Het KapitaalKarl Marx en Otto Rühle1867
Gebruik van meerwaarde als kapitaal of het weer veranderen van meerwaarde in kapitaal heet
accumulatie van het kapitaal. Om te accumuleren moet men een deel van het meerproduct in
kapitaal veranderen. Maar, tenzij men wonderen verricht, kan men slechts die dingen in
kapitaal veranderen die in het arbeidsproces bruikbaar zijn, d.w.z. productiemiddelen. Verder
ook de dingen die de arbeider gebruikt om zichzelf in stand te houden, d.w.z. bestaansmiddelen.
Daarom moet een deel van de jaarlijkse meerarbeid gebruikt worden om additionele
productiemiddelen en bestaansmiddelen te vervaardigen, bóven de hoeveelheid die ter
vervanging van het voorgeschoten kapitaal nodig was. Kortom, de meerwaarde kan slechts in
kapitaal veranderd worden omdat het meerproduct waarvan het de waarde is al de materiële
bestanddelen van een nieuw kapitaal bevat. (Er wordt hier geabstraheerd van de
uitvoerhandel, waardoor een natie luxe artikelen in productiemiddelen en bestaansmiddelen
kan omzetten en omgekeerd. Om het onderwerp van het onderzoek zuiver en vrij van storende
bijomstandigheden aan te pakken, moeten we hier de gehele handelswereld als één natie
bekijken en vooronderstellen dat de kapitalistische productiewijze overal ingeburgerd is en
zich van alle industrietakken heeft meester gemaakt).
Om nu deze bestanddelen werkelijk als kapitaal te laten fungeren, heeft de kapitalistenklasse
een extra hoeveelheid arbeid nodig. Wil de uitbuiting van de al tewerkgestelde arbeiders niet
extensief of intensief groter worden, dan moeten additionele krachten ingezet worden.
Daarvoor heeft het mechanisme van de kapitalistische productie eveneens reeds gezorgd door
de arbeidersklasse te reproduceren als een van het arbeidsloon afhankelijke klasse waarvan het
gebruikelijke loon niet alleen toereikend is om het levensonderhoud van die klasse te
verzekeren, maar ook voor de vergroting van die klasse. Deze hem door de arbeidersklasse
geleverde additionele arbeidskrachten van verschillende leeftijden hoeft het kapitaal nog
slechts bij de in de jaarlijkse productie al begrepen additionele productiemiddelen in te
lijven en de verandering van meerwaarde in kapitaal is bereikt.
Het is de oude geschiedenis: Abraham won Isaac, Isaac won Jacob enz. Het oorspronkelijke
kapitaal van £ 10.000 brengt een meerwaarde van £ 2.000 op, die gekapitaliseerd wordt. Het
nieuwe kapitaal van £ 2.000 brengt een meerwaarde van £ 400 op, deze wordt opnieuw
gekapitaliseerd - dus in een tweede additioneel kapitaal omgezet - en brengt een nieuwe
meerwaarde van £ 80 op, enz. Wij zien hier af van het door de kapitalisten verteerde deel van
de meerwaarde.
Oorspronkelijk scheen het eigendomsrecht op eigen arbeid gebaseerd. Dat moest tenminste
aangenomen worden, omdat slechts gelijkberechtigde warenbezitters tegenover elkaar staan
en het middel tot toe-eigening van vreemde waren slechts het afstand doen van de eigen waar
is. En deze laatste kan slechts door arbeid voortgebracht worden. De scheiding tussen
eigendom en arbeid wordt de noodzakelijke consequentie van een wet, die schijnbaar uitging
van hun identiteit.
We zagen dat zelfs bij eenvoudige reproductie al het voorgeschoten kapitaal, hoe het
oorspronkelijk ook verworven werd, zich in geaccumuleerd kapitaal of gekapitaliseerde
meerwaarde verandert. Maar in de stroom van de productie wordt al het oorspronkelijke
voorgeschoten kapitaal een verdwijnende grootheid (magnitudo evanescens in
mathematische betekenis) vergeleken met het direct geaccumuleerde kapitaal, d.w.z. met de
meerwaarde of het meerproduct die weer in kapitaal veranderd zijn, ongeacht of ze nu
functioneren in handen van hen die geaccumuleerd hebben of in vreemde handen.
