13. De belangrijkste gevallen van strijd voor loonsverhoging of van verzet tegen verlaging
Laat ons nu ernstig de voornaamste gevallen onder de loep nemen, waarin een poging wordt gedaan om het arbeidsloon te verhogen of de verlaging ervan tegen te gaan.
1. We hebben gezien, dat de waarde van de arbeidskracht of, om in geijktere termen te spreken, de waarde van de arbeid bepaald wordt door de waarde van de levensbenodigdheden of de voor hun productie vereiste hoeveelheid arbeid. Wanneer nu in een gegeven land de waarde van de dagelijkse gemiddelde levensbenodigdheden van de arbeider zes uur arbeid vertegenwoordigt, uitgedrukt in drie shilling, moet de arbeider zes uur per dag werken om het equivalent van zijn dagelijkse levensonderhoud te produceren. Als de gehele arbeidsdag twaalf uur bedraagt, zou de kapitalist hem de waarde van zijn arbeid betalen, indien hij hem drie shilling betaalt. De halve arbeidsdag bestaat dan uit onbetaalde arbeid en de winstvoet beloopt 100%. 'Veronderstel nu echter, dat als gevolg van een vermindering van de productiviteit meer arbeid nodig is om, laat ons zeggen, dezelfde hoeveelheid landbouwproducten te produceren, zodat de gemiddelde prijs van de dagelijkse gemiddelde levensbenodigdheden van drie op vier shilling stijgt. In dat geval stijgt de waarde van de arbeid met één derde of 33,33%. Er zouden acht uur van de arbeidsdag nodig zijn om het equivalent van het dagelijkse levensonderhoud van de arbeider overeenkomstig zijn oude levensstandaard te produceren. De meerarbeid zou daarmee van zes tot vier uur en de winstvoet van 100 tot 50% dalen. Wanneer de arbeider echter zou staan op een verhoging van het arbeidsloon, zou hij er louter op staan, de gestegen waarde van zijn arbeid te ontvangen, net als elke andere verkoper van een waar, zodra de kosten van zijn waar zijn gestegen, tracht haar toegenomen waarde betaald te krijgen. Als het arbeidsloon in het geheel niet of onvoldoende zou stijgen om de toegenomen waarden van de levensbenodigdheden te compenseren, zou de prijs van de arbeid beneden de waarde van de arbeid dalen en zou de levensstandaard van de arbeider er slechter op worden.
Er zou echter ook een verandering in omgekeerde richting kunnen plaatsvinden. Krachtens de toegenomen productiviteit van de arbeid zou dezelfde hoeveelheid dagelijkse gemiddelde levensbenodigdheden van drie tot twee shilling kunnen dalen of zouden er slechts vier in plaats van zes uren van de arbeidsdag nodig zijn voor het reproduceren van een equivalent van de waarde der dagelijkse levensbenodigdheden. De arbeider zou nu met twee shilling evenveel levensbenodigdheden kunnen kopen als voordien met drie shilling. De waarde van de arbeid zou dan wel gedaald zijn, maar deze verminderde waarde zou dezelfde hoeveelheid waren bestrijken als vroeger. De winst zou dan van drie tot vier shilling stijgen en de winstvoet van 100 tot 200%. Ofschoon de absolute levensstandaard van de arbeider dezelfde zou zijn gebleven, zou zijn relatieve arbeidsloon en daarmee zijn relatieve maatschappelijke positie bij die van de kapitalist vergeleken geringer zijn geworden. Mocht de arbeider zich tegen deze verlaging van het relatieve arbeidsloon verzetten, dan zou dat niet meer zijn dan een poging, voor zich zelf een bepaald aandeel in de vermeerdering van de productiekracht van zijn eigen arbeid te verzekeren en zijn vroegere relatieve positie op de maatschappelijke ladder te handhaven. De Engelse fabrikanten hebben b.v., na het afschaffen van de graanwetten en met flagrante schending van de gedurende de agitatie tegen de graanwetten plechtig afgelegde beloften, het arbeidsloon in het algemeen met 10% verlaagd. Het verzet van de arbeiders werd aanvankelijk onderdrukt, maar als gevolg van omstandigheden, waarop ik nu niet kan ingaan, werden die verloren 10% achteraf teruggewonnen.
2. De waarde van de levensbenodigdheden en derhalve de waarde van de arbeid kunnen dezelfde blijven, maar hun geldprijzen kunnen tengevolge van een voorafgaande verandering in de waarde van het geld een wijziging ondergaan.
