Staat en Revolutie

De leer van het marxisme over de staat en de taken van het proletariaat in de revolutie

Lenin

1917


Online geplaatst door het Lenin Internet Archive van de site www.marxists.org door Brian Droop/Brian Basgen.



Inhoud:

  • Voorwoord

  • Hoofdstuk I: Klassenmaatschappij en staat
    De staat — een produkt van de onverzoenlijkheid der klassentegenstellingen
    Bijzondere afdelingen van gewapenden, gevangenissen enz.
    De staat — een werktuig tot uitbuiting van de onderdrukte klasse
    Het ‘afsterven’ van de staat en de gewelddadige revolutie

  • Hoofdstuk II: De ervaringen van de jaren 1848-1851
    De vooravond van de revolutie
    De resultaten van de revolutie
    Hoe Marx de kwestie in 1852 stelde

  • Hoofdstuk III: De ervaring van de Commune van Parijs van 1871. De analyse door Marx
    Wat maakte de poging van de Communards zo heldhaftig?
    Waardoor moet de vernietigde staatsmachine vervangen worden?
    Het afschaffen van het parlementarisme
    Het organiseren van de eenheid der natie
    Het vernietigen van de parasitaire sta

  • Hoofdstuk IV: Vervolg. Aanvullende toelichtingen van Engels
    ‘Over het woningvraagstuk’
    De polemiek tegen de anarchisten
    Een brief aan Bebel
    De kritiek op het ontwerp van het program van Erfurt
    De inleiding van 1891 tot ‘De burgeroorlog in Frankrijk’ van Marx
    Engels over het te boven komen van de democratie

  • Hoofdstuk V: De economische grondslagen van het afsterven van de staat
    De manier waarop Marx de kwestie aan de orde stelt
    De overgang van het kapitalisme naar het communisme
    De eerste fase van de communistische maatschappij
    De hogere fase van de communistische maatschappij

  • Hoofdstuk VI: Het vervlakken van het marxisme door de opportunisten
    Plechanows polemiek tegen de anarchisten
    Kautsky’s polemiek tegen de opportunisten
    De polemiek van Kautsky tegen Pannekoek

  • Nawoord




    Voorwoord tot de eerste druk

    Het vraagstuk van de staat krijgt in onze dagen niet alleen in theoretisch, maar ook in praktisch politiek opzicht bijzondere betekenis. De imperialistische oorlog heeft het proces van de overgang van het monopolistische kapitalisme naar staatsmonopolistisch kapitalisme buitengewoon versneld en verscherpt. De monsterachtige knechting van de werkende massa’s door de staat, die al nauwer met de almachtige kapitalisten verbonden samensmelt, wordt steeds monsterachtiger. De vooraanstaande landen — we spreken van hun ‘achterland’— veranderen voor de arbeiders in militaire tuchthuizen.

    De ongehoorde gruwelen en ellende van de steeds maar voortdurende oorlog maken de toestand van de massa’s ondraaglijk en doen hun verbolgenheid stijgen. De internationale proletarische revolutie rijpt zienderogen. Het vraagstuk van haar verhouding tot de staat verkrijgt praktische betekenis.

    De elementen van het opportunisme, gedurende tientallen jaren van betrekkelijk vreedzame ontwikkeling opeengehoopt, hebben de in de officiële socialistische partijen van de gehele wereld heersende stroming van het sociaal-chauvinisme in het leven geroepen. Deze stroming (Plechanow, Potresow, Bresjkowskaja, Roebanowitsj, voorts in een lichtelijk verhulde vorm de heren Tsereteli, Tsjernow en Co. in Rusland; Scheidemann, Legien, David en anderen in Duitsland; Renaudel, Guesde, Vandervelde in Frankrijk en België; Hyndman en de Fabiërs in Engeland enz. enz.) --socialisme in woorden, chauvinisme metterdaad — wordt gekenmerkt door een laaghartige, lakeiachtige aanpassing van de ‘leiders van het socialisme’ aan de belangen niet alleen van ‘hun’ nationale bourgeoisie, maar in het bijzonder ook van ‘hun’ staat, want de meerderheid van de zogenaamde grote mogendheden buit al sinds lang een hele rij kleine en zwakke volken uit en knecht hen. De imperialistische oorlog is immers juist een oorlog om de verdeling en herverdeling van dit soort buit. De strijd voor de bevrijding van de werkende massa’s van de invloed der bourgeoisie in het algemeen en van de imperialistische bourgeoisie in het bij­zonder is onmogelijk zonder de strijd tegen de opportunistische vooroordelen met betrekking tot de ‘staat’.

