Het KapitaalKarl Marx en Otto Rühle1867
We hebben gezien hoe geld in kapitaal verandert, hoe door kapitaal meerwaarde en uit
meerwaarde meer kapitaal gevormd wordt. Intussen veronderstelt de accumulatie van kapitaal
de meerwaarde en meerwaarde de kapitalistische productie. Deze veronderstellen echter het
aanwezig zijn van grote hoeveelheden kapitaal en arbeidskracht in handen van
warenproducenten. Deze hele beweging schijnt dus ineen vicieuze cirkel rond te draaien, waar
we slechts uitkomen indien we veronderstellen dat aan de kapitalistische accumulatie een
'oorspronkelijke' accumulatie voorafgaat. Een accumulatie die niet het resultaat is van de
kapitalistische productiewijze maar zijn uitgangspunt.
Deze oorspronkelijke accumulatie speelt in de politieke economie ongeveer dezelfde rol als de
zondeval in de theologie. Adam beet in de appel en daarmee kwam de zonde over het
mensengeslacht. De oorsprong van de oorspronkelijke accumulatie wordt verklaard door deze
als een anekdote uit het verleden te vertellen. In een lang vervlogen tijd was er aan de ene kant
een vlijtige, intelligente en voor alles spaarzame elite en aan de andere kant luierende, vanalles-
en-nog-wat er door heen jagende schooiers.
De legende van de theologische zondeval vertelt ons tenminste hoe de mens gedoemd werd
zijn brood in het zweet zijns aanschijns te eten. De geschiedenis van de economische
zondeval onthult ons echter hoe het komt dat er mensen zijn voor wie dat helemaal niet nodig
is. Het maakt niet uit. Zo kwam het dat de eersten rijkdom accumuleerden en de laatsten
tenslotte niets te verkopen hadden dan hun eigen huid. En vanaf deze zondeval dateert de
armoede van de grote massa die altijd nog, ondanks alle arbeid, niets te verkopen heeft dan
zichzelf. En de rijkdom van de weinigen die voortdurend groeit, hoewel ze allang opgehouden
hebben te werken.
In de werkelijke geschiedenis spelen - zoals bekend - verovering, onderdrukking, roofmoord,
kortom geweld de grote rol. In de zachtaardige politieke economie heerst van oudsher de
idylle. Recht en 'arbeid' waren van oudsher het enige verrijkingsmiddel, natuurlijk steeds weer
met uitzondering van 'dit jaar'. In feite zijn de methoden van de oorspronkelijke accumulatie
allesbehalve idyllisch.
Geld en waar zijn niet van meet af kapitaal. Ze moeten in kapitaal veranderd worden. Twee
zeer verschillende soorten warenbezitters moeten tegenover elkaar staan en in contact treden.
Aan de ene kant eigenaars van geld, productie- en bestaansmiddelen, voor wie het erom gaat
de in hun bezit zijnde waardesom te vermeerderen (verwerten) door het kopen van vreemde
arbeidskracht. Aan de andere kant vrije arbeiders, verkopers van de eigen arbeidskracht en
daarom verkopers van arbeid. Vrije arbeiders in de dubbele betekenis, dat zij zelf noch tot het
productieproces behoren, zoals slaven en lijfeigenen, noch dat de productiemiddelen hun
toebehoren, zoals bij de zelfstandige boer, enz. Ze zijn daarvan veeleer vrij, los en ontbloot.
Het proces dat de kapitaalverhouding schept, kan dus niets anders zijn dan het proces dat de
arbeiders scheidt van het eigendom van zijn arbeidsvoorwaarden, een proces dat enerzijds de
maatschappelijke bestaans- en productiemiddelen in kapitaal verandert, anderzijds de directe
producenten in loonarbeiders.
De zogenaamde oorspronkelijke accumulatie is dus niets dan het historische scheidingsproces
van producent en productiemiddel. Het manifesteert zich als 'oorspronkelijk', omdat het de
voorgeschiedenis van het kapitaal en de daarmee corresponderende productiewijze vormt.
De economische structuur van de kapitalistische maatschappij is voortgekomen uit de
economische structuur van de feodale maatschappij. De ontbinding van de ene heeft de
elementen van de andere vrijgemaakt.
De directe producent, de arbeider, kon pas over zijn eigen persoon beschikken nadat hij
opgehouden had aan de grond gebonden te zijn en de lijfeigene of de horige van een ander te
zijn. Om vrije verkoper van arbeidskracht te worden, die zijn waar overal heenbrengt, waar hij
een markt vindt, moest hij verder aan de heerschappij van de gilden, hun leerlingen- en
gezellenbepalingen en belemmerende arbeidsvoorschriften ontsnapt zijn. Daardoor
manifesteert de historische beweging die de producenten in loonarbeiders verandert zich
enerzijds als hun bevrijding van dienstbaarheid en gildendwang - en deze kant bestaat slechts
voor onze burgerlijke geschiedschrijvers - anderzijds echter worden de juist bevrijden pas
verkopers van zichzelf nadat hun al hun productiemiddelen en alle door feodale instellingen
aan hun geboden garanties voor hun bestaan ontroofd zijn. En de geschiedenis van hun
onteigening is in de annalen van de mensheid geschreven met bloed en vuur.
