Het KapitaalKarl Marx en Otto Rühle1867
De op verdeling van de arbeid berustende coöperatie krijgt haar klassieke gedaante in de
manufactuur. Als karakteristieke vorm van het kapitalistische productieproces heerst ze
tijdens de eigenlijke manufactuurperiode, die - globaal gerekend - van het midden van de 16e
eeuw tot de jaren 70 van de 18e eeuw duurt.
De manufactuur ontstaat op tweeërlei manier. In de eerste plaats worden arbeiders van
verschillende, zelfstandige ambachten, die een product door hun handen moeten laten gaan tot
het geheel voltooid is in een werkplaats onder het commando van dezelfde kapitalist verenigd.
Een koets was bijvoorbeeld het gezamenlijke product van het werk van een aantal
onafhankelijke ambachtslieden zoals wagenmakers, zadelmakers, snijders, slotenmakers,
koperwerkers, draaiers, passementwerkers, glazenmakers, schilders, lakwerkers, vergulders
enz. De koetsenmanufactuur verenigt al deze verschillende ambachtslieden in een werkplaats
waar zij elkaar gelijktijdig in de hand werken. Men kan een koets weliswaar niet vergulden
voor hij gemaakt is. Als echter veel koetsen gelijktijdig gemaakt worden dan kan voortdurend
een deel verguld worden terwijl een ander deel een vroegere fase van het productieproces
doorloopt. Tot zover bevinden we ons nog in het stadium van de eenvoudige coöperatie die
haar materiaal, mensen en dingen klaar vindt liggen. Intussen treedt spoedig een wezenlijke
verandering op. De snijder, slotenmaker en koperwerker, die alleen met koetsmaken bezig is,
verliest met de gewoonte ook langzamerhand de bekwaamheid om zijn ambacht in zijn volle
omvang uit te oefenen. De manufactuur ontstaat echter ook op de tegenovergestelde manier.
Veel ambachtslieden die hetzelfde of iets gelijksoortigs doen, bv. het maken van papier, van
drukletters of naalden, worden door hetzelfde kapitaal gelijktijdig in dezelfde werkplaats aan
het werk gezet.
De arbeid wordt daarom verdeeld. In plaats van verschillende werkzaamheden door dezelfde
ambachtsman in chronologische volgorde te laten verrichten, worden die bewerkingen van
elkaar gescheiden, geïsoleerd, ruimtelijk naast elkaar gezet, ieder ervan aan een andere
ambachtsman toegewezen en allen samen door de samenwerkende arbeiders gelijktijdig
uitgevoerd. Deze toevallige verdeling herhaalt zich, toont haar bijzondere voordelen en
verstart langzamerhand tot een systematische verdeling van de arbeid. Uit het individuele
product van een zelfstandige ambachtsman die van alles doet, verandert de waar zich in het
maatschappelijke product van een combinatie van ambachtslieden waarvan ieder voortdurend
slechts één en dezelfde deelhandeling verricht. Deze voltooide vorm produceert werkstukken
die samenhangende ontwikkelingsfasen, een reeks van op elkaar volgende bewerkingen
doorlopen, zoals de draad in de naaldenmanufactuur de handen van 72 en zelfs 92 specifieke
deelarbeiders doorloopt.
De wijze van ontstaan van de manufactuur, de ontwikkeling van de manufactuur uit het
ambacht is dus tweeslachtig. Aan de ene kant gaat de manufactuur uit van de combinatie van
ongelijksoortige, zelfstandige ambachten die hun zelfstandigheid en veelzijdigheid verliezen
tot op het punt waarop ze nog slechts elkaar aanvullende deelbewerkingen in het
productieproces van één en dezelfde waar vormen.