    Wij zullen hier eerst de leer van Marx en Engels over de beschouwen en ons vooral en uitvoerig ophouden bij in vergetelheid geraakte of aan opportunistische verminking blootgesteld kanten van deze leer. Daarna zullen wij ons in het bijzonder bezighouden met de voornaamste vertegenwoordiger van deze verminkingen, Karl Kautsky, de bekendste leider van de Tweede Internationale (1889—1914) die gedurende deze oorlog zo jammerlijk bankroet is gegaan. Verder zullen wij de voornaamste resultaten samenvatten van de ervaringen van de Russische revolutie van 1905 en vooral die van 1917. Deze laatste sluit, naar het schijnt,, in deze dagen (begin augustus 1917) de eerste fase van haar ontwikkeling af; overigens echter kan heel deze revolutie slecht’ begrepen worden als een schakel in de keten van socialistische proletarische revoluties die door de imperialistische oorlog worden teweeggebracht. Het vraagstuk van de verhouding van de socialistische revolutie van het proletariaat tot de staat krijgt, op die manier niet alleen een praktisch politieke, maar ook een hoogst actuele betekenis als een vraagstuk van het uiteenzetten aan de massa’s wat zij in de nabije toekomst moeten doen voor bun bevrijding van het juk van het kapitaal.


    Augustus 1917. De schrijver



    Hoofdstuk I: Klassenmaatschappij en staat


    1. De staateen product van de onverzoenlijkheid der klassentegenstellingen

    Met de leer van Marx gebeurt nu hetzelfde wat in de geschiedenis meer dan eens is gebeurd met de leerstellingen van revolutionaire denkers en leiders van de onderdrukte klassen in hun strijd voor de bevrijding. De grote revolutionairen werden bij hun leven voortdurend vervolgd door de onderdrukkende klassen, die hun leer met de ruwste kwaadaardigheid, de woedendste haat en een teugelloze leugen- en lastercampagne bejegenden. Na hun dood worden pogingen gedaan hen in onschadelijke afgodsbeeldjes te veranderen, hen als het ware heilig te verklaren en hun naam een zekere wijding te verlenen tot ‘vertroosting’ van de onderdrukte klassen en om hen daarmee beet te nemen, terwijl hun revolutionaire leer van haar inhoud en van haar revolutionaire scherpte wordt ontdaan en wordt gevulgariseerd. Bij een dergelijke ‘bewerking’ van het marxisme ontmoeten elkaar thans de bourgeoisie en de opportunisten in de arbeidersbeweging. Zij vergeten, verdoezelen en verminken de revolutionaire kant van de leer, haar revolutionaire geest. Wat voor de bourgeoisie aanvaardbaar is of aanvaardbaar schijnt, wordt op de voorgrond geschoven en hemelhoog geprezen. Alle sociaal-chauvinisten zijn nu ‘marxisten’— lach niet! En steeds vaker spreken Duitse burgerlijke geleerden, wier specialisme gisteren nog het vernietigen van het marxisme was, over de ‘nationaal-Duitse’ Marx die de voor het voeren van de roofoorlog zo schitterend georganiseerde arbeidersbonden zou hebben opgevoed!

