Het KapitaalKarl Marx en Otto Rühle1867
De warencirculatie is het uitgangspunt van het kapitaal. Warenproductie en ontwikkelde
warencirculatie, handel, vormen de historische voorwaarden, waaronder het kapitaal ontstaan
kan. De wereldhandel en de wereldmarkt openen in de 16de eeuw de moderne geschiedenis
van het kapitaal.
Historisch plaatst het kapitaal zich overal in de eerste plaats tegenover het grondeigendom in
de vorm van geld, als geldvermogen, koopmanskapitaal en woekerkapitaal. (De tegenstelling
tussen de op persoonlijke knechtschap- en heerschappijverhoudingen berustende macht van
het grondeigendom en de onpersoonlijke macht van het geld is duidelijk onder woorden
gebracht in twee Franse spreekwoorden: 'Nulle terre sans seigneur' (geen land zonder heer) en
'L'argent n' a pas de maître.' (Geld heeft geen meester). ).
We behoeven echter niet terug te gaan tot de wordingsgeschiedenis van het kapitaal om te
onderkennen dat het geld zijn eerste verschijningsvorm is. Dezelfde geschiedenis speelt zich
dagelijks voor onze ogen af. Ieder nieuw kapitaal betreedt het toneel, d.w.z. de markt,
warenmarkt, arbeidsmarkt of geldmarkt, in eerste instantie altijd nog als geld. Geld dat zich
door een bepaald proces in kapitaal veranderen moet.
Geld als geld en geld als kapitaal onderscheiden zich aanvankelijk slechts door hun
verschillende circulatievorm.
De directe vorm van de warencirculatie is W-G-W, verandering van waar in geld en
terugverandering van geld in waar, verkopen om te kopen. Naast deze vorm vinden we echter
een tweede, die principieel van de eerste verschilt, de vorm G-W-G, verandering van geld in
waar en terugverandering van waar in geld, kopen om te verkopen. Geld, dat in zijn beweging
de laatste circulatie beschrijft, verandert zich in kapitaal, wordt kapitaal en is volgens zijn
bestemming al kapitaal. Laten we nu de circulatie G-W-G nader bekijken. Deze circulatie
doorloopt, net als de eenvoudige warencirculatie, twee tegengestelde fasen. In de eerste fase,
G-W, de koop, wordt het geld in waar veranderd. In de tweede fase, W-G, de verkoop, wordt
de waar terugveranderd in geld. Het resultaat, waarin het gehele proces te niet gaat, is ruil van
geld tegen geld, G-G.
Het circulatieproces G-W-G zou absurd en inhoudsloos zijn als men door middel van die
omweg dezelfde geldwaarde tegen dezelfde geldwaarde ruilen wou.
In de circulatie W-G-W wordt het geld tenslotte in een waar veranderd die als gebruikswaarde
dient. Het geld is dus definitief uitgegeven. De kringloop G-W-G gaat echter uit van het geld
en keert tenslotte tot het geld terug. Zijn drijfveer en doel is daarom de ruilwaarde zelf.
De ene geldsom kan men slechts door zijn grootte van de andere onderscheiden. Het proces
G-W-G ontleent zijn inhoud dus niet aan een kwalitatief verschil tussen zijn uiterste termen,
want die zijn beide geld, maar aan hun kwantitatief onderscheid.
Tenslotte wordt meer geld aan de circulatie onttrokken dan er eerst ingegooid werd. De
volledige vorm van dit proces is daarom G-W-G', waarin G'=G+.G, d.w.z. gelijk aan de
oorspronkelijk voorgeschoten geldsom plus een toeneming. Deze toeneming of dit overschot
boven de oorspronkelijke waarde noem ik - meerwaarde (surplus value). De oorspronkelijk
voorgeschoten waarde blijft dus niet alleen in de circulatie in stand, maar zij verandert in de
circulatie haar waardegrootte, voegt er een meerwaarde bij of wordt waarde (verwertet sich).
En deze beweging verandert haar in kapitaal.
De eenvoudige warencirculatie - verkopen om te kopen - dient als middel voor een buiten de
circulatie liggend einddoel, de toe-eigening van gebruikswaarden, de bevrediging van de
behoeften. De circulatie van het geld als kapitaal echter is een doel op zichzelf, want het tot
waarde maken (Verwertung) van de waarde vindt slechts binnen deze steeds hernieuwde
beweging plaats. De beweging van het kapitaal heeft daarom geen grenzen.
