
maîtresses in de politiek van de Franse vorsten als de positie van Raspoetin
aan het Russische hof, het bijgeloof van de Tsarina en de karakterzwakte van de
tsaar de rechtstreekse uitdrukkingen van een levensbeschouwelijke en zedelijke
crisis die op haar beurt weer verband houdt met de ganse maatschappelijke
doodsstrijd, die dan weer wel geheel
kadert in de structurele tegenstellingen tussen onderbouw en bovenbouw.
Bestaat het ganse proces van wetenschappelijke
abstractie er niet in dat men de verschillen en zo men wil, de toevalligheden,
buiten beschouwing laat om de algemene, fundamentele en noodzakelijke gelijkenissen
duidelijk te maken?
Is het dan, van de andere kant, niet logisch dat men ter
wille van de wetenschappelijke duidelijkheid soms afstand doet van het
contingente dat niet onmiddellijk in verband te brengen is met het algemene,
noodzakelijke?
De Wereldsysteem Analyse is zo getraumatiseerd door de
dogmatische verdraaiingen van het stalinisme, dat het uiteindelijk, op de
empirische wijze waarmee ze te werk gaat, niet anders kan, dan het kind met het
badwater weg te gooien en uiteindelijk de wetenschappelijk te doorgronden
samenhang tussen de historische tijdperken ook maar naar de mestvaalt van de
geschiedenis verwijst als "essentialisme" en dogmatisme. Maar
daardoor werpt ze zichzelf terug op het braafburgerlijke bedrijf van de
gevestigde geschiedschrijving die zich ertoe beperkt om heen en weer te
pendelen tussen het richtingloos opstapelen van schijnbaar steeds toevallige
gebeurtenissen enerzijds en een beklemmend historisch schematisme anderzijds.
Tegen deze theoretische beestenboel is maar één kruid meer
gewassen, en het is meteen een paardenmiddel: De Duitse filosofie.
Zoals geweten ontleent het marxisme zijn methode aan de
Duitse traditie van de kritische filosofie, die begint met Immanuel Kant en eindigt met Ludwig
Andreas Feuerbach. De kritische methode werd geperfectioneerd door het
Duitse idealisme, dat zich geen minder ambitieus doel stelde dan door te
dringen tot de ware aard van het wetenschappelijk denken.
Hegels Encyclopedie
der Filosofische Wetenschappen, betekent dan weer, nog meer dan zijn Fenomenologie van de Geest, een
hoogtepunt in de traditie van het Duitse idealisme. Is de Fenomenologie, zoals
de jonge Marx schreef, de bakermat van Hegels filosofie, de Encyclopedie is de
meest volledige weergave van zijn systeem.
Na Hegel begon het ontbindingsproces van de
idealistische wereldbeschouwing in een school, enerzijds, die de reactionaire
trekken van Hegels leer benadrukte om oude, hopeloos vermolmde religieuze
dogma's te reanimeren, en een richting, anderzijds, die Hegels methode als vooruitstrevende
kritiek op de instellingen van het Pruisische absolutisme ging toepassen.
In zijn jonge jaren een overtuigd aanhanger van
laatstgenoemde stroming, gaf Marx, nadat Ludwig Feuerbach in zijn Wesens des Christentums zijn
vernietigende maar toch slechts voorlopige vonnis had geveld over de
godsdienst, het hegeliaanse idealisme als dusdanig de nekslag. Of zoals Engels
het uitdrukte: Marx plaatste Hegel op zijn kop, of juist van zijn kop op zijn
voeten.
Om een lang verhaal kort te maken: Marx heeft de
idealistische wereldbeschouwing vervangen door een materialistische, maar
behield de methode, Hegels logica.
Zolang we ons beperken tot de logica van Hegel is het mogelijk de oude Duitser zelf aan het woord
te laten, zonder de leesbaarheid te bezwaren door voortdurend aan diens
uitspraken het materialistische voorbehoud te moeten koppelen.
De logica, zegt Hegel, is de wetenschap van de zuivere idee, 't is te zeggen: de idee
in haar abstracte element van het denken:
"De logica is de meest moeilijke onder de
wetenschappen in die zin dat ze niets vandoen heeft met intuïties, zelfs niet,
zoals de meetkunde, met abstracte zintuiglijke voorstellingen, maar met zuivere
abstracties en ook in die zin dat ze een zekere kracht en een zekere oefening
vereist om zich terug te kunnen trekken in de zuivere gedachte, deze laatste
stevig vast te houden en om zich te kunnen bewegen binnen een dergelijke
gedachte."(Hegel, Encyclopédie des
Sciences Philosophiques en Abrégée, Gallimard, 1970, 1ste dl, Science de la
Logique, §19, p.93)
De logica is de wetenschap van het denken als dusdanig,
de voorwaarden waaronder de rede van het ene oordeel op het andere mag
overgaan. Wat de vorm betreft, heeft de logica drie
aspecten : a) Het abstracte
aspect, "dat uitgaat van het begripsvermogen (qui relève de l'entendement)", b) Het dialectische of "negativo-rationele"
aspect en c) Het speculatieve of
"positivo-rationele" aspect
(Encyclopédie, p.139)
Deze drie aspecten, zo voegt Hegel er onmiddellijk aan
toe, zijn geen van elkaar gescheiden delen
van de logica, maar drie momenten die
werkzaam zijn in elk logisch denken. Het eerste aspect, het verstaan,
onderscheidt het ene abstracte begrip van het andere, paalt hun verschillende
betekenissen af tegenover elkaar. Het dialectische moment is het gebeuren
waarbij dergelijke bepalingen overgaan in hun tegengestelde. Het derde element,
tenslotte, het speculatieve of positivo-rationele moment begrijpt de
tegengestelden als deel uitmakend van een zelfde werkelijkheid.
Zelfs voor de klassieke formele logica, wier spelregels
slechts de wederzijdse uitsluiting van tegengestelden kent, die niet
dialectisch redeneert, maken de tegengestelden deel uit van hetzelfde systeem.
Als we redeneren
op het niveau van de methode zelf, dan zien
we dat A en -A eenvoudigweg niet zonder elkaar kunnen. Zonder de tegenstelling
tussen A en -A stort het hele systeem van de Fregeaanse logica in elkaar.
Tenslotte is deze volledig gebaseerd op een formele weergave van hun onderlinge
verhouding in het zogenoemde ex falso
quodlibet: als A en niet-A waar zijn, dan is ook B automatisch waar; als ik
zowel de propositie als haar ontkenning mag aanvaarden, dan mag ik alles
aanvaarden, dan ben ik bij de trivialiteit aanbeland.
Een formeellogicus van de klassieke stempel zou
natuurlijk kunnen opmerken dat ik mij nu ongeoorloofd van het niveau van de
logische taal zelf op het niveau van de methode als eenheid begeef. De dialectische methode is er juist op
gebaseerd dat het zichzelf als wetenschappelijk kennen wil doorgronden door van
het lagere niveau naar het hogere te verschuiven en omgekeerd.
De Fregeaanse logica beweegt zich steeds op hetzelfde
niveau, het niveau uitgestippeld door zijn strenge syntaxis, door alles deductief af te leiden uit een paar
centrale stellingen. Daardoor wordt versteent deze logica zodanig het denken
dat het niet tot een volledig en algemeen begrip kan komen van wisselende
verhoudingen in de werkelijkheid zonder juist de beweeglijkheid, het wisselen
zelf, buiten beschouwing te laten.
Maar Wallerstein verwerpt de deductie; hij doet aan
inductie. Zijn verkeer tussen het bijzondere en het algemene voltrekt zich in
de omgekeerde richting.
Wallersteins inductieve methode is een reactie -en in
het voorwoord tot zijn Historisch
Kapitalisme verklaart hij dat uitdrukkelijk- tegen de starre deductieve
benadering.
Maar voor Hegel zijn mensen van het slag van Wallerstein
nihil novum sub sole*.
Hegel: "De behoefte van één kant
aan een concrete inhoud tegenover de abstracte theorieën van het
begripsvermogen... leidde in de eerste plaats tot het empirisme, dat, in plaats van de waarheid te zoeken in de gedachte zelf, haar uit de ervaring wil puren, uit het uiterlijke
en innerlijke heden." (Encyclopédie,
p.104- cursivering van de auteur)
Wallerstein: we moeten uitgaan van de tegenwoordige realiteit van
het kapitalisme.
Hegel: "Enerzijds heeft het empirisme zijn bron met de
metafysica (het strak-deductieve redeneren-nvda.) gemeen, in die zin dat deze
laatste om haar definities geloofwaardig te maken - de vooronderstellingen
zowel als hun meer nader bepaalde inhoud - evengoed haar garanties ontleent aan
de voorstellingen, 't is te zeggen aan de inhoud waartoe de ervaring toegang
geeft." (p.105) Anderzijds, zegt
Hegel - en nu komt het- "onderscheidt de enkelvoudige waarneming zich van
de ervaring en het empirisme verheft de inhoud zoals hij uit de waarneming voortkomt tot het gevoel en de
intuïtie, tot en met de vorm van voorstellingen,
proposities, wetten die universeel zijn." (Ibidem)
Wallerstein en de Wereldsysteem Analyse trachten, vertrekkende van
een gigantische opeenhoping van empirische gegevens alle elementen van het
wereldgebeuren onder te brengen in het vage en beklemmende
centrum-periferieschema. De politiekgeografische verschillen en de
internationale economische afhankelijkheid tussen de metropool en de periferie
worden overhaast veralgemeend tot een nieuw wereldbeeld dat in de plaats moet
treden van de oude marxistische theorie die handelde over de interne
bewegingswetten van de kapitalistische productiewijze. Uit de waarneming dat
het historisch kapitalisme de huiselijke arbeid van vrouwen
"onderwaardeert", wordt algemeen de onderdrukking van de vrouw
afgeleid, zonder er rekening mee te houden of het misschien gaat om
overgeleverde en bijgeschaafde verhoudingen uit vorige periodes, zonder zich
ook maar enigszins te bekommeren om de vraag waarom de gedachte aan de
bevrijding van de vrouw juist opgeld begint te maken in de moderne burgerlijke
maatschappij.
Hegel: "De fundamentele illusie van het
wetenschappelijke empirisme bestaat hierin: het maakt gebruik van metafysische
categorieën zoals materie, de kracht, en ook het ene, het meervoudige, het
universele, het oneindige enz. en volgt eveneens de leidraad van deze
categorieën om nieuwe gevolgtrekkingen
te maken; en zodoende vooronderstelt en gebruikt het (empirisme) deze vormen
van gevolgtrekking en weet uiteindelijk niet meer dat het zelf een metafysica
aanhangt en toepast en dat het deze categorieën en hun onderlinge verhoudingen
op zo'n manier gebruikt dat ze totaal worden ontdaan van inhoud en
kritiek."(p.105)
Bij Wallerstein:
het afleiden van het woord
kapitalisme uit het woord kapitaal,
het verschijnsel kapitaal uit het
meerproduct of arbeidsoverschot om uiteindelijk te belanden bij de volstrekt
arme definitie van kapitalisme als maatschappijvorm waarin dit arbeidsoverschot
wordt aangewend voor zelfexpansie; verder: de inhoudsloze historische
veralgemening dat "de factor arbeid steeds een centrale rol heeft gespeeld
in het productieproces"; van deze "vaststelling" over naar de
loonarbeid, totaal betekenisloos en verkeerd omschreven als de koop en verkoop
van arbeid ...
In het algemeen: een grote hutsepot van idealistische en
vulgair-materialistische verklaringen, mechanisch op één hoop gegooide
veralgemeningen en voorbijgestreefde halve waarheden of volledige dwalingen.
Marx moet hebben voorvoeld dat er meer dan een eeuw
later een Wallerstein zou opduiken wanneer hij in zijn Grundrisse de door hemzelf in de economie toegepaste methode wou
belichten:
"Het schijnt correct om te beginnen met het
werkelijke en het concrete, met de werkelijke onmisbare voorwaarde (the real precondition) dus om in de
economie aan te vangen met bijvoorbeeld de bevolking, die het fundament en het
handelend voorwerp (the subject) van
het gehele sociale gebeuren van de productie uitmaakt. Bij nader onderzoek
blijkt dit echter onjuist te zijn. De bevolking is een abstractie wanneer ik de
klassen buiten beschouwing laat waaruit ze is samengesteld. Deze klassen op hun
beurt veranderen in een lege frase als ik niet vertrouwd ben met de elementen
waarop ze berusten. Bijvoorbeeld loonarbeid, kapitaal, etc. Deze laatste
veronderstellen op hun beurt dan weer ruil, arbeidsdeling, prijzen, etc.
Kapitaal bijvoorbeeld is niets zonder loonarbeid, zonder waarde, geld, prijzen,
etc. Wanneer ik dus zou beginnen met de bevolking, zou ik een chaotische
voorstelling van het geheel krijgen en ik zou door middel van verdere bepaling,
op analytische wijze tot steeds eenvoudiger begrippen komen, van het ingebeelde
concrete tot steeds ijlere abstracties, tot ik uiteindelijk ben aanbeland bij
de meest eenvoudige bepalingen (determinations)."
(Grundrisse, p.100-mijn cursief)
Deze methode, het uitgaan van wat ogenschijnlijk het
meest concrete niveau leek - bevolking, de staat, de natie -, zo gaat Marx
verder, vormde de werkwijze van de zeventiende eeuwse economen. Het resultaat
was niets anders dan een onsamenhangende opeenstapeling van abstracte begrippen
zoals arbeidsdeling, geld, ruilwaarde. Van een werkelijke economische
wetenschap die naam waardig kon pas sprake zijn wanneer deze abstracties
gebruikt werden als vertrekpunt om de maatschappelijke samenhang tussen deze
economische categorieën te vatten, dus vanaf het ogenblik dat ze toegepast
werden op concrete maatschappelijke verschijnselen. Marx zegt dan ook dat, eens
de onderzoeker aan het eind van de eerste beweging, deze van het zogenoemde
concrete naar het abstracte, gekomen is, "de terugweg moet worden
aangevat".
"Van zodra deze individuele momenten min of meer op
solide wijze en als abstracties waren gegrondvest, zagen deze economische
leerstelsels het licht die opstegen van de eenvoudige verhoudingen, zoals
arbeid, arbeidsdeling, behoefte, ruilwaarde, naar de staat, de ruil tussen de
naties en de wereldmarkt." (Grundrisse, p.100-101) Het eindresultaat van
deze wetenschappelijke terugreis bleek dan ook "geen chaotische opvatting
over het geheel, maar een rijk geheel van talrijke bepalingen en
verhoudingen."(Grundrisse, p.100)
Wallerstein begint niet met de bevolking, maar met het
kapitaal, dat zich op één of andere manier onmiddellijk
aan hem openbaart als arbeidsoverschot dat voor zelfexpansie wordt aangewend.
Het belang van het kapitaal blijkt uit het woord kapitalisme. De uitkomst van
zijn inductieve benadering is een vergelijking, niet met twee, maar met drie onbekenden, drie "ijle
abstracties": kapitaal, kapitalisme en de relaties die de kapitalist moet
aangaan om tot de zelfexpansie van het kapitaal te komen.
Het kapitaal
is niet geduid in zijn hoedanigheid als maatschappelijke verhouding; naar het
werkelijke proces van zelfexpansie
hebben al evengoed het raden; welke relaties
de kapitalist moet leggen om tot deze zelfexpansie te komen moeten we vernemen
buiten de definitie om.
Eens de tegenwoordige realiteit door de
hakselmachine van de Wereldsysteem
Analyse is gehaald, schiet er niets anders meer over dan deze relaties te
definiëren vanuit een metafysische kapitalist en een economisch rationele
arbeider. De ganse maatschappij wordt herleid tot de verhouding tussen twee
personen, of liever gezegd twee geesteshoudingen: de belangstelling van de
kapitalist en het economische doorzicht van de arbeider. Plots herinnert de
heer Wallerstein zich dat hij aan historische kritiek moet doen. Hij moet
uitleggen waarom er van proletarisering sprake is geweest en hij vindt er niet
beter op dan in de plaats van de historische en economische analyse de
politieke aardrijkskunde te stellen: er was sprake van proletarisering omdat de
wereld zich begon op te delen in centrum en periferie. Tenslotte valt het hem
te binnen dat hij ook nog moet uitleggen waarom
het historisch kapitalisme is ontstaan en hij krijgt niets anders over de
lippen dan dat de kapitalistische productiewijze een anomalie in de historische
ontwikkeling was, dat de maatschappij zich eigenlijk
aan het bewegen was in de richting van een meer egalitaire, gedecentraliseerde
maatschappij.
De revolutie in de sociale wetenschap die de
Wereldsysteem Analyse aankondigt, is een muis gebaard door een berg.
Uiteindelijk zien we Wallersteins beeld van de dingen, naarmate de schaduw van
de inductieve methode vlees en kleur krijgt, helemaal niet de gestalte aannemen
van het verlangde alternatief op de heersende methode. Voor ons ontwaren we nu de
verkalkte gedaante van de bestaande
academische praktijk zelf.
II.
Het historisch materialisme heeft zeker niet de
pretentie om het laatste woord van de geschiedschrijving te willen spreken. Het
weet van zichzelf dat het slechts in staat is om de algemene richting van het
historische proces te voorspellen.
Zoals we zo-even aan de hand van Saey konden aantonen en
zoals onmiddellijk voortvloeit uit de onwil van de Wallersteinianen om de
historische wetmatigheid te aanvaarden, wordt de geschiedenis op de duur niet
meer beschouwd als het veelzijdige ontwikkelingsproces van het maatschappelijk
leven en wie dat wel doet, krijgt onverbiddelijk het etiket van mythe-breier of
idealist opgekleefd.
We laten opnieuw het marxisme voor zichzelf spreken.
"De geschiedenis", zegt Marx, "is niets
anders dan de opeenvolging van de afzonderlijke generaties, waarbij elke
generatie het materiaal, het kapitaal en de productiekrachten, die alle
voorafgaande generaties hebben nagelaten, exploiteert en dus enerzijds de traditionele
activiteiten onder totaal veranderde omstandigheden voortzet en anderzijds met
een totaal veranderde activiteit de oude omstandigheden verandert. Dit kan men
nu zo speculatief gaan verdraaien, dat de latere geschiedenis tot het doel van
de vroegere geschiedenis gemaakt wordt. (...) Op die manier krijgt de
geschiedenis haar eigen doeleinden, wordt zij een 'persoon naast andere
personen'."(Marx, De Duitse
Ideologie, dl.I, Socialistische Uitgeverij Nijmegen, p.38)
Voor wie er zoals Wallerstein een oppervlakkig en
gevulgariseerd beeld van het historisch materialisme op nahoudt, lijkt de
marxistische opvatting over de geschiedenis zich zelf inderdaad schuldig te
maken aan de fout waarvoor Marx hier waarschuwt. Wanneer de wetmatigheden die
werkzaam zijn in de geschiedenis en die haar algemene richting aangeven zekere voorspellingen toelaten, ligt het
voor de empirist voor de hand het marxisme zelf de idealistische doel/oorzaak
verdraaiing in de schoenen te schuiven.
"Het ernstigste bezwaar tegen het marxisme,"
schrijft de historicus Goldston, "blijft ... de filosofische basis. Marx
vaagde de mystiek uit de geschiedenis en liet haar zonder het te weten weer toe
in zijn theorie van de dialectiek. These,
antithese en synthese zijn abstracte, mystieke termen zonder een concrete
betekenis. Men heeft het gevoel dat de geschiedenis bij Marx een echt en
massief wezen was, dat ieder moment door de deur van zijn armzalige huis binnen
kon wandelen en hem een hand geven. Maar geschiedenis is niet meer dan een
zelfstandig naamwoord. Hoe hij er ook tegen vocht, Marx bezweek onbewust over
de oude menselijke ondeugd realiteit aan theorie toe te schrijven. De
geschiedenis neemt voor hem de plaats van God in. De geschiedenis wikt en
beschikt, beloont en straft; ze heeft haar eigen logica waarvan wij de
hulpeloze slachtoffers zijn." (Goldston R., De Russische Revolutie, Uitgeverij Paris, Amsterdam, 1970, p.48)
Marx was echter beter in het reine gekomen met zijn idealistische verleden dan Goldston, en met
hem de meeste burgerlijke historici en filosofen, willen toegeven. These,
antithese en synthese zijn termen die niet mystieker of abstracter zijn dan Minor, Maior en Conclusio, de
drie hoofdmomenten van het formeellogische syllogisme. Integendeel. Het wetmatige verloop
van de geschiedenis is bij Marx niet het gevolg van de inwerking van één of
andere boven de werkelijkheid zwevende halfgoddelijke stuwkracht, maar van de
onderlinge verhoudingen tussen de feiten zelf. De mensen worden geboren,
opgevoed en handelen binnen verhoudingen die reeds voor hen zijn beschikt, die
hen door voorafgaande generaties werden overgeleverd.
"Men hoeft er niet aan toe te voegen," zo zegt
Marx nadat hij de verhouding tussen productiekrachten, productieverhoudingen en
de rest van het maatschappelijke leven heeft uiteengezet, "dat de mensen
hun productiekrachten -het fundament
van hun hele geschiedenis- niet vrijelijk kiezen; want iedere productiekracht
is een verworven kracht, het product van vroeger handelen. De productiekrachten
zijn dus het resultaat van de aangewende energie van de mensen, maar deze
energie zelf is begrensd door de omstandigheden, waarin de mensen zich
geplaatst zien, door de reeds verworven productiekrachten, door de
maatschappijvorm die er al voor hen is, die ze niet scheppen, die het product
is van de voorgaande generatie. Dankzij het eenvoudige feit dat iedere nieuwe
generatie verworven productiekrachten aantreft, die haar als grondstof voor
nieuwe productie dienen, ontstaat een
samenhang in de geschiedenis van de mensen, ontstaat de geschiedenis van de mensheid, die des te meer de geschiedenis
van de mensheid is, naarmate de productiekrachten van de mensen en
dientengevolge hun maatschappelijke betrekkingen toenemen."(Marx, Brief van 28 december 1846 aan Pawel Wassiljewitsj
Annenkow, opgenomen als bijlage tot : Armoede van de Filosofie, Progres,
Moskou, 1974, p.166-167)
Wie hier nog een idealistische,
"teleologische" (doelgerichte) opvatting over de geschiedenis in
ziet, wie hier de geschiedenis bij Marx in de Rue d'Orléans nr.42 te Brussel
ziet binnenstappen om hem de hand te drukken, moet zich geen vragen meer
stellen over de samenhang van de historische gebeurtenissen, maar over de samenhang in zijn eigen hoofd.