De industriële kapitalisten, deze nieuwe potentaten, moeten van hun kant niet alleen de
ambachtsmeesters van de gilden verdringen, maar ook de feodale heren die de bronnen van de
rijkdom bezitten. Van die kant bezien is hun opkomst de bron van een zegenrijke strijd tegen
de feodale macht en zijn weerzinwekkende voorrechten, alsook een strijd tegen de gilden en
de ketens, waarin de gilden de vrije ontwikkeling van de productie en de vrije uitbuiting van
de mensen door de mensen geslagen hadden. De ridders van de industrie speelden het echter
slechts klaar om de ridders van de degen te verdringen, doordat ze gebeurtenissen uitbuitten
waaraan de laatsten volkomen onschuldig waren.
Het uitgangspunt van de ontwikkeling die zowel de loonarbeider als de kapitalist voortbrengt,
was knechtschap van de arbeider. De voortgang bestond in een vormverandering van dit
knechtschap, in de verandering van de feodale naar de kapitalistische uitbuiting. Om de gang
van zaken te begrijpen hoeven we niet ver terug te grijpen.
Hoewel wij het eerste begin van kapitalistische productie al in de 14e en 15e eeuw in enige
steden aan de Middellandse Zee sporadisch ontmoeten, dateert het kapitalistische tijdperk pas
van de 16e eeuw. Historische mijlpalen in de geschiedenis van de oorspronkelijke accumulatie
zijn alle omwentelingen, die de zich vormende kapitalistenklasse als hefboom dienen. Vóór
alles echter zijn het de momenten waarop grote mensenmassa's plotseling en met geweld van
hun bestaansmiddelen losgemaakt en als vogelvrije proletariërs op de arbeidsmarkt geslingerd
worden. De onteigening van grond en bodem van de producenten op het platteland, de boeren,
vormt de basis van het hele proces. De geschiedenis van deze onteigening heeft in
verschillende landen een verschillende kleur en doorloopt de verschillende fasen in
verschillende volgorde en in verschillende geschiedenisperioden. Alleen in Engeland bezit zij
de klassieke vorm.
Het voorspel van de omwenteling die de basis van de kapitalistische productiewijze schiep,
had plaats in de laatste 30 jaar van de 15e en de eerste decennia van de 16e eeuw. Een massa
vogelvrije proletariërs werd op de arbeidsmarkt gegooid door de opheffing van de feodale
gevolgen, die overal nutteloos huis en hof in beslag namen. Hoewel de koninklijke macht, zelf
een product van de burgerlijke ontwikkeling, in zijn streven naar absolute soevereiniteit de
opheffing van deze gevolgen met geweld bespoedigde, was deze macht niet de enige oorzaak.
Veeleer schiep de grote feodale heer, in koppig verzet tegen koningschap en parlement, een
onvergelijkelijk groter proletariaat door de gewelddadige verjaging van het boerendom van
grond en bodem, waarop ze dezelfde feodale rechtstitel bezat als hij zelf, en door de usurpatie
van hun gemeenschappelijke grond.
De directe aanleiding daartoe was in Engeland vooral het opbloeien van de Vlaamse wolmanufactuur
en het overeenkomstig stijgen van de wolprijzen. Verandering van bouwland en
schaapsweide was dus het parool.
Een nieuwe geweldige stoot kreeg het gewelddadige onteigeningsproces van de volksmassa's
in de 16e eeuw door de reformatie en als gevolg daarvan de kolossale diefstal van
kerkgoederen. De kerkgoederen werden grotendeels aan roofzuchtige koninklijke
gunstelingen cadeau gedaan of voor een spotprijs aan speculerende pachters en stedelingen
verkocht, die de oude erfelijke onderdanen in massa's verjoegen en hun bedrijven
samenvoegden. Het wettelijk gegarandeerde eigendom van verarmde landlieden van een deel
van de kerkelijke tienden werd stilzwijgend geconfisqueerd.
Het kerkelijke eigendom vormde het religieuze bolwerk van de traditionele
grondeigendomsverhoudingen. Met zijn val waren deze niet langer houdbaar.
Onder de restauratie van de Stuarts zetten de grondeigenaren langs wettelijke weg de
usurpatie door die zich overal op het vasteland ook zonder wettelijke omhaal voltrok. Ze
hieven de feodale regeling van de bodem op, d.w.z. ze ontdeden zich van hun verplichtingen
tegenover de staat, stelden de staat 'schadeloos' door belastingen op het boerendom en de
overige massa van het volk, eisten modern privaateigendom van goederen, waarop ze slechts
feodale rechten bezaten, en verordonneerden tenslotte de vestigingswetten (laws of
settlement) die, mutatis mutandis, op de Engelse landbouwers werkten zoals het Edict van de
Tartaar Boris Godunov op het Russische boerendom.
De 'Glorious Revolution' bracht met de Oranjevorst Willem III de winstmakers van het
grondbezit en het kapitaal aan de macht. Ze wijdden het nieuwe tijdperk in doordat ze de tot
dan toe slechts bescheiden bedreven diefstal van staatsdomeinen op kolossale schaal
uitoefenden. Deze landerijen werden tegen spotprijzen verkocht of wel door directe usurpatie
aan particuliere bezittingen toegevoegd. Dat gebeurde allemaal zonder in het minst acht te
slaan op wettelijke vormen.
Het zo frauduleus toegeëigende staatsgoed samen met de roof van kerkelijke goederen, voor
zover die tijdens de republikeinse revolutie niet afhandig gemaakt waren, vormt de basis voor
de huidige vorstelijke bezittingen van de Engelse oligarchie.