Door de ontdekking van rijkere mijnen en dergelijke zou b.v. de productie van twee ons goud niet meer arbeid behoeven te kosten dan vroeger die van één ons. De waarde van het goud zou dan met de helft of 50% verminderd zijn. Daar nu de waarden van alle andere waren, uitgedrukt in hun vroegere geldprijzen, verdubbeld zouden zijn, zou dat ook met de waarde van de arbeid het geval zijn. Twaalf uur arbeid, vroeger uitgedrukt in zes shilling, zouden nu in twaalf shilling worden uitgedrukt. Zou het loon van de arbeider, in plaats van tot zes shilling te stijgen, drie shilling blijven, dan zou de geldprijs van zijn arbeid nog maar gelijk zijn aan de halve waarde van zijn arbeid en zou zijn levensstandaard schrikbarend dalen. Dit zou in meerdere of mindere mate ook dan plaatsvinden, wanneer zijn arbeidsloon weliswaar zou stijgen, doch niet in verhouding tot de waardevermindering van het goud. In zo'n geval zou er niets veranderd zijn, noch de productiekracht van de arbeid, noch vraag en aanbod, noch de waarden. Er zou niets veranderd kunnen zijn behalve de geldnamen van die waarden. Als men zegt, dat de arbeider in dit geval niet op een evenredige loonsverhoging zou mogen aandringen, dan wil dat zeggen, dat hij er zich bij moet neerleggen met namen in plaats van met zaken betaald te worden. De gehele geschiedenis bewijst, dat telkens wanneer een dergelijke geldontwaarding plaatsvindt, de kapitalisten zich deze gelegenheid niet laten ontgaan om de arbeider het vel over de oren te halen. Een uiterst talrijke school van politieke economen verzekert, dat als gevolg van de ontdekking van nieuwe goudvelden, van de betere exploitatie van de zilvermijnen en de goedkopere aanvoer van kwikzilver de waarde van de edele metalen weer gedaald is. Dit zou verklaren, waarom op het vasteland overal en tegelijkertijd pogingen worden ondernomen om een verhoging van de lonen te bewerkstelligen.
3. Wij hebben tot nu toe verondersteld, dat de arbeidsdag gegeven grenzen heeft. De arbeidsdag heeft op zich zelf
echter geen constante grenzen. Het kapitaal heeft voortdurend de neiging die tot de uiterste, fysiek mogelijke lengte
uit te rekken, omdat in dezelfde mate de meerarbeid en dientengevolge de daaruit voortvloeiende winst vermeerderd
worden. Hoe meer succes het kapitaal heeft met het verlengen van de arbeidsdag, des te groter is de hoeveelheid
arbeid, die het zich van anderen zal toe-eigenen. Gedurende de 17de en zelfs gedurende twee derde deel van de 18de
eeuw was een tienurige arbeidsdag in geheel Engeland een normale arbeidsdag. Tijdens de oorlog tegen de Jakobijnen
15,
die in werkelijkheid een oorlog was die door de Britse baronnen gevoerd werd tegen de Britse arbeidersmassa's, vierde het kapitaal zijn orgieën en verlengde de arbeidsdag van 10 tot 12, 14, 18 uur. Malthus, die u beslist niet van huilerige sentimentaliteit zult verdenken, publiceerde omstreeks 1815 een pamflet, waarin hij verklaarde, dat, wanneer deze toestand zou voortduren, het leven van de natie direct in zijn wortel zou worden aangetast. Enkele jaren voordat de pas uitgevonden machines algemeen werden ingevoerd, omstreeks 1765, verscheen in Engeland een pamflet onder de titel An Essay on Trade. De anonieme schrijver, een gezworen vijand van de werkende klassen, weidt daarin uit over de noodzakelijkheid de grenzen van de arbeidsdag te verruimen. Tot dit doel stelt hij onder andere werkbuizen voor, die, naar hij zegt, `Huizen der Verschrikking' moeten zijn. En wat is de duur .van de arbeidsdag, die hij voor deze `Huizen der Verschrikking' voorschrijft Twaalf uur, precies dezelfde tijd, die in 1832 door kapitalisten, politieke economen en ministers niet alleen tot de bestaande, doch tot de noodzakelijke arbeidstijd van een kind beneden de twaalf jaar werd verklaard.
16
Doordat de arbeider zijn arbeidskracht verkoopt - en onder het tegenwoordige systeem moet hij dat doen - verleent hij de kapitalist het recht deze kracht te verbruiken, zij het binnen bepaalde redelijke grenzen. Hij verkoopt zijn arbeidskracht om ze, afgezien van haar natuurlijke slijtage, in stand te houden en niet om haar te vernietigen. Doordat hij zijn arbeidskracht tegen haar dag- of weekwaarde verkoopt, geldt het als vanzelfsprekend, dat deze arbeidskracht in één dag of één week niet aan een slijtage, gelijk aan die van twee dagen of van twee weken wordt blootgesteld. Neem een machine, die £ 1000 waard is. Als ze in tien jaar wordt verbruikt, voegt ze aan de waarde van de waren, aan de productie waarvan ze meewerkt, jaarlijks £ toe. Als ze in vijf jaar verbruikt zou worden, zou ze jaarlijks £ 200 toevoegen. De waarde van haar jaarlijkse slijtage staat dus in omgekeerde verhouding tot de tijdsduur, waarin ze wordt verbruikt. Hierin verschilt echter de arbeider van de machine. Een machine wordt niet geheel in de zelfde verhouding, waarin ze wordt verbruikt, oud ijzer. De mens daarentegen heeft in een sterkere verhouding dan uit een louter numerieke vermeerdering van de arbeid zou blijken, te lijden onder een verval van krachten.
