Het KapitaalKarl Marx en Otto Rühle1867
De som van de noodzakelijke arbeid en de meerarbeid, de tijdsspanne waarin de arbeider de
vervangingswaarde van zijn arbeidskracht en de meerwaarde produceert, vormt de absolute
grootte van zijn arbeidsdag (working day).
De arbeidsdag is geen constante maar een variabele grootheid. Een van zijn delen wordt
weliswaar bepaald door de arbeidstijd die nodig is voor de voortdurende reproductie van de
arbeider zelf, maar zijn totale grootte wisselt met de lengte of de duur van de meerarbeid. De
arbeidsdag is bijgevolg bepaalbaar, maar als zodanig onbepaald. De minimumgrens van de
arbeidsdag is echter niet bepaalbaar. Daarentegen heeft de arbeidsdag wel een maximumgrens.
Hij kan boven een bepaalde grens niet verlengd worden. Een mens kan gedurende 24 uur van
een natuurlijke dag slechts een bepaalde hoeveelheid levenskracht besteden. Gedurende een
gedeelte van de dag moet de kracht rusten en slapen. Gedurende een ander gedeelte moet de
mens andere lichamelijke behoeften bevredigen, zich voeden, reinigen, kleden enz. Buiten
deze zuiver lichamelijke grenzen stuit de verlenging van de arbeidsdag op morele grenzen. De
arbeider heeft tijd nodig voor de bevrediging van geestelijke en sociale behoeften, waarvan de
omvang en het aantal bepaald zijn door het algemene beschavingspeil. De variatie van de
arbeidsdag beweegt zich binnen lichamelijke en sociale grenzen. Beide grenzen zijn echter
van een zeer rekbare aard en geven de grootste speelruimte.
De kapitalist heeft de arbeidskracht tegen zijn dagwaarde gekocht. De gebruikswaarde van de
arbeidskracht behoort hem gedurende een arbeidsdag. Hij heeft dus het recht gekregen de
arbeider gedurende een dag voor zich te laten werken. Maar wat is een arbeidsdag? In ieder
geval minder dan een natuurlijke levensdag. Maar hoeveel minder? De kapitalist heeft zijn
eigen mening over deze Ultima Thule (uiterste grens), de noodzakelijke grens van de
arbeidsdag. Als kapitalist is hij slechts gepersonifieerd kapitaal. Zijn ziel is de ziel van het
kapitaal. Het kapitaal heeft echter maar één levensdrang: de drang zich in waarde te doen
toenemen (sich zu verwerten), meerwaarde te scheppen, de drang om met zijn constant deel,
met de productiemiddelen, de grootst mogelijke hoeveelheid meerarbeid op te zuigen.
Kapitaal is dode arbeid, die zoals een vampier, slechts tot leven komt door het opzuigen van
levende arbeid en des te meer leeft naarmate hij meer arbeid opzuigt. De tijd dat de arbeider
werkt, is de tijd waarin de kapitalist de door hem gekochte arbeidskracht consumeert. Als de
arbeider zijn beschikbare tijd voor zichzelf verbruikt besteelt hij de kapitalist. De kapitalist
beroept zich dus op de wet van de warenruil. Hij tracht evenals iedere andere koper het grootst
mogelijke nut uit de gebruikswaarde van zijn waar te slaan.
Plotseling verheft de stem van de arbeider zich echter:
'De waar die ik verkocht onderscheidt zich van het andere warengespuis daardoor dat zijn
gebruik waarde schept en wel grotere waarde dan hij zelf gekost heeft. Dat was de reden
waarom je hem kocht. Wat aan jouw kant zich als waardetoeneming (Verwertung) van het
kapitaal manifesteert, is aan mijn kant extra-besteding van arbeidskracht. Jij en ik, kennen op
het marktplein maar één wet, die van de warenruil. En de consumptie van de waar komt niet
toe aan de verkoper, die de waar vervreemdt, maar aan de koper die hem verwerft. Jou komt
dus het gebruik van mijn dagelijkse arbeidskracht toe. Maar door middel van zijn dagelijkse
verkoopsprijs moet ik hem dagelijks kunnen reproduceren en dus opnieuw kunnen verkopen.