Het laatste grote onteigeningsproces van landbouwers van grond en bodem is het zogenaamde
Clearing of Estates (vrijmaken van de landgoederen, in feite verjaging van de mensen van
deze goederen). Alle tot nu toe beschouwde Engelse methoden culmineerden in de Clearing.
In Schotland werd het proces gekenmerkt door de grote schaal waarop het in één klap werd
voltrokken. In de 18e eeuw verbood men de van hun land verjaagde Gaelen (Kelten in
Schotland) te emigreren, om ze met geweld naar Glasgow en andere fabriekssteden te drijven.
Als voorbeeld van de in de 19e eeuw heersende methode kan men clearings aanhalen van de
Hertogin van Sutherland. Deze economische persoon besloot direct bij haar aanvaarding van
de regering tot een radicale economische ommezwaai door het gehele graafschap, waarvan het
aantal inwoners door vroegere soortgelijke processen reeds tot 15.000 gekrompen was, in
schaapsweiden te veranderen. Van 1814 tot 1820 werden deze 15.000 inwoners, ongeveer
3.000 gezinnen, systematisch verjaagd en uitgeroeid. Tenslotte werd een deel van de
schaapsweiden weer in jachtterrein veranderd.
De roof van de kerkgoederen, de frauduleuze vervreemding van staatsdomeinen, de diefstal
van gemeenschappelijke gronden, de wederrechtelijk en met een genadeloos terrorisme
voltrokken verandering van feodaal en clan eigendom in modern privaateigendom, waren
evenzoveel idyllische methoden van de oorspronkelijke accumulatie. Zij veroverden de grond
voor de kapitalistische landbouw, lijfden grond en bodem bij het kapitaal in en voorzagen de
stedelijke industrie van de nodige toevoer van vogelvrij proletariaat.
De door het ontbinden van de feodale stoet van bedienden en door staatsgewijze,
gewelddadige onteigening van grond en bodem verjaagden, dit vogelvrije proletariaat, kon
onmogelijk even snel door de opkomende manufactuur opgenomen worden, als het ter wereld
was gebracht.
Aan de andere kant konden de plotseling uit hun gewone levensloop verjaagde personen zich
ook niet meteen naar de discipline van de nieuwe toestand schikken. Ze veranderden massaal
in bedelaars, rovers, vagebonden. Deels vanuit hun aanleg, in de meeste gevallen door de
dwang der omstandigheden. Vandaar dat er aan het einde van de 15e eeuw en gedurende de
gehele 16e eeuw in geheel West-Europa een bloedwetgeving tegen landloperij kwam. De
wetgeving behandelde ze als 'vrijwillige' misdadigers en veronderstelde dat het van hun goede
wil afhing of zij bleven werken in de niet meer bestaande oude verhoudingen.
Zo werd het met geweld van grond en bodem onteigende, verjaagde en tot vagebonden
gemaakte landvolk door grotesk-terroristische wetten met behulp van geselen, brandmerken
en folteren tot een discipline gedwongen die noodzakelijk is voor het systeem van de
loonarbeid.
Het is niet genoeg dat de arbeidsvoorwaarden aan de ene pool als kapitaal optreden en aan de
andere pool als mensen, die niets meer te verkopen hebben dan hun eigen arbeidskracht. Het
is ook niet voldoende ze te dwingen zich vrijwillig te verkopen. In de loop van de
kapitalistische productie ontwikkelt zich een arbeidersklasse die door opvoeding, traditie en
gewoonte, de eisen van die productiewijze als vanzelfsprekende natuurwetten erkent. De
organisatie van het ontwikkelde kapitalistische productieproces breekt iedere weerstand, het
voortdurende ontstaan van een overbevolking houdt de wet van vraag en aanbod van arbeid
(en daarom het arbeidsloon) binnen de perken van de behoefte aan meerwaardeproductie
(Verwertungsbedürfnisse) van het kapitaal. De stomme dwang van de economische
verhoudingen bezegelt de heerschappij van de kapitalisten over de arbeiders. Nieteconomisch,
direct geweld wordt weliswaar altijd nog gebruikt, maar slechts bij uitzondering.
Voor de gewone gang van zaken kan de arbeider aan de 'natuurlijke wetten van de productie'
overgelaten worden, d.w.z. aan zijn uit de productievoorwaarden voortkomende, daardoor
gegarandeerde en vereeuwigde afhankelijkheid van het kapitaal.
De opkomende bourgeoisie heeft het staatsgeweld nodig en gebruikt het om het arbeidsloon te
'reguleren', d.w.z. binnen die perken te houden die gunstig zijn voor het maken van winst. Ze
gebruikt het tevens om de arbeidsdag te verlengen en de arbeider zelf in een normale orde van
afhankelijkheid te houden. Dit is een wezenlijk moment van de zogenaamde oorspronkelijke
accumulatie.
De klasse der loonarbeiders, die in de laatste helft van de 14e eeuw ontstond, vormde toen en
in de volgende eeuw maar een zeer klein deel van het volk dat in zijn positie sterk beschermd
was door het zelfstandige boerenbedrijf op het land en de gildenorganisatie in de stad. Op het
land en in de stad stonden meester en arbeider sociaal dicht bij elkaar. De onderschikking van
de arbeid aan het kapitaal was slechts formeel, d.w.z. de productiewijze zelf bezat nog geen
specifiek kapitalistisch karakter. De vraag naar loonarbeid groeide daarom met iedere
accumulatie van kapitaal sneller, terwijl het aanbod van loonarbeid slechts langzaam volgde.