Als de arbeiders proberen de arbeidsdag tot zijn vroegere redelijke omvang terug te brengen of daar, waar zij de wettelijke vaststelling van een normale arbeidsdag niet kunnen afdwingen, het overwerk beteugelen door een loonsverhoging, niet alleen in verhouding tot het verlangde overwerk, maar in een grotere verhouding, doen zij daarmee niet meer dan een plicht tegenover zich zelf en hun geslacht. Alleen zij zijn het, die grenzen stellen aan de tirannieke inbreuken van het kapitaal. Tijd is de ruimte voor de ontwikkeling van de mens. Een mens, die niet over vrije tijd beschikt, wiens gehele leven - afgezien van zuiver fysieke onderbrekingen voor slaap, maaltijden enz. - opgeslokt wordt door zijn arbeid voor de kapitalist, is minder dan een lastdier. Hij is niet meer dan een machine voor het produceren van andermans rijkdom, lichamelijk gebroken en geestelijk verruwd. Desondanks toont de gehele geschiedenis van de moderne industrie aan, dat het kapitaal, wanneer het niet binnen de perken wordt gehouden, er genadeloos en zonder erbarmen op uit is de gehele arbeidersklasse in de toestand van diepste verwording te storten.
Bij het verlengen van de arbeidsdag kan de kapitalist een hoger arbeidsloon betalen en toch de waarde van de arbeid verminderen, ingeval de loonsverhoging niet in overeenstemming is met de grotere hoeveelheid afgedwongen arbeid en met de daardoor veroorzaakte snellere ontreddering van de arbeidskracht. Dat kan ook op een andere manier gebeuren. Uw burgerlijke statistici zullen u b.v. verklaren, dat het gemiddelde loon van de fabrieksarbeidersgezinnen in Lancashire gestegen is. Ze vergeten, dat in plaats van de arbeid van de man, het hoofd van het gezin, nu zijn vrouw en misschien drie of vier kinderen onder de Jagannath-wielen"
17
van het kapitaal geslingerd zijn en dat de stijging van hun totale arbeidsloon geenszins in overeenstemming is met de totale meerarbeid, die uit het gezin wordt geperst.
Zelfs bij de gegeven grenzen van de arbeidsdag, zoals die op het ogenblik in alle industrietakken bestaat die aan de fabriekswetten onderworpen zijn, kan een loonsverhoging noodzakelijk worden al was het alleen maar om de oude normale waarde van de arbeid in stand te houden. Door verhoging van de intensiteit van de arbeid kan een man ertoe gebracht worden in één uur evenveel levenskracht te verbruiken als vroeger in twee. Dat is in de industrietakken, die aan de fabriekswetgeving werden onderworpen, tot op zekere hoogte gebeurd door de machines sneller te laten lopen en door vermeerdering van het aantal machines, dat door één man thans moet worden bediend. Wanneer de toename van de arbeidsintensiteit of de in een uur verbruikte hoeveelheid arbeid in een redelijke verhouding staat tot de verkorting van de arbeidsdag, zal de arbeider daar nog bij winnen. Als die grens wordt overschreden, verliest hij in de ene vorm wat hij in de andere vorm wint; op die manier kunnen tien uren arbeid even verderfelijk worden als voordien twaalf uren. Als de arbeider tegen deze tendens van het kapitaal ingaat, doordat hij strijd voert voor een loonsverhoging die in overeenstemming is met de stijgende arbeidsintensiteit, verzet hij zich slechts tegen de waardevermindering van zijn arbeid en tegen de achteruitgang van zijn geslacht.