III.
Het wetmatige verloop van de geschiedenis is niet het
gevolg van de inwerking van krachten die op zich genomen vreemd zijn aan de
historische feiten zelf, maar van de innerlijke
samenhang van de geschiedenis, van de samenhang tussen de feiten zelf, van
de werkelijke verhoudingen tussen de feiten. De mensen worden geboren, groeien
op, beginnen historisch te handelen in verhoudingen die zij niet zelf hebben
gekozen, maar die hen werden overgeleverd. Daarom is niet alleen een gegeven
maatschappelijke toestand wetenschappelijk te verklaren, in een aantal
wetmatigheden te gieten, maar tevens het
ganse historische proces, of alleszins zijn algemene verloop. Zoveel weten
we nu al.
Terwijl ze hun geschiedenis maken, ontwikkelen de mensen
zowel krachten als daaraan beantwoordende tegenkrachten
die, naarmate de overheersende
productiewijze zich verder ontwikkelt, duidelijker aan de dag treden en na
verloop van tijd onverdraaglijk zwaar beginnen wegen op de levensvatbaarheid
van de productiewijze zelf. Naarmate de productiewijze zich ontwikkelt, ontwikkelen
zich tegelijkertijd de tegenstrijdigheden inherent aan deze productiewijze, tot
op het moment dat de verschillende samenstellende delen van de maatschappij,
productiekrachten, productieverhoudingen, politiek-juridische bovenbouw, de
ideeën die ermee moeten overeenstemmen eenvoudig niet meer naast elkaar kunnen
blijven bestaan. Dan breekt er een periode van maatschappelijke revoluties aan,
die de hinderpalen voor de nieuwe productiewijze ongenadig opruimen.
Als de mensen de bestaansvoorwaarden van de vorige
generaties overgeleverd krijgen, dan erven ze eveneens de tegenstellingen inherent aan deze bestaansvoorwaarden. De generaties die een bepaalde verhouding
vervolmaken of uitbreiding laten nemen, ontwikkelen eveneens de
tegenstrijdigheden dewelke in deze verhoudingen opgesloten zitten.
Slechts de kenmerken van de dialectische methode,
overgang van kwantitatieve ontwikkelingen in kwalitatieve sprongen, het
ineenvloeien van tegengestelden, het verschuiven van niveau, kortom het ganse
proces van ontkenning en ontkenning van de ontkenning, volstaan
om de geschiedenis op wetenschappelijke wijze samen te vatten. Alleen de
dialectiek kan opheldering brengen in de stroom van gebeurtenissen die
gezamenlijk de geschiedenis van de mensheid vormen.
De primitieve productiewijze van jagen en verzamelen
leidde, naarmate de technologie zich verder ontwikkelde, tot een toename van de
bevolking, dus tot een toename van de bevolkingsdruk op de beschikbare
natuurlijke hulpbronnen. De mensen moesten steeds actiever ingrijpen in de
reproductie van hun hulpbronnen. De kwalitatieve overslag is de agriculturele
revolutie, het proces waarbij, in de relatieve korte tijdspanne van enige
duizenden jaren, de verpletterende meerderheid van de wereldbevolking is
overgegaan op de landbouw. De these is het leven van de spontane productie van
de natuur, de antithese de noodzaak tot steeds intensievere bewerking van het
product, de synthese de totale omslag van de oude levenswijze in een nieuwe,
die het voortplantingsproces van de levende voedselbronnen zelf moet gaan
beheersen.
De verdere ontwikkeling van de landbouw vernietigt
gaandeweg steeds meer instellingen van de oude maatschappij : de gelijkheid
tussen man en vrouw, de democratische besluitvorming, het gemeenschapsbezit van
het bewerkte territorium, de egalitaire verdeling van de rijkdom, de maatschappelijke gelijkheid in het
algemeen.
De eerste beschavingen zijn meteen ook de hoogste
ontwikkelingstrap van het primitieve communisme. Op het gemeenschapsbezit van
de landbouwgrond verheft zich een politieke bovenbouw van priester-krijgers,
die zich, als wederdienst voor hun rol in het beheer van de
waterbeheersingswerken, het arbeidsoverschot toe-eigenen. Deze maatschappijvorm
is zo vrij van interne structurele tegenstrijdigheden, dat hij alle
technologische ontwikkelingen die binnen
haar grenzen tot ontplooiing komen, kan opvangen. Slechts ecologische
catastrofes of invallen van vreemde volkeren (en dan nog in een minderheid van
de gevallen!) kunnen deze formatie ontredderen. Opstanden leiden hoogstens tot
dynastieke veranderingen, niet tot maatschappelijke, of tot de
gemeenschappelijke ondergang van de strijdende partijen. Menig vreemde
indringer vindt er niets beter op dan de bestaande productiewijze voor zijn
rekening te laten verderwerken.
Daarom kon een hogere maatschappijvorm dan het Oosters
despotisme of de Aziatische productiewijze zich slechts uit een lagere
ontwikkelen en verschoof het brandpunt van het beschavingsproces van de oude
Aziatische beschavingen en Egypte naar het primitievere Middellandse Zeegebied,
waar de beschaving haar grootste voorwaartse passen niet zette op basis van het
centraal beheer van de waterbeheersing, maar op basis van de slavernij.
Van een bijkomstige hulpkracht werd de slaaf het
voetstuk van de beschaving. Maar de slavernij kende wel degelijk haar interne
tegenstrijdigheden. Eerst en vooral gaf het verval van de oude patriarchale
boerenmaatschappij en de usurpatie van adellijke grootgrondbezitters aanleiding
tot een heftige klassenstrijd, waarvan de afloop vorm gaf aan de specifieke
staatsvormen van de Europese Oudheid. Hoi
Polloi* tegen Kaloskagathoi** in Athene, de Kleinaziatische kolonies en
de Griekse nederzettingen in Zuid-Italie;Helotoi*** en Spartiaten**** in Sparta; Plebejers en Patriciers, Proletarii en Optimates***** in Rome.
De slaaf, eeuwenlang een bijkomstige hulpkracht in de
landbouw en het ambachtelijke bedrijf, wordt gaandeweg de voornaamste
produktieve basis van de samenleving. Opnieuw omslag van kwantiteit in
kwaliteit.
De slavenproductiewijze kende, over het geheel van de
Oudheid bezien, drie grote groeifasen.
De
pioniersrol komt ontegensprekelijk toe aan de Griekse stadsstaten uit de
Klassieke Oudheid. De Tyranniën die voortkwamen uit de klassenstrijd tussen de
adellijke grootgrondbezitters en het volk zorgden voor een landbouwwetgeving en
een militaire organisatie (de hoplieten-falanx) die de weg effenden voor de
Griekse polis van de vijfde eeuw
V.C., aldus Perry Anderson,...
"Maar voor de ontwikkeling van de klassieke Griekse
beschaving was een andere en meer doorslaggevende vernieuwing nodig. Deze was
natuurlijk het invoeren van de slavernij op grote schaal. Het bewaren van de
kleine en middelgrote landeigendom had een opgeld makende sociale crisis in
Attica en elders weten op te lossen. Maar op zichzelf zou dit gegeven de
politieke en culturele ontwikkeling van de Griekse beschaving bevroren hebben
op het niveau van Beotische barbarij, omdat het de ontwikkeling van een meer
complexe arbeidsverdeling en van de verstedelijking in de weg stond.
Betrekkelijk gelijkwaardige boerengemeenschappen konden dan misschien wel
fysiek samenstromen in steden; maar op dit eenvoudig ontwikkelingspeil hadden
ze nooit de bloeiende stedelijke beschaving tot stand kunnen brengen waarvan de
Oudheid nu voor het eerst getuige was. Hiertoe moest de meerarbeid van
gevangenen veralgemeend worden." (Anderson, Passages from Antiquity
to Feudalism, p.35)
Het eerste grote stadium van de
slavenhoudersmaatschappij bereikte zowel zijn hoogtepunt als zijn slotfase met
de Delisch-Attische hegemonie van Athene. De voornaamste beperking van de
Atheense ordening bestond erin dat ze er niet in slaagde om de onder de knoet
gehouden bondgenoten onder te brengen in één gecentraliseerd staatsbestel. Dit
had in de praktijk alleen maar kunnen betekenen dat Athene zijn democratisch
model had moeten veralgemenen tot het geheel van de Attisch-Delische
bondgenoten, wat gezien de belangrijke rol van de massale volksvergaderingen op
dit peil van technische en maatschappelijke ontwikkeling totaal onmogelijk was.
De democratische inspraak van de vrije staatsburgers op het thuisfront stond
niet alleen in een onwrikbare tegenstelling tot de tirannieke onderdrukking van
de aan Athene schatplichtige bondsleden; ze stond ook de vorming van een
professionele staatsbureaucratie in de weg, die nodig was geweest om een
wereldrijk te leiden. De oorlogen tegen een bond van gelijkwaardige
oligarchieën onder leiding van Sparta, de Peloponnesische Oorlogen, wierpen
uiteindelijk het doek over de macht en de luister van de stad van
Perikles.
Het patriarchale koninkrijk van de Macedoniërs sprong in
het machtsvacuüm van de kortstondige hegemonieën en de uitputtingsoorlogen na
de val van Athene en legde de basis voor de tweede groeicyclus van de Antieke
beschaving: de Hellenistische fase. De veroveringen van Alexander leidden niet
zozeer tot een uitbreiding van de slavenproductiewijze. In wezen lieten de
Grieks-Macedonische veroveraars de Aziatische productiewijze zelfs betrekkelijk
onaangeroerd. Maar ook al viel het rijk van Alexander na het overlijden van
zijn stichter uiteen in een aantal middelgrote despotenrijken, zijn
veroveringen vergrootten de reikwijdte van de stedelijke beschaving door het
invoeren van gecentraliseerd staatsbestuur boven de hoofden van de oude, in
vroeger tijden steeds onder elkaar kibbelende poleis en de bevordering van de wereldhandel op een schaal die het
Middellandse Zeegebied nog nooit tevoren had gezien.
Zette de slavenproductiewijze formeel gezien met het
Hellenisme een stap terug, of bevroor ze in het beste geval haar
verworvenheden, het Hellenisme riep de voorwaarden in het leven waaronder de
slavenhoudersmaatschappij haar volgende, hoogste en laatste groeifase kon
ingaan: het Romeinse imperium.
De Romeinse slavenmaatschappij bereikte haar hoogtepunt
als synthese van de slavernij, die in Athene de voorwaarde vormde voor de
democratie, en de aristocratische en imperialistische tradities van het
Hellenisme. In deze onderlinge combinatie bereikten beide tradities een veel
hoger ontwikkelingspeil dan de mediterrane beschavingen die aan de opkomst van
Rome voorafgingen. Maar juist daarom lieten ook de beperkingen, de structurele
tegenstrijdigheden van de op slavernij gebaseerde productie zich in de Romeinse
fase op de meest doorslaggevende wijze gelden.
Door de arbeider te herleiden tot instrumentum vocale (sprekend gereedschap) dat met lijf en leden
toebehoort aan de slavendrijver, werd een enorme accumulatie van rijkdom in de
handen van zeer weinigen mogelijk, alsook een nooit geziene vlucht van het
culturele leven. Maar naarmate de fysieke arbeid meer en meer een zaak werd van
slaven, begonnen ook de remmen van de
slavernij op de ontwikkeling van de productiekrachten steeds duidelijker aan
het licht te komen. Slaven zijn
totaal onbruikbaar waar gewerkt wordt met ingewikkelde, dure, en fragiele
werktuigen die een zekere zorgzaamheid van de arbeider vereisen. Herleiden de
bestaande verhoudingen de mens tot sprekend gereedschap, de slaaf laat zijn
werktuigen voelen dat hij mens is. Paarden, die door hun fysieke veerkracht
onontbeerlijk waren voor de ontginning van zware vruchtbare leemgrond, maar
veel minder dan muildieren en runderen de mishandelingen van de slaaf konden
verdragen, konden noch in de Oudheid, noch in de slavernij die in de kolonies
de sokkel vormde van de vroege kapitalistische ontwikkeling, ingezet worden.
Zelfs ijzeren ploegscharen -van de keerploeg die de zoden omkeert in plaats van
alleen maar de grond omwoelt was al helemaal geen sprake - kenden in de Oudheid
geen algemene verspreiding. Bij de Grieken waren ijzeren ploegscharen eerder
uitzondering dan regel. Het is geen toeval dat de laatste grote technologische
vernieuwingen van de antieke beschaving bijna één voor één dateren uit de
Hellenistische periode en dat er voor de rest werd verdergewerkt met werktuigen
en procédés die rechtstreeks waren overgeleverd uit het laat-stenen tijdperk.
Het is geen toeval dat, zoals Anderson opmerkt, het museum van Alexandrië de
voornaamste van de weinige technische vernieuwingen uit de Antieke periode
heeft voortgebracht en dat zijn huisbewaarder Ctesibius "een van de
weinige vermaarde uitvinders van de Oudheid was"(Anderson, p.51).
Want niet alleen de slaaf was een hinderpaal voor de
ontwikkeling van de productiekrachten. De vrije hield zich op de duur al
evenmin bezig met praktische
uitvindingen die de productiviteit konden opdrijven. Zo kwam het dat
samenlevingen die al begonnen waren met de geheimen van de stoomkracht te
doorgronden, voor wie wind- en waterkracht al helemaal geen geheimen meer
kenden, grotendeels verder moesten boeren met werktuigen uit de barbarij. De
slavernij werd hoe langer hoe minder rendabel. De noodzaak om een topzwaar en
peperduur staatsapparaat in stand te houden, gaf aan de slavernij uiteindelijk
de genadestoot. Met het einde van de Romeinse expansie droogde ook de toevoer
van nieuwe slaven op en de zeer trage voortplanting van de reeds voorhanden
slaven was ontoereikend om te voorzien in de behoefte aan arbeidskracht. Vanaf
Marcus Aurelius werd het kolonaat, de schatplichtige horigheid in plaats van de slavernij, een officiële instelling en
de laatstgenoemde werd geleidelijk aan uitzondering in plaats van regel.
Gevangen genomen volkeren werden niet meer in slavernij weggevoerd, maar als inquilini, schatplichtige boeren, aan
het werk gezet.
"De antieke slavernij had haar tijd overleefd. Noch
in het grote landbouwbedrijf, noch in de stedelijke manufaktuur was zij nog
lonend: de markt voor haar producten was verdwenen. De kleine akkerbouw echter
en het kleine handwerk waartoe de reusachtige productie uit de bloeitijd van
het rijk ineengeschrompeld was, bood geen plaats voor talrijke slaven. Alleen
voor huis- en luxeslaven van de rijken was er nog plaats in de maatschappij.
Maar de uitstervende slavernij was nog altijd voldoende om alle produktieve
arbeid als slavenwerk te doen beschouwen, als onwaardig voor de vrije Romein,
en dat was nu immers iedereen. Vandaar een toenemend aantal vrijlatingen van
overbodige, tot last geworden slaven, anderzijds toename van kolonen en van
verarmde vrijen. (...) De slavernij loonde niet meer, daarom stierf zij uit.
Maar de verdwijnende slavernij liet haar giftige angel achter in de
veroordeling van de produktieve arbeid van vrijen. Hier bevond zich de Romeinse
wereld in een onontkoombare impasse: de slavernij was economisch onmogelijk, de
arbeid van vrijen werd moreel veroordeeld. De ene kon niet meer, de ander nog
niet, de grondvorm zijn van de maatschappelijke productie. Het enige wat hier
kon helpen was een grondige revolutie." (Engels, De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de
staat, Progres, Moskou, p.199-200)
De verbrokkeling van het Romeinse rijk en de invallen
van de Germaanse stammen gaven uiteindelijk de genadestoot aan de zieltogende
Pax Romana.
De feodale maatschappij kwam als synthese tevoorschijn
uit de wederzijdse doordringing van twee in ontbinding verkerende stelsels: de
antieke beschaving en de primitieve stammenmaatschappij. De overwinning van de
feodale verhoudingen, het ontstaan van een samenleving die er geheel en al op
is gegrondvest, deze sociale revolutie vormde de volgende grote kwalitatieve
omslag.
Hoe primitief ook haar uitgangspunt, de feodaliteit liet
over het geheel gezien veel meer technologische vernieuwing toe dan de
slavenhoudersmaatschappij. De steden, die zich konden ontwikkelen op basis van
de toenemende handel in het landbouwoverschot, werden de thuisbasis van de
klasse waaruit de moderne bourgeoisie zich rechtstreeks heeft kunnen ontwikkelen:
de handelsburgerij. Uit de strijd tussen de nieuwe burgerlijke verhoudingen en
de oude feodale komt de moderne samenleving tevoorschijn.
De geschiedenis van Wallersteins historisch kapitalisme
begint met het totale verval van de leenroerige verhoudingen, het ontstaan van
de wereldmarkt, de daaruit voortvloeiende definitieve grondvesting van de macht
der handelsburgerij, de scheiding van de rechtstreekse producent van het
productiemiddel en het navenante ontstaan van de loonarbeid. De burgerlijke
revoluties vervolmaken het reeds door de absolute vorsten in het leven geroepen
moderne staatsapparaat tot orgaan dat het gemeenschappelijk belang van de
gehele nationale burgerij nastreeft. De volwassenheid van de burgerlijke
maatschappij wordt ingeluid door de grootscheepse industrialisering en de
daarmee gepaard gaande schaalvergroting van het proletariseringproces. Voor de
industrialisering vormde het bestaande proletariaat maar een klasse in zover
het in dezelfde of vergelijkbare levensomstandigheden deelde. Vanaf de
industrialisering begint het proletariaat pas echt een klasse te worden omdat
het ook tot het bewustzijn komt van zijn gemeenschappelijk belang, van het feit
dat het een klasse vormt. De kapitalistische productiewijze zelf vernietigt
ongenadig alle voorkapitalistische klassen en vereenvoudigt de maatschappelijke
tegenstellingen steeds duidelijker tot deze tussen loonarbeid en kapitaal,
zodat ook de fundamentele sociale en
politieke krachtmetingen steeds duidelijker uitingen worden van deze tegenstelling.
Anderzijds zijn de maatschappelijke gevechten tussen het proletariaat en de
kapitaalbezitters niet slechts uitdrukkingen van hun antagonistische
verhoudingen. Ze worden uiteindelijk werkelijke historische krachtmetingen die
beschikken over het voortbestaan of het verdwijnen van de bestaande orde.
Uit de voornaamste structurele antagonismen van de
maatschappijen waarin de kapitalistische productiewijze overheerst, laat zich
het volgende stadium van maatschappelijke ontwikkeling afleiden. Deze antagonismen
bestaan erin dat, ten eerste, de ongeziene vermaatschappelijking
van de productie in een steeds ondraaglijker tegenstelling komt te staan
met de particuliere toe-eigening van de
winst en, ten tweede, onder de heersende verhoudingen het internationale karakter van de productie voortdurend botst
tegen de nationale staat. Kortom: de
voornaamste beperkingen van de kapitalistische productiewijze zijn het
privé-bezit van de productiemiddelen en de nationale staat. Het socialisme is
de praktische overwinning van de arbeidende mensheid op deze beide beperkingen
die de verdere ontwikkeling van de produktieve krachten in de weg staan.
De geschiedenis in een notendop; zeer zeker geen
gedetailleerde uiteenzetting die op zich de naam geschiedschrijving verdient,
maar alleszins een "meer geïntegreerde" weergave dan het
empiristische knip- en plakwerk van de Wereldsysteem Analyse.
IV.
Hogerop zagen we reeds hoe Wallerstein de lezer zijn
meest oprechte voornemens op het hart drukt "de totaal geïntegreerde realiteit
zo adequaat mogelijk weer te geven door achtereenvolgens datgene te behandelen
wat tot uitdrukking komt op het economische, politieke en
cultureel-ideologische gebied."
De materialistische opvatting over de geschiedenis stelt
echter hogere eisen dan het domweg achter elkaar behandelen van economie,
politiek en cultuur. Zolang hij deze elementen waaruit de maatschappij is
opgebouwd in de juiste betrekking tot elkaar zou hebben geplaatst, mocht
Wallerstein gerust de volgorde van bespreking totaal hebben omgekeerd.
Anderzijds kan het achter elkaar behandelen van economie, politiek en ideologie
nooit meer zijn dan een surrogaatoplossing waarop men zich moet beroepen om te
camoufleren dat men van het historisch materialisme geen zak begrepen heeft.
Wallerstein mag dan voor mijn part honderd jaar lang geknield gelegen hebben
voor hetzelfde altaar en evenlang "gevormd zijn in dezelfde smidse als al
zijn makkers"(zie p.82)... verder dan een stumperig afkooksel van de
marxistische geschiedschrijving komt hij in geen geval.
Voor ons is het de gepaste gelegenheid om een
vooroordeel in verband met het historisch materialisme van antwoord te dienen,
dat al zo grijsgedraaid is dat de muziek van de ommezijde er doorheen klinkt
maar niettemin een bijzonder taai leven leidt. En wat Wallerstein betreft, zal
meteen ook aangetoond worden dat de materialistische maatschappijkritiek de
zaken een beetje ingewikkelder ziet dan het slaafs achterna hobbelen van de
economie door politiek en cultuur.
Dit godje van de vooroordelen is natuurlijk de
zogenaamde eenzijdige bepaling van de
bovenbouw door de onderbouw.