Een groot deel van het nationale product, dat later in accumulatiefonds van het kapitaal
veranderde, ging toen nog in het consumptiefonds van de arbeiders op.
De wetgeving over de loonarbeid, van het begin af gericht op de uitbuiting van de arbeider en
in de verdere ontwikkeling de arbeider steeds vijandig gezind, begon in Engeland met het
Statute of Labourers van Edward III in het jaar 1349. Daarmee komt in Frankrijk de
Verordening van 1350 overeen, die in naam van koning Jan afgekondigd werd.
Op straffe van gevangenneming werd het verboden hogere dan de voorgeschreven lonen te
betalen. Maar de ontvanger van een hoger loon werd sterker bestraft dan de betaler ervan. Een
wet van 1360 verscherpte de straffen en machtigde de meester zelfs, door lichamelijke dwang,
arbeid tegen het wettelijke loontarief af te dwingen.
Het stichten van arbeidersverenigingen wordt van de 14e eeuw tot 1825, het jaar van de
afschaffing van de anti-coalitie-wet, als een zwaar misdrijf behandeld.
De barbaarse wetten tegen de vakorganisatie bezweken in 1825 onder de dreigende houding
van het proletariaat. Desondanks bezweken zij slechts ten dele. Enige mooie overblijfsels van
de oude wet verdwenen pas in 1859.
Direct in het begin van de storm van de revolutie waagde de Franse bourgeoisie het de
arbeiders het pas verworven recht van vereniging te ontnemen. Door het decreet van 14 juni
1791 verklaarde zij elke arbeidersvereniging voor een 'aanslag op de vrijheid en de verklaring
van de rechten van de mens', strafbaar met 500 livres naast het verlies van de actieve
burgerrechten voor een periode van een jaar.
Deze wet, die de concurrentiestrijd tussen kapitaal en arbeid met behulp van het staatsgezag
binnen de voor het kapitaal passende perken hield, overleefde revoluties en de val van
dynastieën. Zelfs het schrikbewind liet de wet onaangetast.
Waar komen de kapitalisten oorspronkelijk vandaan? Want de onteigening van de
plattelandsbevolking schept direct slechts grote grondeigenaren. Wat het ontstaan van de
pachters betreft, dat kunnen we zo te zeggen op de voet volgen omdat het een langzaam, zich
over vele eeuwen uitstrekkend proces is. In Engeland is de eerste vorm van de pachters, de
bailiff, die zelf nog lijfeigene is. Zijn positie lijkt op die van de Oudromeinse villious, maar
zijn werkterrein is beperkter. Gedurende de tweede helft van de 14e eeuw wordt hij vervangen
door een pachter, die door de landheer van zaad, vee en landbouwwerk voorzien wordt. Zijn
positie verschilt niet veel van die van de boer. Hij wordt spoedig deelpachter. Hij fourneert
een deel van het landbouwkapitaal, de landheer het andere deel. Zij verdelen samen het
totaalproduct in bij contract vastgestelde verhouding.
Deze vorm verdwijnt in Engeland snel, om plaats te maken voor de eigenlijke pachter die zijn
eigen kapitaal, door het gebruik van loonarbeiders, meerwaarde doet opbrengen (verwertet) en
een deel van het meerproduct in geld of in natura als grondrente aan de landheer betaalt.
Zolang gedurende de 15e eeuw de onafhankelijke boer en de landbouwknecht, die naast de
loondienst tegelijk zelf een bedrijf uitoefent, zichzelf door hun arbeid verrijken, blijven de
omstandigheden van de pachter en zijn productieterrein beide middelmatig. De agrarische
revolutie in de laatste 30 jaar van de 15e eeuw die bijna gedurende de gehele 16e eeuw (echter
met uitzondering van de laatste decennia) voortduurt, verrijkt hem even vlug als zij het
landvolk verarmt. De usurpatie van gemeenschappelijke weiden etc. stelt hem bijna zonder
kosten in staat tot grote vermeerdering van zijn veestapel, terwijl het vee hem rijkelijk mest
voor de bewerking van de bodem levert.
In de 16e eeuw komt daar nog een belangrijk moment bij. Toen waren de pachtcontracten
langlopend, dikwijls voor 99 jaar. De voortdurende daling van de waarde van de edele
metalen, en daarom van het geld, wierp de pachters gouden vruchten af. Ze veroorzaakte,
afgezien van alle hierboven vermelde omstandigheden, een daling van het arbeidsloon. Een
deel ervan werd tot pachtwinst. Door het voortdurende stijgen van de prijzen van graan, wol,
vlees, kortom alle landbouwproducten, groeide het geldkapitaal van de pachter zonder zijn
toedoen, terwijl de grondrente die hij te betalen had in verouderde geldswaarde was
overeengekomen. Zo verrijkte de pachter zich gelijktijdig op kosten van zijn loonarbeiders en
van zijn landheer. Geen wonder dus dat Engeland aan het einde van de 16e eeuw een klasse
van voor de toenmalige verhoudingen rijke kapitaalpachters bezat.