4. U weet allen, dat de kapitalistische productie zich in bepaalde periodieke cycli beweegt, over de oorzaken waarvan ik nu niet behoef uit te weiden. Ze doorloopt achtereenvolgens de toestand van stilstand, toenemende opleving, bloei, overproductie, crisis en stagnatie. De marktprijzen van de waren en de marktpercentages van de winst houden met deze fasen gelijke tred, nu eens onder hun gemiddelde dalend, dan weer daar boven uit stijgend. Als u de gehele cyclus bekijkt zult u ontdekken, dat de ene afwijking van de marktprijs opgeheven wordt door de andere en dat, als we het gemiddelde van de cyclus nemen, de marktprijzen van de waren gereguleerd worden door hun waarden. Mooi! Tijdens de fase van dalende marktprijzen, evenals gedurende de fasen van crisis en stagnatie, staat de arbeider, zo hij al niet op straat gegooid wordt, een verlaging van het arbeidsloon te wachten. Om niet aan het kortste eind te trekken, moet hij, zelfs tijdens een dergelijke daling van de marktprijzen, met de kapitalist erover onderhandelen in welke evenredige mate een loonsverlaging noodzakelijk geworden is. Als hij niet al gedurende de fase van bloei, wanneer er extra winsten worden gemaakt, voor een loonsverhoging heeft gevochten, komt hij, in doorsnee over een industriële cyclus gerekend, niet eens op zijn gemiddelde loon of de waarde van zijn arbeid. Het is het toppunt van ongerijmdheid te verlangen, dat hij, terwijl zijn arbeidsloon noodzakelijkerwijze door de ongunstige fasen van de cyclus benadeeld wordt, ervan af zou zien zich gedurende de fase van de bloei schadeloos te stellen. In het algemeen gesproken worden de waarden van alle waren slechts gerealiseerd doordat de voortdurend veranderende marktprijzen, voortspruitend uit de voortdurende fluctuatie van vraag en aanbod, elkaar opheffen. Op grondslag van het tegenwoordige systeem is de arbeid slechts een waar als alle andere' waren. Hij moet dan ook dezelfde fluctuaties ondergaan om een gemiddelde prijs te behalen die met zijn waarde overeenkomt. Het zou absurd zijn de arbeid enerzijds als waar te behandelen en aan de andere kant te verlangen, dat hij buiten de wetten valt, die de warenprijzen reguleren. De slaaf ontvangt een geregelde vaste hoeveelheid om in zijn levensonderhoud te voorzien; de loonarbeider krijgt dat niet. Hij moet proberen in het ene geval een loonsverhoging binnen te krijgen, al was het alleen maar om zich in het andere geval ten minste schadeloos gesteld te weten voor een loonsverlaging. Als hij zich er tevreden mee zou stellen de wil en de voorschriften van de kapitalist als een duurzame economische wet te dulden, zou hem alle ellende van de, slaaf, zonder het verzekerde bestaan van die slaaf, ten deel vallen.
5. In al de gevallen, die ik aan een beschouwing heb onderworpen - en dat zijn er 99 van de 100 - hebt u gezien, dat een gevecht om een loonsverhoging slechts wordt gevoerd in het spoor van voorafgaande veranderingen en het noodzakelijke resultaat is van voorafgaande veranderingen in de omvang der productie, de productiekracht van de arbeid, de waarde van de arbeid, de waarde van het geld, de duur of de intensiteit van de uitgeperste arbeid, de fluctuaties van de marktprijzen, afhankelijk van fluctuaties van vraag en aanbod en in overeenstemming met de verschillende fasen van de industriële cyclus - kortom, als een afweerreactie van de arbeid tegen de voorafgaande actie van het kapitaal. Als u het vechten voor een loonsverhoging onafhankelijk van al deze omstandigheden neemt, als u slechts op de veranderingen van het loon let en alle andere veranderingen waaruit ze voortspruiten buiten beschouwing laat, gaat u van een verkeerd uitgangspunt uit en komt u tot verkeerde gevolgtrekkingen.
14. De strijd tussen kapitaal, en arbeid en zijn gevolgen
1. Nu we hebben aangetoond, dat het periodieke verzet van de arbeiders tegen een loonsverlaging en hun periodieke zich herhalende pogingen een loonsverhoging af te dwingen niet losgemaakt kunnen worden van het loonsysteem en een noodzakelijk gevolg zijn juist van het feit, dat de arbeid in de categorie der waren thuishoort en derhalve onderworpen is aan de wetten, die de algemene beweging van de prijzen reguleren; nu we voorts hebben aangetoond, dat een algemene loonstijging een daling van de algemene winstvoet ten gevolge zou hebben, doch niet de gemiddelde prijzen van de waren of hun waarden zou beïnvloeden, dringt zich nu tenslotte de vraag op in hoeverre in deze onophoudelijke worsteling tussen kapitaal en arbeid voor laatstgenoemde kans op succes is weggelegd.
Ik zou met een veralgemening kunnen antwoorden en zeggen, dat, net als bij alle andere waren, de marktprijs van de arbeid zich op de duur zal aanpassen aan zijn waarde; dat de arbeider, wat hij ook moge doen, ondanks alle opgaande en neergaande bewegingen, dan ook in doorsnee slechts de waarde van zijn arbeid ontvangt, die zich oplost in de waarde van zijn arbeidskracht, welke bepaald wordt door de waarde van de levensbenodigdheden, die voor de instandhouding en de reproductie ervan nodig zijn; de waarde van die levensbenodigdheden tenslotte wordt gereguleerd door de hoeveelheid arbeid, die nodig is voor hun productie.