Wanneer ze de maatschappelijke productie van hun leven
verzorgen, zo zegt Marx, gaan de mensen bepaalde verhoudingen aan, de
productieverhoudingen, die aan een bepaalde trap van ontwikkeling van hun
materiele productiekrachten beantwoorden. Het geheel van deze verhoudingen
noemt Marx de onderbouw, waarop zich een juridische en politieke bovenbouw
verheft en waarmee bepaalde maatschappelijke bewustzijnsvormen overeenkomen.
Dit is een woordelijke weergave van de wijze waarop Marx in het woord vooraf
tot zijn Bijdrage tot de politieke
economie de beschrijving van zijn historische methode begint.
Voor de intellectuele Respectability van de moderne samenleving die, net zoals
Wallerstein slechts inductie of deductie kent, enkel op de hoogte zijn van determinisme en voluntarisme, is de verleiding bij verschillende gelegenheden te
machtig geweest om het verwijt van eenzijdig determinisme aan het adres van
Marx te vermijden. Voor wie slechts de eenzijdige bepaling kent of de
richtingloze opeenhoping van losse feiten, zijn de uitdrukkingen "in de laatste instantie", "in de laatste analyse",
natuurlijk spijkerschrift.
"... Volgens de materialistische opvatting over de
geschiedenis is de bepalende factor in de geschiedenis in laatste instantie, de productie en reproductie van het
onmiddellijke leven. Noch Marx, noch mijzelf hebben nooit meer beweerd dan dat.
Indien iemand deze stellingname verdraait in die zin dat de economische factor
het enige bepalende gegeven vormt,
verandert hij ze tegelijkertijd in een lege, abstracte en absurde frase. De
economische omstandigheden vormen de basis, maar de verschillende elementen van
de bovenbouw: de politieke vormen van de klassenstrijd en haar resultaten - de
Grondwettelijke ordes eens ze zijn gegrondvest, het gevecht gewonnen door de
zegevierende klasse, enz.- de juridische vormen en zelfs de weerspiegelingen
van al deze werkelijke gevechten in de hersenen van de deelnemers, politieke en
juridische theorieën, filosofische stelsels, religieuze opvattingen en hun
verdere ontwikkeling tot dogmatische systemen, oefenen evengoed hun invloed uit
op het verloop van de historische krachtmetingen en bepalen, in veel gevallen,
op doorslaggevende wijze hun vorm. Er
bestaat een wisselwerking van al deze factoren in de schoot waarvan de
economische beweging zich uiteindelijk als noodzaak een weg baant, doorheen een
oneindige veelheid van toevalligheden (t.t.z. zaken en gebeurtenissen waarvan
het onderlinge verband zo verafgelegen is of zo moeilijk aan te tonen dat we
het mogen beschouwen als onbestaand en verwaarloosbaar). Zoniet zou de
toepassing van de theorie op om het even welk tijdperk me dunkt makkelijker
zijn dan de oplossing van een eerste graadsvergelijking." (Engels, Brief
van 21-22 september 1890 aan A.J. Bloch, in: Lettres sur le Matérialisme historique, Progres, Moskou, 1980,
p.8-9 -eigen cursief)
Engels veegt niet alleen de vloer met het verwijt van
economisch determinisme, hij schetst ook nog op onnavolgbare wijze de wisselwerking tussen onderbouw en
bovenbouw. De economische ontwikkeling baant zich als noodzaak een weg door de
contingente gebeurtenissen die de vorm bepalen waarin de historische
krachtmetingen zich hullen.
Over de inwerking van de politiek op de economie
schrijft Georgy Plechanow, de vader
van het Russische marxisme:
"De politieke instellingen oefenen een invloed uit
op het economische leven: ofwel dragen ze
bij tot de vooruitgang ervan, ofwel vormen
ze er een obstakel voor. In het eerste geval gebeurt er, vanuit het
standpunt van Marx, niets verrassends, aangezien elk politiek systeem (bewust
of onbewust, dit is hier van weinig belang) in het leven geroepen is om bij te dragen tot de voorwaartse
ontwikkeling der produktieve krachten. Het tweede geval spreekt de
marxistische voorstelling van zaken evenmin tegen. De historische ervaring
toont aan dat, vanaf het ogenblik dat een bepaald politiek systeem ophoudt
overeen te stemmen met de toestand van de productiekrachten, vanaf het ogenblik
dat het een hinderpaal wordt voor hun ontwikkeling, dit (politieke systeem)
begint af te takelen en uiteindelijk wordt afgeschaft. Verre van de leer van
Marx tegen te spreken is het laatste geval er uiteindelijk de beste bevestiging
van, aangezien het ons laat zien hoe de economie de politiek beheerst en hoe de
ontwikkeling der productiekrachten van een volk aan de politieke ontwikkeling
ervan voorafgaat." (Plechanow, Essai sur le
Développement de la Conception moniste de l'Histoire, Progres, Moskou,
1973, p.166)
Plechanows taal is zo duidelijk als ze maar kan zijn.
Ofwel belemmeren de politieke instellingen de ontwikkeling van de
productiekrachten, ofwel werken ze haar in de hand. Ofwel vertraagt de
bovenbouw de processen in de onderbouw, ofwel versnellen ze ze. De ontwikkeling
van het kapitalisme in Duitsland was een natuurnoodzakelijk proces, waarvan
slechts de snelheid waarmee het zich voltrok beïnvloed kon worden door het
politieke initiatief. Door de politieke verbrokkeling en het politieke
onvermogen van de Duitse bourgeoisie op krachtdadige wijze de
burgerlijk-demokratische revolutie door te voeren tegen de feodale krachten die
als rem werkten op de ontwikkeling van de handel en de industrie, werd het
proces van grootscheepse industrialisering bijna een kwarteeuw uitgesteld. Niet
aan de Duitse bourgeoisie, maar aan de politieke vertegenwoordigers van het
Pruisische reactionaire Junkertum was
het politieke initiatief gegeven om van dit staatkundige lappendeken de
voornaamste kapitalistische grootmacht van het Europese continent te maken.
Hier waren het de oude krachten van de feodale reactie die zich lieten gelden
als vooruitstrevende beweging! En heeft de geschiedenis van Duitsland zich dan
verdergezet in tegenstrijd met
de door Marx geschetste algemene historische fasen ?
Allerminst: bij het einde van de negentiende eeuw was Duitsland het klassieke land van de moderne
socialistische arbeidersbeweging.
De ontwikkeling van de productiekrachten geeft
"alleen" de algemene zin van de geschiedenis aan. En deze algemene
richting laat zich voorspellen voor zover de aanzetten ertoe reeds in het heden
aanwezig zijn. De socialistische revolutie, de heerschappij van het
proletariaat en de overgang naar het socialisme zijn dan ook geen mystieke heilsboodschappen
meer, maar voorspellingen die gerechtvaardigd worden door de objectieve
bewegingswetten werkzaam in de moderne samenleving. Dit gezegd zijnde moet het voor de lezer nu toch al voldoende
duidelijk geworden zijn, vanuit welke positie we in de volgende bladzijden de
historische analyse en de
toekomstverwachtingen van Wallerstein zullen beoordelen.
§2.Centrum en
periferie: de transnationaliteit
van de productketens
De Wereldsysteem Analyse put haar zelfzekerheid uit de
wetenschap dat ze de fundamentele mechanismen van de ongelijke ruil heeft
ontdekt en gaat bijzonder prat op deze omwenteling dewelke ze in de moderne
wetenschap heeft teweeggebracht...
"Ongelijke ruil is een eeuwenoude praktijk. Wat
opmerkelijk was aan het kapitalisme als een historisch systeem, was de manier
waarop deze ongelijke ruil verhuld kon worden; inderdaad zo goed verhuld dat
zelfs de verklaarde tegenstanders van het systeem nu pas begonnen zijn dit mechanisme systematisch te ontmaskeren,
nadat het reeds vijfhonderd jaar in werking is." (Wallerstein, Historisch kapitalisme, p.25-26-mijn
cursief)
De sleutel voor het verhullen van het centrale
mechanisme van de ongelijke ruil lag in de structuur van de kapitalistische
wereldeconomie zelf, aldus Wallerstein, namelijk:
"... de ogenschijnlijke
scheiding in het kapitalistische wereldsysteem tussen enerzijds het economisch
gebied (een wereldwijde sociale arbeidsverdeling met geïntegreerde
productieprocessen die alle werkten voor de eindeloze accumulatie van kapitaal)
en anderzijds het politieke gebied (schijnbaar bestaande uit afzonderlijke
soevereine staten, elk met autonome verantwoordelijkheden voor politieke
besluiten binnen het eigen rechtsgebied, en elk beschikkend over gewapende
troepen om hun gezag te ondersteunen)."(p.26-mijn cursief)
Met andere woorden: de werkelijke mechanismen van
ongelijke ruil hebben zich volgens Wallerstein zolang aan het oog van de
wetenschap onttrokken omwille van de schijnbare
tegenstelling tussen de nationale staat en de internationale markt.
In werkelijkheid, zo gaat Wallerstein verder,
overschreden bijna alle enigszins belangrijke productketens de staatsgrenzen
en ...
"Dat is geen recente ontwikkeling. Het gold vanaf
het begin van het historisch kapitalisme zelf. De transnationaliteit van de
productketens gaat evengoed op voor de kapitalistische wereld van de zestiende
eeuw als voor die van de twintigste eeuw." (p.26)
Hoe ging deze ongelijke ruil nu in zijn werk ?
"Uitgaande van een werkelijk verschil op de markt,
dat ofwel ontstond door het (vooralsnog) ontbreken van een complex
productieproces, ofwel door kunstmatige schaarstes die geschapen werden met
militaire hand (...) verplaatsten de producten zich op zo'n manier tussen de
zones, dat het gebied met het minst 'schaarse' artikel dit verkocht aan een
ander gebied voor een prijs die meer reële kosten moest dekken dan een gelijk
geprijsd artikel dat zich in de tegenovergestelde richting bewoog. Wat
feitelijk gebeurde was een verplaatsing van een deel van het totale surplus van
de ene zone naar de andere. Zo'n relatie is een centrumperiferie-relatie.
Algemeen gezegd, de verliezende zone kunnen we een 'periferie' noemen en de
winnende zone een 'centrumgebied'. Deze benamingen geven feitelijk de
geografische structuur van de economische stromen weer."(p.26)
Het was dit proces van ongelijke ruil op internationale
schaal, deze verplaatsing van het surplus naar het centrum, waar het als
kapitaal werd geaccumuleerd dat "onevenredig grote fondsen beschikbaar
maakte voor verdere mechanisatie." (p.27)
Voor het gemak van de lezer vatten we de gedachtegang
die Wallerstein hier ontvouwt even samen. Als we alles goed begrepen hebben dan
wil hij vooral de volgende vier punten vaststellen:
1. Hoewel hij op zichzelf een eeuwenoude praktijk is,
geschiedt de ongelijke ruil onder het kapitalisme op dermate verhulde wijze dat
men hem pas nu aan het ontdekken en doorgronden is.
2. De sleutel voor deze verhulling ligt in de
ogenschijnlijke tegenstelling tussen de al even bedrieglijke wederzijdse onafhankelijkheid
van de nationale staten en het geïntegreerd zijn van de wereldmarkt.
3. De internationale arbeidsdeling, zeg maar de
transnationaliteit der productketens, bestond evengoed in het kapitalisme van
de zestiende eeuw, als voor dat van de twintigste.
4. De ongelijke ruil vormt een relatie van centrum tot
periferie. Het eerste is het winnende gebied, het tweede het verliezende.
Deze vier stappen in Wallersteins redenering zijn even
zovele dwalingen of op zijn minst dubbelzinnigheden in één groot sofisme.
Ten eerste zijn de mechanismen van de ongelijke ruil beter in
kaart gebracht door het marxisme dan door de Wereldsysteem Analyse, die ten
allen tijde nooit verder geraakt is dan een impressionistische
schets van de wereldverhoudingen.
Ten tweede is de tegenstelling
tussen de nationale staat en de wereldmarkt allesbehalve een illusie, maar één
van de meest fundamentele tegenstrijdigheden en beperkingen van de moderne
samenleving.
Ten derde is de omschrijving van het kapitalisme als wereldsysteem
allesbehalve een uitvinding van de lieden die zichzelf de school van de
Wereldsysteem Analyse noemen, maar werd reeds glashelder naar voor geschoven
door het marxisme, dat de historische consequenties daarvan veel grondiger
heeft begrepen dan Wallerstein en zijn Heilige
Schare.
Ten vierde en
tenslotte laat de eenzijdige fixatie van
Wallerstein op de geopolitiek, op de verhouding tussen centrum en periferie, de
tegenstrijdige verhoudingen zowel binnen
het centrum als binnen de periferie,
die minstens evenzeer hun wereldhistorische rol vervullen in de ontwikkeling
van de moderne samenleving grotendeels buiten beschouwing.
Zoals we reeds zagen in het vorige hoofdstuk vormt
Wallersteins vertoog over de proletarisering slechts het voorwendsel -hijzelf
zou zeggen: de empirische grondslag, om tot de algemene wetmatigheden van de
centrumperiferie verhouding te komen.
Maar Wallerstein is al zodanig in de ban van zichzelf en
zijn geniale ontdekking, dat hij onmogelijk nog oog kan hebben voor
bijkomstigheden zoals het werkelijke ontstaansproces van de klasse die het
kapitaal voortbrengt. "Onmiddellijk ontdekken we verscheidene mechanismen
die historisch gezien de ongelijkheid vergrootten," roept hij
triomfantelijk uit ! (zie p.27)
Het is goed dat hij erbij vermeldt dat hij verscheidene mechanismen ontdekt en niet
alle. Het ontstaan van de
kapitalistische productiewijze en meer in het bijzonder het proces waarbij de
initiële opstapeling van kapitaal plaatsgreep, de zogenoemde primitieve of
oorspronkelijke accumulatie, voltrokken zich als een gecombineerde ontwikkeling
van processen die later het "centrum" van de kapitalistische wereld
zouden gaan uitmaken en op de wereldmarkt die bij het begin van de zestiende
eeuw een feit geworden was.
De wereldmarkt en de internationale arbeidsdeling of de
transnationaliteit van de productketens is een bestendig kenmerk van het
kapitalisme, is van bij het prilste begin tot het bittere einde aanwezig.
En waarom? Omdat
deze het uitgangspunt van de
kapitalistische productiewijze vormt. Internationale arbeidsdeling bestond
reeds voor er sprake was van kapitalisme. Ze werd ons overgeleverd door het
hoogste ontwikkelingsstadium van de oude middeleeuwse samenleving, met haar
doorgedreven arbeidsdeling tussen stad en platteland, tussen commerciële en
ambachtelijke activiteit in de stad en tenslotte tussen de steden zelf.
In de eerste bladzijden van zijn Modern World System zegt Wallerstein:
"De stelling in dit boek zal zijn dat er drie
dingen essentieel waren voor het ontstaan van een dergelijke kapitalistische
wereldeconomie. De uitbreiding van de geografische omvang van de betreffende
wereld, de ontwikkeling van zeer uiteenlopende manieren van arbeidsbeheersing
voor verschillende producten en verschillende gebieden van de wereldeconomie en
de vorming van betrekkelijk sterke staatsapparaten in wat de centrumlanden van
deze kapitalistische wereldeconomie zouden gaan worden" (Het moderne wereldsysteem, dl.I,
p.25)
De wereldmarkt en de eerste ophoping van geld -dat later
besteed kon worden als kapitaal- in de handen van een paar individuen bestond
reeds voor de kapitalistische productiewijze, en dat is geen recente ontdekking
en zeker niet de ontdekking van Wallerstein en de tiërmondistische schrijvers
die het pad voor de Wereldsysteem Analyse hebben geëffend.
"Het eerste gevolg van de arbeidsdeling tussen de
verschillende steden was het ontstaan van de manufacturen, productietakken die
het gildenwezen waren ontgroeid. De manufacturen kwamen het eerst tot bloei in
Italië en later in Vlaanderen; historische
voorwaarde hiervoor was de aanwezigheid van handelsverkeer met buitenlandse
naties. In andere landen, Engeland en Frankrijk bijvoorbeeld, beperkten de
manufacturen zich aanvankelijk tot de binnenlandse markt. Behalve de
voorwaarden die genoemd zijn, veronderstellen de manufacturen bovendien nog een
reeds vergevorderde concentratie van de bevolking- met name op het platteland- én van kapitaal dat, de gildewetten ten
spijt, deels in de gilden, deels bij de kooplieden in handen van enkele individuen
begon te accumuleren."(Marx, De
Duitse Ideologie, dl.I, SUN, Nijmegen, 1971, p.62-63- mijn cursief)
Het voordeel van Wallersteins wereldschematisme bestaat
erin dat men het zowat overal kan op toepassen. Een groot nadeel evenwel
bestaat erin dat men het ook kan toepassen op verhoudingen waarvoor Wallerstein
zijn leer helemaal niet voorbestemd heeft. In de logica noemt men dat trivialiteit. Nadat hij de hinderlijke kwestie van de ontstaansgeschiedenis
van het proletariaat uit de plooien van zijn gelaat heeft gewreven, bestaat
voor Wallerstein nu nog slechts de wereldmarkt, de transnationaliteit van de
productketens als centrumperiferie verhouding. Als we met alle geweld willen
vasthouden aan het idee van centrum en periferie, dan kunnen we in het tijdvak
van de primitieve accumulatie deze verhoudingen op het economische vlak zelfs
waarnemen binnen centrum en periferie
en dan nog niet eens noodzakelijk als verhouding tussen "winners en
verliezers". De opbloei van de wolmanufaktuur in Vlaanderen gaf
ongetwijfeld een krachtige stoot aan de kapitalistische landbouwhervormingen in
Engeland, waar de weg voor de nieuwe plattelandsburgerij en de verburgerlijkte
aristocratie op 28 klassiek-feodale
geslachten na was schoongeveegd door de Rozenoorlogen. De eersten die
hierbij verloren waren de duizenden Engelse boeren die plaats moesten ruimen
voor de schapenkudden waarin hun heren grootgrondbezitters nu eenmaal een meer
geschikte bron van inkomsten zagen dan het oude pachtstelsel.
Zelfs voor de Wallersteiniaanse invulling van de
verhouding centrumperiferie gaat de abstract gestelde wereldomspannende
verhouding tussen winnaar en verliezer maar op als men één en ander een beetje
willekeurig buiten beschouwing laat. Zoals geweten verhief het Nederlandse kapitaal
zich aanvankelijk op de achteruitgang en zelfs bewuste onderwerping van de
Hanzesteden aan de Oostzee. De Poolse edellieden die hun vrije pachters vanaf
de vijftiende eeuw opnieuw tot lijfeigenschap brachten ten behoeve van de
voedselproductie en de bosontginning voor de handel met de Nederlanden zullen
zichzelf waarschijnlijk alleen maar in een hysterisch-katholieke uitspatting
van boetedoening en zelfbeklag als verliezers hebben beschouwd. De Afrikaanse
stamhoofden die mensen van hun eigen ras bij duizenden uitleverden aan
Portugese, Spaanse, Engelse en Hollandse slavendrijvers waren evenmin de grote
verliezers van de primitieve accumulatie. Als
men eraan houdt de zaken zo abstract te stellen, waren de tienduizenden
landlopers die in Europa de manufaktuur werden ingedreven even grote verliezers
als de Afrikaanse, Aziatische en Oost-Europese boeren.
Zoveel weet ook Wallerstein. Maar hij spreekt allang
niet meer over de uitbuitingsverhoudingen binnen centrum en periferie Voor hem
zijn nu nog slechts de politiekgeografische verhoudingen, waarvan hij de
ontdekking op de naam van de Wereldsysteem Analyse schrijft, van tel.
Om de door Wallerstein zo zelfzeker opgeëiste
originaliteit in verband met de transnationaliteit van de productketens en de
wereldwijde indeling in "winners en verliezers" enigszins tot haar
ware proporties terug te brengen, geven we enige uittreksels die zo duidelijk
voor zich spreken dat ze volgens ons maar weinig aansluitende commentaar
behoeven.
Marx in 1847: "Zonder de slavernij zou Noord-Amerika, het verst
ontwikkelde land, in een patriarchaal land veranderen. Veegt men Noord-Amerika van de wereldkaart, dan heeft men anarchie, het
volledige verval van de handel en van de moderne beschaving. Laat de
slavernij verdwijnen en U veegt Amerika van de wereldkaart (...) De moderne
volken hebben de slavernij in hun landen enkel en alleen kunnen verhullen,
terwijl ze haar in de Nieuwe Wereld onverhuld hebben ingevoerd."(Armoede van de filosofie, p.103)
"De behoefte aan een voortdurend uitbreidende markt
voor haar producten jaagt de bourgeoisie voort over het gehele aardoppervlak.