    Bij zulk een stand van zaken, nu de verminkingen van het marxisme zo’n enorme verbreiding hebben gevonden, is het in de eerste plaats onze taak de ware leer van Marx over de staat te herstellen. Daarvoor zal het nodig zijn uit de werken van Marx en Engels zelf een hele reeks van lange citaten aan te halen. Nu zullen lange citaten de uiteenzetting zeker zwaarwichtig maken en de gemakkelijke leesbaarheid geenszins bevorderen. Maar het is beslist onmogelijk het zonder deze citaten te stellen. Het is volstrekt noodzakelijk dat alle of althans de beslissende passages uit de werken van Marx en Engels die over de kwestie van de staat gaan zo volledig mogelijk worden aangehaald, opdat de lezer zich een zelfstandig oordeel kan vormen over het geheel der inzichten van de grondleggers van het wetenschappelijke socialisme en van de ontwikkeling van die inzichten, maar ook om de vervalsing van deze inzichten door het heden ten dage heersende ‘kautskyanisme’ aan de hand van documenten te bewijzen en aanschouwelijk te maken.

    Beginnen we met het meest verbreide werk van Fr. Engels, ‘De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van do staat’ dat in 1894 in Stuttgart reeds een zesde druk beleefde. Wij zullen de aanhalingen uit de oorspronkelijke Duitse tekst moeten vertalen, omdat de Russische vertalingen, hoe talrijk ze ook zijn, voor het merendeel mank gaan door gebrek aan volledigheid of juistheid.

    ‘De staat’, zegt Engels, zijn historische analyse samenvattend, ‘is dus volstrekt geen macht die de maatschappij van buiten is opgedrongen; evenmin is hij “de werkelijkheid van de zedelijke idee”, “het beeld en de werkelijkheid van de rede”, zoals Hegel beweert. De staat is veeleer een produkt van de maatschappij op een bepaalde trap van ontwikkeling; hij is de erkenning van de onoplosbare tegenspraak met zichzelf waarin deze maatschappij verward is geraakt, van de onverzoenlijke tegenstellingen waarin zij zich heeft gesplitst en die zij niet bij machte is te bezweren. Opdat echter deze tegenstellingen, klassen met tegenstrijdige economische belangen, zichzelf en de maatschappij niet in een vruchteloze strijd vernietigen, is een in schijn boven de maatschappij staande macht nodig geworden, die het conflict moet temperen, het binnen de perken van de “orde” moet houden; en deze macht, die uit de maatschappij is voortgekomen, maar zich boven haar stelt en meer en meer van haar vervreemdt, is de staat.’ (Blz. 177/178 van de zesde Duitse uitgave.)

    Hier is met alle klaarheid de fundamentele gedachte van het marxisme over het vraagstuk van de historische rol en de betekenis van de staat tot uitdrukking gebracht. De staat is het produkt en de uitdrukking van de onverzoenlijkheid van de klassentegenstellingen. De staat ontstaat daar, dan en in zoverre, waar, wanneer en in hoeverre de klassentegenstellingen objectief niet verzoend kunnen worden. En omgekeerd: het bestaan van de staat bewijst dat de klassentegenstellingen onverzoenlijk zijn.

    Juist bij dit uiterst belangrijke en de kern van de zaak rakende punt begint de vervalsing van het marxisme en wel voornamelijk in tweeërlei richting.

    Aan de ene kant plegen burgerlijke en in het bijzonder kleinburgerlijke ideologen, die onder de druk van onbetwistbare historische feiten gedwongen zijn te erkennen dat de staat alleen daar bestaat waar klassentegenstellingen en klassenstrijd zijn, Marx op een zodanige manier te ‘verbeteren’ dat de staat te voorschijn komt als een orgaan van de klassenverzoening. Volgens Marx kan de staat niet ontstaan noch bestaan, indien een verzoening van de klassen mogelijk is! Bij de kleinburgerlijke en filisterachtige professoren en publicisten heet het — waarbij zij veelal welwillend verwijzen naar Marx! — dat de staat juist de klassen verzoent. Volgens Marx is de staat een orgaan van de klasseheerschappij, een orgaan ter onderdrukking van de ene klasse door de andere, een schepping van de ‘orde’ die deze onderdrukking sanctioneert en bestendigt door het conflict van de klassen te temperen. Volgens de opvatting van de kleinburgerlijke politici betekent de orde juist de ver­zoening van de klassen en niet de onderdrukking van de ene klasse door de andere; het conflict temperen betekent verzoenen en niet dat het de onderdrukte klassen onmogelijk wordt gemaakt bepaalde middelen en methoden van de strijd ter omverwerping van de onderdrukkers te gebruiken.

