Het KapitaalKarl Marx en Otto Rühle1867
Het werken van een groot aantal arbeiders tegelijkertijd in dezelfde ruimte (of zo men wil op
hetzelfde arbeidsterrein) voor de productie van dezelfde soort waren, onder commando van
dezelfde kapitalist, vormt historisch en theoretisch het uitgangspunt van de kapitalistische
productie.
De vorm van arbeid van veel personen, die in hetzelfde productieproces of in verschillende
maar samenhangende productieprocessen volgens een plan naast en met elkaar werken, heet
coöperatie.
In iedere industrietak wijkt de individuele arbeider Jan, Piet of Klaas min of meer af van de
gemiddelde arbeider. Deze individuele afwijkingen, die men in de wiskunde 'fouten' noemt,
compenseren elkaar en verdwijnen zodra men een groot aantal arbeiders bij elkaar neemt.
Ook bij gelijkblijvende arbeidswijze bewerkt het gelijktijdige gebruik van een groot aantal
arbeiders een revolutie in de materiële voorwaarden van het arbeidsproces. De gebouwen
waarin veel arbeiders werken (opslagplaatsen voor grondstoffen, vaten, instrumenten,
apparaten enz.) die veel mensen gelijktijdig of afwisselend gebruiken, kortom een deel van de
productiemiddelen wordt nu gemeenschappelijk in het arbeidsproces geconsumeerd. Aan de
ene kant wordt de ruilwaarde van waren, dus ook productiemiddelen, volstrekt niet verhoogd,
door welke verhoogde uitbuiting van hun gebruikswaarde dan ook. Anderzijds neemt de
omvang van de gemeenschappelijk gebruikte productiemiddelen toe. Een ruimte waarin 20
wevers met hun 20 weefgetouwen werken moet groter zijn dan de kamer van een
onafhankelijke wever met twee gezellen. Maar de productie van een werkplaats voor 20
personen kost minder arbeid dan die van 10 werkplaatsen voor ieder twee personen en zo
groeit algemeen de waarde van in groten getale geconcentreerde en gemeenschappelijke
productiemiddelen niet in verhouding met hun omvang en hun nuttig effect. Gemeenschappelijk
gebruikte productiemiddelen geven een kleiner waardebestanddeel aan het enkele
product af, deels omdat de gezamenlijke waarde die ze afgeven zich gelijktijdig over een
grotere hoeveelheid producten verdeelt, deels omdat zij in vergelijking met de afzonderlijk
gebruikte productiemiddelen weliswaar met een absoluut grotere, maar gezien hun
arbeidsterrein met een relatief kleinere waarde in het productieproces intreden. Hierdoor daalt
een waardebestanddeel van het constante kapitaal en daarmee in verhouding tot de grootte van
het constante kapitaal ook de totaalwaarde van de waar. De uitwerking is dezelfde als wanneer
de productiemiddelen van de waar goedkoper geproduceerd werden.
Deze besparing in het gebruik van de productiemiddelen komt slechts voort uit hun
gemeenschappelijk gebruik in het arbeidsproces van velen. En de productiemiddelen krijgen
dit karakter als voorwaarden van maatschappelijke arbeid of maatschappelijke voorwaarden
van de arbeid ter onderscheiding van de versnipperde en relatief dure productiemiddelen van
afzonderlijke zelfstandige arbeiders of kleine meesters, zelfs in het geval dat vele mensen
alleen maar in dezelfde ruimte werken en niet samenwerken. Een deel van de arbeidsmiddelen
krijgt dit maatschappelijke karakter voordat het arbeidsproces zelf dit karakter verkrijgt.
Evenals de aanvalskracht van een eskadron cavalerie of het weerstandsvermogen van een
regiment infanterie in wezen verschilt van de som van de door iedere cavalerist en infanterist
afzonderlijk ontwikkelde aanvals- of weerstandskracht, zo is er ook een verschil tussen de
som van de mechanische krachten van de afzonderlijke arbeiders en het maatschappelijke
vermogen dat zich ontwikkelt als vele handen gelijktijdig tot één en dezelfde verrichting
samenwerken, bv. als het erom gaat een zware vracht op te tillen, een zwengel te draaien of
een hindernis uit de weg te ruimen. Het gaat hier niet om een verhoging van de individuele
productieve kracht door de coöperatie, maar om het scheppen van een productieve kracht die
als zodanig een massakracht moet zijn.