Ze moet zich overal nestelen, overal vestigen, overal verbindingen tot stand
brengen. Door middel van haar uitbuiting
van de wereldmarkt heeft de burgerij een kosmopolitisch karakter gegeven aan
productie en consumptie in elk land. Tot groot verdriet van de
reactionairen heeft ze de industrie de nationale grond waarop zij gevestigd
was, van onder de voeten getrokken. Alle oude gevestigde nationale industrieën
zijn vernietigd of worden dagelijks met de grond gelijkgemaakt. Ze worden
ontworteld door nieuwe industrieën, wier invoering een kwestie van leven en
dood wordt voor alle beschaafde naties, door industrieën die niet langer
inheemse grondstoffen verwerken, maar ruwe materialen onttrokken aan de meest
afgelegen zones; industrieën wier producten niet slechts in de thuislanden
verbruikt worden, maar evengoed in elke uithoek van de wereld. In de plaats van
de oude behoeften, die bevredigd werden door de productie van het eigen land,
vinden we nieuwe behoeften, die voor hun bevrediging de producten van
verafgelegen landen en luchtstreken behoeven. In plaats van het oude lokale en
nationale isolement en onafhankelijkheid, krijgen we nu verkeer in alle
richtingen, universele wederzijdse
afhankelijkheid tussen de naties." (Manifesto of the Communist Party,
integraal opgenomen in The Revolutions of
1848, Pelican Books, Harmondsworth, 1973, p.71)
Marx in 1867: "De ontdekking van goud- en zilverlanden in
Amerika, de uitroeiing en onderdrukking van de inheemse bevolking en haar
opsluiting in de mijnen, de beginnende verovering en plundering van Oost-Indië,
de verandering van Afrika tot een gebied voor de handelsjacht op de zwarte
bevolking vormden de dageraad van het tijdperk der kapitalistische productie. Deze idyllische gebeurtenissen zijn de
voornaamste elementen van de oorspronkelijke accumulatie. (...) De
verschillende factoren van de oorspronkelijke accumulatie vindt men nu, min of
meer in chronologische volgorde, voornamelijk over Spanje, Portugal, Holland,
Frankrijk en Engeland verdeeld. In Engeland worden zij tegen het einde van de
zeventiende eeuw systematisch samengevat in het
koloniale stelsel, het systeem van staatsschulden, het moderne
belastingsysteem en het stelsel van protectie. Deze methoden berusten ten dele
op het meest brute geweld, bijvoorbeeld het koloniale stelsel." (Het
Kapitaal, dl.I, hfst.24, p.586)
"De behandeling van de inheemse bevolking was
natuurlijk het ergst in de nederzettingen, die
uitsluitende bestemd waren voor de export, zoals in West-Indië, en in de
aan roofmoord prijsgegeven rijke en dichtbevolkte landen als Mexico en
Oost-Indië. Maar ook in de eigenlijke koloniën verloochende het Christelijke
karakter de oorspronkelijke accumulatie niet. De nuchtere virtuozen van het
Protestantisme, de puriteinen van Nieuw-Engeland, stelden in 1703 volgens een
besluit van hun Assembly (volksvergadering) een premie van £40 iedere Indiaanse
scalp en voor iedere gevangen roodhuid, ..." (p.587)
"Het
koloniale systeem liet handel en scheepvaart als in een broeikas rijpen. De
Gesellschaften-Monopolia (Luther) waren geweldige hefbomen voor de concentratie
van het kapitaal. De kolonie verschafte aan de als paddestoelen uit de grond
opschietende manufacturen een afzetmarkt en een accumulatie, die door het
marktmonopolie werd verveelvoudigd. De buiten Europa rechtstreeks door
plundering, onderwerping en roofmoord buitgemaakte schat vloeide terug naar het moederland en werd daar in kapitaal omgezet.
Holland, dat het eerst het koloniale stelsel volledig ontwikkelde, bereikte
reeds in 1648 het hoogtepunt in de bloei van zijn handel. Holland was in het
vrijwel uitsluitend bezit van de
Oost-Indische handel en van het verkeer tussen het Zuidwesten en Noordoosten
van Europa. Zijn visserij, scheepvaart en manufacturen overtroffen die van
elk ander land. De kapitalen van de republiek waren misschien wel omvangrijker
dan die van de rest van Europa bij elkaar.' Gülich vergeet eraan toe te voegen:
de Hollandse volksmassa (de verliezers van het centrum-P.V.d.B.) was in 1648
reeds meer overwerkt, verarmd en wreder onderdrukt dan die van de rest van
Europa bij elkaar." (p.588)
"Terwijl de katoenindustrie in Engeland de
kinderslavernij invoerde, gaf deze tegelijkertijd de stoot tot omzetting van
het vroeger min of meer patriarchale slavenbedrijf in de Verenigde Staten in
een commercieel uitbuitingssysteem. In
het algemeen had de verkapte slavernij der loonarbeiders in Europa de slavernij
sans phrase (zonder omhaal) van de Nieuwe Wereld als voetstuk nodig."(p.593)
Rosa Luxemburg in
1912: "De kapitalistische accumulatie
heeft (...) als geheel, als concreet
historisch proces, twee verschillende aspecten. Het ene betreft de warenmarkt
en de plaatsen waar de meerwaarde wordt voortgebracht - de fabriek, de mijn,
het landbouwbedrijf. (...) Het andere aspect van de kapitaalsaccumulatie
betreft de relaties tussen het kapitalisme en de niet-kapitalistische
productiesystemen. Het toneel daarvan
beslaat de gehele wereld. De meest overheersende methodes zijn kolonialistische
politiek, het systeem van internationale leningen, de politiek van
invloedssferen en oorlogen. Geheel onverbloemd vieren hier machtsmisbruik,
bedrog, onderdrukking en plundering hoogtij en men moet zich werkelijk
inspannen om onder deze chaos van politieke geweldshandelingen en
krachtmetingen nog de strenge wetten van het economische proces te
ontdekken." (De accumulatie van
kapitaal, in: Orde heerst in Berlijn, p.130-131)
Lenin in 1916: "Het toenemen van de binnenlandse, maar vooral ook van de internationale
warenruil is een karakteristieke trek van het kapitalisme. De ongelijkmatige en
sprongsgewijze ontwikkeling van afzonderlijke ondernemingen en takken van
industrie, alsmede van sommige landen, is onder het kapitalisme onvermijdelijk."(Imperialisme als hoogste stadium van
kapitalisme, Progres, Moskou, 1989, p.78)
Max Schachtman in
1933: "... de ontwikkeling van elke
bestaande maatschapijorde totnogtoe, en in het bijzonder van de moderne
kapitalistische maatschappij, is er één geweest in de richting van toenemende
wereldwijde verbindingen en onderlinge afhankelijkheid. Het kapitalisme bereikt
zijn hoogste ontwikkelingsfase, zijn meest indrukwekkende economische hoogten,
niet door zich terug te trekken binnen zijn nationaal omhulsel, maar door vanop
ieder nationaal terrein deze verbanden te leggen die het onlosmakelijk
verbinden met de rest van de wereldeconomie. De economie van de Verenigde
Staten, van Frankrijk of Indië, vormt slechts de nationale uitdrukking van een
wereldeconomie."(The First Ten
Years- History and Principles of the Left Opposition, New Park, Londen,
1974, p.25)
De uittreksels die we hier aan de lezer voorleggen zijn
geen toevallige, zijdelingse bedenkingen, maar vormen fundamentele inzichten in
de bepaling van de revolutionaire strategie van het marxisme, dat als eerste de
moderne beschaving heeft erkend als wereldsysteem.
De beroemde slotwoorden van het Communistisch Manifest zijn geen moralistische verzuchting naar
wereldvrede, maar de kernachtige samenvatting van de strategische noodzaak tot
internationale organisatie van het proletariaat in het bestrijden van een
systeem dat wereldwijd georganiseerd is.
Wanneer Lenin zijn tactische slogan van "de revolutionaire heerschappij van arbeiders en boeren"
tegenover de oude "klassiek-marxistische" formule van de burgerlijke
revolutie onder leiding van de liberale bourgeoisie stelde, dan was dit op
basis van de bedenking dat de Russische Revolutie geen eenvoudige herhaling kon
zijn van de Europese revoluties in de achttiende en negentiende eeuw omdat
Rusland een heel andere plaats innam in het wereldsysteem dan pakweg Frankrijk
en Engeland in de zeventiende, achttiende en negentiende eeuw. Op zich
veronderstelt de beroemde uitspraak van Lenin "dat het kapitalisme zou
breken in zijn zwakste schakel" een diepgaand inzicht in de internationale
structuur van het kapitalisme.
Het was op basis van het inzicht dat de moderne
samenleving gestoeld is op een wereldsysteem dat Leon Trotsky zich met klem
verzette tegen de stalinistische leer van "socialisme in één land".
In 1929 bijvoorbeeld schrijft hij in dit verband:
"De opbouw van het socialisme is maar mogelijk op
basis van klassenstrijd op het nationale én het internationale terrein ... De
socialistische revolutie kan onmogelijk voltooid worden binnen de nationale
grenzen. Eén van de essentiële oorzaken van de crisis in de burgerlijke
samenleving bestaat erin dat de productiekrachten die ze heeft voortgebracht buiten het kader van de nationale staat
treden ... de socialistische revolutie begint op het nationale terrein,
ontwikkelt zich in de internationale arena en wordt voltooid op wereldschaal
... De wereldwijde arbeidsverdeling, de
afhankelijkheid van de Sovjetindustrie van de buitenlandse techniek, de
afhankelijkheid van de produktieve krachten van de geavanceerde landen van de
grondstoffen uit Azië, enz., maken het onmogelijk een autonome
socialistische samenleving uit de grond te stampen, geïsoleerd in welke hoek
van de wereld ook." (Trotsky, Qu'est-ce que la Revolution
permanente, in: De la Revolution,
Editions de Minuit, Parijs, 1963, p.364-365-mijn cursief)
Trotsky's theorie van de permanente revolutie, niet
bepaald het minst belangrijke onderdeel van zijn intellectuele erfenis, berust
geheel en al op de idee van de afhankelijke ontwikkeling van de koloniale en
neokoloniale wereld binnen het
kapitalistische wereldsysteem. En wanneer Trotsky in Perspectives and Tasks in the East zijn versie van de "dependentietheorie" uiteenzet, zien
we, met een beetje goeie wil en een gezonde dosis verbeelding, niet de stichter
van het Rode Leger het woord richten tot de studenten van de Communistische Universiteit voor de
arbeiders uit het Oosten, maar de Graue Eminenz van Binghamton:
"De ganse hedendaagse politieke en culturele ontwikkeling
is gestoeld op het kapitalisme ... Maar het kapitalisme heeft, schematisch
gesproken, twee verschillende facetten: het kapitalisme van de metropool en het
kapitalisme van de kolonies."(Trotsky, Perspectives
and Tasks in the East, Speech on the Third Anniversary of the Communist
University for Toilers of the East, April 21, 1924, New Park, London, 1973,
p.3)
Er slechts op wijzen dat de marxisten van bij het begin oog hadden voor de
transnationaliteit van de productketens is nog te veel eer voor Wallersteins
formuleringen. Hoewel het respectievelijke onderwerp van de vier delen van het Modern World System min of meer
samenvallen met de drie kwalitatieve groeistadia van het kapitalisme (Dl.I en
Dl.II met de periode van de primitieve accumulatie; dl.III met het tijdperk van
de vrije concurrentie; dl.IV met de fase van het imperialisme) laat
Wallersteins Historisch kapitalisme
deze fundamentele historische groeifasen totaal buiten beschouwing. We vinden
er genoegen in om hier een andere, volgens ons veel meer verdienstelijke,
grondlegger van de Wereldsysteem Analyse aan het woord te laten:
"Het kapitalisme heeft van bij zijn oorsprong een
internationale dimensie aangenomen, " zegt Samir Amin, "maar de inhoud en de werking van deze dimensie is
door drie periodes gegaan. Tijdens de mercantilistische periode van de
primitieve accumulatie (van de Renaissance tot aan de Industriële Revolutie)
vervulde de Amerikaanse en Afrikaanse periferie een beslissende rol in de
accumulatie van het geldkapitaal. Gedurende de klassieke premonopolistische
periode van het kapitalisme (de 19de eeuw-Samir Amin) hebben de Amerikaanse,
Aziatische en Arabo-Ottomaanse periferie bijgedragen tot de versnelling van de
industrialisering van het centrum door het opslorpen van diens industrieproducten
(in ruil voor landbouwproducten-Samir Amin) en de verhoging van de winstvoet.
Intussen, sedert het einde van de vorige eeuw, hebben de monopolies, door de
uitvoer van kapitaal mogelijk te maken een nieuwe dimensie verschaft aan het
wereld-kapitalistisch systeem."(L'Imperialisme
et le Développement inégal, Editions de Minuit, Parijs, 1976,
p.111-112)
In plaats van de geschiedenis van het kapitalisme onder
te verdelen in drie vormen, drie regimes van kapitaalsaccumulatie, markeert
Wallerstein op de meest oppervlakkige wijze die men zich maar kan indenken de
historische ontwikkeling aan de hand van de drie
nationale hegemonieën in wereldhandel en -politiek.
Deze verstarring van het levende historische proces
speelt natuurlijk opnieuw in de kaart van Wallersteins schema. Hoe meer de
historische verschillen door allerlei kunstgrepen zijn weggelakt, hoe sterker
het geopolitieke raster van Wallerstein in zijn schoenen staat.
Vooraleer we ons verder bezighouden met deze kwestie,
moeten we ons echter eerst buigen over de verhouding tussen nationale staat en
wereldmarkt.
Voor Wallerstein bestaat het centrum slechts ogenschijnlijk uit onafhankelijke
nationale staten en deze bedrieglijke indruk van onafhankelijkheid vormt het
voornaamste mechanisme voor de bemanteling van de wereldwijde
uitbuitingsverhoudingen. Anderzijds erkent hij de tegenstelling tussen de
nationale staat en de internationale economie als "het meest elementaire
dilemma" van het historisch kapitalisme:
"Het historisch kapitalisme functioneerde binnen
een wereld-economie maar niet binnen een wereld-staat. Zoals we hebben gezien
werkten structurele vormen van druk elke vorming van een wereld-staat
tegen."(Wallerstein, Historisch
kapitalisme, p.55)
Zoals we in de volgende paragraaf zullen zien, moet
Wallerstein zich, om de oplossing van deze paradox tot een goed einde te
brengen, gedurende twintig bladzijden (in de Nederlandse vertaling) in de meest
onmogelijke meanders keren, terwijl de eigenlijke verklaring als wetenschappelijke formule veel
minder plaats inneemt dan Wallersteins ellenlange bespiegelingen over de
verschillende hegemonieën van het historisch kapitalisme.
De voorwaarde voor het ontstaan van de moderne nationale
staat was de ontwikkeling van de nationale markt. De ontwikkeling van de
nationale markt was dan weer niets anders dan het proces van arbeidsdeling
tussen de steden, dewelke op haar beurt het internationale handelsverkeer tot
voorwaarde had.
Aan het uittreksel dienaangaande dat we hierboven uit
Marx' Duitse Ideologie hebben
gegeven, zouden we kunnen toevoegen:
Braudel: "Aan de moeizame eenwording van de nationale
markt is doorgaans een zekere opbloei van de exporthandel voorafgegaan. Hierdoor ben ik geneigd te denken dat de nationale
markten zich bij voorkeur moesten ontwikkelen in of vlakbij het centrum van een
economische wereld, in de mazen van het kapitalistische net, en dat er een
verband bestond tussen hun ontwikkeling en de geografische differentiatie die
toenemende internationale arbeidsdeling met zich meebracht. Overigens heeft
omgekeerd het gewicht van de nationale markt een rol gespeeld in de
ononderbroken strijd van de verschillende gegadigden om de wereldheerschappij
..."(Beschaving, Economie en
Kapitalisme, dl.III, De tijd van de
wereld, p.261)
Wolf: "Economisch gezien werd de crisis van het
feodalisme opgelost door de ontdekking, de verovering en de verdeling van
hulpbronnen die zich buiten de Europese grenzen bevonden. (...) Maar de
'primitieve accumulatie' vereiste niet alleen het veroveren van deze
hulpbronnen maar ook hun concentratie, organisatie en afzet. Deze verrichtingen
overstegen al gauw de mogelijkheden van het individuele koopmansbedrijf, van de
koopliedengilde of van enig afzonderlijk orgaan van soldaten of ambtenarendom.
Het nastreven (van deze "verrichtingen") werkte het ontstaan van
overkoepelende organisaties in de hand dewelke dergelijke expansionistische en
commerciële inspanningen konden samenbundelen en de surplusproducerende
bevolking kon mobiliseren voor deze doeleinden. Deze overkoepelende organen
waren staten gekenmerkt door een hoge graad van gecentraliseerd gezag, om het
even of dit (gezag) in de handen was gelegd van een enkele bestuurder en zijn
cliëntèle, zoals in Portugal of Spanje, of berustte bij een comité van de
heersende oligarchie zoals in de Verenigde Provinciën van de Nederlanden."
"(Europe and the People without History, p.109)
In de formulering van Wolf, die daarom nog niet minder
of meer wetenschappelijk is dan deze van Braudel, is de paradox nog meer dan bij Braudel een oorzakelijk
verband van natuurnoodzakelijke bepaling geworden. En dit alles in een fractie
van de ruimte die Wallersteins woordenkramerij beslaat ... die de zaken zodanig
compliceert dat de schrijver zichzelf meent te kunnen ontslaan van een
inzichtelijke verklaring door de bruuske toegeving dat "het elementaire
dilemma" van het kapitalisme de tegenstelling tussen de nationale staat en
de wereldeconomie (zie hoger) is, onmiddellijk te laten voorafgaan door een
blijk van medelijden met de historicus en de meest triviale uitspraak in de
geschiedenis van de moderne maatschappijkritiek:
"Wanneer de nauwgezette onderzoeker draaierig wordt
ten overstaan van deze institutionele maalstroom, kan hij een rechte koers
varen wanneer hij voor ogen houdt dat de accumulatoren van kapitaal in het
historisch kapitalisme geen hoger doel hadden dan voortgaande accumulatie, en
dat de arbeidersmassa's daarom geen hoger doel konden hebben dan overleven en
het verlichten van hun last." (p.55)
Men kan zich natuurlijk de vraag stellen waarom
Wallerstein, wanneer hij überhaupt de schijn van samenhang wil bewaren,
"het elementaire dilemma" van het kapitalisme niet gewoon buiten
beschouwing laat. Voor de methode van de Wereldsysteem Analyse is het immers
een koud kunstje om fundamentele zaken te verhullen met willekeurige abstractie
en empiristische vaagheid.
Met andere woorden: waarom de aartsomslachtige
uiteenzetting die over de tweede helft van het eerste en een groot stuk van het
tweede hoofdstuk heen de tegenstelling tussen de "ogenschijnlijke
onafhankelijkheid" van de staten en het elementaire dilemma van de moderne
samenleving moet opheffen ?
De schuchtere toegeving dat de tegenstelling tussen de
nationale staat en de wereldeconomie één van de voornaamste antagonismen
(Wallerstein zegt: het voornaamste)
komt zeker niet van de hemel gevallen: het is het axioma van waaruit hij straks
"de omslachtige en vaak paradoxale of tegengestelde posities van de
anti-systeembewegingen" wil afleiden.
§3. De nationale
staat, de groeifasen van het kapitalisme en
de strijd om de internationale hegemonie
Wallerstein slaat twee verschillende kenmerken van het
kapitalisme hopeloos door elkaar . Doordat de nationale staat wel degelijk
geënt is op een economisch wereldsysteem mogen we inderdaad spreken van een
interstatelijk systeem. Anderzijds is de tegenstelling tussen de nationale
staat en de wereldwijde vermaatschappelijking van de productie wel degelijk één
van de voornaamste beperkingen van de moderne samenleving.
Voor de dialectische methode sluiten beide elkaar
geenszins uit. We hoeven slechts aan te nemen dat het interstatelijk systeem
zowel gekenmerkt wordt door onderlinge afhankelijkheid als door interne
antagonismen. Wat voor formele logici misschien een gemakkelijke goocheltruc
lijkt, of nog erger, een irrationele gedachtesprong, is in feite de enige
manier om enige orde te scheppen in het wereldgebeuren. Dat deze antagonismen tussen de
verschillende handelsnaties van het opkomende kapitaal er wel degelijk waren,
blijkt al uit de eerste blik die we op de geschiedenis vanaf de
aardrijkskundige ontdekkingen werpen. Zoals bekend brak na de ontsluiting van
Indië en de Nieuwe Wereld een periode van bijna drie eeuwen onafgebroken oorlog
uit tussen de verschillende op de wereldmarkt wedijverende staten, een oorlog
"waarvan de gehele aardbol het schouwtoneel was". (Marx, Het Kapitaal, dl.I, p.586) De
zeventiende eeuw bijvoorbeeld, zowel het bloedovergoten strijdperk van de wrede
krachtmetingen tussen de nationale bourgeoisieën onderling als van de politieke
gevechten tussen de burgerij en de klassen van de oude middeleeuwse beschaving,
kende slechts zeven jaren van vrede: 1610, 1669-1671 en 1690-1682.
De beschrijving van deze gewapende botsingen neemt een
flink deel in beslag van Wallersteins Modern
World Systeem. Respectievelijk het derde en het zesde hoofdstuk van het
tweede deel, Mercantilisme en de
consolidatie van de Europese wereldeconomie, zijn volledig gewijd aan deze
langdurige, slechts door korte tussenpozen onderbroken wereldoorlog tussen de
voornaamste handelsnaties.
In het Historisch
kapitalisme anderzijds vinden we slechts enkele vage en onrechtstreekse
verwijzingen terug naar het streven van de verschillende staten om zich door
middel van bruut geweld een dominante positie op de wereldmarkt te verschaffen.
"In de allereerste plaats was de accumulatie van
kapitaal een spel dat voortdurend nieuwe concurrentie uitlokte, en zodoende was
er altijd een zekere mate van spreiding van de meest winstgevende produktieve
activiteiten. Daarom waren er altijd een aantal staten met een economische
basis die hen relatief sterk maakte. In
de tweede plaats maakten de accumulatoren van kapitaal in elke staat gebruik
van hun eigen staatsstructuren ter ondersteuning van hun kapitaalsaccumulatie,
maar zij hadden ook één of ander machtsmiddel nodig tegen hun eigen
staatsstructuren. Want wanneer hun eigen staatsapparaat te sterk werd, zou dat
wellicht om redenen van een binnenlands politiek evenwicht tegemoet willen
komen aan een intern streven naar gelijkheid. Tegen deze dreiging hadden de
accumulatoren van kapitaal een andere dreiging nodig, namelijk het omzeilen van
hun eigen staatsapparaat door het aangaan van allianties met andere
staatsapparaten. Deze dreiging was alleen
mogelijk wanneer geen enkele staat het geheel domineerde.(p.48-mijn
cursief)
Waarom is het in Historisch
kapitalisme bijna al pais en vree terwijl in het Modern World System het bloed van de bladzijden druipt ?
Omdat Wallerstein zijn wereldschematisme stevig in de
schoenen wil plaatsen door zowel de sociale als staatkundige contradicties
binnen het centrum voor de gelegenheid naar de achtergrond van het historisch
gebeuren te verplaatsen; omdat hij in Historisch
kapitalisme, de "theoretische samenvatting" van zijn levenswerk
veel meer gebonden is om nog slechts de geografische tegenstelling tussen
centrum en periferie onder de aandacht van de historische analyse te houden. We
hebben slechts het recht om te weten dat de kapitalisten van elke nationale
staat "gebruik maakten van hun eigen staatsstructuren ter ondersteuning
van hun kapitaalsaccumulatie."