Een deel van de meerwaarde wordt door de kapitalist als revenu verteerd (De lezer zal
bemerken dat het woord revenu dubbel gebruikt wordt, ten eerste om de meerwaarde als
periodiek uit het kapitaal voortspruitende vrucht, ten tweede om dat deel van die
vrucht aan te duiden, dat door de kapitalist periodiek verteerd of aan zijn
consumptiefonds toegevoegd wordt. Ik houd deze dubbele betekenis aan, omdat het in
overeenstemming is met het spraakgebruik van de Franse en Engelse economen.), een
ander deel wordt als kapitaal aangewend en geaccumuleerd.
Bij een gegeven hoeveelheid meerwaarde wordt het ene deel groter naarmate het andere
kleiner is. Als we alle andere omstandigheden als gelijkblijvend veronderstellen bepaalt de
verhouding waarin deze verdeling zich voltrekt de grootte van de accumulatie. De
eigenaar van de meerwaarde - de kapitalist - brengt deze verdeling tot stand.
Men zegt: het deel van de door de kapitalist opgelegde schatting dat hij accumuleert,
wordt door hem gespaard. Omdat hij het niet opeet, d.w.z. omdat hij zijn functie als
kapitalist uitoefent. Dat is nl. de functie, zich te verrijken.
Slechts als gepersonifieerd kapitaal heeft de kapitalist een historische waarde.
Slechts in zover komt zijn eigen voorbijgaande noodzakelijkheid uit de kapitalistische
productiewijze voort. Maar in zoverre zijn ook niet gebruikswaarde en genot zijn
drijfveer, maar ruilwaarde en de vermeerdering daarvan. Als fanaticus van de
vermeerdering (Verwertung) van de waarde dwingt hij de mensheid meedogenloos tot
productie terwille van de productie, dus tot een ontwikkeling van de maatschappelijke
productieve krachten en tot schepping van materiële productievoorwaarden die slechts de
reële basis kunnen vormen voor een hogere maatschappijvorm waarvan het grondprincipe
de volledige en vrije ontwikkeling van ieder individu is.
Slechts als personificatie van het kapitaal is de kapitalist achtenswaardig. Als zodanig heeft
hij met de schatvormer de absolute verrijkingsdrang gemeen. Wat zich echter bij de laatste als
persoonlijke manie manifesteert, is bij de kapitalist de uitwerking van het maatschappelijke
mechanisme waarin hij slechts een drijfwiel is.
Daarenboven maakt de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze een voortdurende
vergroting van het in de industriële onderneming belegde kapitaal tot een noodzaak en de
concurrentie legt iedere afzonderlijke kapitalist de immanente wetten van de kapitalistische
productiewijze als van buitenaf komende dwingende wetten op. De accumulatie is echter
tegelijk het veroveren van de wereld van de maatschappelijke rijkdom. De accumulatie
vergroot met de hoeveelheid van het uitgebuite mensenmateriaal tegelijk de directe en indirecte
heerschappij van de kapitalisten.
Maar de erfzonde werkt overal. Met de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze,
van de accumulatie en van de rijkdom houdt de kapitalist op de loutere incarnatie van het
kapitaal te zijn. Hij voelt een 'menselijke emotie' voor zijn eigen Adam en hij wordt zo
beschaafd, dat hij over de dweperij voor de ascese als een vooroordeel van de ouderwetse
schatvormer lacht. Terwijl de klassieke kapitalist de individuele consumptie als zonde tegen
zijn functie en als 'onthouding' van accumulatie brandmerkt, is de gemoderniseerde kapitalist
in staat, de accumulatie als 'onthouding' van zijn genotzucht op te vatten. 'Twee zielen, ach!
wonen in zijne borst, de ene wil zich van de andere scheiden.'