Er zijn echter bepaalde bijzondere kenmerken, die de waarde van de arbeidskracht of de waarde van de arbeid onderscheiden van de waarde van alle andere waren. De waarde van de arbeidskracht is samengesteld uit twee elementen - een zuiver fysiek en een historisch of maatschappelijk element. Haar uiterste grens wordt bepaald door het fysieke element, d.w.z. de arbeidersklasse moet, om zich in stand te houden en te reproduceren, om haar fysieke bestaan duurzaam veilig te stellen, de voor het leven en voor de voortplanting absoluut onontbeerlijke levensbenodigdheden ontvangen. De waarde van deze onontbeerlijke levensbenodigdheden vormt derhalve de uiterste grens van de waarde van de arbeid. Aan de andere kant is de lengte van de arbeidsdag eveneens door uiterste, hoewel zeer elastische grenzen beperkt. De uiterste grens ervan wordt bepaald door de lichaamskracht van de arbeider. Wanneer de dagelijkse uitputting van zijn levenskracht een bepaalde graad overschrijdt, kan ze niet steeds weer opnieuw, dag in dag uit, ingespannen worden. Overigens is, zoals gezegd, deze grens zeer elastisch. Een snelle opeenvolging van generaties met een zwakke gezondheid en van korte levensduur zal de arbeidsmarkt net zo goed van toevoer voorzien als een reeks robuuste en lang levende generaties.
Naast dit zuiver fysieke element wordt de waarde van de arbeid in elk land bepaald door een traditionele levensstandaard. Die betreft niet het zuiver fysieke leven, doch de bevrediging van bepaalde behoeften, voortkomend uit de maatschappelijke verhoudingen, waarin de mensen zijn geplaatst en waaronder ze opgroeien. De Engelse levensstandaard kan tot het Ierse peil verlaagd worden; het levenspeil van een Duitse boer tot dat van een boer uit Lijfland. Welk een belangrijke rol in dit opzicht gespeeld wordt door historische tradities en maatschappelijke gewoonten, kunt u leren uit het werk van de heer Thornton over `Overbevolking', waar hij aantoont, dat het gemiddelde loon in verschillende landbouwgebieden van Engeland tot vandaag aan toe nog meer of minder belangrijke verschillen vertoont, al naar gelang de meer of minder gunstige omstandigheden, waaronder die gebieden zich uit de toestand van de horigheid hebben losgemaakt.
Dit historische of maatschappelijke element, dat deel uitmaakt van de waarde van de arbeid, kan versterkt of verzwakt worden, ja, het kan zelfs volledig uitgeschakeld worden, zodat er niets dan de fysieke grens overblijft. In de tijd van de oorlog tegen de Jakobijnen - die gevoerd werd, zoals de oude George Rose, die onverbeterlijke profiteur van belastingen en sinecuren, placht te zeggen, om de vertroostingen van ons heilige geloof te beschermen tegen de inbreuken door de Franse ongelovigen - drukten de eerzame Engelse pachtboeren, die in een van onze vroegere hoofdstukken met zulke zachte handschoenen zijn aangepakt, de lonen van de landarbeiders zelfs tot onder dat zuiver fysieke minimum en lieten het restant, dat voor de fysieke voortzetting van het geslacht noodzakelijk is, door middel van de Armenwetten opbrengen. Dit was een prachtige manier om de loonarbeider in een slaaf en Shakespeares trotse vrije boer in een pauper te veranderen.
Als u de standaardlonen of waarden van de arbeid in verschillende landen vergelijkt en als u ze in verschillende tijdperken van de geschiedenis van hetzelfde land vergelijkt, zult u zien dat de waarde van de arbeid zelf geen vaste, maar een variabele grootheid is, zelfs als we ervan uitgaan, dat de waarden van alle andere waren gelijk blijven.
Een soortgelijke vergelijking zou aantonen, dat niet alleen de marktpercentages van de winst, maar ook zijn gemiddelde voet zich wijzigen.
Wat echter de winsten aangaat - er is geen wet die hun minimum bepaalt. We kunnen niet zeggen, wat de uiterste grens van hun vermindering is. En waarom kunnen wij die grens niet vaststellen? Omdat wij, ofschoon we het minimum van de lonen kunnen vaststellen, niet hun maximum kunnen vaststellen. We kunnen alleen zeggen, dat - gegeven de grenzen van de arbeidsdag - het maximum van de winst in overeenstemming is , met het fysieke minimum van het arbeidsloon, en dat - gegeven het arbeidsloon - het maximum van de winst in overeenstemming is met een zodanige verlenging van de arbeidsdag als verenigbaar, is met de lichamelijke krachten van de arbeider. Het maximum van de winst wordt dan ook begrensd door het fysieke minimum van het arbeidsloon en het fysieke maximum van de arbeidsdag. Het, is duidelijk, dat tussen de beide grenzen van deze maximum winstvoet een eindeloze scala van variaties mogelijk is. De vaststelling van zijn feitelijke graad vindt slechts plaats door de onophoudelijke strijd tussen kapitaal en arbeid, waarbij de kapitalist er voortdurend naar streeft het arbeidsloon tot zijn fysieke minimum terug te brengen en de arbeidsdag tot zijn fysieke maximum uit te breiden, terwijl de arbeider voortdurend in tegenovergestelde richting druk uitoefent.
De vraag lost zich op in de vraag omtrent de krachtsverhoudingen van de strijdende partijen.