Om te begrijpen hoe Wallerstein zich hier in een
onontwarbare knoop werkt, moeten we, ook al is dat niet de meest eenvoudige weg
voor de lezer, Wallersteins gedachtegang opnieuw op de voet volgen.
Hoe voerden mensen, of "groepen van mensen" in
het historisch kapitalisme hun politieke strijd, vraagt hij zich af ?
"De structuur van het historisch kapitalisme was
zo, dat staatsstructuren de meest effectieve hefbomen waren voor politieke
verandering; het tot stand komen van zulke staatsstructuren zelf was, zoals we
hebben gezien, één van de belangrijkste institutionele prestaties van het
historisch kapitalisme. Het is daarom geen toeval dat de controle over de
staatsmacht, indien nodig zelfs de verovering van de staatsmacht, één van de
belangrijkste strategische doeleinden was voor alle belangrijke actoren in de
politieke arena gedurende de geschiedenis van het moderne kapitalisme."
(p.39)
De strijd om de staatsmacht is geen gegeven dat slechts
kenmerkend is voor het historisch kapitalisme, maar een element eigen aan
de politieke strijd in alle tijdperken
waarin de samenleving een klassenstructuur vertoont. De verovering van de
staatsmacht door de bourgeoisie was, niet zoals Wallerstein het hier
afschildert, een eventuele
noodzakelijkheid, maar een objectieve
maatschappelijke noodzaak om de productiekrachten vervat in de burgerlijke
eigendomsverhoudingen vrije levensruimte te geven. Men kan hoogstens beweren
dat er een aantal verschillen bestaan in de ontwikkelingstrap van de moderne
productiewijze waarop de politieke strijd van de onderscheiden nationale
burgerijen de vorm aannam van open strijd om de staatsmacht. Dit heeft minder
te maken met het bewuste politieke initiatief van de bourgeoisie zelf, dan wel
met de graad van ontbinding waarin zij de overblijfselen van de bestaande
feodale maatschappijorde aantrof.
Het is allang geen noemenswaardig twistpunt meer dat het
absolutisme de eerste grote staatkundige synthese vormde van ontbindend
feodalisme en opkomend burgerdom. De vraag blijft echter: wat is er feodaal en
wat is er burgerlijk aan het absolutisme en wat is de verhouding van beide
maatschappijvormen tot elkaar?
Wallerstein, die van dialectische verbanden geen kaas
heeft gegeten, spreekt echter niet over het karakter
van de synthese, zoals iedere serieuze historicus van het overgangsvraagstuk
doet. Strikt genomen beschouwt hij het absolutisme zelfs niet als een synthese.
Hij houdt zich onledig met de mallotige vraag of het absolutisme dan wel de oorzaak of het gevolg is van het opkomende burgerdom:
"Het is duidelijk," zegt hij, "dat de
opkomst van de absolute monarchie in West-Europa in tijd samenvalt met de
opkomst van een Europese wereldeconomie. Maar is dat oorzaak of gevolg? Beide
standpunten kunnen op goede gronden worden verdedigd. Als aan de ene kant de
uitbreiding van de handel en de opkomst van de kapitalistische landbouw er niet
waren geweest, zou er nauwelijks een economische basis hebben bestaan voor de
financiering van de uitgebreide bureaucratische staatsstructuur. Maar aan de
andere kant waren de staatsstructuren zelf weer een ondersteuning van het
nieuwe kapitalistische systeem (om er maar niet van te spreken dat ze er de
politieke garantie voor vormden)."(Het
moderne wereldsysteem, dl.I, p.85)
Uitbreiding van handel en kapitalisme waren een
voorwaarde voor het absolutisme, zo vindt Wallerstein, maar het absolutisme van
zijn kant bevorderde, althans aanvankelijk, evengoed de verdere groei van de
wereldeconomie.
Alleen al voor het rekruteren van een niet-leenroerige
ambtenarij was het bestaan van een ontwikkelde handelsburgerij een voorwaarde
voor de concentratie van de staatsmacht in de handen van de kroonadel. Het
absolutisme vond, althans aanvankelijk, steun bij het opkomende burgerdom omdat
het een uitweg bood uit de impasse waarin de verouderde feodale structuren de
ontwikkeling van de handel gevangen hielden. De productieverhoudingen die in de
schoot van de feodaliteit tot rijping gekomen waren, begonnen tegen het carcan
van de klassieke leenroerige machtsstructuren te beuken en het absolutisme bood
zowel aan de handelsburgerij als aan het feodalisme voorlopig een uitweg uit
deze impasse.
Slechts de formele logica van de moderne academische
praktijk, met zijn starre oorzaakgevolg relaties, kan hier stof vinden voor een
wetenschappelijk dilemma.
De rol van de burgerij in de totstandkoming van het
absolutisme doet niets af aan het werkelijke dilemma van zijn klassenatuur. Wie was de heersende
klasse in de periode van de sterke vorsten? De adel of de burgerij?
Voor Wallerstein is het feodalisme vanaf het ontstaan
van de wereldmarkt zo goed als een afgehandelde zaak. Hij onderzoekt slechts de
invloed van de wereldmarkt op het ontstaan van de sterke staten in het centrum
en vergeet dat de werkelijke uitkomst van de vorming der eerste nationale
staten bepaald werd door het naast elkaar bestaan van twee verschillende
productiewijzen.
Het uitsterven van horigheid en lijfeigenschap en het
ontstaan van het moderne pachtstelsel op het platteland vormden belangrijke
ontbindingsverschijnselen van de middeleeuwse samenleving. Ze luidden het einde in van het feodalisme, maar betekenden
op zich niet het einde van het feodale grootgrondbezit. Men kan hoogstens
zeggen dat de monetarisering van de feodale verplichtingen, die inderdaad de
ondergang van de oude afhankelijkheidsverhoudingen met zich meebracht, het
platteland openlegde voor de
kapitalistische landbouw. De toe-eigening van de meerarbeid onder feodale
verhoudingen kan drie verschillende vormen aannemen, die ieder voor zich drie
verschillende ontwikkelingsfasen van feodale uitbuiting markeren.
1. De primitiefste fase is van alledrie de meest
onmiddellijke toe-eigening van de meerarbeid: "... de arbeidsrente, waar de onmiddellijke producent met gebruik van
rechtswege of feitelijk aan hem toebehorende arbeidsinstrumenten (ploeg, vee,
etc.) gedurende een deel van de werkweek grond bewerkt die hijzelf in bezit
heeft en de overige dagen zonder enige compensatie op het landgoed van de
feodale heer gaat werken ..." (Marx, Capital,
dl.III, p.790-kursief van Marx)
2. In het tweede stadium wordt de arbeidsrente omgezet
in pacht in natura, een omzetting
"... die vanuit economisch standpunt niets verandert in de
(feodale-P.V.d.B.) natuur van de grondrente."(Capital, dl.III, p.794)
3. De omzetting van afdrachten in natura in geld-pacht betekent evenmin dat we
onmiddellijk mogen spreken van kapitalisme als bij de overgang van ruilhandel
in ontwikkelde warenruil met veralgemening van de geldomloop: "De basis
van deze vorm van pacht, alhoewel deze laatste zijn opheffing nadert, blijft
dezelfde als de pacht in natura die zijn uitgangspunt vormt. De onmiddellijke
producent is, zoals tevoren, nog steeds de bezitter van de grond, hetzij
krachtens overerving of één of ander traditioneel recht, en moet voor zijn
heer, als eigenaar van zijn meest essentiële productievoorwaarden, bijkomende
corveedienst verrichten, t.t.z. onbetaalde arbeid waarvoor geen equivalent
wordt teruggegeven, in de vorm van een meerproduct dat wordt omgezet in
geld." (Capital, dl.III, p.797)
Het is op grond van de bedenking dat de feodale
verhoudingen vooralsnog de overheersende bleven, dat Perry Anderson, zonder de
invloed van de bourgeoisie ook maar enigszins te minimaliseren, ertoe besluit
dat het absolutisme voornamelijk beschouwd moet worden als een aangepaste vorm
van feodale heerschappij:
"De heren die de eigenaars bleven van de
fundamentele productiemiddelen in elke pre-industriële maatschappij waren hier
uiteraard de adellijke grondbezitters. Gedurende de vroege moderne tijden bleef
de heersende klasse -zowel economisch als politiek- dezelfde als in het
middeleeuwse tijdperk zelf: de feodale aristocratie. De adel mag dan wel
diepgaande transformaties hebben ondergaan in de eeuwen na het afsluiten van de
Middeleeuwen, van het begin tot het einde van de geschiedenis van het
absolutisme werd hij in feite nooit afgesloten van zijn uitoefening van de politieke
macht. De veranderingen in de vormen van feodale uitbuiting die bij het einde
van het middeleeuwse tijdperk hun opwachting maakten waren uiteraard
allesbehalve onbetekenend. Het waren inderdaad deze veranderingen die de
staatkundige vorm van machtsuitoefening omvormden. In essentie kwam het
absolutisme op het volgende neer: een
herschikt en heropgeladen apparaat van feodale overheersing, ontworpen om
de boerenmassa's in hun traditionele sociale positie te houden - ondanks en in
weerwil met de verworvenheden die ze door de algemene veranderingen in hun
verplichtingen in de wacht hadden weten te slepen.(...) tegelijkertijd evenwel
moest de aristocratie zich aanpassen aan een tweede antagonist: de
handelsburgerij die zich in de middeleeuwse steden had ontwikkeld." (Anderson, Lineages
of the Absolutist State, Redwood Books, Wiltshire, 1996, p.17-20-kursief
van Anderson)
Het absolutisme was een synthese van opkomend burgerdom
en in verval verkerend feodalisme, waarbij laatstgenoemde zich, in haar onvermogen
om haar heerschappij op lokaal vlak te verzekeren, moest reorganiseren op het
nationale vlak. En beide klassen waren, enige hardnekkige regionalistische
edellieden uitgezonderd, min of meer tevreden met deze oplossing: de adel
behield zijn hoofd, zijn grond en een aanzienlijk deel van zijn politieke
macht; de burgerij haar vooruitzichten op toenemende rijkdom.
Het absolutisme was tegelijkertijd een feodale
hergroepering van de laatste hoop, als de eerste herkenbare, zij het dan nog
bijzonder onvolmaakte, verschijningsvorm van de moderne nationale staat.
Na verloop van tijd echter reproduceerden alle kwalen
van de oude leenroerige verbrokkeling en willekeur zich gewoon op het niveau
van de nationale heerschappij. Hoewel dezelfde verhoudingen waarin de burgerij
gedijde een onmisbare voorwaarde geweest waren voor de vorming van een
levensvatbare vorstenstaat, begon deze laatste steeds zwaarder te wegen op de
beurs en het geduld van de burgerij. In negen op de tien gevallen vormde de
nationale belastingpolitiek van het absolutisme, die niets anders was dan de
meest ontwikkelde vorm van de traditionele leenroerige heffingen, de
onmiddellijke aanleiding voor het uitbarsten van de burgerlijke revolutie. De
verkwistingen, de peperdure dynastieke oorlogen en het machtsmisbruik van het
absolutisme riepen een situatie in het leven waaronder het kapitalisme
onmogelijk verder kon bloeien en al naargelang de uitslag van de vorige
klassenbotsingen en de algemene zwakte van het feodalisme bereikte het
maatschappelijke antagonisme tussen de bourgeoisie en de oude heersende klassen
in de verschillende landen op verschillende ogenblikken het orgelpunt van de
burgerlijke machtsovername. De burgerij wist niet steeds wat te doen met de
veroverde macht en in Engeland bijvoorbeeld zag zij haar politieke
onbekwaamheid bestraft met de noodzaak om in 1660, na de roerige periode van de
Great Rebellion, opnieuw de monarchie
in te stellen.
Wallerstein die het klassenkarakter van de eerste
nationale staten volledig in het midden laat, of liever gezegd er stilzwijgend
van uitgaat dat de burgerij er onmiddellijk de heersende klasse vormt, is
vanzelfsprekend alleen geïnteresseerd in de internationale
verhoudingen.
"De moderne staat is nooit een volledig autonome
politieke grootheid geweest," schrijft hij, "Staten ontwikkelden zich
en werden gevormd als integrale delen van een interstatelijk systeem, hetgeen
bestond uit een verzameling regels waarbinnen de staten moesten opereren en een
geheel van legitimeringen zonder welke staten niet konden overleven."
(p.47)
Deze beperkingen, zo gaat Wallerstein verder, waren te
vinden in de praktijk van de diplomatie, "in de formele regels die de
rechtsbevoegdheden en verdragen bepaalden (internationaal recht), en in de
grenzen die aangaven hoe en onder welke omstandigheden het middel van
oorlogvoering eventueel kon worden aangewend." (ibidem)
En in één elegante stijlfiguur zijn de oorlogen van de
Nederlandse handelsburgerij met de Hanzeatische Bond, de afscheuring van de
Noordelijke Nederlanden, de oorlog tussen Spanje en Engeland, etc.etc., kortom:
de bloedige en bijna onafgebroken wereldoorlog tussen de voornaamste
handelsnaties bijna afgedaan als ... diplomatische manoeuvres binnen een
weloverwogen machtsevenwicht.
Misschien, als we even op de feiten mogen vooroplopen,
zal Wallerstein in het vierde deel van zijn magnum opus de twee wereldoorlogen
van de twintigste eeuw zo voorstellen als waren het geen uitdrukkingen van
fundamentele tegenstellingen binnen het wereldsysteem, maar ... diplomatische handgrepen
binnen het kader van een interstatelijk systeem.
In ieder geval is de heer Wallerstein niet vergeten dat
het er in de geschiedenis van het historisch kapitalisme "ook wel
eens" minder vriendschappelijk aan toegegaan is:
"De regels van het interstatelijk systeem werden
natuurlijk niet gehandhaafd door middel van instemming of overeenstemming, maar
door de wil en het vermogen van de sterkere staten om deze beperkingen op te
leggen, eerst aan de zwakkere staten en in de tweede plaats aan elkaar. We
moeten bedenken dat de staten zich in een machtshiërarchie bevonden. Juist het bestaan van deze hiërarchie zorgde
voor de belangrijkste beperking van de autonomie van de staten."(p.47-mijn
cursief)
De voornaamste beperking voor de autonomie van de staten
kwam voort uit het bestaan van een internationale hiërarchie; deze hiërarchie
is de politieke uitdrukking van het interstatelijk systeem. Inderdaad. Maar
even verder geeft Wallerstein toe dat "elke hegemonie van korte duur
was" (zie p.49) De staten bevonden zich voortdurend in conflict voor het
veranderen of het behoud van hun plaats in de internationale hiërarchie. En
veronderstelt dit niet het bestaan van tegenstellingen die zelfs niet met de
meest fijn uitgekiende taalruiterij te verzoenen zijn?
Vergeten we niet dat Wallerstein op blz. 26 nog
onverkort spreekt over "de ogenschijnlijke scheiding in het
kapitalistische wereldsysteem tussen enerzijds het economische gebied (een
wereldwijde arbeidsverdeling enz., enz.) en anderzijds het politieke gebied (schijnbaar bestaande uit afzonderlijke,
soevereine staten etc. etc.)". En twintig bladzijden verder is het
"meest elementaire dilemma" de tegenstelling tussen de nationale
staat en de wereldeconomie.
Eerlijkheidshalve moeten we hier onmiddellijk aan
toevoegen dat Wallerstein zijn gedachtegang in het Modern World System de tegenstelling tussen de nationale staat en
de wereldmarkt veel consequenter ontwikkelt dan in zijn Historisch Kapitalisme. Het probleem van Wallerstein zit hem niet
in het achterhalen van de historische feiten maar in hun systematisering tot
wetenschappelijke theorie, in de methode die hij hanteert. Deze systematisering
is nu net de opgave van het Historisch
Kapitalisme.
Wallerstein, welnu, onderscheidt welgeteld drie perioden
van relatieve dominantie:
Ten eerste deze van de Nederlanden in het midden van de zeventiende eeuw;
Ten tweede deze van Groot-Brittannië
in het midden van de negentiende eeuw;
Ten derde deze van de Verenigde Staten in het midden van de twintigste eeuw.
De oorlogen die deze hegemonieën bezegelden waren
respectievelijk de Dertigjarige Oorlog, de Napoleontische Oorlogen en in de
twintigste eeuw de conflicten tussen 1914 en 1945, die we volgens Wallerstein
"beter kunnen beschouwen als één lange wereldoorlog." (zie p.49)
Hoewel de rivaliteit tussen het Spaanse en Portugese
handelsimperium ook onmiddellijk de strijd tussen de overige handelsnaties om
de overheersing van de wereldhandel inluidde, telt de anderhalve eeuw dat
Spanjaarden en Portugezen de plak zwaaiden over de wereldzeeën voor Wallerstein
niet mee. Maar wat Wallerstein vooral vergeet, is dat deze drie hegemonieën
samenvielen met drie onderscheiden ontwikkelingsstadia van het kapitalisme, die
elk belangrijke kwalitatieve verschillen vertoonden.
De opgang van de Nederlanders, die reeds begon in de
vijftiende eeuw, walste eerst over het gebeente van de paalburgers uit de
handelssteden aan de Oostzee, leidde vervolgens tot de eerste geslaagde
nationale burgerlijke revolutie uit de geschiedenis met de afscheuring van
Spanje, dewelke dan weer de laatste hindernissen opruimde voor het tijdelijke
overwicht van de Hollandse burgerij in de wereldhandel en de koloniale politiek
die er hand in hand mee ging. De opkomst en ondergang van het Portugese en
Spaanse handelsimperium en de zegetocht van de Hollandse handelaars vielen
samen met het stadium van de primitieve
accumulatie, de fase waarin
voorkapitalistische wijzen van toe-eigening nog goeddeels overheersten,
maar toch reeds aanleiding gaven tot de initiële opstapeling van rijkdom die
vervolgens werd ingezet als kapitaal.
De hegemonie van Groot-Brittannië valt historisch gezien
samen met het stadium van de vrije
concurrentie, de periode van het klassieke kapitalisme die begint met de
Industriële Revolutie van de late achttiende en de vroege negentiende
eeuw.
Vrije concurrentie betekent ongebreidelde strijd om de
heerschappij op de markt. Eén kapitalist slaat er vele andere dood. Vrije
concurrentie betekent de voortschrijdende concentratie van kapitaal in steeds
minder handen, de versnelde vernietiging van de kleine onafhankelijke
producent, vervolgens ook de verdringing van de ene kapitalist door de andere.
Uit de vrije concurrentie komt onmiddellijk haar eigen tegendeel voort: het
monopolie. Het monopoliekapitaal; de versmelting van bank- en industriekapitaal
tot financierkapitaal; het veranderen van de banken van bescheiden bemiddelaars
bij betalingen in leidinggevende organen van de kapitalistische productiewijze;
het karakteristiek worden van de kapitaalexport in plaats van slechts de
warenuitvoer. Deze ontwikkelingen vormen de onmiddellijke voorwaarden voor de
overgang van het klassieke kapitalisme van de vrije concurrentie in imperialisme, het laatste en hoogste
ontwikkelingsstadium van de kapitalistische productiewijze. De supermonopolies
verdelen niet slechts de binnenlandse, maar tevens de buitenlandse markt onder
elkaar. De onderwerping van de niet-kapitalistische wereld bereikt een
hoogtepunt. De oude koloniale politiek, die zich grotendeels tevreden stelde
met een handelsimperium, zet zich om in een agressieve politiek van annexatie.
Afrika en reusachtige gebieden van Azië, de vroegere aanlokkelijke wingewesten
van de handelsburgerij, worden nu volledig in bezit genomen als kolonies. De
strijd tussen de ontwikkelde kapitalistische naties om de leidende positie op
de wereldmarkt, wordt een strijd om de wereldmacht.
Hoewel de overgang van vrije concurrentie naar
imperialisme zeer zeker gepaard ging met een verdere vermaatschappelijking van
de productie, bleven de internationale tegenstellingen tussen de voornaamste
kapitalistische mogendheden onverminderd verderbestaan. Deze strijd om de
wereldmacht heeft tot tweemaal toe tot wereldoorlog geleid en de rijzende ster
van het imperialisme was zonder twijfel de Verenigde Staten.
In plaats van de verschillende hegemonieën af te leiden
uit de verschillende groeistadia van de moderne samenleving, verkiest
Wallerstein, zoals het begin van de "Moderne Tijden" op oppervlakkige
wijze bij de val van Kontantinopel in 1453 wordt gelegd, op goedburgerlijke
wijze af te bakenen door middel van drie oorlogen die volgens hem de
overwinning van de ene hegemonie op de andere moesten "bezegelen".
Hoewel zijn vier delen van het Modern World System
goeddeels overeenstemmen met de drie grote accumulatieregimes uit de
geschiedenis van het kapitaal, ziet Wallerstein bijna geen groeistadia in de
ontwikkeling van de moderne beschaving. Hij ziet slechts hegemonieën in een
interstatelijk systeem en het nationale aan de nationale staat is voor hem
slechts schijn.
Wallerstein, die naar het gezegde van van de Nederlandse
sociaal-democraat Joop den Uyl
"opereert op de vierkante mijl, tegenover al de broddelaars, detaillisten,
etc. en andere vechters op de vierkante centimeter" heeft het rijk van de
tegenwoordige realiteit eindelijk verlaten. Maar nu kijkt hij zo ver voor zich
uit dat zijn analyse struikelt op de hindernissen die zich vlak voor zijn
voeten bevinden. Het is gewoon onnozel om de ganse wereldgeschiedenis van de
laatste vier eeuwen eendimensionaal te willen kaderen in de heerschappij van
drie hegemonieën, zonder nog maar deze periodes van betrekkelijke hegemonie op
hun onderlinge verschillen te onderzoeken.