De onteigening en verjaging van een deel van de plattelandsbevolking maakt met de arbeiders
niet alleen hun levensmiddelen en hun arbeidsmateriaal voor het industriële kapitaal vrij, maar
schept bovendien de binnenlandse markt.
Voordien maakte en verwerkte het boerengezin de bestaansmiddelen en grondstoffen, die ze
daarna grotendeels zelf verbruikte. Deze bestaansmiddelen en grondstoffen zijn nu waren
geworden. De grote pachter verkoopt ze. In de manufactuur vindt hij een markt. Garen,
linnen, grove wollen stoffen, dingen waarvan de grondstoffen binnen het bereik van ieder
boerengezin waren en door hen voor zelfgebruik versponnen en verweven werden,
veranderden nu in manufactuurartikelen waarvan de afzetmarkt juist de plattelandsdistricten
vormen. De talrijke verstrooide klanten, daarvoor bediend door een aantal kleine, voor eigen
rekening werkende personen, concentreren zich nu tot een grote door het industriële kapitaal
verzorgde markt.
Zo gaat de vernietiging van de plattelandsindustrie als nevenbedrijf - het scheidingsproces van
manufactuur en landbouw - hand in hand met de onteigening van vroeger zelfstandige boeren
en het losscheuren van de productiemiddelen.
Het ontstaan van de industriële kapitalist vond niet op dezelfde geleidelijke wijze plaats als
dat van de pachters. Zonder twijfel veranderden vele kleine gildenmeesters en nog meer
zelfstandige kleine ambachtslieden maar ook loonarbeiders in kleine kapitalisten, en door
gestadig groter wordende uitbuiting van loonarbeid en daarmee overeenkomende accumulatie
in kapitalisten sans phrase (zonder meer).
Intussen beantwoordde de slakkengang van deze methode niet aan de handelsbehoeften van de
nieuwe wereldmarkt, die de grote ontdekkingen aan het einde van de 15e eeuw geschapen
hadden. Maar de Middeleeuwen hadden twee verschillende vormen van kapitaal nagelaten,
die in de meest verschillende economische maatschappijformaties tot rijping komen en voor
het tijdperk van de kapitalistische productiewijze als kapitaal quand même (hoe dan ook)
gelden - het woekerkapitaal en het koopmanskapitaal.
Het door woeker en handel gevormde geldkapitaal werd door de feodale instellingen op het
platteland en door de gilde instellingen in de steden gehinderd in zijn verandering in
industrieel kapitaal. De belemmeringen vielen weg met de ontbinding van de feodale adellijke
gevolgen, met de onteigening en gedeeltelijke verjaging van de plattelandsbevolking. De
nieuwe manufactuur werd in uitvoerhavens gesticht, of op punten van het platteland, buiten de
controle van het oude stadswezen en zijn gilde instellingen.
De ontdekking van de goud- en zilverlanden in Amerika, de uitroeiing, verslaving en het
begraven van de inheemse bevolking in de mijnen, de beginnende verovering en uitplundering
van Oost-Indië, de verandering van Afrika in een wildbaan voor de handelsjacht op
zwarthuiden, betekenen het morgenrood van het tijdperk van de kapitalistische productie.
Deze idyllische processen zijn hoofdmomenten van de oorspronkelijke accumulatie. Direct
daarop volgt de handelsoorlog tussen de Europese naties, met de aardbol als schouwtoneel.
Het begint met de afval van de Nederlanden van Spanje, neemt een reusachtige omvang aan in
de Engelse anti-Jacobijnse oorlog, werkt nog door in de opiumoorlogen tegen China, enz.
De verschillende momenten van de kapitalistische accumulatie verdelen zich nu, meer of
minder in tijdsvolgorde, vooral in Spanje, Portugal, Holland, Frankrijk, Engeland. In
Engeland worden ze aan het eind van de 17e eeuw systematisch samengevat in het koloniale
systeem, het staatsschulden systeem, modern belastingsysteem en het stelsel van protectie.
Deze methoden berusten ten dele op brutaal geweld, bv. het koloniale systeem. Allemaal
gebruiken ze echter de staatsmacht, het geconcentreerde en ongeorganiseerde geweld van de
maatschappij, om het veranderingsproces van de feodale in de kapitalistische productiewijze
kunstmatig te bevorderen en de overgang te verkorten. Het geweld is de vroedvrouw van
iedere oude maatschappij die van een nieuwe zwanger gaat. Het is zelf een economische
macht.
W. Howitt, een man die van het christendom een specialiteit maakt, zegt van het christelijke
koloniale systeem: 'De barbaarsheden en onmenselijke gruweldaden van het zogenaamde
christelijke ras in alle streken van de wereld en tegenover elk volk dat ze kunnen
onderwerpen, vinden hun weerga niet in enig tijdperk van de wereldgeschiedenis, bij welk ras
dan ook, ook al is het nog zo wild en onbeschaafd, onbarmhartig en schaamteloos.'