2. Wat de beperking van de arbeidsdag betreft - in Engeland, evenals in alle andere landen is die nooit anders dan door ingrijpen van de wetgever tot stand gekomen. Zonder de voortdurende druk van de arbeiders van buitenaf zou dit nimmer hebben plaatsgevonden. In elk geval echter was het resultaat niet te bereiken door onderhandse overeenstemming tussen de arbeiders en de kapitalisten. Juist deze noodzaak van algemene politieke actie levert het bewijs, dat het kapitaal in zijn zuiver economische optreden de sterkere partij is.
Wat de grenzen van de waarde van de arbeid betreft - de feitelijke vaststelling daarvan hangt altijd af van vraag en aanbod, ik bedoel de vraag naar arbeid van de kant van het kapitaal
en het aanbod van arbeid door de arbeiders. In koloniale landen werkt de wet van vraag en aanbod voor de arbeider gunstig. Vandaar
het betrekkelijk hoge loonpeil in de Verenigde Staten.
18
Het kapitaal kan daar proberen wat het wil, het kan niet verhinderen, dat de arbeidsmarkt voortdurend wordt ontvolkt doordat loonarbeiders voortdurend veranderen in onafhankelijke boeren, die in hun eigen onderhoud voorzien. De bezigheid van loonarbeider is voor een zeer groot deel van het Amerikaanse volk slechts een proeftijd, die, daar is men zeker van, na korte of lange tijd doorlopen zal zijn. Om deze koloniale stand van zaken te verhelpen, maakte de vaderlijke Britse regering zich een tijdlang datgene eigen, wat de moderne kolonisatietheorie wordt genoemd. Die bestaat daaruit, dat de prijs van de grond in de koloniën kunstmatig wordt opgeschroefd om een al te snelle verandering van de loonarbeider in een onafhankelijke boer te beletten.
Maar laten we nu eens kijken naar de oude geciviliseerde landen, waarin het kapitaal het gehele productieproces beheerst. Neem bij voorbeeld het stijgen van de landarbeiderslonen in Engeland van 1848 tot 1859. Wat was het gevolg daarvan? De boeren konden, zoals onze vriend Weston hun zou hebben aangeraden, noch de waarde van de tarwe, noch ook zijn marktprijzen verhogen. Ze moesten integendeel met de daling ervan genoegen nemen. Gedurende die elf jaren voerden zij evenwel allerlei machines in, pasten meer wetenschappelijke methoden toe, veranderden een deel van het akkerland in weidegronden, vergrootten de omvang van de bedrijven en daarmee de schaal van de productie. Daar zij door deze en andere middelen de vraag naar arbeid verminderden, door de productiekracht ervan te vergroten, zorgden zij ervoor dat er weer een relatief overschot aan plattelandsbevolking kwam. Dit is in landen met een gevestigde bevolking de algemene methode, volgens welke het kapitaal meer of minder snel op een loonstijging reageert. Ricardo heeft terecht opgemerkt, dat de machines een voortdurende concurrentiestrijd voeren met de arbeid en vaak slechts dan kunnen worden ingevoerd, wanneer de prijs van de arbeid een zekere hoogte heeft bereikt. De toepassing van machines is echter slechts een van de vele methoden om de productiekracht van de arbeid te vergroten. Precies dezelfde ontwikkeling, die ongeschoolde arbeid relatief overbodig maakt, vereenvoudigt aan de andere kant geschoolde arbeid en doet die daarmee in waarde dalen.
Men vindt dezelfde wet nog in een andere vorm. Met de ontwikkeling van de productiekracht van de arbeid zal de accumulatie van kapitaal worden bespoedigd, zelfs ondanks een betrekkelijk hoog loonpeil. Hieruit zou men de conclusie kunnen trekken zoals Adam Smith, in wiens tijd de moderne industrie nog in de kinderschoenen stond, inderdaad concludeerde, dat deze versnelde accumulatie van kapitaal de weegschaal ten gunste van de arbeider zou moeten doen doorslaan, doordat ze een toenemende vraag naar zijn arbeid zou verzekeren. Vanuit hetzelfde standpunt hebben vele thans levende auteurs er zich over verwonderd, dat, hoewel het Engelse kapitaal in de laatste twintig jaar zo veel sneller is toegenomen dan de Engelse bevolking, het arbeidsloon niet nog aanzienlijker is toegenomen. Gelijktijdig met de toename van de accumulatie vindt er evenwel een voortgaande verander n in de samenstelling ging van bet kapitaal plaats. Dat deel van het totale kapitaal, dat uit vast kapitaal bestaat'- machines, grondstoffen, productiemiddelen in elke denkbare vorm -, neemt in vergelijking met het andere deel van het kapitaal, dat aan arbeidsloon of aan de aankoop van arbeid wordt besteed, sterker toe. Deze wet is meer of minder nauwkeurig -vastgesteld door Barton, Ricardo, Sismondi, professor Richard Jones, professor Ramsay, Cherbuliez en anderen.