Voor Wallerstein is de verhouding tussen de
vermaatschappelijking van de productie of de wereldwijde arbeidsdeling en de
nationale staat aanvankelijk geen tegenstrijdige maar een formeellogische
verhouding. Zolang het hem past worden alle internationale tegenstellingen voor
hem opgeheven binnen het Yin en Yang van centrum en periferie en alle
gebeurtenissen die voortvloeien uit deze zogenaamd ogenschijnlijke
tegenstellingen worden met harde hand binnen de Tao van Wallerstein gehouden. En zo ontpopt de Wereldsysteem
Analyse zich eerst tot haar eigen verafschuwde alter ego: het eenzijdige
deductivisme dat, zoals Hegel al wist, onder de lichtinval van het empirisme
steeds als schaduw optreedt van de eenzijdige inductie.
Tenslotte komt Wallerstein, wanneer hij de rol van de
anti-systeembewegingen wil uitleggen, terug van zijn opheffing van de
tegenstelling tussen nationale staat en wereldmarkt. Wat is nu "het meest
elementaire dilemma"? ... de tegenstelling tussen de nationale staat en de
wereldmarkt. Beter onder de galg gebiecht als niet ...
maar wie met de duivel gescheept is, moet met hem over !*
§4. De
klassenstrijd
De belangrijkste strijd binnen het historisch
kapitalisme, zegt Wallerstein, was deze tussen de kleine groep sterk
bevoordeelden en de grote groep slachtoffers van het systeem.
"Deze strijd heeft vele vormen en gedaanten.
Wanneer de scheidslijnen tussen de accumulatoren van kapitaal en hun
arbeidskrachten binnen een bepaalde staat tamelijk duidelijk zijn, noemen we
dat doorgaans een klassenstrijd tussen kapitaal en arbeid. Zo'n klassenstrijd
vond op twee gebieden plaats - op het economische gebied (zowel op de plek van
de werkelijke arbeid en op de grotere, amorfe 'markt') en in de politieke
arena. Het is duidelijk dat er op het economische gebied een open,
vanzelfsprekende en directe belangentegenstelling stond. Hoe groter de
vergoeding voor de arbeidskrachten, hoe minder surplus er als 'winst'
overbleef. Zeker, dit conflict werd vaak verzacht door grootschaliger
lange-termijn-overwegingen. Zowel de
afzonderlijke accumulator van kapitaal als zijn arbeiders hadden
gemeenschappelijke belangen ten opzichte van andere 'paren' elders in het
systeem. En een hogere vergoeding voor de arbeiders kon onder bepaalde
omstandigheden naar de accumulatoren van kapitaal terugvloeien dan uitgestelde
winst, door een toename van de in totaal beschikbare koopkracht in de
wereldeconomie. Niettemin zou geen van deze andere overwegingen iets kunnen
afdoen aan het feit dat de verdeling van een bepaald surplus een
zero-sum-situatie betrof, en dus bleef de spanning noodzakelijkerwijs
voortduren. Deze spanning vond voortdurend uitdrukking in een strijd om de
politieke macht binnen de verschillende staten." (p.50-51-mijn
cursief)
De klassenstrijd tussen arbeiders en kapitalisten vond
plaats op twee gebieden: het economische en het politieke. In zo weinig woorden
ontslaat Wallerstein zichzelf van de plicht om de politieke en de economische
strijd van de arbeidersklasse in hun juiste verband weer te geven. Politieke en
economische strijd vormen voor hem eenvoudige deelverzamelingen van de
klassenstrijd.
Er zijn perioden in de geschiedenis van de moderne
arbeidersbeweging dat de economische strijd voor onmiddellijke lotsverbetering
binnen het bestaande stelsel centraal staat en er zijn evengoed perioden dat de
arbeiders geheel en al in het politieke bedrijf schijnen opgeslokt. Er zijn perioden dat de arbeidersklasse op het
politieke terrein met revolutionaire eisen op de voorgrond treedt en er zijn
perioden dat zij terugkomt van haar vroegere stoutmoedige, hemelbestormende
houding om zich te beperken tot pogingen om de politiek binnen de bestaande
maatschappij naar haar hand te zetten. Er zijn zelfs perioden van totale
inactiviteit op beide vlakken, zelfs van volslagen onvermogen tot georganiseerd
optreden, bijvoorbeeld na de totale vernietiging van haar organisaties door de fascistische staat van beleg.
Eerst en vooral komt het er op aan om het voortkomen van
de politieke strijd uit de economische te begrijpen. Dan moet men de
verschillende etappes van de politieke strijd doorgronden. Vervolgens moet men
zich het inzicht eigenmaken in de historische
strekking van de proletarische klassenstrijd.
Wallerstein doet geen enkele poging om wat dan ook van
de proletarische klassenstrijd te begrijpen. Zoals de eerste de beste
zondagsjournalist stelt hij alleen maar vast dat er politieke en economische
strijd bestaat.
Voor Wallerstein zijn de strijd van de Engelse Trade-Unions, de Chartistenbond, de Parijse Communards,
de Europese sociaal-democratie van voor de Eerste Wereldoorlog, de Russische
Bolsjewieken, etc. etc. allemaal één pot nat. Net zomin als hij de
verschillende kwalitatieve stadia in de ontwikkeling van het kapitalisme kent,
heeft hij oog voor de fasen in de ontwikkeling van de moderne
arbeidersbeweging. Als enigen in de wereld zullen de wereldsysteemanalisten
geen enkele verwondering tonen, mochten zij op een goeie dag, tijdens één van
de talloze vakbondsdemonstraties die heden over de hoofdsteden van de wereld
waaien, tegelijk een Hollandse Wederdoper,
een Engelse Digger, een Britse wever
uit de vroege negentiende eeuw, een Franse Blanquist,
een Belgische socialist, een Russische Bolsjewiek en een Duitse Spartakist arm in arm met een
hedendaagse vakbondsradicaal zien lopen.
Niet geheel ongevoelig voor een dergelijk hartverwarmend
schouwspel, vinden we toch aanleiding om enkele puntjes op de i te zetten. Het
historische verschil zit hem immers een beetje dieper dan het feit dat de
Wederdoper zich verdedigde met de hellebaard en de Spartakist met in de ene
hand het stembiljet en in de andere de Mauser.
De proletarische
klassenstrijd was geen "zero-sum"-operatie, zoals Wallerstein
beweert, maar een proces dat zich van de ene historische ervaring naar de
volgende steeds in nieuwe kleren stak, nieuwe strijdvormen ontwikkelde, er soms
van terugkwam om zich opnieuw aan oude, voorbijgestreefde doeleinden te wijden,
maar zich, over het geheel van de
recente geschiedenis bekeken, toch in opgaande richting bewoog.
De verschillende golven van politieke revolutie waarin
de arbeiders sedert de Franse Revolutie betrokken werden, vormen tegelijkertijd
scherpe scheidslijnen tussen een oud en een nieuw stadium in het politiek
volwassen worden van de moderne arbeidersklasse.
Hoewel het ontstaan van de kapitalistische
productiewijze onmiddellijk gepaard ging met opflakkeringen van proletarisch
verzet, dateert de moderne klassenstrijd, met haar moderne strijdmethoden en
organisaties pas sedert de Industriële Revolutie.
Pas de grootscheepse mechanisering van het
productieproces schakelde de levensvoorwaarden van het proletariaat zodanig
gelijk, dat het zich als klasse begon te manifesteren en dat dan nog met grote
verschillen naargelang de algemene graad van ontwikkeling van hun land en de
politieke tradities die er heersten. Het eerst kwam de moderne
arbeidersbeweging in Engeland tot stand, met de halfgeheime vakverenigingen van
de vroege negentiende eeuw wier economische strijd na verloop van tijd voor het
eerst aanleiding gaf tot de vorming van de eerste politieke massastroming van het industrieproletariaat: het
Chartisme. Het Chartisme ontwikkelde zich rechtstreeks uit de in 1831
opgerichte National Union of the Working
Classes en kende van bij het begin een heftige strijd tussen een
hervormingsgezinde en revolutionaire vleugel. In Frankrijk was de opkomende
arbeidersbeweging van bij het begin getekend door de revolutionaire
overlevering van de jaren 1792-1794. Mensen als Louis-Auguste Blanqui namen de draad op van de communistische
minderheidsfractie in de jakobijnse partij die met de ontmanteling van Babeufs
samenzwering (1796) in de kiem was gesmoord, en richtten in de jaren 1830 de
Franse communistische handwerkerkringen op. Het Duitse revolutionaire
socialisme ontstond in de middens van radicaalliberale ballingen die hun land
hadden moeten verlaten tijdens de periode van heftige reactie in de jaren
1832-1836. In 1847 nam de Bund der
Gerechten de naam Bund der
Communisten aan en het was voor deze kleine partij dat Marx en Engels eind
dat jaar het Manifest der Communistische
Partij samenstelden.
Over het algemeen waren het de concentrerende krachten
van de kapitalistische productiewijze die aanleiding gaven tot het ontstaan van
het proletarische klassenbewustzijn. De geplande arbeidsdeling in het bedrijf
en de daaruit voortvloeiende onderlinge afhankelijkheid van de verschillende in
één ruimte samengebrachte arbeiders voor het vervaardigen van het product; het
samenstromen in stadswijken van grote aantallen mensen die onder gelijkaardige
omstandigheden moesten leven; het catastrofale karakter van de ineenstorting
der oude levensvoorwaarden onder invloed van de industrialisering; het
gaandeweg verloren gaan van de oude vormen van sociale controle, uitgeoefend
door bijvoorbeeld de kerk, door de vergroting van de stedelijke centra; het
ontstaan van nieuwe communicatie- en verkeersmiddelen die het taaie vlies van
bekrompen stedelijk provincialisme en besloten achterlijkheid op het platteland
doorprikten ... al deze factoren werkten gaandeweg bij de loonarbeiders de
bewustwording van hun gemeenschappelijke belangen in de hand.
De overgang van louter economische klassenstrijd in
politieke strijd werd niet alleen bepaald door de nationale politieke tradities
die de burgerlijke revolutie had nagelaten, maar evengoed, om niet te moeten
zeggen vooral, door de botsingen van de arbeiders met hun bazen, door de
concrete ervaringen van de klassenstrijd zelf. Marx bleek één van de weinige
socialistische leiders die deze samenhang van economische en politieke strijd
begrepen had, toen hij in
1865 de volgende woorden tot de Algemene Raad van de Internationale Arbeidersassociatie
richtte:
"Als de arbeidersklasse in haar dagelijkse
botsingen met het kapitaal laf zou inbinden, zou zij zichzelf ontegensprekelijk
beroven van het vermogen de één of andere grotere beweging op gang te
brengen." (Loon, prijs en winst,
p.79)
Het uitgangspunt van de politieke bewustwording van de massa der loonarbeiders is niet
theoretisch. Propaganda kan het proces van bewustwording in het beste geval
hoogstens versnellen. Voor de meesten onder de arbeiders zijn het de praktische omstandigheden waarin zij
zich bevinden die hen tot politieke slagvaardigheid opvoeden.
Voor dit verband tussen de economische gevechten en de
politieke strijd van het proletariaat, dat nochtans teruggaat op de meest
concrete historische ervaringen, is er in het empirisme van Wallerstein geen
plaats. Wallerstein ziet slechts de economische naast de politieke strijd en beschouwt het tijdelijk pacteren van
nationale arbeidersbewegingen met hun nationale burgerij tegen "andere
paren elders in het systeem" als een gang van zaken die inherent is aan de
moderne samenleving ... omdat "zowel de afzonderlijke accumulator van
kapitaal als zijn arbeiders gemeenschappelijke belangen hadden."
Men kan inderdaad zeggen dat er bij het begin van de
georganiseerde arbeidersbeweging in bepaalde landen een gemeenschappelijk
belang bestond tussen de industriële burgerij en het proletariaat tegen de
politieke macht die zich nog voor het grootste deel concentreerde in de handen
van, zij het de oude feodale klassen, zij het de hoogburgerlijke minderheid die
beide de opkomende industriëlen uitsloten van de politieke macht. De strijd van
de liberale bourgeoisie voor deelname aan de macht, voor de omvorming van de
bestaande halfburgerlijke staatsvormen tot politieke organen voor de
heerschappij van de gehele
bourgeoisie, leunde inderdaad op de massamobilisatie van de arbeiders in de
zogenoemde barricaderevoluties. Maar de revolutie van 1848 ontsluierde
meedogenloos het geheim van de moderne samenleving: de onverzoenlijke
klassentegenstelling tussen de arbeiders en de ganse bourgeoisie. De bloedige onderdrukking van de juniopstand in
Frankrijk, van de opstand in Wenen, van de Novemberdagen in Berlijn, hebben de
geschiedenis voor eens en voor goed ingepeperd wie tegenover wie staat in de
moderne samenleving. Logischerwijze moesten ook de vroeg-socialistische
doctrines die de klassenstrijd afwezen en in de periode voor 1848 overheersend
waren in de arbeidersbeweging hun laatste adem uitblazen.
"De revolutie van 1848 brengt al deze lawaaierige,
bont geschakeerde, bombastische vormen van het voormarxistische socialisme de doodsteek toe. De revolutie laat in
alle landen de verschillende klassen van de maatschappij in actie zien. Het afslachten van de arbeiders door de
republikeinse bourgeoisie in de junidagen van 1848 in Parijs toont definitief
aan, dat alleen het proletariaat qua
karakter socialistisch is. De liberale bourgeoisie is honderd keer meer
bevreesd voor de zelfstandigheid van deze klasse dan voor elke willekeurige
reactie. Het laffe liberalisme kruipt daarvoor op zijn buik. De boeren nemen
genoegen met het opruimen van de overblijfselen van het feodalisme en plaatsen
zich aan de kant van de orde en weifelen zo nu en dan tussen arbeidersdemocratie en burgerlijk
liberalisme. Alle leerstellingen
over een niet aan klassen gebonden
socialisme en een niet aan klassen
gebonden politiek blijken pure onzin te zijn." (Lenin, De historische lotgevallen van de leer van
Karl Marx, in: Keuze uit zijn werken,
dl.I, Pegasus, Amsterdam, 1972, p.578-579- cursief van Lenin)
Het gemeenschappelijke belang van arbeiders en
bourgeoisie in de democratische revolutie vormde een voorbijgaand stadium in de ontwikkeling van de proletarische
klassenstrijd en liep terstond teneinde vanaf het ogenblik dat het proletariaat
zelfstandig met zijn eigen klasse-eisen op het toneel verscheen.
Nemen we het voorbeeld van het meest stuitende pakt
tussen de arbeidersbewegingen en hun nationale burgerijen, de houding van de
sociaal-democratie tegenover de oorlogsinspanning van de jaren 1914-1918.
Op het congres van de Tweede Internationale te Stuttgart
in 1907 werd nog unaniem ingestemd met de resolutie die Lenin, Martow en Rosa
Luxemburg hadden opgesteld en waarin bepaald werd dat alle socialisten met de
middelen die hen ter beschikking stonden het uitbreken van de oorlog moesten
trachten te verhinderen. Als de oorlog toch uitbrak dan was het hun plicht
"te ijveren voor de spoedige beëindiging ervan en er met alle kracht naar
te streven de door de oorlog ontstane economische en politieke crisis uit te
buiten om het volk wakker te schudden, en zo de afschaffing van de
kapitalistische klassenheerschappij te bespoedigen." De vredesdemonstratie
van 1912 in de Dom van Basel herhaalde deze oproep.
Toch ondersteunden, als puntje bij paaltje kwam, alle
grote sociaal-democratische partijen de nationale oorlogspolitiek van hun land.
De Duitse socialistische parlementairen stemden op 5 augustus voor de
oorlogsbegroting. De Oostenrijkse sociaal-democratie, met 540.000
vakbondsleden, 150.000 partijleden, een miljoen stemmen en 82 parlementairen,
gedroeg zich al niet anders. In Engeland bezweek de Labour Party al evengoed
voor de oorlogsdruk en de Franse S.F.I.O. liet zich eveneens meeslepen door de
verzoeningszwendel van de Union Sacrée
voor vaderlandsverdediging.
De politieke wending was niet het gevolg van objectieve
belangenoverkomsten tussen de arbeiders en de burgerij, maar van een interne ontwikkeling binnen de
sociaal-democratie. De groei van de nationale arbeiderspartijen die elkaar in
1889 terugvonden in de Tweede Internationale had plaatsgevonden in de vreedzame
periode 1871-1914, toen er in de voornaamste kapitalistische naties van Europa
noch revoluties noch oorlogen voorgekomen waren. Deze groei in de breedte ging
gepaard met de vorming van een leidende kaste van gebureaucratiseerde partij-
en vakbondsfunctionarissen wier levensstijl en opvattingen meer de stempel
droegen van de kleine burgerij dan dat ze deze van de arbeidersklasse weerspiegelden.
"In werkelijkheid is de leiding hoegenaamd niet
zomaar de zuivere 'weerspiegeling' van een klasse of het product van haar vrije
creativiteit. Een leiding wordt gevormd in het proces van botsingen tussen de
verschillende klassen of de wrijvingen tussen de verschillende lagen binnen een
gegeven klasse. Eens ze is ontstaan, rijst de leiding steeds uit boven haar
klasse en komt daardoor bloot te staan aan de druk of de invloed van andere
klassen." (Trotsky, The Class, the Party and the Leadership,
Cambridge Heath Press, London, 1982,
p.4-5)
Dit proces van bureaucratisering had in de laatste
twintig jaar voor de Eerste Wereldoorlog zijn uitdrukking gevonden in de
vorming van een openlijk
reformistische stroming in de internationale arbeidersbeweging (Bernstein in Duitsland, Millerand in Frankrijk, de
minderheidsfractie van de Russische sociaal-democratie, de strekking Troelstra in Nederland, etc. etc.) Het
enorme apparaat dat de arbeidersbeweging in de loop der jaren had opgebouwd,
begon een leven op zichzelf te leiden en bekommerde zich uiteindelijk nog
slechts om zijn eigen voortbestaan.
"Ook na het uitbreken van de oorlog stond het vast,
dat de arbeiders in korte tijd uit hun patriottische roes moesten worden
ontnuchterd door hun eigen bittere ervaringen. Dan had een partij die de
resolutie van Stuttgart zou hebben uitgevoerd, de massa's kunnen leiden in de
strijd tegen hun regering en tegen de oorlog. Wel had ze dan eerst een periode
van isolement, vervolgingen en illegaliteit moeten riskeren. Daartoe waren de meeste grote Europese
partijen niet meer bereid. Zo moesten ze onafwendbaar instrumenten worden
van de oorlogspolitiek van hun regeringen en daarmee van de heersende klassen.
Ze bleven het nog, zelfs toen de massa's toonden weer kritisch te zijn. In
plaats van hun aanhang te leiden, volgden zij deze voortaan slechts
schoorvoetend in zijn wisselende stemmingen. Vaak poogden zij zelfs, de bewustwording en activiteit van hun leden te
verlammen in het belang van hun regeringen." (Wolfgang Abendroth, Sociale geschiedenis van de Europese
arbeidersbeweging, SUN, Nijmegen, 1979, p.73-mijn cursief)
Als de politieke strijd van de arbeidersbeweging haar
eigen doeleinden afzweert en in gemeenschappelijk front met de burgerij begint
op te treden, dan is dat niet het gevolg van objectief gemeenschappelijke
belangen tussen beide, doch veeleer van de tegenstrijdige belangen binnen de
arbeidersbeweging.
Het waren deze antagonismen die gerijpt waren binnen de
arbeidersbeweging zelf en niet de fundamentele structurele kenmerken van het
kapitalisme zoals Wallerstein beweert, die er op de duur toe leidden dat
sommige delen van de arbeidersbeweging "er op korte termijn belang bij
hadden om de politieke vraagstukken eerder te definiëren in zuiver nationale
dan in klasse-nationale termen." (zie Wallerstein, p.51)
§5. De
burgerlijke ideologie: "rationaliteit en rationalisering"
De ideeën die in een bepaald historisch stadium van
maatschappelijke ontwikkeling overheersen, hangen steeds nauw samen met de
verhoudingen die overheersen in de productie van het onmiddellijke, materiële
leven. Een ideologie verklaren betekent haar samenhang met deze materiële
grondslag van haar tijdperk uitleggen.
Ook Wallerstein begint met de bedenking dat de
burgerlijke ideologie verklaard moet worden aan de hand van de revolutie in de
maatschappelijke verhoudingen, de wetenschap en de technologie waarmee het
ontstaan van de burgerlijke maatschappij gepaard ging.
"Het historisch kapitalisme had, zoals we weten,
aspiraties die Prometheus waardig waren. Alhoewel wetenschappelijke en
technologische verandering een constante was in de geschiedenis van de
menselijke activiteit, werd de altijd aanwezige Prometheus pas van zijn ketens
bevrijd (dit is de formulering van David Landes) met het ontstaan van het
historisch kapitalisme. Het algemeen aanvaarde beeld dat wij nu hebben van deze
wetenschappelijke cultuur van het historisch kapitalisme is, dat zij werd
verdedigd door edele ridders tegen het sterke verzet in van de 'traditionele',
niet-wetenschappelijke cultuur. In de zeventiende eeuw was het Galileï tegen de
kerk; in de twintigste de 'vernieuwer' tegen de mullah. Verondersteld werd dat
het steeds ging om 'rationaliteit' versus 'intellectuele onderdrukking'. Verondersteld
werd dat dit vergelijkbaar was met (of zelfs identiek aan) de revolutie op het
gebied van de politieke economie van de bourgeoisondernemer tegen de
aristocratische landheren. Dit fundamentele beeld van een wereldwijde culturele
strijd had een verborgen premisse, namelijk die van opeenvolging in de tijd
(temporality). 'Vernieuwing' (modernity) zou in de tijd gezien nieuw zijn,
terwijl 'traditie' van ouder datum was en voorafging aan vernieuwing; ja, in
bepaalde hardnekkige versies van deze beeldvorming was traditie ahistorisch en
daarom als het ware eeuwig. Deze premisse was historisch gezien onjuist en
daarom fundamenteel misleidend. De veelsoortige 'tradities' die binnen de
tijdruimtegrenzen van het historisch kapitalisme bloeiden, waren niet van ouder
oorsprong dan de veelsoortige institutionele kaders. Zij zijn voor een groot
deel gecreëerd door de moderne wereld, als een onderdeel van het ideologische
bouwwerk." (Wallerstein, p.62-63)
In één opzicht heeft Wallerstein gelijk: het is
inderdaad onzinnig om de strijd van de burgerlijke wereldbeschouwing tegen de
bijgelovige voorstellingswereld van het feodalisme over één en dezelfde kam te
scheren met de ideologische propaganda van het imperialisme tegen het
moslimfundamentalisme. Deze vereenzelviging is geheel en al het product van de
burgerlijke ideologie zelf. Maar daarmee is het dan ook afgelopen met
Wallersteins doorzicht in de burgerlijke geesteswereld.