Als bewuste drager van deze beweging wordt de geldbezitter kapitalist. Zijn persoon, of beter
zijn zak, is het uitgangspunt en het punt waarheen het geld terugkeert. De objectieve inhoud
van deze circulatie - het tot waarde maken (Verwertung) van de waarde - is zijn subjectief
doel, en slechts inzover groeiende toe-eigening van de abstracte rijkdom de enige drijfveer
van zijn handelswijze is, functioneert hij als kapitalist of als gepersonificeerd, met een wil en
bewustzijn begiftigt kapitaal. De gebruikswaarde is dus nooit te beschouwen als het directe
doel van de kapitalist. Ook niet de enkele winst. Maar wel de onafgebroken beweging van het
winst maken. Deze volstrekte zucht tot verrijking, deze hartstochtelijke jacht op waarde heeft
de kapitalist met de schatvergaarder gemeen. Maar terwijl de schatvergaarder slechts een
dwaze kapitalist is, is de kapitalist een rationele schatvergaarder. De onvermoeide
vermeerdering van de waarde die de schatvergaarder nastreeft, als hij probeert het geld voor
de circulatie te 'redden', bereikt de verstandigere kapitalist door het steeds opnieuw aan de
circulatie prijs te geven.
De waarde wordt dus aangroeiende waarde, aangroeiend geld en als zodanig kapitaal. De
waarde komt voort uit de circulatie en gaat weer in de circulatie terug, houdt zich in de
circulatie in stand en verveelvoudigt zich erin, komt er vergroot uit terug en begint dezelfde
kringloop steeds weer opnieuw. G-G', geld dat geld oplevert - money which begets money - zo
luidt de beschrijving van het kapitaal bij monde van zijn eerste tolk, de mercantilist. Inderdaad
is dus G-W-G' de algemene vorm van het kapitaal, zoals het zich direct in de circulatiesfeer
manifesteert.
De waardeverandering van het geld, dat zich in kapitaal veranderen moet, kan niet in het geld
zelf plaatsvinden want als koopmiddel en als betalingsmiddel realiseert het alleen maar de
prijs van de waar, die het koopt of betaalt, terwijl het als het zijn eigen vorm handhaaft
verstart tot een fossiel met een gelijkblijvende waardegrootte. Evenmin kan de verandering uit
de tweede circulatiehelft, het weer verkopen van de waar, voortkomen want deze handeling
verandert de waar slechts uit zijn natuurlijke vorm terug in de geldvorm. De verandering kan
dus slechts voortkomen uit de gebruikswaarde van de waar als zodanig, dat wil zeggen uit zijn
verbruik. Om uit het verbruik van een waar waarde te halen, moest onze geldbezitter zo
gelukkig zijn in de circulatiesfeer, op de markt, een waar te ontdekken, waarvan de
gebruikswaarde zelf de hoedanigheid heeft, dat zij bron van waarde is, waarvan het feitelijke
verbruik dus zelf belichaming van arbeid is en daarom het scheppen van waarde. En de
geldbezitter vindt op de markt zo een bijzondere waar - het arbeidsvermogen of de
arbeidskracht.
Onder arbeidskracht of arbeidsvermogen verstaan we het geheel van de lichamelijke en
geestelijke bekwaamheden die in het lichaam, de levende persoon van een mens bestaan en
die hij gebruikt zo vaak hij de een of andere soort gebruikswaarde produceert.
Hij en de geldbezitter ontmoeten elkaar op de markt en treden in relatie met elkaar als
gelijkwaardige warenbezitters, die slechts daardoor verschillen dat de een koper en de ander
verkoper is, beiden dus juridisch gelijke personen zijn. Het voortduren van deze verhouding
vereist dat de eigenaar van de arbeidskracht deze steeds slechts voor een bepaalde tijd
verkoopt, want verkoopt hij zijn arbeidskracht met huid en haar eens en voor altijd, dan
verkoopt hij zichzelf, dan verandert hij van een vrij mens in een slaaf, van een warenbezitter
in een waar.
Als persoon moet hij zijn arbeidskracht steeds als zijn eigendom beschouwen en dus als zijn
eigen waar, en dat kan hij alleen maar, in zover hij de koper zijn arbeidskracht slechts
tijdelijk, voor een bepaalde tijdspanne gebruiken laat, dus door de vervreemding niet afstand
doet van zijn eigendom.
Wil de geldbezitter de arbeidskracht op de markt als waar aantreffen dan moet aan een tweede
wezenlijke voorwaarde voldaan zijn, namelijk dat de bezitter van die arbeidskracht in plaats
van dat hij waren kan verkopen, waarin zijn arbeid zich belichaamd heeft, integendeel zijn
arbeidskracht zelf die slechts in zijn levend lichaam bestaat, als waar te koop aanbieden moet.