De geschiedenis van het Hollandse koloniale beheer - en Holland was de kapitalistische
modelnatie van de 17e eeuw - 'onthult een niet te overtreffen beeld van verraad, omkoping,
sluipmoord en gemeenheid. Niets is typerender dan hun systeem van mensendiefstal in
Celebes, om slaven voor Java te krijgen. De mensendieven werden voor dit doel afgericht. De
dief, de tolk en de verkoper waren de voornaamste agenten in deze handel, inheemse prinsen
de voornaamste verkopers. De gestolen jeugd werd in de geheime gevangenissen van Celebes
verborgen, tot ze rijp was voor verzending op de slavenschepen. Een officieel bericht zegt:
'Deze ene stad Makassar bijvoorbeeld is vol met geheime gevangenissen, de één nog
afschuwelijker dan de andere, volgepropt met ongelukkigen, slachtoffers van de hebzucht en
tirannie, in ketens geklonken, met geweld aan hun gezin onttrokken.'
Om zich van Malakka meester te maken kochten de Hollanders de Portugese gouverneur om.
Hij liet ze in 1641 de stad in. Ze snelden direct naar zijn huis en vermoordden hem, om van de
betaling van de omkoopsom van £ 21.875 af te komen. Waar ze hun voeten zetten volgde
verwoesting en ontvolking. Banjuwangi, een provincie van Java, telde in 1750 meer dan
80.000 inwoners, in 1811 nog slechts 8000. Dat is de doux commerce (liefelijke handel).
De Engelse Oost-Indische Compagnie kreeg, zoals bekend, behalve de particuliere
heerschappij in Oost-Indië, het uitsluitende monopolie zowel van de theehandel als van de
Chinese handel in het algemeen en van het goederentransport van en naar Europa. Maar de
kustscheepvaart van India en de scheepvaart tussen de eilanden, evenals de handel in het
binnenland van India, werden het monopolie van de hogere beambten van de compagnie. De
monopolies op zout, opium, betel en andere waren vormden onuitputtelijke bronnen van
rijkdom. De beambten zelf stelden de prijs vast en bestalen naar believen de ongelukkige
Hindoe. De Generaal-Gouverneur nam aan deze privé-handel deel. Grote vermogens schoten
in één dag als paddestoelen uit de grond. De oorspronkelijke accumulatie vond plaats zonder
dat een shilling werd voorgeschoten.
De behandeling van de inheemsen was natuurlijk het ergst in de koloniën die slechts voor
uitvoerhandel bestemd waren, zoals WestIndië, en in de aan roofmoord prijsgegeven rijke en
dichtbevolkte landen als Mexico en Oost-Indië.
Echter ook in de eigenlijke koloniën, verloochende het christelijke karakter van de
oorspronkelijke accumulatie zich niet. De nuchtere virtuozen van het protestantisme, de
puriteinen van Nieuw-Engeland, zetten in 1703 door besluiten van hun assemblee een premie
van £ 40 op iedere Indiaanse scalp en iedere gevangen roodhuid en in 1720 een premie van £
100 voor iedere scalp.
In 1744, nadat Massachussetts-Bay een bepaalde stam tot rebellen verklaard had, de volgende
prijzen: voor een mannelijke scalp van 12 jaar en daarboven £ 100 in de nieuwe munt, voor
mannelijke gevangenen £ 105, voor gevangen vrouwen en kinderen £ 50, voor scalpen van
vrouwen en kinderen £ 50.
Enkele decennia later wreekte dit koloniale systeem zich op de nakomelingen van de vrome
pelgrimsvaders. Ze werden op Engelse instigatie en betaling gedood met de tomahawk. Het
Britse parlement verklaarde bloedhonden en scalperen tot 'middelen, die door God en de
natuur zijn gegeven'.
Het koloniale systeem deed handel en scheepvaart als in een broeikas rijpen. De
'Gesellschaften Monopolia' (Luther) waren geweldige hefbomen voor de
kapitaalsconcentratie. De kolonie verzekerde aan de opschietende manufacturen een
afzetmarkt en een door marktmonopolie verveelvoudigde accumulatie. De buiten Europa
direct door plundering, verslaving en roofmoord buitgemaakte schat vloeide naar het
moederland terug en veranderde hier in kapitaal. In 1648 stond Holland, dat het koloniale
systeem het eerst volledig ontwikkelde, op het hoogtepunt van zijn handelsgrootte. De
Hollandse volksmassa's waren in 1648 al meer overarbeid, verarmder en brutaler onderdrukt
dan die van overig Europa bij elkaar.
Het systeem van het openbaar krediet, d.w.z. van de staatsschulden, waarvan we de oorsprong
reeds in de Middeleeuwen in Genua en Venetië ontdekken, nam tijdens de
manufactuurperiode bezit van geheel Europa. Het koloniale systeem met zijn zeehandel en
zijn handelsoorlogen dienden als broeikas ervoor. Dus kreeg het het eerst in Holland vaste
voet. De staatsschuld, d.w.z. de vervreemding van de staat - zij het despotisch, constitutioneel
of republikeins - drukt zijn stempel op het kapitalistische tijdperk. Het enige deel der zogenaamde
nationale rijkdom dat werkelijk het gemeenschappelijke bezit is van de moderne
volkeren, is hun staatsschuld. Vandaar geheel consequent de moderne leer, dat een volk des te
rijker wordt naarmate het dieper in de schuld steekt. Het openbaar krediet wordt het credo van
het kapitaal. En met het ontstaan van de schuldenlast van de staat treedt in de plaats van de
zonde tegen de heilige geest, waarvoor geen vergiffenis mogelijk is, de trouwbreuk tegenover
de staatsschuld.