Anderzijds gaat de manufactuur uit van de coöperatie van gelijksoortige ambachtslieden,
ontleedt ze ditzelfde individuele ambacht in zijn verschillende bijzondere bewerkingen en
isoleert en verzelfstandigt deze bewerking tot op het punt waar ieder van deze bewerkingen
tot de uitsluitende functie van een bijzondere arbeider wordt. Enerzijds voert de manufactuur
de verdeling van de arbeid in een productieproces in, of ontwikkelt die verder, anderzijds
combineert de manufactuur vroeger gescheiden ambachten. Hoe echter ook het bijzondere uitgangspunt
van de manufactuur is, het resultaat is hetzelfde: een productiemechanisme
waarvan de organen mensen zijn.
Samengesteld of enkelvoudig, die bezigheid blijft handwerk en dus afhankelijk van kracht,
handigheid, snelheid, zekerheid van de afzonderlijke arbeider bij het gebruiken van zijn
instrument. Het handwerk blijft de basis. Deze enge technische basis sluit een werkelijk
wetenschappelijke analyse van het productieproces uit, omdat ieder deelproces dat het product
doormaakt als verrichting van het handwerk uitvoerbaar moet zijn. Juist omdat de
ambachtelijke vaardigheid de basis van het productieproces blijft, wordt iedere arbeider
uitsluitend een deelfunctie toegewezen en zijn arbeidskracht verandert voor de rest van zijn
leven in een orgaan van deze deelfunctie.
Het is duidelijk dat een arbeider die levenslang een en dezelfde bewerking verricht, zijn
gehele lichaam verandert in een automatisch eenzijdig orgaan van deze bewerking en dus
minder tijd voor die bewerking nodig heeft dan de ambachtsman die een hele reeks van
bewerkingen afwisselend uitvoert. De gecombineerde totaalarbeider die het levende
mechanisme van de manufactuur vormt bestaat echter louter uit zulke eenzijdige
deelarbeiders. In vergelijking met het zelfstandige handwerk wordt daarom in minder tijd
meer geproduceerd. De productieve kracht van de arbeid stijgt.
Ook de methode van de deelarbeid vervolmaakt zich, nadat hij verzelfstandigd is tot de
uitsluitende functie van een persoon. De voortdurende herhaling van dezelfde beperkte
handeling en de concentratie van de aandacht op dit beperkte gebied leren de arbeiders door
ervaring het gewenste nuttige effect met het minste krachtsgebruik te bereiken. Omdat
verschillende generaties van arbeiders echter altijd gelijktijdig leven en in dezelfde
manufacturen samenwerken worden de op deze wijze verkregen technische kunstgrepen
spoedig ingeburgerd, geaccumuleerd en overgedragen.
De manufactuur produceert in feite de virtuositeit van de deelarbeider, door de natuurlijke
splitsing van de beroepen die hij in de maatschappij aantrof binnen de werkplaats te
reproduceren en systematisch tot het uiterste door te voeren. Aan de andere kant
correspondeert de verandering van de deelarbeid in het beroep voor het hele leven van een
mens met de drang van vroegere maatschappijen de beroepen erfelijk te maken, ze in de
kasten te verstenen of in gilden te verstarren.
Een ambachtsman die de verschillende deelprocessen in de productie van een artikel na elkaar
uitvoert, moet dan weer van plaats dan weer van instrument wisselen. De overgang van de ene
werkzaamheid op de andere onderbreekt de loop van zijn arbeid en vormt in zekere zin gaten
in zijn arbeidsdag.
Deze gaten worden kleiner zodra hij de hele dag één en dezelfde handeling continu verricht of
ze verdwijnen naarmate het verwisselen van handeling afneemt. De gestegen productiviteit is
hier te danken aan het toenemende verbruik van arbeidskracht in een gegeven tijdsruimte
(groeiende intensiteit van de arbeid) of aan een afname van het onproductieve gebruik van
arbeidskracht. De productiviteit van de arbeid hangt niet alleen van de virtuositeit van de
arbeider af, maar ook van de volmaaktheid van zijn werktuigen. Verandering van de vroeger
voor verschillende doeleinden dienende werktuigen werd noodzakelijk. De richting van deze
vormverandering volgt uit de ervaring met de bijzondere moeilijkheden die de onveranderde
vorm met zich meebrengt. De differentiëring van de arbeidsinstrumenten, waardoor
instrumenten van dezelfde soort bijzondere vaste vormen voor ieder bijzonder nuttig gebruik
krijgen en de specialisering, waardoor ieder bijzonder instrument slechts in handen van
specifieke deelarbeiders in zijn volle omvang werkt, karakteriseren de manfactuur.