Afgezien van de natuurlijke slijtage door ouderdom enz. moet ik in staat zijn morgen met
dezelfde normale staat van kracht, gezondheid en frisheid te werken als vandaag. Je predikt
mij voortdurend het evangelie van de 'spaarzaamheid' en de 'onthouding'. Ik wil als een
verstandige, spaarzame huisvader mijn enige vermogen, de arbeidskracht, beheren en mij
onthouden van elke dwaze verspilling ervan. Ik wil er dagelijks maar zoveel van liquide
maken, ervan in beweging, in arbeid omzetten als in overeenstemming is met zijn normale
duur en gezonde ontwikkeling. Door mateloze verlenging van de arbeidsdag kan je in één dag
een grotere hoeveelheid van mijn arbeidskracht liquide maken dan ik in drie dagen vervangen
kan. Wat jij zo aan arbeid wint, verlies ik aan arbeidssubstantie. Het gebruik van mijn
arbeidskracht en het plunderen van mijn arbeidskracht zijn twee geheel verschillende zaken.
Als de gemiddelde periode die een doorsnee arbeider bij een verstandige mate van arbeid
leven kan 30 jaar bedraagt, is de waarde van mijn arbeidskracht, die je mij van dag tot dag
betaalt
1 / (365 x 30) of 1 / 10950
van zijn totale waarde.
Als je die arbeidskracht echter in 10 jaar consumeert, dan betaal je me dagelijks 1/10950 in
plaats van 1/3650 van zijn totale waarde, dus maar 1/3 van zijn dagwaarde en je besteelt me
dus dagelijks voor 2/3 van de waarde van mijn waar.
Je betaalt me de arbeidskracht van één dag, terwijl je de arbeidskracht van drie dagen
verbruikt. Dat is in strijd met onze overeenkomst en de wet van de warenruil. Ik eis dus een
arbeidsdag van normale duur en ik eis dat zonder een beroep te doen op je gemoed, want bij
geldzaken houdt de gemoedelijkheid op. Je kan wel een modelburger zijn, misschien lid van
de vereniging voor dierenbescherming, en bovendien in de reuk van de heiligheid staan, maar
in de borst van de zaak die jij tegenover mij vertegenwoordigt slaat geen kloppend hart. Mijn
eigen hartslag schijnt daarin te slaan. Ik eis de normale arbeidsdag, omdat ik - evenals iedere
andere verkoper - de waarde van mijn waar opeis.'
Men ziet, afgezien van de zeer elastische grenzen, volgt uit de aard van de warenruil zelf geen
grens van de arbeidsdag, dus geen grens van de meerarbeid. De kapitalist houdt zijn recht als
koper staande, als hij de arbeidsdag zo lang mogelijk maakt en - waar mogelijk - van één
arbeidsdag er twee probeert te maken. Aan de andere kant stelt de specifieke aard van de
verkochte waar paal en perk aan de consumptie door de koper, en de arbeider houdt zijn recht
als verkoper staande als hij de arbeidsdag tot een bepaalde normale grootte beperken wil. Hier
is dus sprake van een antinomie (tegenstrijdigheid tussen twee wetten), recht tegen recht,
beide gelijkmatig door de wet van de warenruil bezegelt. Tussen gelijke rechten beslist het
geweld. En zo manifesteert de normalisering van de arbeidsdag zich in de geschiedenis van de
kapitalistische productie als strijd om de grenzen van de arbeidsdag - een strijd tussen de
gezamenlijke kapitalisten, d.w.z. de klasse van de kapitalisten en de gezamenlijke arbeiders of
de arbeidersklasse.