Als de verhouding van deze beide elementen van het kapitaal oorspronkelijk 1 op 1 was, zal ze, naarmate de industrie zich ontwikkelt, 5 op 1 worden, enz. Als een totaal kapitaal van 600 onderverdeeld is in 300 voor werktuigen, grondstoffen enz. en 300 voor arbeidsloon, behoeft het gehele kapitaal slechts te worden verdubbeld om een vraag naar 600 arbeiders in plaats van naar 300 te creëren. Bij een kapitaal echter van 600, waarvan 500 aan machines, materiaal enz. en slechts aan arbeidsloon is besteed, moet datzelfde kapitaal van 600 tot 3600 groeien om een vraag naar 600 in plaats van naar 300 arbeiders te scheppen. Op het punt van de vooruitgang van de industrie houdt de vraag naar arbeid dan ook geen gelijke tred met de accumulatie van kapitaal. Die vraag zal weliswaar nog toenemen, maar in een voortdurend geringer wordende verhouding ten aanzien van de toeneming van kapitaal.
Deze weinige aanwijzingen zullen voldoende zijn om aan te tonen, dat de gehele ontwikkeling van de moderne industrie de weegschaal steeds meer ten gunste van de kapitalist en ten nadele van de arbeider moet doen doorslaan, en dat de kapitalistische productie dientengevolge de algemene tendens vertoont het gemiddelde loonpeil niet te verhogen doch te verlagen of de waarde van de arbeid meer of minder tot op haar minimumgrens omlaag te drukken. Indien de tendens van de dingen in dit systeem nu eenmaal zo is, wil dat dan zeggen, dat de arbeidersklasse moet afzien van haar verzet tegen de daden van geweld van het kapitaal en haar pogingen moet opgeven om op de best mogelijke wijze gebruik te maken van voorkomende gelegenheden om haar toestand tijdelijk te verbeteren? Als ze dat zou doen, zou ze tot één egale massa van geruïneerde arme sloebers degraderen, voor wie geen verlossing meer baat. Ik meen te hebben bewezen, dat haar strijd om het loonpeil een verschijnsel is, dat onafscheidelijk is van het gehele loonsysteem; dat in 99 van de gevallen haar inspanningen om het loon te verhogen louter inspanningen zijn om de gegeven waarde van de arbeid te handhaven, en dat de noodzaak, met de kapitalist om de prijs ervan te onderhandelen, onafscheidelijk verbonden is met de omstandigheid, dat zij zich zelf als waar te koop moet aanbieden. Als de arbeidersklasse in haar dagelijkse botsingen met het kapitaal laf zou inbinden, zou zij zich zelf ontegenzeggelijk beroven van het vermogen de een of andere grotere beweging op gang te brengen.
Tegelijkertijd mag de arbeidersklasse, geheel los van het algemene knechtschap dat het loonsysteem met zich brengt, het definitieve effect van deze dag in dag uit durende strijd niet overschatten. Ze mag niet vergeten, dat ze tegen gevolgen strijdt, doch niet tegen de oorzaken van deze gevolgen; dat ze de neergaande beweging weliswaar verlangzaamt, maar de richting ervan niet verandert, dat zij lapmiddelen gebruikt, doch niet het euvel verhelpt. Ze mag dan ook niet uitsluitend opgaan in deze onvermijdelijke guerrillastrijd, die onophoudelijk voortkomt uit de eindeloze daden van geweld van het kapitaal of uit de marktschommelingen. Ze moet begrijpen, dat het tegenwoordige systeem, bij alle ellende waartoe het haar veroordeelt, tegelijkertijd de materiële voorwaarden en de maatschappelijke vormen verwekt, die noodzakelijk zijn voor een economische omvorming van de maatschappij. In plaats van het conservatieve motto: `Een rechtvaardig dagloon voor een rechtvaardig dagwerk !' dient ze op haar vaandel de revolutionaire leuze te schrijven: `Afschaffing van het loonsysteem!'
Na deze zeer lange en, naar ik vrees, vermoeiende uiteenzetting, waartoe ik wel moest komen om het ter discussie staande onderwerp enigermate recht te laten wedervaren, zou ik willen eindigen met de volgende besluiten voor te stellen:
1. ten algemene stijging van het loonpeil zou een daling van de algemene winstvoet tot resultaat hebben, zonder evenwel, in het algemeen gesproken, de warenprijzen te beïnvloeden.
2. De kapitalistische productie vertoont in het algemeen de tendens het gemiddelde loonpeil niet te verhogen, doch te verlagen.
3. Vakverenigingen doen goed werk als verzamelpunten van het verzet tegen de gewelddaden van het kapitaal. Zij slagen ten dele niet in hun opzet, doordat zij van hun macht een onoordeelkundig gebruik maken. Zij slagen in het algemeen niet in hun opzet, doordat zij zich beperken tot een guerrillastrijd tegen de uitwerkingen van het bestaande systeem, in plaats van tegelijkertijd te proberen dit systeem te veranderen, in plaats van hun georganiseerde krachten te gebruiken als een hefboom voor de definitieve bevrijding van de arbeidersklasse, d.w.z. voor het definitief afschaffen van het loonsysteem.