Afgezien van het nieuwe vermogen dat uit de samensmelting van vele krachten tot een
totaalkracht voortvloeit, veroorzaakt alleen al het maatschappelijke contact bij de meeste
productieve arbeiders een wedijver en een opwekking van de levensgeesten (animal spirits)
die het individuele prestatievermogen van de enkeling verhogen. Dit heeft weer tot gevolg dat
een dozijn personen gezamenlijk in een gelijktijdige arbeidsdag van 144 uur een veel groter
totaalproduct leveren dan 12 afzonderlijke arbeiders die ieder 12 uur werken of als één
arbeider die 12 dagen achtereen werkt. Dat komt misschien nog niet omdat de mens van
nature, zo hij al geen politiek dier is, zoals Aristoteles meent (De definitie van Aristoteles is
eigenlijk, dat de mens van nature stadsburger is. Deze definitie is voor de klassieke oudheid
even karakteristiek als Franklins definitie dat de mens van nature gereedschapsmaker is, dat is
voor het Yankeedom.), in ieder geval wel een maatschappelijk dier is.
Hoewel vele personen gelijktijdig met elkaar hetzelfde of iets gelijksoortigs doen kan de
individuele arbeid van ieder afzonderlijk toch als een deel van de totaalarbeid verschillende
fasen van het arbeidsproces zelf vormen. Tengevolge van de coöperatie doorloopt het
arbeidsvoorwerp dit arbeidsproces sneller.
Wanneer bv. metselaars een rij vormen om stenen van de voet van een steiger naar de top te
brengen, doet ieder van hen hetzelfde. Toch vormen de afzonderlijke verrichtingen op elkaar
volgende delen van een totaalverrichting, bijzondere fasen die iedere steen in het arbeidsproces
doorlopen moet en waardoor die stenen via de 24 handen van de totaalarbeider sneller
naar boven gaan dan door de twee handen van iedere afzonderlijke arbeider die de steiger op
en af zou gaan. Het arbeidsvoorwerp doorloopt dezelfde ruimte in kortere tijd. Aan de andere
kant vindt er combinatie van arbeid plaats als een bouwwerk bv. aan verschillende kanten
gelijktijdig aangepakt wordt, hoewel de samenwerkende personen hetzelfde of iets
gelijksoortigs doen.
Als het arbeidsproces gecompliceerd is, maakt al het grote aantal samenwerkende personen
het mogelijk de verschillende werkzaamheden onder verschillende handen te verdelen en
gelijktijdig te verrichten waardoor de voor de vervaardiging van het totaalproduct nodige
arbeidstijd wordt verkort.
Aan de ene kant maakt de coöperatie het mogelijk de ruimtelijke sfeer van de arbeid te
verbreden en zij is dus voor bepaalde arbeidsprocessen al door de ruimtelijke samenhang van
het arbeidsvoorwerp vereist, bv. bij drooglegging van land. Anderzijds maakt ze een
ruimtelijke verkleining van het productiegebied mogelijk door de opeenhoping van arbeiders,
het samenvoegen van verschillende arbeidsprocessen en de concentratie van
productiemiddelen waardoor een aantal bijkomende kosten (faux frais) bespaard worden.
