vrijdag 29 augustus 2008

Ford dankt af in Australië

De Amerikaanse automobielreuzen kennen een bijzonder moeilijke periode met grote verliezen. Het is duidelijk dat dit zal leiden tot pogingen om de gevolgen van de economische crisis op de arbeiders af te wentelen. In Australië kondigde Ford reeds aan dat er 350 jobs zullen verdwijnen, 15% van het totaal aantal Ford-arbeiders moet er weg. Daarbovenop zullen er tegen 2010 nog eens 600 extra jobs verdwijnen door de sluiting van de fabriek in Geelong.

Verslag door onze correspondenten in Australië

De vakbond AMWU (Australian Manufacturing Workers Union) waarschuwde dat het jobvelies kan oplopen tot 2000 aangezien er ook bij verschillende onderaannemers zal worden gesnoeid. De vakbond stelde dat er voor iedere job die bij Ford verloren gaat, er zes tot zeven verloren gaan in de auto-industrie.

Ford legde de verantwoordelijkheid hiervoor bij de economische omstandigheden, de stijgende olieprijzen en de gewijzigde vraag van de consumenten. Nochtans kondigde Ford in april nog aan dat het in het eerste kwartaal van 2008 100 miljoen Australische dollar winst had gemaakt. In 2007 werd een verlies van 87 miljoen dollar geboekt, maar daarbij gaat het vaak om het afschrijven van machines, eigendom en fabrieken. De vakbonden moeten eisen dat Ford de boeken opent zodat er een publieke controle op mogelijk is.

Ford kreeg de afgelopen jaren in Australië heel wat miljoenen dollar overheidsgeld. Er werd vorig jaar voor elk van de 388.989 geproduceerde wagens een subsidie van 2.000 dollar gegeven op kosten van de gemeenschap. Na dergelijke steun zou je vermoeden dat de regering iets onderneemt om de jobs bij Ford veilig te stellen, maar dat was absoluut niet het geval. Begrotingsminister Wayne Swan kwam niet verder dan de stelling dat de regering zou “proberen” om de toekomst van de industrie veilig te stellen. Minister van industrie Kim Carr stelde dat er mogelijk nog meer ontslagen zullen volgen in de sector. Dat zijn dan dezelfde politici die van de arbeiders vragen dat ze hun looneisen beperken, terwijl er miljoenen uitgedeeld worden aan automobielbedrijven.

Het antwoord van de vakbond AMWU was te beperkt. AMWU-secretaris Steve Dargavel stelde dat de invoertarieven op wagens moesten behouden blijven op 10% om zo de binnenlandse productie te beschermen. De verantwoordelijke voor de automobielsector binnen AMWU, Ian Jones, stelde dat Ford “heel goed verkoopt op dit ogenblik”, maar dat “de industrie zich in een moeilijke positie bevindt”. Het leek alsof hij de public relations van Ford verzorgde en niet die van de arbeiders. Er kwam nog geen publieke kritiek van de vakbond op de ontslagen bij Ford, laat staan een campagne om de jobs te behouden. Dat komt vooral door het feit dat de politiek van de vakbondsleiding geen antwoorden biedt op de problemen die het kapitalisme aan de arbeiders opdringt.

De leiding van de AMWU steunt het behoud van invoertaksen of controle op de import om de lokale jobs te behouden. Ze denken dat hun vrienden in de Labor Party (sociaal-democratie) daar toe zullen overgaan. Socialisten zijn echter niet zomaar voorstander van invoertaksen. Die zijn vooral een uitdrukking van de zwakte van het lokale kapitalisme.

Invoertaksen versterken de concurrentiepositie van lokale bedrijven, waardoor het patronaat de prijzen kan verhogen. In de plaats van hun winsten te investeren in technologie om milieuvriendelijker wagens te produceren, werden de afgelopen decennia de winsten gewoon opgehoopt en uitgedeeld aan de aandeelhouders. Door invoertaksen te heffen, zijn het uiteindelijk de arbeiders de kosten moeten betalen voor de stijgende prijzen. Het exporteert bovendien de werkloosheid naar andere landen.

De voormalige regionale premier van Victoria, Steve Bracks, werd recent door de federale regering aangesteld om een rapport te maken over de Australische automobielindustrie. Het rapport riep op voor een beperking van de invoertaksen van 10% tot 5%, waarbij deze daling zou gecompenseerd worden door extra belastingsvoordelen voor de automobielbedrijven. Hij stelde voor om tussen 2010 en 2020 2 miljard Australische dollar extra te geven aan de autofabrieken, hierdoor zou de totale overheidssteun voor de industrie in het komende decennia 3,5 miljard dollar bedragen.

Invoertaksen bieden geen antwoord, maar de verdere verlaging van de tarieven of het invoeren van een “vrijhandel” evenmin. Duizenden jobs zijn al verloren gegaan door verlagingen van taksen. Wij eisen dat er een publieke controle mogelijk is op de financiën van bedrijven als Ford en voor syndicale acties om iedere job te verdedigen. Zoniet zijn het de arbeiders en niet de patroons die moeten opdraaien voor de gevolgen van de economische crisis.

De vakbeweging moet een eigen onafhankelijke arbeiderspositie innemen en weigeren om mee te gaan in de patronale argumentatie dat diegenen die hun job verliezen wel ergens anders zullen terecht kunnen. De afgelopen jaren zijn er meer dan 100.000 jobs in de industrie verloren gegaan, het wordt tijd dat daar een halt aan wordt toegeroepen.

Noch invoertaksen, noch “vrije handel” bieden een oplossing voor de problemen van de economie of de arbeidersklasse. Als bedrijven enkel geïnteresseerd zijn in de winsten en niet in de belangen van de samenleving, dan worden arbeiders zomaar bij het grof vuil gezet als dit het patronaat uitkomt. Als Ford na de vele miljoenen dollars die het cadeau kreeg van de gemeenschap toch wil overgaan tot massale afdankingen, dan moet het bedrijf in gemeenschapshanden worden genomen. Dan kan een democratisch productieplan worden opgemaakt dat vertrekt van de belangen van de meerderheid van de bevolking. Dat vormt een socialistisch antwoord op deze problemen.

© Linkse Socialistische Partij – www.socialisme.be