De openbare schuld wordt een van de krachtigste hefbomen van de oorspronkelijke
accumulatie. Als aangeraakt door een toverstaf begiftigt hij het onproductieve geld met
voortplantingsvermogen en verandert het zo in kapitaal, zonder dat het genoodzaakt is zich
bloot te stellen aan de moeite en het gevaar dat verbonden is met een industriële belegging of
een belegging in woeker.
Met de staatsschuld ontstond een internationaal kredietstelsel, dat vaak een van de bronnen
van de oorspronkelijke accumulatie bij het een of ander volk verbergt. Zo vormen de
laagheden van het Venetiaanse roofstelsel een zodanige verborgen basis voor de rijkdom aan
kapitaal van Holland, die het in verval rakende Venetië grote geldsommen leende. En zo is het
ook tussen Holland en Engeland. Al in het begin van de 18e eeuw zijn de manufacturen van
Holland verre overvleugeld en heeft het opgehouden de heersende handels- en industrienatie
te zijn. Een van zijn voornaamste bezigheden van 1701-1776 wordt dus het uitlenen van
reusachtige kapitalen, speciaal aan zijn machtige concurrent Engeland. Hetzelfde geldt nu
tussen Engeland en de Verenigde Staten. Menig kapitaal dat vandaag zonder geboortebewijs
in de Verenigde Staten optreedt, bestaat uit gisteren in Engeland gekapitaliseerd kinderbloed.
Omdat de staatsschuld steunt op de staatsinkomsten, die de jaarlijkse rentebetalingen en
andere betalingen dekken moeten, wordt het moderne belastingsysteem een noodzakelijke
aanvulling van het systeem van nationale leningen. De leningen stellen de regering in staat
buitengewone uitgaven te bestrijden, zonder dat de belastingbetaler het direct voelt, maar ze
vereisen toch in het vervolg hogere belastingen. Deze hoge belastingen leidden tot
gewelddadige onteigening van de boeren, ambachtslieden, kortom alle bestanddelen van de
kleine middenklasse. De onteigenende werkzaamheid wordt nog versterkt door het
protectiestelsel.
Het protectiestelsel (naar het voorbeeld van Colbert) was een kunstmiddel om fabrikanten te
maken, onafhankelijke arbeiders te onteigenen, de nationale productie- en bestaansmiddelen
te kapitaliseren, de overgang uit de ouderwetse in de moderne productiewijze met geweld te
verkorten.
De Europese staten betwistten elkaar het patent van deze uitvinding en eens in dienst van de
winstkloppers, brandschatten ze voor dit doel niet slechts het eigen volk, indirect door
beschermende rechten, direct door uitvoerpremies, enz. Het oorspronkelijk kapitaal van de
industriëlen vloeit hier ten dele direct uit de staatsschat. Koloniaal stelsel, staatsschulden,
belastingdruk, protectie, handelsoorlogen enz., deze spruiten van de eigenlijke
manufactuurperiode groeien kolossaal gedurende de kindsheid van de grote industrie. De
geboorte van de laatste wordt gevierd door de grote kinderroof, Herodes waardig.
'Vele, vele duizenden van deze kleine, hulpeloze schepsels van 7 tot 13 of 14 jaar, werden
door de parochiale werkhuizen naar het Noorden gezonden. Het was de gewoonte dat de
meester (d.w.z. de kinderdief) zijn leerlingen kleedde, voedde en in een leerlingenhuis dicht
bij de fabriek onderbracht. Er werden opzichters aangenomen om op de arbeid toezicht te
houden. Het was in het belang van deze slavendrijver, de kinderen tot het uiterste af te
jakkeren, want hun betaling stond in verhouding tot de hoeveelheid producten die uit het kind
geperst konden worden. Wreedheden waren het natuurlijke gevolg... In veel fabrieksdistricten,
in het bijzonder Lancashire werden hartverscheurende wreedheden toegepast op deze
onschuldige schepsels, zonder vrienden, die aan de fabrieksheren waren toegewezen. Zij
werden door overmatige arbeid de dood in gejaagd… Zij werden afgeranseld, geketend en
gefolterd met het meest geperfectioneerde raffinement van wreedheid. Ze werden in veel
gevallen tot op de botten uitgehongerd, terwijl de zweep ze aan het werk hield... In enige
gevallen werden ze tot zelfmoord gedreven... De mooie en romantische dalen van Derbyshire,
Nottinghamshire en Lancashire werden, onttrokken aan het oog van het publiek, gruwelijke
woestijnen van kwelling en - vaak van moord!... De winsten van de fabrikanten waren enorm.
Dat stimuleerde slechts hun geeuwhonger. Ze begonnen met de praktijk van de nachtarbeid,
d.w.z. nadat ze een groep handen door het dagwerk verlamd hadden, hielden ze een andere
groep voor het nachtwerk gereed. De daggroep kroop in de bedden die de nachtgroep juist
verlaten had en omgekeerd. Het is een volksuitdrukking in Lancashire, dat de bedden nooit
afkoelden.'
Wanneer, volgens Augier, het geld 'met natuurlijke bloedvlekken op de ene wang ter wereld
komt' wordt het kapitaal geboren van hoofd tot voeten, uit alle poriën druipend van bloed en
vuil.