Vergeleken met een even groot aantal individuele arbeidsdagen produceert de gecombineerde
arbeidsdag grotere hoeveelheden gebruikswaarde en vermindert dus de arbeidstijd die nodig is
voor de productie van een bepaald nuttig resultaat. Of nu in een bepaald geval de
gecombineerde arbeidsdag deze verhoogde productiviteit krijgt omdat hij het mechanische
vermogen van de arbeid verhoogt of zijn ruimtelijke werkingssfeer uitbreidt of het ruimtelijke
productieterrein in verhouding tot de productieschaal verkleint of op het kritieke moment veel
arbeid in weinig tijd liquide maakt of de wedijver van de individuen onderling prikkelt of hun
levensgeesten opwekt of op gelijksoortige verrichtingen van velen de stempel van continuïteit
en veelzijdigheid drukt of verschillende werkzaamheden gelijktijdig laat verrichten of op de
productiemiddelen door hun gemeenschappelijk gebruik bespaart of de individuele arbeid het
karakter van maatschappelijke arbeid geeft, onder alle omstandigheden is de specifieke
productieve kracht van de gecombineerde arbeidsdag maatschappelijke productieve kracht
van de arbeid of productieve kracht van maatschappelijke arbeid. Hij komt uit de coöperatie
zelf voort. In het planmatig samenwerken met anderen ontdoet de arbeider zich van zijn
individuele beperkingen en brengt hij het vermogen van zijn soort tot ontwikkeling.
Het aantal samenwerkende arbeiders of de schaal van coöperatie hangt af van de grootte van
het kapitaal dat de afzonderlijke kapitalist voor de koop van arbeidskracht besteden kan. En
met het constante kapitaal is het net als met het variabele gesteld. Concentratie van grote
hoeveelheden productiemiddelen in handen van de afzonderlijke kapitalist is dus de materiële
voorwaarde voor coöperatie van loonarbeiders en de omvang van de coöperatie of de schaal
van de productie hangt af van de omvang van deze concentratie. Het bevel van de kapitalist op
het terrein van de productie wordt nu even onontbeerlijk als het bevel van de generaal op het
slagveld. Elke direct maatschappelijke of gemeenschappelijke arbeid op grotere schaal heeft
in meerdere of mindere mate een leiding nodig, die zorg draagt voor de harmonie van de
individuele werkzaamheden en die de algemene functies uitoefent die uit de beweging van het
productieve totaallichaam voortkomen in afwijking van de beweging van zijn zelfstandige
organen. Een afzonderlijke violist dirigeert zichzelf, een orkest heeft de leiding van een
dirigent nodig. Deze functie van leiding, toezicht en coördinatie wordt de functie van het
kapitaal zodra de aan hem ondergeschikte arbeid coöperatieve arbeid wordt. Als specifieke
functie van het kapitaal krijgt deze leidinggevende functie specifieke karaktertrekken.
De samenhang van hun arbeid manifesteert zich voor de arbeiders ideëel als een plan,
praktisch als het gezag van de kapitalist, als macht van een vreemde wil die hun daden aan
zijn doel ondergeschikt maakt. Met het aantal gelijktijdig aan het werk zijnde arbeiders groeit
hun verzet en daarmee noodzakelijkerwijs de druk van het kapitaal om dit verzet te
overwinnen. De leiding van de kapitalisten is niet alleen een uit de aard van het
maatschappelijke arbeidsproces voortkomende en erbij behorende bijzondere functie, zij is
tegelijk een functie van de uitbuiting van een maatschappelijk arbeidsproces en dus bepaald
door het onvermijdelijke antagonisme tussen de uitbuiter en het materiaal van zijn uitbuiting.
Met de omvang van de productiemiddelen die tegenover de loonarbeider staan als eigendom
van anderen, groeit de noodzakelijkheid van de controle over hun doelmatig gebruik.
De kapitalistische leiding is naar de inhoud tweeslachtig wegens de tweeslachtigheid van het
productieproces zelf dat zij leiden moet - het productieproces dat aan de ene kant
maatschappelijk arbeidsproces is voor de vervaardiging van een product en aan de andere kant
meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess) van het kapitaal -naar de vorm is deze
leiding despotisch.