In zoverre de manufactuur oorspronkelijk verspreide ambachten combineert, vermindert zij de
ruimtelijke scheiding tussen de bijzondere productiefasen van het maaksel. De tijd van zijn
overgang van het ene stadium in het andere wordt verkort, evenals de arbeid die deze
overgang tot stand brengt.
In vergelijking met het ambacht wordt dus productieve kracht gewonnen en deze winst komt
voort uit het algemene coöperatieve karakter van de manufactuur. Aan de andere kant brengt
het principe van verdeling van de arbeid - dat aan de manufactuur eigen is - een isolering van
de verschillende productiefasen mee die als evenzoveel ambachtelijke deelbewerkingen
tegenover elkaar verzelfstandigd worden. Het tot stand brengen en in stand houden van de
samenhang tussen de geïsoleerde functies maakt het voortdurende transport nodig van het
maaksel van de ene hand in de andere en van het ene proces in het andere. Vanuit het
standpunt van de grote industrie manifesteert zich dit als een karakteristieke kostbare
beperking die aan het principe van de manufactuur eigen is.
Omdat het deelproduct van iedere deelarbeider tegelijk slechts een bijzondere
ontwikkelingstrap van hetzelfde maaksel is, levert de ene arbeider aan de andere of de ene
arbeidersgroep aan de andere de grondstof. Het resultaat van de arbeid van de een vormt een
uitgangspunt voor de arbeid van de ander. De ene arbeider zet daarom hier direct de andere
aan het werk. De arbeidstijd die nodig is om in ieder deelproces het beoogde nuttige effect te
behalen wordt proefondervindelijk vastgesteld en het totaalmechanisme van de manufactuur
berust op de veronderstelling dat in gegeven arbeidstijd een gegeven resultaat bereikt wordt.
Slechts onder deze voorwaarden kunnen de verschillende elkaar aanvullende arbeidsprocessen
ononderbroken, gelijktijdig en naast elkaar doorgaan.
Deze directe afhankelijkheid van de werkzaamheden en daarom van de arbeiders ieder
afzonderlijk van elkaar, dwingt ze slechts de voor zijn functie noodzakelijke tijd te gebruiken
en dus wordt een geheel andere continuïteit, gelijkvormigheid, regelmatigheid, orde en vooral
ook intensiteit van de arbeid bereikt als in het onafhankelijke ambacht en bij de eenvoudige
coöperatie. Dat aan een waar slechts de voor zijn vervaardiging maatschappelijk
noodzakelijke arbeidstijd besteed wordt, manifesteert zich bij de warenproductie in het
algemeen als uiterlijke dwang van de concurrentie omdat - oppervlakkig gesproken - iedere
afzonderlijke producent de waar voor zijn marktprijs verkopen moet. De levering van een
bepaalde hoeveelheid producten in een bepaalde arbeidstijd wordt in de manufactuur echter
een technische wet van het productieproces zelf.
De verdeling van de arbeid, zoals die in de manufactuur plaatsvindt, vereenvoudigt en
verveelvoudigt niet alleen de kwalitatief onderscheiden organen van de maatschappelijke
totaalarbeider, maar schept ook een wiskundig vaste verhouding voor de kwantitatieve
omvang van deze organen, d.w.z. voor het relatieve aantal arbeiders of de relatieve grootte
van de groepen arbeiders in iedere functie. Deze verdeling van de arbeid ontwikkelt met de
kwalitatieve samenstelling de kwantitatieve regel en proportionaliteit van het
maatschappelijke arbeidsproces. De manufactuurperiode, die de verkorting van de voor de
warenproductie noodzakelijke arbeidstijd spoedig tot een bewust principe maakt, ontwikkelt
sporadisch ook het gebruik van machines nl. voor bepaalde eenvoudige aanvangsprocessen
die in grote omvang en met grote krachtsinspanning moeten worden uitgevoerd. Algemeen
echter speelt de machinerie de bijrol die haar door Adam Smith naast de arbeidsverdeling
werd toegewezen.