In zijn ijver om in de plaats van de burgerlijke
ideologie de Wereldsysteem Analyse te lanceren, begaat hij echter dezelfde fout
die hij de "boosaardige" ideologen van de moderne beschaving als
leugenachtige verdraaiing in de schoenen schuift.
Er is inderdaad weinig progressief aan de propaganda
tegen het moslimfundamentalisme, dat zich door zijn retoriek tegen het
Amerikaanse imperialisme de woede van de hele goegemeente in Wall Street op de hals heeft gehaald. We
wachten echter tevergeefs op een ernstig onderscheid tussen de historische
strekking van het moslimfundamentalisme en het middeleeuwse bijgeloof en
daarmee ook op een bevredigende uitleg op het verschil tussen de burgerlijke
kritiek erop in de onderscheiden tijdperken.
Aangezien Wallerstein het de moeite niet vindt om een
onderscheid te maken tussen de verschillende ontwikkelingsfasen van de
burgerlijke maatschappij, hoeven we er ons ook niet over te verwonderen dat hij
de historische eigenaardigheden van de ideologische ontwikkeling links laat
liggen.
Het fundamentalisme is op een manier geheel en al een
kind van het kapitalisme zelf, meer bepaald van zijn internationaal karakter,
van de totale onderwerping van de periferie aan de kapitaalstromen uit het
centrum. Hetzelfde gaat op voor alle stromingen van religieus geïnspireerd
verzet tegen het imperialisme: de kerk van Thomas
Kimbangu in Belgisch Kongo, de Mau
Mau in Kenia, de bevrijdingstheologie in Latijns-Amerika. Net zoals al deze
stromingen is het fundamentalisme inderdaad "gecreëerd door de moderne
wereld". Het is een niet-socialistische uitdrukking van de afkeer van de
massa's uit de neokoloniale wereld tegenover de wereldmacht van de
centrumlanden. Alleen al daardoor, of moeten we zeggen, slechts daardoor, is de kritiek van de westerse propaganda op het
fundamentalisme de kritiek van de bezitter op de bezitsloze, een reactionaire, contrarevolutionaire
kritiek. Maar het is een kritiek die gebruik maakt van een argumentarium dat
dateert uit een vooruitstrevend
stadium van ideologische strijd en aangezien vele van deze religieuze
bewegingen niet zelden steun zoeken bij historisch achterhaalde denkbeelden,
zouden de burgerlijke ideologen onvergeeflijke idioten zijn mochten zij een
dergelijke buitenkans om de door hen voorgewende superioriteit van het
liberalisme opnieuw in de verf te zetten, niet aangrijpen.
De ideeën van Copernicus en Galileï waren gericht tegen
de oude en door de experimentele wetenschap achterhaalde opvattingen van
Aristoteles en Ptolemaeus, die elk op hun terrein een belangrijke rol speelden
in de rechtvaardiging van de overheersende religieuze opvattingen en daardoor
ook de grondstof leverden voor het ideologische cement dat de middeleeuwse
klassenstructuur samenhield: het katholicisme. Voor de middeleeuwse ideologen
was Aristoteles "de filosoof" en de vermelding van dit epitheton
maakte, zonder vermelding va de naam Aristoteles zelf, aan alle lezers van
Thomas Van Aquino, Johannes Buridanus, enz. duidelijk over wie het ging. Zoals
geweten, bestaat een groot deel van de middeleeuwse filosofische literatuur
vanaf de twaalfde eeuw uit Aristoteles-commentaren.
Raken aan Aristoteles betekende, tot in de zestiende en zeventiende eeuw nog,
raken aan de ideologie van de feodale machtsstructuren.
Alhoewel de persoonlijke levensstijl en de loopbaan van
sommige burgerlijke filosofen weinig ridderlijke manhaftigheid vertoonde, getuigde
het in alle gevallen toch wel van meer moed om de oude scholastieke denkbeelden
te bestrijden dan Wallerstein en zijn school allegaar aan de dag leggen in hun
strijd tegen de burgerlijke vooruitgangsidee. Het is voldoende bekend dat de
kerkelijke overheden tegen de stokoude Galileï geen andere argumenten vonden
dan een rondleiding in de werkplaats van de beulsknechten. Het is ook voldoende
bekend hoe Giordano Bruno in 1600 zijn verwerping van het oude heliocentrische
stelsel met de vuurdood bekocht. De Joodse minderheid van de Republiek der
Nederlanden vond dat Spinoza's geschriften de burgerlijke vooruitgangsidee iets
te ver voortstuwden en bedachten hem, na hem een leven lang te hebben vervolgd,
met het grafschrift: "Spuw op dit
graf, hier ligt Spinoza!"
De strijd van de burgerlijke intelligentsia tegen de
waanvoorstellingen van de middeleeuwen effende niet alleen het pad voor de
ideeën waarmee de burgerlijk-demokratische revolutie zich tooide voor haar
schoonmaakbeurt in de middeleeuwse instellingen. Ze effende met haar strijd
tegen de voorwetenschappelijke opvattingen van de scholastiek ook het pad van
de experimentele wetenschap die het op haar beurt mogelijk heeft gemaakt dat de
prikkels uit de tegenwoordige realiteit van het historisch kapitalisme hapklaar
op de studeertafel van professor Wallerstein en na een kauwbeurt in boekvorm de
wijde wereld in belanden. De strijd van de burgerlijke intelligentsia heeft
zelfs rechtstreeks de methode van Wallerstein opgeleverd.
"Zonder het uitwerken van de empirische
wetenschappen op eigen kracht, had de filosofie zich nooit verder ontwikkeld
dan bij de Ouden." Zo oordeelde de oude Hegel in verband met Francis Bacon, de onmiddellijke
voorloper van Lockes empirisme.(Hegel, Lectures
on the History of Philosophy, dl.III, University of Nebraska Press,
Lincoln, p.176)
De burgerlijke ideologie, zegt Wallerstein, is
universalistisch (zie p.67)...
"Universalisme is een kennistheorie. Het is een
geheel van opvattingen over wat kenbaar is en hoe het gekend kan worden. De
essentie van deze benadering is dat er zinvolle algemene uitspraken over de
wereld gedaan kunnen worden- de fysieke wereld, de sociale wereld - uitspraken
die een universele en permanente geldigheid hebben, en dat het doel van de
wetenschap is om te zoeken naar deze algemene verklaringen en die dan weer te
geven in een vorm die alle zogenoemde subjectieve, dat wil zeggen
historisch-bepaalde elementen uit de formulering weert." (p.67)
Volgens de omschrijving die Wallerstein hier geeft van
het universalisme is de burgerlijke ideologie niet veel universalistischer dan
het oude katholieke geloof en de mythologieën uit de Oudheid.
Elke heersende klasse of kaste uit de geschreven
geschiedenis kon haar eigen levenswijze als het voortdurend toe-eigenen van de meerarbeid
van de zwoegende massa slechts rechtvaardigen door haar heersende positie en
haar voorrechten op één of andere wijze voor te stellen als natuurlijk en
algemeen geldend. De filosofie van de kerkvaders uit de donkere middeleeuwen,
de Thomistische filosofie, de mythologieën waarvan de Oosterse despoten gebruik
maakten, de predestinatieleer van Calvijn, etc. etc. en nog drie bladzijden vol
etcetera's, waren in dat opzicht niet minder "universalistisch" dan
het beetje experimentele wetenschap en formele logica waarin het
natuurrechtsdenken en de Verlichting de burgerlijke ideologie hebben gewikkeld.
Toen hij in 494 V.C. de Heilige Berg besteeg om de opstandige plebejers terug
te winnen voor het Romeinse patriciaat moest zelfs Menenius Agrippa een beetje elementaire "universele"
anatomie uit zijn mouw schudden om het enge klassenbelang van zijn
partijgangers een min of meer universeel karakter te geven. En zoals geweten
was Agrippa's verhaal, althans bij de aanhef op het randje van een provocerende
eerlijkheid: de plebejers zijn de handen, de patriciërs de maag; als de handen
weigeren te werken, sterft de maag af; als de maag afsterft, sterven ook de
handen. En hadden de langoren, de heersende kaste uit de verdwenen
Polynesisiche beschaving van Paaseiland Wallerstein kunnen horen verklaren dat
"Universalisme zowel religie als kennistheorie" is, dat het
universalisme "niet alleen respect
maar ook verering voor het ongrijpbare, maar toch als werkelijkheid
beschouwde fenomeen: waarheid vereist,"(p.67-68) dan hadden ze
ongetwijfeld in koor uitgeroepen: "Taboe !" Heersende
ideologie is het voorstellen van het particuliere belang der heersende klasse
of kaste als het algemene belang en de denkbeelden van de heersende laag als de
enige en algemeen geldige waarheid. De abstracte woordenkraam van Wallerstein
brengt in dat opzicht geen snars nieuwigheid aan. Maar het is triester gesteld met de Wereldsysteem Analyse dan
dat. Naarmate we verder lezen, wordt alsmaar duidelijker dat Wallerstein geen
knijt begrepen heeft van de maatschappelijke functie die de ideologie bekleedt:
"Er zat iets bedrieglijks in het universalisme. Het
maakte geen opgang als een niet-gebonden (?) ideologie, maar als een ideologie
die gepropageerd werd door hen die in het wereldsysteem van het historisch
kapitalisme over de economische en politieke macht beschikten. Het
universalisme werd aan de wereld aangeboden, als een geschenk van de machtigen
aan de zwakken. Timeo Danaos et dona ferentes*!" (p.72)
Juist omdat ze telkens uitgaat van de heersende
bevolkingslagen, zou men kunnen zeggen er altijd iets bedrieglijks zit aan elke
heersende ideologie. Dat is geen uitsluitende eigenschap van de burgerlijke
ideologie. Zoals Wallerstein ten voeten uit bewijst, is het zelfs geen
uitsluitend kenmerk van de overheersende ideeën. Niet-heersende ideologieën
kunnen evengoed een bedrieglijk geschenk van de machthebbers aan de
"zwakken" zijn, vooral wanneer ze, zoals de Wereldsysteem Analyse,
een amorf samenraapsel vormen van heersende en oppositionele ideeën. Timeo professores et dona ferentes !
Voor de zoveelste keer komt de vernieuwingsdrang van
Wallerstein nog niet tot aan de hielen van diegenen die vernieuwd moesten
worden.
Zelfs Wallersteins manier van voorstellen, de zogezegd
door de bourgeoisie voorgewende tegenstelling tussen het niet-burgerlijke
traditionele, ahistorische, en het burgerlijke vernieuwende, vooruitstrevende,
stemt niet overeen met de historische werkelijkheid. De bourgeoisie nam veel
liever de omgekeerde wijze van voorstellen in de mond : de instellingen van de
feodaliteit waren kunstmatig, vergankelijk en onnatuurlijk, de verhoudingen van
de burgerlijke maatschappij natuurlijk en bovenhistorisch. Zowel Grotius,
Locke, als Spinoza, die volgens ons wel tot de meest vooraanstaande scheppers
van de ontwikkelde burgerlijke ideologie gerekend mogen worden, leidden hun
ganse maatschappijkritische denken geenszins af uit de idee van de historische
verandering, maar uit de zogezegd onveranderlijke wetten van de natuur.
"Het
natuurrecht is een gebod van de rechte rede, dat aangeeft dat een daad
vanwege haar overeenstemming of strijdigheid met de redelijke en sociale natuur
als zodanig moreel laakbaar dan wel moreel geboden is, en dientengevolge
verboden dan wel geboden wordt door God, de schepper van de natuur. (...) Voorts is het natuurrecht zo onveranderlijk
dat het zelfs door God niet kan gewijzigd worden. (...) Zoals bijvoorbeeld
God niet kan bewerken dat tweemaal twee niet vier is, zo kan Hij evenmin
bewerken dat wat intrinsiek slecht is iets anders dan slecht is." (Hugo De
Groot, Het Recht van oorlog en vrede,
Ambo, Baarn, 1991, I, Hfst.I, §X., p.64-mijn cursief)
"Door de natuurwet te schenden geeft de overtreder
te kennen dat hij leeft naar een andere
wet dan die van rede en billijkheid, die God als perken aan het gedrag van de
mensen gesteld heeft voor hun wederzijdse bescherming (...) Aangezien dit
een vergrijp is tegen de hele soort en haar vrede en veiligheid, die door de
natuurwet wordt verzekerd, mag iedereen op grond hiervan, volgens het recht dat
hij heeft om de gehele mensheid in stand te houden, dingen die schadelijk voor
haar zijn weerhouden of waar dat nodig is vernietigen. (...) En in dit geval en
op deze grond heeft iedereen het recht de overtreder te straffen en de natuurwet
ten uitvoer te leggen." (Locke, Tweede
Verhandeling over het staatsbestuur, Boom, Meppel, hfst.2,8, p.67-68-mijn
cursief)
"Hieruit nu, dat namelijk de macht van de
natuurlijke dingen waardoor zij bestaan en werken, precies de macht zelf van
God is, valt gemakkelijk te begrijpen wat het recht van de natuur is. (...) Onder het recht van de natuur versta ik dus
de natuurwetten zelf of de regels, volgens welke alles geschiedt, dat wil
zeggen de natuurmacht zelf. En daarom strekt het natuurlijke recht van geheel
de natuur en bijgevolg van elk individu zich evenver uit als zijn macht. En de
implicatie daarvan is, dat wat ieder mens krachtens de wetten van zijn natuur
ook doet, hij dat met het hoogste recht van de natuur doet en dat hij ook
zoveel recht op de natuur heeft als zijn macht waard is. (Spinoza, Hoofdstukken uit de politieke verhandeling,
Boom, Meppel, 1989, Hfst.II, art. 3,4 passim, p.45-mijn cursief)
Het is genoegzaam bekend dat de burgerlijke ideologen de
oude scholastiek slechts te boven konden komen door hun opvattingen over mens
en maatschappij te vestigen op een fundament dat nog steviger wortels in de
grond had gezonken dan de middeleeuwse verafgoding van de autoriteiten uit de
Oudheid: de "bovenhistorische" wetten van de natuur. Immanuel Kant
zocht niet zomaar een ethisch stelsel uit te brouwen, hij streefde naar een
bindende metafysica van de zeden,
gegrondvest op een zedelijke regel die op zichzelf, eeuwig en voor iedereen
waar ook ter wereld moest gelden als uitgangspunt van zijn morele handelen: de
categorische imperatief.
De burgerlijke ideologie had van meetafaan twee aspecten
omdat zij zich van twee kanten moesten indekken. Zij moest, althans
aanvankelijk, toen zij nog helemaal niet, zoals Wallerstein beweert, de
overheersende leer was, zowel een speerpunt vormen tegen de bestaande feodale
orde als een schild tegen de zelfstandige bewustwording van het proletariaat en
de door de burgerij onderdrukte klassen in het algemeen.
Bij het beoordelen van een maatschappelijke revolutie,
zegt Marx,
"... moet men steeds een onderscheid maken tussen
de materiële, natuurwetenschappelijk nauwkeurig te constateren omwenteling in
de economische productievoorwaarden en de juridische, politieke, religieuze,
artistieke of filosofische, kortom ideologische vormen, waarin de mensen zich
van dit conflict bewust worden en het uitvechten. Zo min als men datgene wat
een individu is, beoordeelt naar datgene wat hij van zichzelf denkt, kan men
een dergelijk tijdperk van omwentelingen beoordelen uit zijn bewustzijn, maar
moet men dit bewustzijn veeleer verklaren vanuit de tegenstellingen van het
materiële leven, uit het voorhanden conflict tussen maatschappelijke
productiekrachten en productieverhoudingen."(Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie, Pegasus,
Amsterdam, 1979, p.7-8)
Het tweeledige karakter van de burgerlijke klassenstrijd
verklaart meteen het gespleten karakter van de burgerlijke ideologie, haar
revolutionaire, vooruitstrevende en haar fatalistische, systeembevestigende
zijde.
Van de twee onderscheiden conflicten die de maatschappij
in de begindagen van het kapitalisme kenmerkte, onthoudt Wallerstein er één :
het conflict met de onderdrukten. Maar hij vergeet dat de bewustwording van de
bourgeoisie, welke religieuze of filosofische vorm deze op de verschillende
ontwikkelingstrappen van de burgerlijke maatschappij ook aannam, tegelijkertijd
zowel de bewustwording was van haar tegengestelde belangen met adel en
geestelijkheid als van het antagonisme met het menselijk materiaal dat zij door
de beendermolen van haar productieproces moest draaien.
De meest ontwikkelde vorm van zuiver burgerlijke
ideologie, het liberalisme, verloor, van zodra de laatste belemmeringen op de
heerschappij van de burgerij waren opgeruimd meteen zijn vooruitstrevende
strekking. Alhoewel deze omslag al een tijd daarvoor in de pijplijn zat, blijft
het sleuteljaar in deze het jaar 1848, het jaar dat de arbeiders voor het eerst
onder eigen vaandel op het revolutionaire bedrijf van de wereldgeschiedenis
verschenen.
Wallerstein ziet de burgerlijke ideologie op de meest
ahistorische manier die men zich maar kan indenken, juist omdat hij er maar één
aspect van kent of van wil kennen. Onder de indruk van de massieve Verelendung van de wereldbevolking, gaat
zijn gevoel met zijn nuchtere verstand op de loop. Vanuit zijn oprechte
verontwaardiging ontzegt hij de burgerlijke maatschappij iedere
vooruitstrevende rol in de geschiedenis, zodat ook de burgerlijke ideologie en
zelfs de burgerlijke wetenschap voor hem geen progressief bot in hun lijf
kunnen ... nee ... mogen hebben.
Reeds in het eerste hoofdstuk wordt het hem op een bepaald ogenblik te machtig
en hij zucht, de wanhoop nabij :
"We zijn allemaal zo doordrongen van de zichzelf
rechtvaardigende vooruitgangsideologie die dit historisch systeem heeft
gevormd, dat we het moeilijk vinden om de enorme negatieve kanten van dit
systeem in zijn geschiedenis maar te herkennen. Zelfs een zo krachtig aanklager
als Karl Marx legde grote nadruk op de historische rol die het voor de
vooruitgang heeft gespeeld. Ik geloof dat helemaal niet, tenzij men onder
'vooruitgang' gewoon datgene bedoelt wat historisch van latere datum is en
waarvan de oorsprong kan worden verklaard door iets wat eraan voorafging. De
balans van het historisch kapitalisme (...) mag ingewikkeld zijn, maar de in
eerste instantie te maken berekening wat betreft de feitelijke verdeling van
goederen en het toewijzen van middelen, is in mijn ogen inderdaad zeer
negatief." (p.34)
We staan hier voor een buitengewoon gewichtige fase in
de gedachtegang van Wallerstein. Hier reiken, voor ieders oog, zijn morele
gevoel en zijn historisch empirisme elkaar de hand. Voor de empirist die niet
de samenhang, doch slechts de som van
de maatschappelijke betrekkingen ziet, die de "Noord-Zuid" verhouding
profileert, maar de verhoudingen binnen Noord en Zuid blauwblauw laat, kan de
geschiedenis uiteraard geen opeenvolging van maatschappelijke organismen zijn,
die elk één of andere trap in de ontwikkeling van de produktieve techniek voorstellen.
Voeg daarbij de goedkope sentimentaliteit van de burgerlijke liefdadigheid als
doorslaggevend wetenschappelijk moment en van de historische ontwikkeling
schiet nog slechts de opeenvolging in de
tijd over.
Misschien hebben de kringen van natuur- en
dierenvrienden al een Wallerstein klaarstaan die ons zal aantonen dat het
ontstaan van de zoogdieren zeker geen vooruitgang betekende in de complexiteit
en het aanpassingsvermogen van de dierenwereld, gezien het feit dat deze
evolutie over het gebeente van de ganse dinosaurusbevolking ging en de strijd
om het bestaan ontegensprekelijk een stuk harder geworden is dan in het
idyllische tijdperk van grazende of grotendeels aasetende reptielen.
Het wordt zo stilaan duidelijk waarom de bliksems van de
goden zolang op zich hebben laten wachten: zowel op de ijle hoogten van de
Olympus als in de duistere krochten van de Hades is men zich nog aan het
herstellen van de eerste lachbui.
§6. Historische
vooruitgang
Alhoewel zijn theorie bulkt van de onverzoenlijke
tegenstrijdigheden blijft Wallerstein, ook voor het marxisme, toch een taaie
klant. Als empirist wiens denkbeelden geen enkele onderlinge samenhang hoeven
te vertonen en als modeschrijver die zijn publiek bij tijd en stond met een
nieuwe gril van zijn geleerde verbeelding moet kunnen verrassen, kan hij naar
believen terugkomen van zijn eigen opvattingen. Hij hoeft zich slechts te
wenden tot de tegenwoordige realiteit. Omdat Historisch kapitalisme werd geschreven in een tijd dat de periode
van de grote revoluties voorgoed scheen afgesloten, kon hij nog zonder verdere
uitleg beweren dat "de toekomstige wereldorde zichzelf langzaam zal
vormen, op een manier die we ons nauwelijks kunnen voorstellen, laat staan
voorspellen." (p.80)
Wanneer ruimschoots een decennium later de
onhoudbaarheid van de huidige verhoudingen voor steeds meer mensen duidelijk
wordt, kan de Wereldsysteem Analyse zich zonder problemen opwerpen als de stem
van een nieuwe tijd. De arbeiders en het vooruitstrevende kamp in het algemeen
moeten echter op hun hoede zijn voor nieuwe profeten die het recept voor de
maatschappelijke vooruitgang in hun binnenzak menen te hebben, maar voor de
rest een vorstelijke minachting vertonen voor de praktische ervaring van de
klassenstrijd. Als schrijver dezes zich zoveel moeite getroost om de
theoretische grondslagen van de Wereldsysteem Analyse van antwoord te dienen,
dan is dat omdat hij voorziet dat ze in de nabije toekomst aan belang zal
winnen, dat ze zal binnendringen in de voorstellingswereld van deze arbeiders
die zich het meest de fouten van de burgerlijke intelligentsia hebben
eigengemaakt en zich langs deze weg zal trachten op te dringen aan de meest
politiek geavanceerde arbeiders.