Zodra het kapitaal de minimumgrootte bereikt heeft waarmee de eigenlijke kapitalistische
productie pas begint, geeft het de functie van het directe en voortdurende toezicht op de
afzonderlijke arbeiders en arbeidersgroepen zelf weer af aan een bijzonder soort
loonarbeiders. Zoals een leger behoefte heeft aan militaire opperofficieren, zo heeft een onder
het commando van dit kapitaal samenwerkende arbeidersmassa behoefte aan industriële
opperofficieren (directeuren, managers) en onderofficieren (opzichters, foremen, overlookers,
contremaîtres) die gedurende het arbeidsproces in naam van het kapitaal commanderen.
De arbeid van het oppertoezicht wordt hun uitsluitende functie. Bij vergelijking van de
productiewijze van onafhankelijke boeren of zelfstandige ambachtslieden met het op slavernij
berustende plantage-bedrijf rekent de politieke econoom deze arbeid van het oppertoezicht tot
de 'faux frais de production' (bijkomende productiekosten). Bij de beschouwing van de
kapitalistische productiewijze identificeert hij echter de functie van leiding, in zover die uit de
aard van het gemeenschappelijke arbeidsproces voortkomt, met dezelfde functie in zover die
door het kapitalistische, en dus antagonistische, karakter van dit proces bepaalt wordt. De
kapitalist is niet kapitalist omdat hij industrieel leider is, maar wordt industrieel bevelhebber
omdat hij kapitalist is.
Het opperbevel in de industrie wordt attribuut van het kapitaal, zoals in het feodale tijdperk
het opperbevel in de oorlog en het rechtspreken attribuut was van het grondbezit.
De productieve kracht die de arbeider als maatschappelijk arbeider ontwikkelt is de
productieve kracht van het kapitaal. De maatschappelijke productieve kracht van de arbeid
ontwikkelt zich kosteloos, zodra de arbeiders onder bepaalde voorwaarden geplaatst zijn en
het kapitaal plaatst ze onder deze voorwaarden. Omdat de maatschappelijke productieve
kracht van de arbeid het kapitaal niets kost, omdat deze kracht aan de andere kant niet door de
arbeider ontwikkeld wordt, voordat zijn arbeid zelf het kapitaal toebehoort manifesteert deze
kracht zich als een productieve kracht die het kapitaal van nature bezit, als zijn immanente
productieve kracht. De coöperatie in het arbeidsproces, zoals we die bij het begin van de
beschaving van de mensheid bij jagersvolken of bv. in de landbouw van de Indische
gemeenschappen aantreffen, berust enerzijds op het gemeenschappelijke bezit van de
productievoorwaarden en anderzijds daarop dat het afzonderlijke individu zich van de
navelstreng van de stam of van de gemeenschap nog even weinig losgemaakt heeft als de
individuele bij van de bijenzwerm.
Beide verschillen ze van de kapitalistische coöperatie. Het sporadische gebruik van de
coöperatie op grote schaal in de antieke wereld, in de Middeleeuwen en in de moderne
koloniën berust op directe verhoudingen van heerschappij en knechtschap, meestal op
slavernij. De kapitalistische vorm vooronderstelt echter van meet af aan het bestaan van de
vrije loonarbeider die zijn arbeidskracht aan het kapitaal verkoopt. Historisch ontwikkelt deze
vorm zich echter in tegenstelling tot het boerenbedrijf en tot het zelfstandige ambachtsbedrijf,
of dit nu de gildenvorm heeft of niet. Daartegenover manifesteert de kapitalistische coöperatie
zich niet als een bijzondere historische vorm van coöperatie maar manifesteert de coöperatie
zichzelf als een historische vorm die eigen is aan het kapitalistische productieproces en die dit
kenmerkend onderscheidt van andere processen.
De coöperatie is de eerste verandering die het werkelijke arbeidsproces door zijn
onderschikking onder het kapitaal ondergaat. Deze verandering komt uit de aard van de zaak
voort. De voorwaarde voor deze verandering - gelijktijdige tewerkstelling van een groot aantal
loonarbeiders in hetzelfde arbeidsproces - vormt het uitgangspunt van de kapitalistische
productie. Dit valt samen met het bestaan van het kapitaal zelf.
|