De specifieke machinerie van de manufactuurperiode blijft de uit vele deelarbeiders
samengestelde totaalarbeider zelf. De verschillende handelingen die de producent van een
waar afwisselend verricht en die zich ineenstrengelen tot het geheel van zijn arbeidsproces,
nemen de producent op verschillende manieren in beslag. Bij de ene handeling moet hij meer
kracht ontwikkelen, bij de andere meer behendigheid en bij de derde meer oplettendheid en
een en hetzelfde individu bezit deze eigenschappen niet in gelijke mate. Na de scheiding,
verzelfstandiging en isolering van de verschillende handelingen worden de arbeiders in
overeenstemming met hun overwegende eigenschappen ingedeeld, geclassificeerd en
gegroepeerd.
Al vormt de natuurlijke aanleg de basis, waarop de verdeling van de arbeid zich ent, als de
manufactuur eenmaal ingevoerd is dan ontwikkelt ze arbeidskrachten die van nature slechts
voor eenzijdige bijzondere functies deugen. De eenzijdigheid en zelfs de volmaaktheid van de
deelarbeider wordt zijn volmaaktheid als lid van de totaalarbeider. De gewoonte van een
eenzijdige functie verandert hem in het van nature betrouwbaar werkend orgaan van die
functie terwijl de samenhang van het totaalmechanisme hem dwingt met de regelmaat van een
machinedeel te werken.
Omdat de verschillende functies van de totaalarbeider eenvoudige of samengestelde, lage of
hoge functies zijn, moeten zijn organen - de individuele arbeidskrachten - zeer verschillende
graden van scholing hebben en bezitten ze daarom zeer verschillende waarden. De
manufactuur ontwikkelt dus een hiërarchie van arbeidskrachten die correspondeert met het
tarief van arbeidslonen.
De manufactuur kweekt in ieder ambacht waarvan ze zich meester maakt een klasse van
zogenaamde ongeschoolde arbeiders waarvoor in het ambachtsbedrijf geen plaats was. Als de
manufactuur de volstrekt eenzijdig gemaakte specialiteit ten koste van het gehele arbeidsvermogen
tot virtuositeit ontwikkelt begint ze ook het ontbreken van elke ontwikkeling tot een
specialiteit te maken. Naast de hiërarchische rangschikking komt de eenvoudige scheiding van
de arbeiders in geschoolde en ongeschoolde. Voor de laatste vervallen de opleidingskosten
geheel, voor de eersten dalen ze in vergelijking met de ambachtsman tengevolge van de
vereenvoudigde functie. De relatieve daling van de waarde van de arbeidskracht die
voortkomt uit het wegvallen of de vermindering van de opleidingskosten, houdt direct een
hogere meerwaardevorming (Verwertung) van het kapitaal in. Want alles wat de voor de
reproductie van de arbeidskracht noodzakelijke tijd verkort, verlengt het gebied van de
meerarbeid.
Wij zullen nu in het kort ingaan op de verhouding tussen de arbeidsverdeling, zoals die
geschiedt in de manufactuur en de maatschappelijke arbeidsverdeling die de algemene basis
van alle warenproductie vormt. Let men alleen op de arbeid zelf dan kan men de verdeling
van de maatschappelijke productie in haar grootste takken zoals landbouw, industrie enz.
beschrijven als arbeidsverdeling in het algemeen, de splitsing van de productietakken in
soorten en ondersoorten als arbeidsverdeling in het bijzonder en de arbeidsverdeling binnen
de werkplaats als arbeidsverdeling in het klein.