De meerarbeid is geen uitvinding van het kapitaal. Overal waar een deel van de maatschappij
het monopolie van de productiemiddelen bezit moet de arbeider, vrij of onvrij, aan de voor
zijn eigen onderhoud noodzakelijke arbeidstijd extra-arbeidstijd toevoegen om de bestaansmiddelen
voor de eigenaar van de productiemiddelen te produceren, ongeacht of deze eigenaar
nu een Atheens aristocraat, Etruskisch theocraat, civis romanus (Romeins burger),
Normandische baron, Amerikaanse slavenhouder, Walachyse bojaar, moderne landlord
(grootgrondbezitter) of kapitalist is. Intussen is het duidelijk dat wanneer in een economische
maatschappelijke orde niet de ruilwaarde maar de gebruikswaarde van de producten
prevaleert, de meerarbeid door een nauwere of ruimere grens van de behoeften beperkt is,
maar dat uit het karakter van de productie zelf geen onbegrensde behoefte aan meerarbeid
voortvloeit. In de oudheid blijkt dan ook de over-arbeid verschrikkelijk te zijn, als het er om
gaat de ruilwaarde in zijn zelfstandige geldgedaante, in de productie van goud en zilver te
winnen. Werken met geweld 'tot de dood toe' is hier de officiële vorm van de over-arbeid.
Zodra echter volkeren waarvan de productie zich nog op de lagere trappen van slavenarbeid
en herendienst enz. beweegt, worden getrokken binnen een door de kapitalistische
productiewijze beheerste wereldmarkt, die de verkoop van de producten van deze volkeren in
het buitenland tot het overheersende belang maakt, wordt de geciviliseerde gruwel van de
over-arbeid geënt op de barbaarse gruwel van de slavernij, lijfeigenschap, enz. Daarom
behield de negerarbeid in de zuidelijke staten van de Amerikaanse Unie een gematigd
patriarchaal karakter zolang de productie hoofdzakelijk op de directe eigen behoeften gericht
was. Naarmate echter de katoenexport een levensbelang van de staten werd, werd de
overmatige arbeid van de negers - hier en daar de consumptie van zijn leven in 7 arbeidsjaren
- een factor van een berekend en berekenend systeem. Het ging er niet meer om een bepaalde
hoeveelheid nuttige producten uit de arbeiders te slaan. Het ging om de productie van de
meerwaarde zelf. Niets is in dit opzicht typerender dan dat de arbeiders die de gehele dag
werken 'full-times', en de kinderen onder 13 jaar die maar 6 uur mogen werken, 'half-times'
worden genoemd. De arbeider is hier slechts de gepersonifieerde arbeidstijd. Alle individuele
verschillen lossen zich op in 'voltijders' en 'halftijders'.
Het constante kapitaal, de productiemiddelen, zijn vanuit het standpunt van het
meerwaardevormingsproces (Verwertungsprozess) beschouwd, slechts aanwezig om arbeid en
met iedere druppel arbeid een evenredige hoeveelheid meerarbeid op te zuigen. Voorzover de
productiemiddelen dat niet doen, vormt louter hun bestaan een negatief verlies voor de
kapitalisten, want ze vertegenwoordigen gedurende de tijd dat ze braakliggen een nutteloos
kapitaalvoorschot en dit verlies wordt positief zodra de onderbreking additionele voorschotten
nodig maakt om het werk opnieuw te beginnen. Het verlengen van de arbeidsdag boven de
grenzen van de natuurlijke dag in de nacht werkt slechts als een palliatief (lapmiddel), het lest
slechts enigszins de vampiersdorst naar levend arbeidsbloed. Het immanente instinct van de
kapitalistische productie is de toe-eigening van arbeid gedurende al de 24 uren van de dag.
Omdat het fysiek onmogelijk zou zijn dezelfde arbeidskrachten dag en nacht voortdurend uit
te zuigen is het, om de fysieke hindernissen te overwinnen, nodig de bij dag en nacht verslonden
arbeidskrachten af te wisselen. Deze afwisseling laat verschillende methodes toe. Ze kan
bv. zo geregeld zijn dat een deel van het arbeidspersoneel een week dagdienst en het andere
nachtdienst heeft enz.
