Het KapitaalKarl Marx en Otto Rühle1867
In dit hoofdstuk wordt de waarde van de arbeidskracht, dus het voor de reproductie of
instandhouding van de arbeidskracht noodzakelijke deel van de arbeidsdag, als een gegeven
en constante grootheid verondersteld.
Dit vooropgesteld, is met de meerwaardevoet gelijk de hoeveelheid meerwaarde gegeven, die
de enkele arbeider in een bepaalde tijd aan de kapitalist levert. Bedraagt bv. de noodzakelijke
arbeid dagelijks 6 uur, uitgedrukt in een hoeveelheid goud van 3 shilling (= 1 daalder), dan is
die daalder de dagwaarde van een arbeidskracht of de bij de aankoop van een arbeidskracht
voorgeschoten kapitaalwaarde. Is verder de meerwaardevoet 100%, dan produceert dit
variabele kapitaal van 1 daalder een hoeveelheid meerwaarde van 1 daalder, of de arbeider
levert dagelijks een hoeveelheid meerarbeid van 6 uur. De hoeveelheid geproduceerde
meerwaarde is gelijk aan de grootte van het voorgeschoten variabele kapitaal vermenigvuldigd
met de meerwaardevoet of is bepaald door de samengestelde verhouding tussen het aantal
door dezelfde kapitalist gelijktijdig uitgebuite arbeidskrachten en de uitbuitingsgraad van de
enkele arbeidskracht. Voor de productie van een bepaalde hoeveelheid meerwaarde kan dus
de afneming van de ene factor door de toename van een andere opgevangen worden.
Vermindering van het variabele kapitaal kan dus gecompenseerd worden door evenredige
verhoging van de uitbuitingsgraad van de arbeidskracht of de afneming van het aantal
tewerkgestelde arbeiders door evenredige verlenging van de arbeidsdag. Binnen bepaalde
grenzen wordt de toevoer van arbeid die door het kapitaal uitgebuit kan worden dus
onafhankelijk van de toevoer van arbeiders.
Omgekeerd laat een daling van de meerwaardevoet de hoeveelheid geproduceerde
meerwaarde onveranderd als de grootte van het variabele kapitaal of het aantal aangewende
arbeiders evenredig stijgt.
Toch heeft de vervanging van het aantal arbeiders of de grootte van het variabele kapitaal door
een verhoogde meerwaardevoet of verlenging van de arbeidsdag onoverkomelijke grenzen. De
absolute grens van de gemiddelde arbeidsdag, die van nature altijd kleiner is dan 24 uur,
vormt een absolute grens voor de vervanging van het verminderde variabele kapitaal door een
verhoogde meerwaardevoet of van een verlaagd aantal uitgebuite arbeiders door een
verhoogde uitbuitingsgraad van de arbeidskracht.
Deze voor de hand liggende tweede wet is belangrijk voor de verklaring van veel
verschijnselen, die voortkomen uit de later te ontwikkelen tendens van het kapitaal om het
aantal tewerkgestelde arbeiders of zijn variabel in arbeidskracht omgezet bestanddeel, zoveel
als mogelijk te reduceren in tegenstelling tot zijn andere tendens, de grootst mogelijke
hoeveelheid meerwaarde te produceren. Omgekeerd zal de hoeveelheid geproduceerde
meerwaarde dalen als de hoeveelheid ingezette arbeidskrachten of de grootte van het variabele
kapitaal wel groeit, maar niet in verhouding tot de daling van de meerwaardevoet.
Een derde wet komt voort uit de bepaling van de hoeveelheid geproduceerde meerwaarde
door de twee factoren, meerwaardevoet en grootte van het voorgeschoten variabele kapitaal.