In het historische begin van de kapitalistische productiewijze - en iedere kapitalistische
parvenu maakt dit historische stadium individueel door - heersen verrijkingsdrang en
inhaligheid als absolute hartstochten. Maar het voortschrijden van de kapitalistische productie
schept niet slechts een wereld van genot. De kapitalistische productie opent met de speculatie
en het kredietwezen - duizend bronnen van plotselinge verrijking. Op een bepaalde
ontwikkelingshoogte wordt een conventionele graad van verspilling, die tegelijk een vertoon
van rijkdom en daarmee een bewijs van kredietwaardigheid is, zelfs een zakelijke noodzaak
voor de 'ongelukkige' kapitalist.
Voor het kapitaal wordt de luxe een deel van de representatiekosten. Hoewel de verspilling
van de kapitalist nooit het bonafide karakter van de verspilling van de vlotte feodale heer bezit
- op de achtergrond ligt veeleer steeds de smerigste inhaligheid en de meest angstvallige
berekening op de loer - groeit toch zijn verspilling met zijn accumulatie, zonder dat de een
afbreuk doet aan de ander.
Doordat het kapitaal de beide primaire scheppers van de rijkdom - arbeidskracht en aarde -
inlijft, verkrijgt het een expansiekracht die mogelijk maakt de bestanddelen van zijn
accumulatie uit te breiden tot voorbij zijn grenzen die schijnbaar bepaald worden zijn eigen
grootte. Deze grens wordt weer bepaald door de waarde en de hoeveelheid van de al
geproduceerde productiemiddelen, waaruit het kapitaal bestaat.
Een andere belangrijke factor in de accumulatie van het kapitaal is de graad van productiviteit
van de maatschappelijke arbeid. Met de productieve kracht van de arbeid groeit de
hoeveelheid producten, waarin een bepaalde waarde, dus ook een meerwaarde van
gegeven grootte, zich belichaamt. Met het toenemen van de productiviteit van de arbeid gaat
het goedkoper worden van de arbeider, dus een groeiende meerwaardevoet, hand in hand,
zelfs als het reële arbeidsloon stijgt.
De ontwikkeling van de productieve kracht van de arbeid heeft ook zijn uitwerking op het
oorspronkelijke kapitaal of het zich al in het productieproces bevindende kapitaal. Een deel
van het functionerende constante kapitaal bestaat uit arbeidsmiddelen, zoals machinerie, die
slechts in een langere periode geconsumeerd en dus gereproduceerd of door nieuwe
exemplaren van dezelfde soort vervangen worden. Maar ieder jaar sterft een deel van deze
arbeidsmiddelen af of bereikt het einddoel van zijn productieve functie. Als de productieve
kracht van de arbeid zich in de geboorteplaats van die arbeidsmiddelen vergroot heeft - en
deze arbeidsproductiviteit ontwikkelt zich voortdurend met de ononderbroken stroom van de
wetenschap en de techniek - dan komen in plaats van de oude machines andere werktuigen,
apparaten enz, die doeltreffender zijn en wat hun prestaties betreft goedkoper; het oude
kapitaal wordt in een productiever vorm gereproduceerd.
Iedere invoering van betere methodes enz. werkt hier dus gelijktijdig op het additionele
kapitaal en het kapitaal dat reeds functioneert. Iedere vooruitgang van de chemie
vermenigvuldigt niet alleen het aantal nuttige stoffen en de toepassingen van al bekende
stoffen, en breidt dus met de groei van het kapitaal zijn terrein van toepassing uit. Deze
vooruitgang leert tegelijk hoe de afvalstoffen van het productie en consumptieproces weer op
te nemen en schept dus zonder voorafgaande kapitaaluitgifte nieuwe kapitaalstof. Evenals
vergrote uitbuiting van de rijkdom van de natuur door louter hogere inspanning van de
arbeidskracht, vormen wetenschap en techniek een uitbreidingsvermogen aan het kapitaal dat
onafhankelijk is van de gegeven grootte van het functionerende kapitaal. Dit heeft tevens een
uitwerking op het deel van het oorspronkelijke kapitaal dat in zijn vernieuwingsstadium is
gekomen. Natuurlijk gaat deze ontwikkeling van de productieve kracht tegelijk gepaard met
een gedeeltelijke depreciatie van de functionerende kapitalen. In zoverre deze depreciatie zich
door de concurrentie acuut gevoelen doet, valt de last voornamelijk op de arbeiders. De
kapitalist probeert zich schadeloos te stellen door de verhoogde uitbuiting van deze arbeiders.