'Wat is een arbeidsdag? ' Hoe groot is de tijd dat het kapitaal de arbeidskracht, waarvan het de
dagwaarde betaalt, consumeren mag? Hoever kan de arbeidsdag verlengd worden boven de
voor de reproductie van de arbeidskracht zelf noodzakelijke arbeidstijd? We hebben gezien
dat het kapitaal op deze vragen antwoordt: de arbeidsdag telt dagelijks de volle 24 uur na
aftrek van de weinige rusturen, zonder welke de arbeidskracht zijn hernieuwde dienst
volstrekt zou weigeren. Het spreekt vóór alles vanzelf dat de arbeider gedurende zijn gehele
leven slechts arbeidskracht is, dat dus al zijn beschikbare tijd van nature en van rechtswege
arbeidstijd is, dus de eigen meerwaardevorming (Selbstverwertung) van het kapitaal
toebehoort.
Tijd voor menselijke vorming, voor geestelijke ontwikkeling, voor het vervullen van sociale
functies, voor maatschappelijk verkeer, voor het vrije spel van de lichamelijke en geestelijke
levenskrachten, zelfs de rusttijd van de zondag - en dat in het land van de sabbatheiligen -
niets dan onzin! (In Engeland bv. wordt altijd nog hier en daar op het land een arbeider tot
gevangenisstraf veroordeeld wegens ontheiliging van de sabbat door arbeid in zijn tuintje voor
zijn huis. Dezelfde arbeider wordt wegens contractbreuk gestraft als hij 's zondags, zelfs als
het vanwege een religieuze gril is, van de metaal-, papier- of glasfabriek wegblijft).
Maar in zijn mateloze, blinde drang en zijn 'weerwolfs-geeuwhonger' naar meerarbeid, holt
het kapitaal niet alleen de morele, maar ook de zuiver fysieke maximale grenzen van de
arbeidsdag voorbij. Het kapitaal usurpeert (legt wederrechtelijk beslag op) de tijd voor de
groei, de ontwikkeling en de gezonde instandhouding van het lichaam. Het kapitaal rooft de
tijd die nodig is voor de consumptie van vrije lucht en zonneschijn. Het knaagt aan de
maaltijd en lijft die waar mogelijk bij het productieproces in, zodat de arbeider als louter
productiemiddel spijzen worden toegediend, zoals de stoommachine kolen en de machinerie
vet en olie krijgt. De gezonde slaap voor het verzamelen, het vernieuwen en de verfrissing van
de levenskracht reduceert het kapitaal op zoveel uur verdoving, als voor het weer tot leven
komen van een absoluut uitgeput organisme onontbeerlijk is. In plaats dat het normale
onderhoud van de arbeidskracht hier de grens van de arbeidsdag bepaalt, bepaalt omgekeerd
de grootst mogelijke dagelijkse besteding van arbeidskracht, hoe ziekelijk gewelddadig en
pijnlijk ook, de grens van de rusttijd van de arbeider. Het kapitaal vraagt niet meer naar de
levensduur van de arbeidskracht. Het kapitaal is enkel en alleen geïnteresseerd in het
maximum aan arbeidskracht dat in een arbeidsdag liquide gemaakt kan worden. Het bereikt
dit doel door verkorting van de duur van de arbeidskracht zoals een inhalige boer een
verhoogde opbrengst uit de bodem haalt door deze van zijn vruchtbaarheid te beroven.
De kapitalistische productie, die in wezen productie van meerwaarde, opzuiging van
meerarbeid is, produceert dus door de verlenging van de arbeidsdag niet alleen het
wegkwijnen van de menselijke arbeidskracht, die van zijn normale morele en fysieke
voorwaarden voor ontwikkeling en tewerkstelling beroofd wordt. De kapitalistische productie
produceert de voortijdige uitputting en het voortijdige afsterven van de arbeidskracht zelf. De
kapitalistische productie verlengt de productietijd van de arbeider gedurende een zekere
periode door verkorting van zijn levenstijd.