Als de meerwaardevoet of de uitbuitingsgraad van de arbeidskracht en de waarde van de
arbeidskracht of de grootte van de noodzakelijke arbeidstijd gegeven is, is het
vanzelfsprekend dat de hoeveelheid geproduceerde waarde en meerwaarde groter is
naargelang het variabele kapitaal groter is. Is de grens van de arbeidsdag gegeven en eveneens
de grens van het noodzakelijke bestanddeel van de arbeidsdag, dan hangt de hoeveelheid
waarde en meerwaarde die een afzonderlijke kapitalist produceert, kennelijk uitsluitend af van
de hoeveelheid arbeid die hij in beweging zet. Deze hangt onder de gegeven
veronderstellingen af van de hoeveelheid arbeidskracht of van het aantal arbeiders dat hij
uitbuit en dit aantal wordt weer bepaald door de grootte van het door hem voorgeschoten
variabele kapitaal. Bij een gegeven meerwaardevoet en een gegeven waarde van de
arbeidskracht verhouden de hoeveelheden geproduceerde meerwaarde zich dus recht
evenredig met de hoeveelheden van de voorgeschoten variabele kapitalen.
Nu weet men echter dat de kapitalist zijn kapitaal in twee delen verdeelt. Eén deel belegt hij in
productiemiddelen, dit is het constante deel van zijn kapitaal. Het andere deel zet hij in
levende arbeidskracht om, dit deel vormt zijn variabel kapitaal.
Hoe nu een gegeven kapitaal ook in een constant of variabel bestanddeel uiteenvalt, of het
laatste zich tot het eerste verhoudt als 1:2, als 1:10 of als 1:x, de zo-even opgestelde wet wordt
er niet door aangetast, omdat de waarde van het constante kapitaal weliswaar in de
productenwaarde weer tevoorschijn komt maar geen deel uitmaakt van het nieuw gevormde
waardeproduct.
De hierboven geconstateerde wet neemt dus de volgende vorm aan: de door verschillende
kapitalen geproduceerde hoeveelheden waarde en meerwaarde verhouden zich bij een gegeven
waarde en een even grote uitbuitingsgraad van de arbeidskracht recht evenredig met de
hoeveelheden van de variabele bestanddelen van deze kapitalen, d.w.z. hun in levende
arbeidskracht omgezette bestanddelen.
Deze wet is kennelijk in strijd met alle op waarneming gebaseerde ervaringen. Iedereen weet
dat een katoenspinner die - naar de procentdelen van het aangewende kapitaal berekend -
relatief veel constant kapitaal aanwendt, daarom geen kleinere winst of meerwaarde in de
wacht sleept dan een bakker, die relatief veel variabel kapitaal en weinig constant kapitaal in
beweging zet. Voor de oplossing van deze schijnbare tegenspraak zijn nog veel tussenschakels
vereist. (Zie het derde deel van Das Kapital)
Niet iedere willekeurige geld- of waardesom kan in kapitaal veranderd worden. Voor deze
verandering moet een bepaald minimum aan geld of ruilwaarde zich in handen van de
afzonderlijke geld- of warenbezitter bevinden.