De arbeid draagt de waarde van de door hem geconsumeerde productiemiddelen over op het
product. Aan de andere kant groeit, naarmate de arbeid productiever wordt, de waarde en de
hoeveelheid van de door een bepaalde hoeveelheid arbeid in beweging gebrachte
productiemiddelen. Al voegt dezelfde hoeveelheid arbeid aan zijn product altijd dezelfde som
nieuwe waarde toe, toch groeit de oude kapitaalwaarde die hij gelijktijdig op het product
overdraagt met de stijgende productiviteit van de arbeid. Het is een natuurlijke eigenschap van
levende arbeid dat hij oude waarde in stand houdt, terwijl hij nieuwe waarde schept. Met de
groei van de werkzaamheid, de omvang en de waarde van zijn productiemiddelen, dus met de
accumulatie die de ontwikkeling van de productieve kracht begeleidt, houdt de arbeid dus een
steeds groeiende kapitaalwaarde in stand en vereeuwigt die. Deze natuurlijke kracht van de
arbeid manifesteert zich als kracht tot zelfbehoud van het kapitaal waarbij de arbeid ingelijfd
is. Precies zoals de maatschappelijke productieve krachten zich als eigenschappen van het
kapitaal manifesteren en zoals de voortdurende toe-eigening van de meerarbeid door de
kapitalisten zich manifesteert als eigen meerwaardevorming (Selbstverwertung) van het
kapitaal. Alle krachten van de arbeid projecteren zich als krachten van het kapitaal, zoals alle
waardevormen van de waar zich projecteren als vormen van het geld.
Met de groei van het kapitaal groeit het verschil tussen aangewend kapitaal en geconsumeerd
kapitaal. Met andere woorden, de arbeidsmiddelen zoals bouwwerken, machinerie,
draineerbuizen, arbeidsvee, allerlei soorten apparaten, die gedurende langere of kortere
periode in voortdurend herhaalde productieprocessen in hun gehele omvang functioneren of
voor het bereiken van bepaalde nuttige effecten dienen, groeien in waarde en omvang terwijl
ze slechts langzamerhand verslijten. Dus hun waarde slechts stuksgewijs verliezen en die ook
slechts stuksgewijs op het product overdragen. Omdat de arbeid uit het verleden steeds de
gedaante van kapitaal aanneemt (d.w.z. de passiva van de arbeid van A, B, C enz. neemt de
gedaante aan van de activa van de niet-arbeider X) zijn burgers en politieke economen vol lof
over de verdienste van de arbeid uit het verleden, welke volgens het Schotse genie McCulloch
zelfs een eigen beloning (rente, winst) ontvangen moet.
Het steeds groeiende gewicht van de in het levende arbeidsproces onder de vorm van
productiemiddelen meewerkende voorbije arbeid krijgt dus een van de arbeider zelf
vervreemde gedaante (zijn kapitaalgedaante), terwijl deze voorbije arbeid de voorbije en
onbetaalde arbeid van die arbeider is.
Hoe meer het kapitaal door middel van opeenvolgende accumulaties groeit, des te meer groeit
ook de waardesom die zich in een consumptiefonds en een accumulatiefonds splitst. De
kapitalist kan daarom vlotter leven en tegelijk zich meer 'ontzeggen'.
|