De waarde van de arbeidskracht omvat echter de waarde van de waren, die voor de
reproductie van de arbeider of voor de voortplanting van de arbeidersklasse vereist zijn. Als
dus de tegennatuurlijke verlenging van de arbeidstijd, die het kapitaal in zijn mateloze drang
naar eigen meerwaardevorming (Selbstverwertung) noodzakelijk nastreeft, de levensperiode
van de individuele arbeider en daarmee de duur van zijn arbeidskracht verkort, wordt een
snellere vervanging van het versletene nodig, dus bevat de reproductie van de arbeidskracht
grotere slijtagekosten, net zoals het waardedeel van een machine dat dagelijks gereproduceerd
moet worden groter is naarmate de machine sneller slijt. Het kapitaal schijnt dus door zijn
eigen belang op een normale arbeidsdag aangewezen te zijn.
Het kost eeuwen voor de 'vrije' arbeider tengevolge van de ontwikkelde kapitalistische
productiewijze zich er vrijwillig toe bereid verklaart, dat wil zeggen maatschappelijk
gedwongen, voor de prijs van zijn gebruikelijke bestaansmiddelen zijn gehele actieve
levenstijd, ja zijn geschiktheid tot werken, zelfs zijn eerstgeboorterecht voor een schotel
linzen te verkopen. Wat in de 19e eeuw in de staat Massachusetts, als wettelijke grens voor de
arbeid van kinderen onder de 12 jaar geproclameerd is, was in Engeland in het midden van de
17e eeuw nog de normale arbeidsdag voor krachtige handarbeiders, robuuste boerenknechten
en forse smeden.
De vaststelling van de normale arbeidsdag is het resultaat van een eeuwenlange strijd tussen
kapitalist en arbeider. De eerste 'Statute of Labourers' (Eduard III, 1349) ontstond onder het
directe voorwendsel (niet zijn oorzaak, want wetgeving van deze soort duurt nog eeuwen door
zonder het voorwendsel) van de grote pest die de bevolking decimeerde zodat, zoals een Toryschrijver
zegt, 'de moeilijkheid, arbeiders tegen een redelijke prijs' (d.w.z. tegen prijzen die de
gebruikers een redelijke hoeveelheid meerwaarde leveren) 'aan het werk te zetten, inderdaad
onverdraaglijk werd'. Redelijke lonen werden dus met wettelijke dwang gedicteerd, evenals de
grens van de arbeidsdag.
Nadat het kapitaal eeuwen nodig had gehad om de arbeidsdag tot zijn normale maximumgrens
en dan daar bovenuit, tot de grens van de natuurlijke dag van 12 uur te verlengen, volgde nu
sinds de geboorte van de grote industrie in de laatste 30 jaar van de 18e eeuw een
gewelddadige en mateloze overdrijving. Iedere grens van gewoonte en natuur, leeftijd en
geslacht, dag en nacht werd te buiten gegaan. Het kapitaal vierde zijn orgieën.
Zodra de arbeidersklasse, die door het lawaai van de productie om de tuin was geleid, weer
enigszins tot bezinning kwam, begon zij - het eerst in het geboorteland van de grote industrie,
Engeland - zich te verzetten. Gedurende 30 jaar bleven de door haar afgedwongen concessies
echter slechts theorie. Het parlement nam tussen 1802 en 1833 vijf arbeidswetten aan, maar
was zo slim geen cent uit te trekken om hun uitvoering af te dwingen en evenmin voor de
nodige ambtenaren. De wetten bleven een dode letter.
'Een feit is, dat voor de wet van 1833, kinderen en jonge mensen de hele nacht, de hele dag of
beide ad libitum (naar welgevallen) afgebeuld werden.'