Het minimum aan variabel kapitaal is de kostprijs van een enkele arbeidskracht, die het gehele
jaar, dag in dag uit, voor het verwerven van meerwaarde gebruikt wordt. Als deze arbeider in
het bezit van zijn eigen productiemiddelen was en als hij er genoegen mee zou nemen als
arbeider te leven, dan zou hij kunnen volstaan met de arbeidstijd, die noodzakelijk is voor de
reproductie van zijn bestaansmiddelen, laten we zeggen 8 uur per dag. Hij heeft dus ook maar
voor 8 uur productiemiddelen nodig. De kapitalist echter, die hem buiten deze 8 uur laten we
zeggen 4 uur meerarbeid laat verrichten, heeft een additionele geldsom nodig voor de
aanschaffing van de additionele productiemiddelen. Volgens onze veronderstellingen echter
moet hij al 2 arbeiders in dienst nemen om van de dagelijks door hem toegeëigende
meerwaarde als een arbeider te leven, d.w.z. om zijn noodzakelijke behoeften te kunnen
bevredigen. In dit geval zou alleen het levensonderhoud het doel van zijn productie zijn en
niet de vermeerdering van de rijkdom en dat laatste wordt verondersteld bij de kapitalistische
productie. Alleen al om dubbel zo goed als een gewone arbeider te leven en de helft van de
geproduceerde meerwaarde in kapitaal terug te veranderen moet hij tegelijk met het aantal
arbeiders het minimum voorgeschoten kapitaal verachtvoudigen. Weliswaar kan hij zelf,
evenals zijn arbeider, direct in het productieproces de handen uit de mouw steken, maar hij is
dan ook slechts een middending tussen kapitalist en arbeider, een 'kleine meester'. Een
bepaalde ontwikkelingsgraad van de kapitalistische productie vereist echter, dat de kapitalist
gedurende de gehele tijd, dat hij als kapitalist d.w.z. als gepersonifieerd kapitaal functioneert,
deze tijd voor de toe-eigening en dus de controle van vreemde arbeid en voor de verkoop van
de producten van deze arbeid gebruiken kan. De verandering van de ambachtelijke meesters in
kapitalisten probeerde het gildenwezen in de middeleeuwen met geweld te verhinderen door
het aantal arbeiders, dat door een afzonderlijke meester tewerk mocht worden gesteld, tot een
zeer laag minimum te beperken.
De geld- of warenbezitter verandert eerst werkelijk in een kapitalist wanneer het voor de
productie voorgeschoten minimum som ver boven het middeleeuwse maximum staat. Hier
wordt, evenals in de natuurwetenschap, de juistheid van de door Hegel in zijn Logik ontdekte
wet bevestigd, dat louter kwantitatieve veranderingen op een bepaald punt in kwalitatieve
verschillen omslaan.
De minimale waardesom, waarover de afzonderlijke geld- of warenbezitter beschikken moet,
om zich als een kapitalist te ontpoppen verandert op verschillende ontwikkelingstrappen van
de kapitalistische productie en is bij een gegeven ontwikkelingstrap in diverse productiesferen
verschillend, naargelang de bijzondere technische voorwaarden. Bepaalde productiesferen
vereisen al in het begin van de kapitalistische productie een minimum aan kapitaal dat zich
nog niet in handen van afzonderlijke individuen bevindt. Dit geeft deels aanleiding tot
staatssubsidies aan zulke particulieren (zoals in het Frankrijk van Colbert en zoals in menige
Duitse staat tot in de huidige tijd). Deels geeft het aanleiding tot de vorming van
maatschappijen met een wettelijk monopolie voor het uitoefenen van bepaalde industrie- en
handelstakken - de voorlopers van de moderne naamloze vennootschappen.
Binnen de grenzen van het productieproces verkreeg het kapitaal het commando over de
arbeid, d.w.z. over de actieve arbeidskracht of de arbeider zelf. Het gepersonifieerde kapitaal,
de kapitalist, past op dat de arbeider zijn werk naar behoren en met de gebruikelijke mate van
intensiteit verricht.
Het kapitaal ontwikkelt zich verder tot een dwangverhouding, die de arbeidersklasse dwingt
meer arbeid te verrichten dan de nauwe grens van zijn levensbehoeften voorschrijft. En als
producent van vreemde werkzaamheid, als uitzuiger van meerarbeid en uitbuiter van arbeidskracht
overtreft het kapitaal alle vroegere op directe dwangarbeid berustende
productiesystemen aan energie, mateloosheid en werkzaamheid.
Het is niet meer de arbeider, die de productiemiddelen gebruikt, maar het zijn de
productiemiddelen die de arbeider gebruiken. In plaats van het verbruiken van de
productiemiddelen door de arbeider, als stoffelijke elementen van zijn productieve
werkzaamheid, verbruiken de productiemiddelen de arbeider als gistmiddel in hun eigen
levensproces en het levensproces van het kapitaal bestaat slechts in zijn eigen beweging als
zichzelf vergrotende waarde (sich selbst verwertender Wert).
|