Voor de verandering van geld in kapitaal moet de geldbezitter dus de vrije arbeider op de
warenmarkt aantreffen. Vrij in de dubbele betekenis, dat hij als vrij persoon zowel over zijn
arbeidskracht als zijn waar beschikt als dat hij aan de andere kant geen andere waren te
verkopen heeft, kortom dat hij vrij is van alle zaken die voor de verwezenlijking van zijn
arbeidskracht noodzakelijk zijn.
Deze bijzondere waar, de arbeidskracht, heeft zoals alle andere waren een waarde. Hoe wordt
die bepaald? De waarde van de arbeidskracht wordt, zoals de waarde van elke andere waar,
bepaald door de voor de productie, dus ook reproductie van dit specifieke artikel,
noodzakelijke arbeidstijd. In zover de arbeidskracht waarde is, vertegenwoordigt hij zelf
slechts een bepaalde hoeveelheid in hem belichaamde maatschappelijke doorsneearbeid. De
arbeidskracht bestaat slechts als vermogen van het levende individu. Zijn productie
vooronderstelt dus het bestaan van dit individu. Als men het bestaan van dit individu als
gegeven veronderstelt, bestaat de productie van de arbeidskracht in de eigen reproductie en
het onderhoud van het individu. Om zich in stand te houden heeft het individu een bepaalde
hoeveelheid bestaansmiddelen nodig. De voor de productie van de arbeidskracht
noodzakelijke arbeidstijd komt dus neer op de voor de productie van deze bestaansmiddelen
noodzakelijke arbeidstijd, of wel de waarde van de arbeidskracht is de waarde van de voor het
in stand houden van de bezitter noodzakelijke bestaansmiddelen. De hoeveelheid
bestaansmiddelen moet dus voldoende zijn om het arbeidende individu als arbeidend individu
in zijn normale levenstoestand in stand te houden. De natuurlijke behoeften zelf, zoals
voeding, kleding, verwarming, woning, enz. verschillen echter al naar gelang het klimaat en
andere natuurlijke eigenaardigheden van een land. Aan de andere kant is de omvang van de
zogenaamde noodzakelijke behoeften, evenals de wijze van hun bevrediging zelf een
historisch product en hangt daarom grotendeels af van de trap van beschaving van een land en
onder anderen ook wezenlijk daarvan af, onder welke voorwaarden en dus met welke
gewoonten en levenseisen de klasse van de vrije arbeiders zich gevormd heeft.
In tegenstelling tot de andere waren bevat dus de waardebepaling van de arbeidskracht een
historisch en zedelijk element. Maar voor een bepaald land en een bepaalde periode is de
gemiddelde hoeveelheid noodzakelijke bestaansmiddelen gegeven.
De bijzondere aard van de specifieke waar, de arbeidskracht, brengt mee dat met de afsluiting
van het contract tussen koper en verkoper zijn gebruikswaarde nog niet werkelijk in handen
van de koper is overgegaan. Zijn waarde was, zoals die van elke andere waar voor hij de
circulatie inging bepaald, want een bepaalde hoeveelheid maatschappelijke arbeid werd voor
de productie van de arbeidskracht uitgegeven, maar de gebruikswaarde bestaat pas in de latere
krachtsinspanning. De vervreemding van de arbeidskracht en zijn werkelijke uiting, dat wil
zeggen zijn bestaan als gebruikswaarde, vallen daarom in tijd uiteen. Bij zulke waren echter
waarbij de formele vervreemding van de gebruikswaarde door de verkoop en haar werkelijke
levering aan de koper in tijd uiteenvallen, functioneert het geld van de koper meestal als
betalingsmiddel. In alle landen met kapitalistische productiewijze wordt de arbeidskracht pas
betaald, nadat hij reeds gedurende de in het koopcontract vastgestelde termijn gefunctioneerd
heeft, d.w.z. aan het einde van de week. Overal schiet dus de arbeider de kapitalist de
gebruikswaarde van de arbeidskracht voor; hij laat de arbeidskracht door de koper
consumeren, voordat hij zijn prijs betaald krijgt, overal geeft de arbeider de kapitalist dus
krediet.
Het consumptieproces van de arbeidskracht is tegelijk het productieproces van waren en
meerwaarde. De consumptie van de arbeidskracht geschiedt, zoals de consumptie van elke
andere waar, buiten de markt of de circulatiesfeer, binnen de verborgen plaatsen van de
productie.
|