De arbeidsverdeling binnen de maatschappij en de daarmee overeenstemmende beperking van
de individuen tot bepaalde beroepssferen ontwikkelt zich, evenals de arbeidsverdeling binnen
de manufactuur vanuit tegengestelde uitgangspunten. Binnen een familie (Noot bij de 3e
Duitse druk. - Latere zeer grondige studies van de oudste menselijke toestanden brachten de
schrijver tot de overtuiging dat oorspronkelijk niet de familie zich tot stam ontwikkeld heeft,
maar omgekeerd, de stam de oorspronkelijke natuurlijke vorm van de op bloedverwantschap
berustende menselijke vermaatschappelijking was, zodat uit de beginnende oplossing van het
stamverband eerst later de dikwijls verschillende vormen van de familie zich ontwikkelden.
Noot van Friedrich Engels.) en na verdere ontwikkeling binnen een stam, ontstaat een
natuurlijke arbeidsverdeling op basis van geslacht- en leeftijdsverschillen, dus op zuiver
fysiologische basis. Aan de andere kant ontstaat de productenruil op de plaatsen waar de
verschillende families, stammen en gemeenschappen met elkaar in contact komen, want niet
particuliere personen maar families, stammen enz. treden in het begin van de beschaving
tegenover elkaar op.
Verschillende gemeenschappen vinden in hun natuurlijke omgeving verschillende
productiemiddelen en verschillende levensmiddelen. Hun manier van produceren, hun
levenswijze en producten zijn dus verschillend. Deze natuurlijke verscheidenheid brengt bij
het contact der gemeenschappen de ruil van de wederzijdse producten tot stand en daarmee de
geleidelijke verandering van deze producten in waren. Het verschil in productiesfeer ontstaat
niet door de ruil, maar de ruil brengt de verschillende productiesferen met elkaar in betrekking
en verandert ze aldus in meer of minder van elkaar afhankelijke takken van een
maatschappelijke totaalproductie.
Hier ontstaat de maatschappelijke arbeidsverdeling door de ruil van oorspronkelijk
verschillende maar van elkaar onafhankelijke productiesferen. Daar waar de fysiologische
arbeidsverdeling het uitgangspunt vormt, maken de bijzondere organen van een direct bij
elkaar behorend geheel zich van elkaar los en splitsen zich. Bij dit splitsingsproces is de
warenruil met vreemde gemeenschappen de voornaamste oorzaak. De bijzondere organen
verzelfstandigen zich tot een punt waarop de samenhang van de verschillende soorten arbeid
door de ruil van producten als waren tot stand gebracht wordt.
In het ene geval worden vroeger zelfstandigen onzelfstandig, in het andere geval worden
vroeger onzelfstandigen zelfstandig.
De basis van alle ontwikkelde en door warenruil tot stand gebrachte arbeidsverdeling is de
scheiding van stad en land.
Omdat warenproductie en warencirculatie de algemene voorwaarden zijn voor de
kapitalistische productiewijze, vereist de arbeidsverdeling van de manufactuur een al tot een
bepaalde ontwikkelingsgraad gekomen arbeidsverdeling binnen de maatschappij.
Ondanks de talrijke punten van overeenkomst en samenhang tussen de verdeling van de
arbeid binnen de maatschappij en de arbeidsverdeling binnen een werkplaats zijn beide niet
slechts gradueel maar wezenlijk verschillend. Men kan zich inbeelden dat maatschappelijke
arbeidsverdeling zich slechts subjectief van de arbeidsverdeling in de manufactuur
onderscheidt. Wat is echter het verband tussen de onafhankelijke werkzaamheden van
veefokkers en schoenmakers? Het bestaan van hun respectievelijke producten als waren. Wat
kenmerkt echter de arbeidsverdeling in de manufactuur? Dat de deelarbeider geen waar
produceert. Het gemeenschappelijke product van de deelarbeiders verandert zich pas in een
waar. De arbeidsverdeling binnen de maatschappij komt tot stand door de koop en verkoop
van de producten van verschillende takken van arbeid, de samenhang van de deelbewerkingen
in de manufactuur door de verkoop van verschillende arbeidskrachten aan dezelfde kapitalist,
die ze als gecombineerde arbeidskracht gebruikt. De arbeidsverdeling in de manufactuur
veronderstelt concentratie van productiemiddelen in handen van een kapitalist, de
maatschappelijke arbeidsverdeling verspreiding van de productiemiddelen onder veel van
elkaar onafhankelijke warenproducenten.