Een normale arbeidsdag voor de moderne industrie bestaat pas sinds de fabriekswet van 1833,
die gold voor de katoen-, wol-, vlas- en zijdefabrieken. Niets karakteriseert de geest van het
kapitaal beter dan de geschiedenis van de Engelse fabriekswetgeving van 1833 tot 1864! De
wet van 1833 bepaalt dat de gewone arbeidsdag in de fabriek 's morgens half 6 moet beginnen
en 's avonds om half 9 moet eindigen en binnen deze grenzen - een tijdsduur van 15 uur - is
het volgens de wet geoorloofd jonge mensen (d.w.z. personen tussen 13 en 18 jaar)
onverschillig welk deel van de dag te gebruiken, altijd met dien verstande dat één en dezelfde
persoon niet langer dan 12 uur op een dag arbeidt, behalve in bepaalde met name genoemde
gevallen. De wetgevers waren zo weinig van plan de vrijheid van het kapitaal om de
volwassen arbeidskracht uit te zuigen, of zoals zij het noemden 'de vrijheid van de arbeid', aan
te tasten, dat zij een systeem uitbroedden dat geëigend was om zulke gevolgen - die iemand de
haren te berge doen rijzen - van de fabriekswet te voorkomen.
'Het grote euvel van het fabriekswezen zoals het tegenwoordig werkt', heet het in het eerste
rapport van de Centrale Raad van de Commissie van 25 juni 1833, 'heeft ons duidelijk
gemaakt dat het de noodzaak meebrengt de arbeid van kinderen te verlengen tot de uiterste
duur van die van de volwassenen. Het enige middel tegen dit euvel, buiten de begrenzing van
de arbeid voor volwassenen, wat volgens onze mening een groter euvel is, dan het euvel dat
we trachten te verhelpen, schijnt het plan te zijn om met dubbele groepen kinderen te werken.'
Dit 'plan' werd onder de naam 'System of Relays' (relay betekent zowel in het Frans als in het
Engels: het wisselen van de postpaarden op verschillende stopplaatsen) uitgevoerd.
Als beloning voor het feit dat de heren fabrikanten alle gedurende de laatste 22 jaar
afgekondigde wetten over kinderarbeid op de meest brutale wijze genegeerd hadden, werd de
pil nu voor ze verguld. Het parlement bepaalde dat na 1 maart 1834 geen kind onder de 11
jaar, na 1 maart 1835 geen kind onder de 12 jaar en na 1 maart 1836 geen kind onder de 13
jaar langer dan 8 uur in een fabriek werken mocht.
Hetzelfde 'verlichte' parlement, dat uit fijngevoeligheid voor de heren fabrikanten kinderen
onder de 13 jaar nog jarenlang in de hel van de 72-urige fabrieksarbeid per week vasthield,
verbood echter in de Emancipation Act, die ook al druppelsgewijs de vrijheid toediende, de
planters onmiddellijk een negerslaaf langer dan 45 uur per week te laten werken!
De jaren 1846/1847 openen een nieuw tijdperk in de economische geschiedenis van Engeland.
Herroeping van de graanwetten, de invoerrechten op katoen en andere grondstoffen worden
afgeschaft, de vrijhandel wordt tot leidraad van de wetgeving verklaard! Kortom het
duizendjarige rijk begon. Aan de andere kant bereikten in dezelfde jaren de
Chartistenbeweging en de agitatie voor de 10-urendag hun hoogtepunt.
De 10-urenwet trad op 1 mei 1848 in werking. Tot goed begrip moeten wij eraan herinneren
dat geen van de fabriekswetten van 1833, 1844 en 1847 de arbeidsdag van de mannelijke
arbeider boven 18 jaar beperkte en dat sinds 1833 de 15-urige periode van 's morgens half 6
tot 's avonds half 9 de wettelijke 'dag' bleef, waarbinnen eerst de 12, en later de 10-urige
arbeid van jonge mensen en vrouwen onder de voorgeschreven bepalingen verricht moest
worden.