Waarop komt de oorspronkelijke accumulatie van het kapitaal, d.w.z. zijn historische
oorsprong, neer? Voor zover de accumulatie niet de directe verandering van slaven en
lijfeigenen in loonarbeiders, dus louter vormverandering is, betekent ze slechts de onteigening
van de directe producenten, d.w.z. de opheffing van het op eigen arbeid berustende
particuliere eigendom. De daarop berustende productiewijze veronderstelt versnippering van
de bodem en van de overige productiemiddelen. Evenals de concentratie van de
productiemiddelen, sluit deze productiewijze ook de coöperatie, de deling van de arbeid
binnen hetzelfde productieproces, maatschappelijke beheersing en regeling van de natuur en
vrije ontwikkeling van de maatschappelijke productiekrachten uit.
Op een bepaalde ontwikkelingshoogte brengt deze productiewijze de materiële middelen voor
zijn eigen vernietiging voort. Vanaf dit ogenblik komen de krachten en hartstochten in de
schoot van de maatschappij in beweging, die zich door deze maatschappij gebonden voelen.
Hij moet vernietigd worden, hij wordt vernietigd. Zijn vernietiging, de verandering van de
afzonderlijke en versnipperde productiemiddelen in maatschappelijk geconcentreerde
productiemiddelen, dus van het dwergachtige eigendom van velen in het massale eigendom
van weinigen - de onteigening van de grote volksmassa van grond, bodem, bestaansmiddelen
en arbeidsinstrumenten - deze vreselijke en moeilijke onteigening van de volksmassa's
vormen de voorgeschiedenis van het kapitaal. Zij omvat een reeks gewelddadige methoden,
waarvan we slechts de meest belangrijke als methoden van de oorspronkelijke accumulatie
van het kapitaal de revue lieten passeren. De onteigening van de directe producenten wordt
met een niets ontziend vandalisme en onder de drang van de meest infame, smerigste, kleinste
en gemeenste hartstochten volbracht. Het door eigen arbeid verworven, zo te zeggen op
vergroeiing van het enkele, onafhankelijke arbeidsindividu met zijn arbeidsvoorwaarden,
gebaseerde privaateigendom wordt verdrongen door het particuliere kapitalistische eigendom
dat op uitbuiting van vreemde, maar formeel vrije arbeid berust.
Zodra dit omwentelingsproces de oude maatschappij naar diepte en omvang voldoende
ontwricht heeft, zodra de arbeiders in proletariërs, hun arbeidsvoorwaarden in kapitaal
veranderd zijn, zodra de kapitalistische productiewijze op eigen benen staat, krijgt de verdere
vermaatschappelijking van de arbeid en de verdere verandering van de aarde en andere
productiemiddelen in maatschappelijke uitgebuite (dus gemeenschappelijke)
productiemiddelen en daarom de verdere onteigening van de particuliere eigenaars een nieuwe
vorm. Wat er nu te onteigenen valt is niet langer de voor zichzelf werkende arbeider, maar de
veel arbeiders uitbuitende kapitalist.
Deze onteigening voltrekt zich door het spel van de immanente wetten van de kapitalistische
productie zelf door de centralisatie van de kapitalen. Een enkele kapitalist slaat veel andere
kapitalisten dood. Hand in hand met deze centralisatie of de onteigening van vele kapitalisten
door enkele ontwikkelt zich de coöperatieve vorm van het arbeidsproces op steeds groeiende
schaal, de bewuste technische aanwending van de wetenschap, de planmatige uitbuiting van
de aarde, de verandering van arbeidsmiddelen in arbeidsmiddelen die slechts gemeenschappelijk
kunnen worden gebruikt, de besparing op alle productiemiddelen door hun
gebruik als productiemiddelen van gecombineerde, maatschappelijke arbeid, het verstrikt
raken van alle volkeren in het net van de wereldmarkt en daarmee het internationale karakter
van het kapitalistische stelsel. Met het voortdurend afnemend aantal kapitaalmagnaten die alle
voordelen van dit omwentelingsproces usurperen en monopoliseren, groeit de hoeveelheid
ellende, druk, knechtschap, ontaarding, uitbuiting maar ook de woede van de steeds aan-
zwellende en door het mechanisme van het kapitalistische productieproces zelf geschoolde,
verenigde en georganiseerde arbeidersklasse.
Het monopolie van het kapitaal wordt tot een keten voor de productiewijze die met hem en
door hem opgebloeid is. De centralisatie van de productiemiddelen en de
vermaatschappelijking van de arbeid bereiken een punt, waarop ze onverdraagbaar worden
met hun kapitalistische omhulsel. Dit omhulsel wordt verbrijzeld. Het laatste uur van het
kapitalistisch privaateigendom slaat. De onteigenaars worden onteigend.
De uit de kapitalistische productiewijze voortgekomen kapitalistische manier van toeeigening,
dus het kapitalistische particuliere eigendom, is de eerste negatie van het
individuele, op eigen arbeid berustende particuliere eigendom. Maar de kapitalistische
productie brengt met de noodzakelijkheid van een natuurproces zijn eigen negatie voort. Het
is negatie van de negatie. Dit herstelt niet weer het particuliere eigendom, wel echter het
individuele eigendom op basis van de verworvenheden van het kapitalistische tijdperk: de
coöperatie en het gemeenschappelijk bezit van de grond en de door de arbeid zelf
geproduceerde productiemiddelen.
Vroeger ging het om de onteigening van de volksmassa door enkele usurpatoren, nu gaat het
om de onteigening van enkele usurpatoren door de volksmassa.
|