De sterkte van Wallerstein en de Wallersteinianen is
geen intrinsiek kenmerk. Het is geheel en al een gevolg van de zwakte van het
marxisme, zijn sedert decennia achteruitgedreven positie in de
arbeidersbeweging. Daardoor en door de ideologische verwarring die voortspruit
uit de gebeurtenissen in Oost-Europa, waar het maatschappelijke bestel
jarenlang is doorgegaan voor "het reëel bestaande socialisme" en de
heersende ideologie als het officiële marxisme, ligt voor het ogenblik het veld
wijdopen voor de theoretische folietjes van de linkse kleinburgerij.
Wallersteins afwijzende fixatie op de burgerlijke
vooruitgangsidee enerzijds en de Verelendung van de wereldbevolking liggen
lekker in de mond, zeker in een tijdperk dat de hedendaagse versie van
Tuchmanns waanzinnige veertiende eeuw lijkt te zijn.
"Het wekt geen verbazing," zegt hij, "dat
de liberalen in vooruitgang geloofden. De idee van vooruitgang rechtvaardigde de volledige overgang van
feodalisme naar kapitalisme. (...) Wel verbazingwekkend is dat hun ideologische
opponenten, de marxisten -de antiliberalen, de vertegenwoordigers van de
onderdrukte werkende klassen- minstens even hartstochtelijk als de liberalen in
vooruitgang geloofden. Ongetwijfeld diende dit geloof ook voor hen een
belangrijk ideologisch doel. het rechtvaardigde de activiteiten van de mondiale
socialistische beweging op grond van het feit dat deze beweging de
onvermijdelijke trend van de historische ontwikkeling belichaamde."
(Wallerstein, p.81)
Maar deze "ogenschijnlijk slimme en zeker
enthousiaste omarming van het aardse geloof in vooruitgang" had volgens
Wallerstein twee tekortkomingen.
"Als de idee van vooruitgang het socialisme
rechtvaardigde, rechtvaardigde het ook het kapitalisme. Het was nauwelijks
mogelijk om het proletariaat te bejubelen zonder eerst de bourgeoisie te
prijzen. Marx' beroemde geschriften over India leverden hiervoor ampel bewijs,
maar dat geldt ook voor het Communistisch Manifest. Bovendien, omdat de
maatstaf voor vooruitgang van materiële aard is (en konden de marxisten hiermee
niet instemmen?), kon de idee van vooruitgang gericht worden tegen alle
'experimenten in het socialisme', hetgeen de laatste vijftig jaar ook gebeurd
is. Wie kent niet de veroordelingen van de Sovjet-Unie op grond van het feit
dat de levensstandaard er lager is dan in de Verenigde Staten ?" (p.82)
De daadwerkelijke steun van de grondleggers van het
marxisme aan de burgerlijk-demokratische revolutie was geen tragische ironie
van de marxistische vooruitgangsidee maar een weloverwogen strategie in de
proletarische klassenstrijd. Marx wist dat de bevrijding van het proletariaat
pas mogelijk was, wanneer de verhoudingen van de burgerlijke maatschappij
voldoende waren gerijpt. De democratische revolutie was erop gericht om de
laatste hinderpalen van de oude voorburgerlijke samenleving op de ontwikkeling
van het kapitalisme te verwijderen en de ganse
burgerij aan de macht te brengen. Pas dan zouden de omstandigheden waaronder de
machtsovername van de arbeiders zou kunnen plaatsgrijpen tot volwassenheid
kunnen komen. En hoewel hij zich vergiste in de daadwerkelijke slagkracht en de
revolutionaire wil van de toenmalige bourgeoisie en zelfs de tijdspanne waarin
deze overgang zou plaatsvinden schromelijk onderschatte, had hij toch gelijk
dat de burgerlijke revolutie een onontbeerlijke voorwaarde vormde voor de proletarische.
Dan volgt het tweede stokpaardje van Wallersteins
kritiek op het vooruitgangsgeloof van het wetenschappelijk socialisme. Als de
maatstaf van maatschappelijke vooruitgang van materiële aard is, wat een
gemakkelijk slachtoffer werd de Sovjet-Unie, met haar voortdurende
bevoorradingsproblemen, niet voor de burgerlijke
vooruitgangsidee! Enkele jaren nadat Wallerstein deze zinnen neerschreef, werd
op wereldhistorische wijze duidelijk hoe materieel de maatstaf voor
maatschappelijke vooruitgang wel is, juist met betrekking tot het zogenoemde
"reëel bestaande socialisme". Zolang de economische taken van het
stalinisme bestonden in het scheppen van de ruwe basis van de moderne
industrie, de zware nijverheid, kon de planning van de productie gerust in de
handen gelaten worden van de autoritair regerende minderheidskliek. Zolang de
productie van productiemiddelen aan de orde was, was de inspraak van de
onmiddellijke producent, de arbeider niet echt noodzakelijk. Zolang was de
bureaucratische kaste slechts een rem van betrekkelijke
aard op de ontwikkeling van de productie en konden de stalinistische staten
fier pronken met al dan niet voor de gelegenheid overdreven groeicijfers. Maar
van zodra de massale productie en verspreiding van consumptiemiddelen zich aan
de orde stelde, werd inspraak van de arbeiders een absolute noodzaak en de
remmende rol van het autoritair opgestelde productieplan eveneens van absolute aard.
De geschiedenis heeft met betrekking tot de materiële
vooruitgang zo haar onverbiddelijke wetmatigheden: in de strijd tussen twee
systemen is de overwinning van het meest produktieve zo goed als zeker. Als de
gebeurtenissen van de afgelopen jaren al iets bewezen hebben, dan is het juist
de onverkwikkelijke noodzakelijkheid van deze materiële maatstaf. Wallerstein kiest voor een bredere
interpretatie van de materiële maatstaf: dingen als materiële gelijkheid,
persoonlijk geluk, kortom vrijheid, gelijkheid, broederlijkheid, vormen voor
hem de toetssteen van maatschappelijke vooruitgang. Het uiteindelijke verdikt
van de Wereldsysteem Analyse over de moderne samenleving kan dan ook alleen
maar in het nadeel van laatstgenoemde uitvallen:
"Het is eenvoudig niet waar dat het kapitalisme als
historisch systeem een vooruitgang betekende ten opzichte van de verschillende
vroegere systemen die het vernietigde of omvormde. Zelfs terwijl ik dit
schrijf, voel ik de rilling die het gevoel van blasfemie begeleidt. Ik vrees de wraak der goden, want ik ben in
dezelfde ideologische smidse gevormd als al mijn makkers en heb aan hetzelfde
altaar geknield gelegen. Eén van de problemen bij het analyseren van
vooruitgang is de eenzijdigheid van alle voorgestelde maatstaven. Er wordt
gezegd dat de wetenschappelijke en technologische vooruitgang niet betwijfeld
kan worden en adembenemend is, hetgeen zeker waar is, in het bijzonder waar de
meeste technische kennis cumulatief is. Maar we praten nooit serieus over
hoeveel kennis we hebben verloren in de wereldwijde overspoeling door de
ideologie van het universalisme. (...) Er wordt gezegd dat het historisch
kapitalisme de mechanische mogelijkheden van de mensheid heeft omgevormd. Elke
inzet van menselijke energie werd beloond met gestaag groeiende opbrengsten aan
producten, hetgeen eveneens waar is. Maar we berekenen niet in welke mate de
totale inzet van energie die aan individuen afzonderlijk, dan wel aan alle
mensen in de kapitalistische wereldeconomie gezamenlijk, gevraagd werd te
investeren, gereduceerd of vergroot werd, hetzij per tijdseenheid hetzij
gedurende het leven. (...) Laat ik zeggen dat het allerminst vanzelfsprekend is
dat er in de huidige wereld meer vrijheid, gelijkheid en broederschap is dan
duizend jaar geleden. Men zou kunnen betogen dat het tegengestelde waar is. Ik
probeer de perioden voor het historisch kapitalisme niet rooskleurig af te
schilderen. Het waren tijden van weinig vrijheid, weinig gelijkheid en weinig
broederschap. De vraag luidt alleen of het historisch kapitalisme op deze
gebieden vooruitgang dan wel achteruitgang vertegenwoordigde.(...) Liever wil
ik mijn betoog op materiële overwegingen baseren, niet op die van de sociale
toekomst, maar op die van het feitelijke historische tijdperk van de
kapitalistische wereldeconomie.Ik wil die ene marxistische vooronderstelling,
die zelfs door orthodoxe marxisten doorgaans in schaamte wordt begraven,
verdedigen, de stelling van de absolute (niet relatieve) Verelendung van het
proletariaat." (pp.82-84, passim-mijn cursief)
De historische maatstaf waaraan de levenskracht van een
maatschappijorde moet worden afgemeten is niet het algemene "welzijn"
of de gelijke verdeling van de welvaart maar de productiviteit van zijn
technologie en de daaraan beantwoordende arbeidsverhoudingen.
Totnogtoe was het in dat opzicht met de
wereldgeschiedenis van de menselijke samenleving net zo gesteld als met de
strijd om het bestaan dat de drijfkracht vormt voor de natuurgeschiedenis.
Zoals de aanpassing aan het heersende milieu het doorslaggevende element vormt
in de overwinning van de ene genetische variant op de andere, zo worden in de
strijd tussen verschillende beschavingen, maatschappijvormen, de
overwinningskansen bepaald door de productiviteit van de heersende
productieverhoudingen en het ontwikkelingspeil van de productiekrachten.
Men kan dat betreuren, men kan zijn aandacht toespitsen
op het enorme leed waarmee de ontwikkeling van de kapitalistische
productiewijze hand in hand ging, haar ravages in de wereldbevolking, haar
roofbouw op het natuurlijk leefmilieu,
de schrijnende ongelijkheid enz. enz. of men kan deze aanvaarden als
onvermijdelijke groeiverschijnselen van de menselijke beschaving, net zoals men
de verdwijning van de grote reptielen een paar tientallen miljoenen jaren
geleden moet beschouwen als de voorwaarde voor de verdere ontwikkeling van meer
complexe levensvormen die uiteindelijk onze eigen soort heeft opgeleverd.
Houdt dit natuurwetenschappelijk inzicht in dat we
morgen elke ingreep in de natuur gaan opgeven om ons over te leveren aan de
blinde wetten van de natuurlijke selectie ? Houdt het aanvaarden van de
vooruitstrevende rol van het kapitalisme in dat de socialistische arbeiders
morgen allen fatalistische liberalen worden ?
Alleen volgens de analyse van Wallerstein.
Volgens de wetenschappelijke analyse daarentegen heeft
het groeiproces van het kapitalisme ook zijn eigen interne tegenstrijdigheden
tot ontwikkeling gebracht. De oude Spinoza zegt: men moet niet jammeren, men
moet begrijpen. Het begrip van de
historische ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze is meteen het
begrip van de tegenstrijdige kenmerken van haar ontwikkeling.
Laten we geen enkele twijfel bestaan over de algemene
rampspoed waarmee de ontwikkeling van het kapitalisme gepaard is gegaan. Maar
tegelijk met de enorme verpaupering van de wereldbevolking, de continentale
hongersnood, de verschrikkingen van de moderne oorlogvoering, de nieuwe
technieken voor volkerenmoord, etc. etc. heeft de moderne technologie ook de
productievoorwaarden in het leven geroepen waardoor het voortbestaan van de
heersende uitbuitingsverhoudingen overbodig en zelfs ondraaglijk is geworden. Het heeft zelfs een ganse klasse voortgebracht voor wie
het een kwestie van historische noodzaak is geworden om een nieuwe
maatschappijvorm in het leven te roepen.
Maar juist hier wringt het schoentje bij de
maatschappelijke laag van middenklasse-intellectuelen die Wallerstein en zijn
volgelingen zo welsprekend vertegenwoordigen. Voor hen is niet langer de
klassenstrijd de motor van de hedendaagse sociale ontwikkeling. Niet langer de
arbeiders zijn de dragers van de nieuwe maatschappelijke orde, maar de
zogenoemde anti-systeem-bewegingen:
"Juist nu het kapitalisme zijn meest volledige
ontplooiing nadert- de voortgaande uitbreiding van de commercialisering van
alles, de groeiende kracht van de wereldfamilie van anti-systeem-bewegingen, de
voortgaande rationalisering van het menselijk denken- doet het werkelijke
gevaar zich voor. Deze volledige ontplooiing zal de ineenstorting versnellen
van het historisch systeem, dat bloeide doordat zijn logica tot nu toe slechts
gedeeltelijk werkelijkheid werd. En juist terwijl en omdat het systeem aan het
ineenstorten is, zal het meelopen met de krachten van de verandering steeds
aantrekkelijker lijken, en daarom zal het resultaat steeds onzekerder worden.
Voor alle kameraden gaat de strijd voor vrijheid, gelijkheid en broederschap
door, en de plaats van deze strijd zal steeds meer gelegen zijn binnen de
wereldwijde familie van de anti-systeem-bewegingen." (p.92)
Zoals we reeds in het eerste hoofdstuk van dit werk
hebben opgemerkt, zit er logica in de vaagheid van Wallersteins
toekomstverwachtingen. Uit zijn vage schets van wat het kapitalisme is, vloeit
een vaag begrip over de maatschappelijke verhoudingen voort. Een wazig begrip
van de verhoudingen is meteen een wazig begrip van hun tegenstrijdige aard. En
een vaag begrip van de maatschappelijke antagonismen moet wel een vaag begrip
van de richting der historische gebeurtenissen tot gevolg hebben. Wallerstein
kan dan ook niet anders dan ertoe besluiten dat het resultaat van de
doodsstrijd van het kapitalisme "steeds onzekerder wordt".
De onzekerheid ligt hem echter niet in de strekking van
het historische proces, maar in de manier waarop Wallerstein ernaar kijkt. De
anti-systeem-bewegingen waarover Wallerstein het heeft, vormen al evenzeer een
amorfe brij als de ontstaansvoorwaarden voor het kapitalisme waarmee hij zijn
analyse begonnen was.
Tenslotte vinden we zelf aanleiding om een speld te
steken aan de historische analyse die wij op onze beurt in onze dialoog met
Wallerstein op poten hebben gezet. De arbeidersbeweging vormt niet zomaar een
deel van "de wereldwijde familie van anti-systeem-bewegingen"
historisch evenwaardig aan bijvoorbeeld de vrouwenbeweging. Omdat de gehele
burgerlijke maatschappij gestoeld is op de tegenstrijdige verhouding tussen
arbeid en kapitaal, omdat het blote proces van het samengaan van arbeidskracht
en kapitaal in hetzelfde productieproces rechtstreeks aanleiding geeft tot een
ongenadige strijd tussen de bezitters ervan, vormt de proletarische klassenstrijd
de kern van de zogenoemde anti-systeem-bewegingen.
Elke maatschappijvorm berust op de productie van de
bestaansmiddelen die het materiële voortbestaan van de maatschappij zelf moeten
bewerkstelligen. De fundamentele tegenstellingen van een maatschappij zijn dan
ook deze in de sfeer van de productie van het onmiddellijke leven. De moderne
maatschappij draait met de medewerking van de loonarbeiders, of ze draait
helemaal niet.
De middenklasse-intellectuelen die hun neus met
vorstelijke minachting ophalen voor de sociale strijd van de arbeiders
begrijpen niet dat de strijd van deze laatsten voor onmiddellijke
lotsverbetering het begin is van een algemene politieke strijd, die haar
apotheose kent in de strijd om de staatsmacht. Voor de intellectuele
kleinburger bestaat de strijd voor een andere samenleving in de theoretische
onthechting van zijn materiële belang ten voordele van een groot, onbaatzuchtig
algemeen menselijk belang. Zijn politieke strijd is waarachtig de strijd voor
"broederlijkheid, gelijkheid en vrijheid". Voor de arbeiders begint
de strijd om de macht en de bevrijding van de gehele mensheid met de strijd
voor het collectieve eigenbelang. De
revolutie, zegt Lenin, begint met het gevecht voor warm water op het bedrijf.
Maar deze overgang van de louter individuele strijd om het bestaan dat de
loonarbeider dagelijks moet voeren om een aantal van zijn behoeften te
bevredigen naar de gemeenschappelijke strijd vormt op zichzelf al een grote
omwenteling in het bewustzijn van de arbeidersklasse. Het is in wezen de eerste
aanzet tot de ontwikkeling van grotere krachtmetingen die tenslotte hun
logische uitloper vinden in de sociale revolutie.
Juist omdat deze geestelijke omwenteling reeds vervat
zit in de arbeidsverhoudingen die hun alledaagse realiteit gestalte geven, is
voor de loonarbeiders de overgang van individueel bewustzijn tot
klassenbewustzijn een hindernis die met veel meer gemak genomen wordt dan de
overgang bij de intellectueel van een moraliserend bewustzijn naar een
sociaal-wetenschappelijk inzicht. Uitgerekend de Wereldsysteem Analyse levert
hier ampel bewijs voor.
Met haar neus op de zogenoemde tegenwoordige realiteit
gedrukt kan de Wereldsysteem Analyse er niet anders toe besluiten dan dat ...
"Communisme Utopia is, dat wil zeggen 'nergens'.
Het is de incarnatie van al onze religieuze eschatologieën: de komst van de
Messias, de wederkomst van Christus, Nirwana. het is geen historisch
perspectief, maar een hedendaagse mythologie. Socialisme daarentegen is een te
verwerkelijken historisch systeem dat zijn plaats in de wereld zal krijgen. Er
is geen belangstelling voor een 'socialisme' dat een 'tijdelijk'
overgangsmoment wil zijn op weg naar Utopia. Er is alleen belangstelling voor
een concreet historisch socialisme, dat in ieder geval voldoet aan de
kenmerkende eigenschappen van een historisch systeem dat gelijkheid en
rechtvaardigheid maximaliseert, dat de macht van de mensheid over haar eigen
leven vergroot (democratie) en dat de verbeelding bevrijdt." (p.92-93)
Het communisme is geen utopie, maar de logische
conclusie van dezelfde historische beweging die het socialisme heeft
voortgebracht. Het communisme ontkennen, betekent de ganse historische dynamiek
achter het ontstaan van het socialisme van de hand wijzen. Het betekent het socialisme
zelf ontkennen.
De socialistische revolutie is de openlijke en bewuste
strijd om de staatsmacht, of liever gezegd de strijd om het verbrijzelen van de
bestaande staatsmacht en haar vervanging door een basisdemocratisch politiek
orgaan , de heerschappij van het proletariaat, dat juist door zijn
basisdemocratisch karakter ophoudt een staat in de traditionele zin van het
woord te zijn. Het is nog slechts een staat in zoverre het een orgaan vormt in
de handen van de nieuwe heersende klasse voor de verdediging van haar sociaal
overwicht. Het is al geen staat meer in die zin dat de bewaking van de
heersende verhoudingen toevertrouwd is aan een gespecialiseerd bewapend orgaan
dat boven de massa van de bevolking uittorent. De ordehandhaving is nu
toevertrouwd aan de massa van de bevolking. Naarmate de bestaande
klassentegenstellingen verdwijnen, met andere woorden, naarmate de maatschappij
steeds socialistischer wordt, wordt ook de staatsmacht in steeds groeiender
mate overbodig. Onmiddellijk na de machtsovername begint de staat in wezen af
te sterven en met het verdwijnen van de klassen verliest hij ook zijn politiek
karakter. Wanneer maatschappelijke evoluties uiteindelijk, zoals Marx zegt,
ophouden politieke revoluties te zijn, dan is dat geheel en al omdat het
uiteindelijke voorwerp van de politieke revolutie, de staatsmacht zelf, is
verdwenen.
Hoe heet nu het uiteindelijke resultaat van dit
stervensproces, dat zoals gezegd reeds begint met de socialistische revolutie
zelf ? Hoe moeten wij de klasse- en stateloze maatschappij noemen ? Niets
anders dan communisme, het socialisme van de hogere fase.
Wallersteins voorstelling van zaken is al met al
doordrenkt van een grotere eschatologie dan deze van Marx. Voor de
Wereldsysteem Analyse bereikt de nieuwe maatschappij al onmiddellijk zijn
afgewerkte eindvorm, zoals uit de langgerekte verschrikkingen van Armageddon
onmiddellijk het Rijk Gods tevoorschijn komt.
En als de Wereldsysteem Analyse het niet eens is met dit
oordeel, dat ze dan haar gelijk maar bewijst op het veld van eer waar beschikt
wordt over leven en dood van elke leerstelling: de historische praktijk.
***De aan Sparta schatplichtige bevolking
uit de Peloponnesos, die in de zevende
eeuw V.C. in opstand kwam en de Spartanen dwong om het kazernecommunisme in te
voeren, dat ook in de hedendaagse beeldspraak zijn sporen heeft nagelaten.
*****De Proletarii waren de door het vanaf
de tweede Punische Oorlog tot opbloei komende groot-slavenbedrijf onteigende
boeren en brodeloos geworden handwerkslieden, die in Rome samenstroomden om er
op staatskosten te leven van brood en spelen. De optimates waren de
partijgangers van de aristocratie, het oude patriciaat dat tezamen met een
aantal elementen van het oude plebs uitgegroeid was tot de heersende klasse van
slavenhouders.