De drang van het kapitaal naar mateloze niets ontziende verlenging van de arbeidsdag werd
het eerst bevredigd in de industrieën die door water, stoom en machinerie het eerst
revolutionair werden omgebogen naar moderne productiewijze: de katoen-, wol-, vlas-,
zijdespinnerijen en weverijen. De veranderde materiële productiewijze en de daarmee
corresponderende veranderde sociale verhoudingen van de producenten scheppen eerst de
mateloze buitensporigheid en roepen dan als tegenstelling de maatschappelijke controle in het
leven, die de arbeidsdag met zijn onderbrekingen wettelijk begrenst, regelt en uniformeert.
Deze controle verschijnt dus gedurende de eerste helft van de 19e eeuw louter als
uitzonderingswetgeving.
De geschiedenis van de regeling van de arbeidsdag in enige productietaken, terwijl in andere
de strijd voor deze regeling nog voortduurt, bewijst overtuigend dat de afzonderlijke arbeider,
de arbeider als 'vrije' verkoper van zijn arbeidskracht, op een bepaalde graad van ontwikkeling
van de kapitalistische productie weerloos het onderspit delft. Het tot stand brengen van een
normale arbeidsdag is dus het product van een langdurige, meer of minder bedekte
burgeroorlog tussen de kapitalistenklasse en de arbeidersklasse. De Engelse fabrieksarbeiders
waren niet alleen de voorvechters van de Engelse, maar algemeen van de moderne
arbeidersklasse, zoals ook hun theoretici de theorie van het kapitaal het eerst de handschoen
toewierpen (Robert Owen).
Frankrijk hinkt langzaam achter Engeland aan. De Februari-revolutie was nodig voor de
totstandkoming van de 12-urenwet, die veel gebrekkiger is dan zijn Engelse voorbeeld. Toch
heeft de Franse revolutionaire methode ook haar eigen goede kant.
In de Verenigde Staten bleef iedere zelfstandige arbeidersbeweging verlamd, zolang de
slavernij een deel van de republiek ontsierde. De arbeid in witte huid kan zich niet vrijmaken,
waar hij in zwarte huid gebrandmerkt wordt. Maar uit de dood van de slavernij ontsproot
direct een nieuw verjongd leven. De eerste vrucht van de burgeroorlog was de agitatie voor de
8-urendag, die zich met de 7-mijlslaarzen van een locomotief van de Atlantische tot aan de
Stille Oceaan verbreidde, van Nieuw-Engeland tot aan Californië.
Men moet toegeven dat onze arbeider anders uit het productieproces te voorschijn komt dan
hij erin ging. Op de markt kwam hij als bezitter van de waar 'arbeidskracht' tegenover andere
warenbezitters te staan, warenbezitter tegenover warenbezitter. De overeenkomst waardoor hij
zijn arbeidskracht aan de kapitalist verkocht, bewees zo te zeggen zwart op wit, dat hij vrij
over zichzelf beschikte. Nadat de handel gesloten is, wordt ontdekt dat hij geen 'vrije agent'
was, dat de tijd waarvoor het hem vrijstaat zijn arbeidskracht te verkopen, de tijd is waarvoor
hij gedwongen is deze te verkopen, dat in feite zijn uitzuiger hem niet loslaat 'zolang nog één
spieg, één pees, één druppel bloed uit te buiten valt'.
Ter 'bescherming' tegen de slang van hun kwellingen moeten arbeiders hun koppen bij elkaar
steken en als klasse een staatswet afdwingen, een overmachtige maatschappelijke hindernis,
die hen zelf verhindert zich en hun soort door een vrijwillige overeenkomst met het kapitaal in
dood en slavernij te verkopen. In plaats van de pronkerige catalogus van de 'onvervreemdbare
rechten van de mens' treedt de bescheiden Magna Charta van een wettelijk beperkte
arbeidsdag die 'eindelijk duidelijk maakt, wanneer de tijd die de arbeider verkoopt, eindigt en
wanneer de tijd die zichzelf toebehoort begint.' Quantum mutatus ab illo! (Hoe is hij
veranderd vergeleken bij wat hij vroeger was!)
|