De bij de arbeidsverdeling binnen de werkplaats a priori en planmatig gevolgde regel werkt
bij de maatschappelijke arbeidsverdeling slechts a posteriori als een innerlijke, blinde, in het
stijgen en dalen van de marktprijzen waarneembare, absolute noodzaak, die de ordeloze willekeur
van de warenproducenten overmant.
De gildenwetten verhinderden door de grootst mogelijke beperking van het aantal gezellen dat
een afzonderlijke gildenmeester in dienst mocht hebben, stelselmatig zijn verandering in een
kapitalist. Ook kon hij slechts gezellen aanstellen in het ambacht waarin hij zelf meester was.
Het gilde weerde angstvallig iedere inmenging van koopmanskapitaal af, de enige vrije vorm
van kapitaal die tegenover het gilde stond. De koopman kon alle waren kopen maar niet de
arbeid als waar. Hij werd slechts geduld als verkoper van de ambachtsproducten. Als
invloeden van buitenaf een verdergaande arbeidsverdeling nodig maakten, dan splitsten
bestaande gilden zich of werden naast de bestaande gilden nieuwe gesticht, maar zonder
samenbundeling van de verschillende ambachten in een werkplaats. De gildenorganisatie sloot
de bij de manufactuur horende arbeidsverdeling uit. In het algemeen bleven de arbeider en
zijn productiemiddel nauw met elkaar verbonden, zoals de slak met het slakkenhuis, zodoende
ontbrak de primaire basis van de manufactuur: de verzelfstandiging van het productiemiddel
als kapitaal tegenover de arbeider.
Terwijl de arbeidsverdeling binnen de maatschappij als geheel, al dan niet tot stand gebracht
door de warenruil, aan de meest uiteenlopende maatschappijvormen eigen is, is de
arbeidsverdeling van de manufactuur een heel specifieke schepping van de kapitalistische
productiewijze.
Het uit veel afzonderlijke deelarbeiders samengestelde maatschappelijk productiemechanisme
is het eigendom van de kapitalist. De uit de combinatie van de werkzaamheden
voortvloeiende productieve kracht manifesteert zich dus als productieve kracht van het
kapitaal.
De bijzondere deelbewerkingen worden niet slechts onder verschillende personen verdeeld,
maar de persoon zelf wordt verdeeld, in het automatische drijfwerk van een deelverrichting
veranderd. Zo wordt de dwaze fabel van Menenius Agrippa verwezenlijkt, die een mens louter
als een deel van zijn eigen lichaam voorstelt.
Terwijl de arbeider oorspronkelijk zijn arbeidskracht aan het kapitaal verkoopt omdat de
materiële middelen tot productie van een waar hem ontbreken, weigert nu zijn individuele
arbeidskracht zelf dienst te doen zodra deze kracht niet aan het kapitaal verkocht wordt. De
arbeidskracht functioneert nog slechts in een verband dat pas na zijn verkoop bestaat, in de
werkplaats van de kapitalist. Beroofd van zijn natuurlijke bekwaamheid zelfstandig iets te
maken ontwikkelt de manufactuurarbeider nog slechts productieve werkzaamheid als
onderdeel van de werkplaats van de kapitalist.
