Het KapitaalKarl Marx en Otto Rühle1867
In ieder land bestaat een bepaald gemiddelde intensiteit van de arbeid. Ligt de intensiteit bij de
productie van een waar beneden dat gemiddelde, dan wordt meer dan de maatschappelijk
noodzakelijke tijd verbruikt en daarom telt die arbeid niet als arbeid van normale kwaliteit.
Alleen een zich boven het nationale gemiddelde verheffende graad van intensiteit verandert in
een bepaald land het louter door de duur van de arbeidstijd bepaald zijn van de waardemaat.
Dit ligt anders op de wereldmarkt, waarvan de afzonderlijke landen de samenstellende delen
zijn. De gemiddelde intensiteit van de arbeid varieert van land tot land. Zij is hier groter, daar
kleiner. Deze nationale gemiddelden vormen een schaal waarvan de maateenheid de
gemiddelde eenheid van de universele arbeid is. Vergeleken met de minder intensieve
produceert de intensievere nationale arbeid dus in dezelfde tijd meer waarde, die zich dus in
meer geld uitdrukt.
Naarmate in een land de kapitalistische productie ontwikkeld is, liggen daar in dezelfde mate
ook de nationale intensiteit en productiviteit boven het internationale niveau. De verschillende
hoeveelheden waren van dezelfde soort die in verschillende landen in gelijke arbeidstijd
geproduceerd worden, hebben dus ongelijke internationale waarden die zich in verschillende
prijzen uitdrukken, d.w.z. in geldsommen die variëren met de internationale waarden. De
relatieve waarde van het geld zal dus kleiner zijn bij de natie met ontwikkelde kapitalistische
productiewijze dan bij die met minder ontwikkelde. Daaruit volgt dat het nominale
arbeidsloon, het equivalent van de arbeidskracht uitgedrukt in geld, eveneens hoger zal zijn bij
de naties met ontwikkelde kapitalistische productie dan bij die met onontwikkelde. Wat
helemaal niet zeggen wil dat dit ook voor het werkelijke loon geldt, d.w.z. voor de
levensmiddelen die de arbeider ter beschikking staan.
|