Voetnoten
1 'Bee-hive' (Bijenkorf) was gedurende enige tijd het orgaan van de Eerste Internationale, waarin o.a. de officiële documenten van de Internationale werden gepubliceerd.
>>
2 De uit de plebejers gerekruteerde burgers-soldaten weigerden in 494 vóór onze jaartelling verder ten strijde te trekken, verlieten Rome in volle wapenrusting en sloegen hun kamp op de 'Heilige Berg' op. De patriciër Menenius Agrippa, in 503 consul geworden, wist hen met concessies van de kant der patriciërs te bewegen naar Rome terug te keren.
>>
3 De door de Franse Nationale Conventie op 4 mei, 11 en 29 september 1793 en op 20 maart 1794 uitgevaardigde wetten, waarbij vaste maximumprijzen voor graan, meel en andere verbruiksgoederen, alsmede een maximum voor het arbeidsloon, werden vastgesteld.
>>
4 Een vergissing van Marx. Hij bedoelde de Engelse een medewerker van Tooke.
>>
5 Het Engelse Pond Sterling was onderverdeeld in 20 shilling, welke op hun beurt elk 12 pence (meervoud van penny) bevatten.
>>
6 Bedoeld is hier de Krimoorlog (1853-1856), die door Engeland, Frankrijk, Sardinië en Turkije tegen Rusland werd gevoerd.
>>
7 'Society of Arts and Trades' (Genootschap der Kunsten en Ambachten) was een in 1754 opgericht filantropisch genootschap, nauw verwant aan de Verlichting.
>>
8 Inhoudsmaat voor granen = 290 liter, gelijk aan. acht bushel; 1 bushel = 36,36 liter.
>>
9 De wet inzake de afschaffing van de graanwetten werd op 26 juni 1846 door het Engelse parlement aangenomen. De zogenaamde graanwetten, gericht op een beperking of een verbod van de invoer van graan, werden in 1815 in het belang van de grootgrondbezitters ingesteld. Het aannemen van de wet van 1846 betekende een overwinning van de industriële bourgeoisie, die onder de leuze van de vrijhandel strijd voerde tegen de graanwetten om goedkopere arbeidskrachten te verkrijgen.
>>
10 Gouden munt ter waarde van £ 1.
>>
11 Ounce = 1/12e deel van Troy Pound = ca. 31 gram.
>>
12 'Een bescheiden onderzoek naar de aard en de noodzaak van papiergeld'. Marx noemde hier abusievelijk het jaartal 1721.
>>
13 Fysiocratisme - richting die leert, dat de rijkdom van een volk bestaat In bodem en landbouw; door de Fransman Quesnay in de 18de eeuw uitgewerkt tot een stelsel der politieke economie, waarbij gepleit werd voor vrijhandel en de directe belasting op grond als de enige bron van Inkomsten voor de staat.
'prix nécessaire' = noodzakelijke prijs.
>>
14 Adam Smith, The Wealth of Nations. (De rijkdom der naties). Boek 1, hoofdstuk VII, blz. 57, New York 1931.
>>
15 De reeks van oorlogen, die Engeland van 1793 tot 1815, in de periode van de Franse revolutie, tegen Frankrijk heeft gevoerd. Tijdens deze oorlogen stelde de Engelse regering een regiem van terreur in tegen de Engelse werkende bevolking. Ze onderdrukte verschillende opstanden en vaardigde wetten uit, die elke vorming van organisaties door arbeiders verboden.
>>
16 Van februari tot maart 1832 werd in het Lagerhuis gedebatteerd over de in 1831 ingediende wet op de beperking van de arbeidsdag voor kinderen en jeugdigen tot tien uur.
>>
17 Jagannath = een van de gestalten van de god Wizjnoe uit de Hindoegodsdienst. De Jagannath-cultus onderscheidde zich door een bijzonder fanatisme. Bij grote feesten wierpen gelovigen zich onder de wagen, waarop een afbeelding van Wizjnoe-Jagannath was geplaatst.
>>
18 In het eerste deel van 'Het Kapitaal' schrijft Marx: 'Het gaat hier om werkelijke koloniën, om maagdelijke grond, die door vrije immigranten wordt gekoloniseerd. De Verenigde Staten zijn, economisch gesproken, nog altijd een koloniaal land van Europa. Overigens behoren hiertoe ook zulke oude kolonies, waar de opheffing van de slavernij de verhoudingen volledig ondersteboven heeft gekeerd.' Nadat de grond in de koloniën overal als particuliere eigendom in bezit was genomen, werd de verandering van loonarbeiders in zelfstandige producenten onmogelijk.
>>
Oorspronkelijke titel: Karl Marx: 'Value, price and profit'.
Eerste druk: 1898, Londen. Editing: Eleanor Marx-Aveling (dochter van K. Marx)
Online versie: Koenraad Depauw voor Marxisme.Net