Zoals het het uitverkoren volk op het voorhoofd geschreven stond dat het Jehova's eigendom
was, zo drukt de arbeidsverdeling de manufactuurarbeider een stempel op dat hem als
eigendom van het kapitaal brandmerkt.
In de manufactuur is verrijking van de totaalarbeider - en dus van het kapitaal - met
maatschappelijke productieve kracht bepaald door de verarming van de arbeider met
individuele productieve kracht.
In feite gebruikten enkele manufacturen in het midden van de 18e eeuw voor bepaalde
eenvoudige werkzaamheden die echter fabrieksgeheimen vormden, bij voorkeur halve idioten.
Een zekere geestelijke en lichamelijke verminking is zelfs onverbrekelijk verbonden met de
algemene arbeidsverdeling.
Omdat echter de manufactuurperiode deze maatschappelijke splitsing van de takken van
arbeid veel verder doordrijft anderzijds pas het individu met de haar eigen verdeling in het
diepst van zijn bestaan aantast, levert zij ook voor het eerst zowel het materiaal als de
aanleiding voor de industriële pathologie (leer van beroepsziekten). De arbeidsverdeling van
de manufactuur produceert de voorwaarde voor de heerschappij van het kapitaal over de
arbeid. Als ze zich dus enerzijds als historische vooruitgang en noodzakelijk ontwikkelingsmoment
in het economische vormingsproces van de maatschappij manifesteert, manifesteert
ze zich anderzijds als een middel tot beschaafde en geraffineerde uitbuiting.
Gedurende de eigenlijke manufactuurperiode (d.w.z. de periode, waarin de manufactuur de
heersende vorm van de kapitalistische productiewijze is) stuit de volledige doorvoering van
haar eigen tendensen op tal van hindernissen. Hoewel de manufactuur de afzonderlijke
bewerkingen aanpast aan de verschillende mate van ervaring, kracht en ontwikkeling van haar
levende arbeidsorganen en daarom tot productieve uitbuiting van vrouwen en kinderen aanzet,
leidt deze tendens in het algemeen schipbreuk door gewoonten en de tegenstand van de
mannelijke arbeiders. Hoewel de splitsing van ambachtelijke werkzaamheden de
scholingskosten en dus de waarde van de arbeider doet dalen, blijft voor moeilijke
detailarbeid een langere opleidingstijd nodig en deze leertijd wordt ook daar waar ze
overbodig is angstvallig door de arbeiders in stand gehouden. Voortdurend heeft het kapitaal
te kampen met de weerstand van de arbeiders.
Door de gehele manufactuurperiode heen loopt een klacht over het gebrek aan discipline van
de arbeiders. Zelfs als we niet zouden beschikken over de uitspraken van schrijvers uit die
tijd, dan nog zouden de eenvoudige feiten boekdelen spreken. Dat het kapitaal van de 16e
eeuw tot aan het tijdperk van de grootindustrie er niet in geslaagd is zich meester te maken
van de gehele beschikbare tijd van de manufactuurarbeiders en dat de manufacturen niet lang
hebben geleefd en dat zij met de migratie van de arbeiders hun zetel in het ene land moesten
verlaten en in het andere land moesten gaan zitten.
De manufactuur kon zich noch in haar gehele omvang van de maatschappelijke productie
meester maken, noch kon ze de productie diepgaand veranderen. Ze verhief zich als
economisch kunstwerk op de brede basis van het stedelijke ambacht en de landelijke
huisindustrie. Op een bepaalde hoogte van haar ontwikkeling kwam haar eigen nauwe
technische basis in tegenstelling met de door haar zelf geschapen productiebehoeften.
Een van haar volmaaktste scheppingen was de werkplaats voor de productie van
arbeidsinstrumenten zelf en vooral ook de al in gebruik zijnde gecompliceerde mechanische
apparaten. Dit product van de arbeidsverdeling van de manufactuur produceerde op zijn beurt
machines. Deze maakten een einde aan de ambachtelijke bezigheid als regelend principe van
de maatschappelijke productie.
|