    Tijdens de revolutie van 1917, toen het vraagstuk van de betekenis en van de rol van de staat in zijn volle omvang aan de orde kwam, in de praktijk als een vraagstuk van de onmiddellijke actie aan de orde kwam en wel van de massa-actie, zijn alle sociaal-revolutionairen en mensjewiki bij voorbeeld allen in één klap volledig afgezakt naar de kleinburgerlijke theorie van de ‘verzoening’ van de klassen door de ‘staat’. De talloze resoluties en artikelen van de politici van deze beide partijen zijn geheel en al doordrenkt met deze burgerlijke en filisterachtige theorie van de ‘verzoening’. Dat de staat het orgaan is ter overheersing van een bepaalde klasse die met haar antipode (de aan haar tegenovergestelde klasse) niet verzoend kan worden, vermag de kleinburgerlijke democratie nooit te begrijpen. De verhouding tot de staat is een van de meest in het oog springende bewijzen dat onze sociaal-revolutionairen en mensjewiki helemaal geen socialisten zijn (wat wij, bolsjewiki, altijd al hebben aangetoond), maar kleinburgerlijke democraten met een bijna-socialistische fraseologie.

    Aan de andere kant is de ‘kautskyaanse’ verdraaiing van het marxisme veel fijner. ‘Theoretisch’ wordt niet ontkend dat de staat een orgaan van de klasseheerschappij is, noch dat de klassentegenstellingen onverzoenlijk zijn. Maar het volgende wordt uit het oog verloren of verdoezeld: wanneer de staat het produkt is van de onverzoenlijkheid van de klassentegenstellingen, wanneer hij een macht is die boven de maatschappij staat en ‘zich meer en meer van haar vervreemdt ‘, dan is het duidelijk dat de bevrijding van de onderdrukte klasse niet alleen niet mogelijk is zonder gewelddadige revolutie, maar ook niet zonder vernietiging van het apparaat van de staatsmacht dat door de heersende klasse is geschapen en waarin deze ‘vervreemding’ is belichaamd. Deze conclusie, die theoretisch voor de hand ligt, heeft Marx — zoals wij verderop zullen zien — met volkomen beslistheid getrokken op grond van de concrete historische analyse van de taken van de revolutie. En juist deze conclusie heeft Kautsky — wij zullen dit uitvoerig in onze verdere uiteenzetting aantonen — ’vergeten’ en verdraaid.

    2. Bijzondere afdelingen van gewapenden, gevangenissen enz.

    ‘In vergelijking met de oude gensorganisatie’, vervolgt Engels, ‘kenmerkt zich de staat ten eerste door de indeling van de staatsburgers naar het gebied.’

    Deze indeling komt ons als ‘natuurlijk’ voor, hoewel ze een langdurige strijd tegen de oude organisatie volgens geslachten en stammen heeft geëist.

    ‘Het tweede kenmerk is de inrichting van een openbare macht, die niet meer onmiddellijk samenvalt met de zich als gewapende macht organiserende bevolking. Deze afzonderlijke openbare macht is nodig, omdat een zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking sinds de splitsing in klassen onmogelijk is geworden... Deze openbare macht bestaat in iedere staat; zij bestaat niet alleen uit gewapende mensen, maar ook uit zakelijk toebehoren — gevangenissen en allerlei dwanginrichtingen, waarvan de gensmaatschappij geen weet had.’

    Engels ontwikkelt dan het begrip van de ‘macht’ die men staat noemt, een macht die uit de maatschappij is ontstaan, maar die zich daarboven heeft gesteld en zich meer en meer daarvan vervreemdt. Waarin bestaat voornamelijk die macht? In bijzondere afdelingen van gewapenden die gevangenissen en dergelijke tot hun beschikking hebben.

    Wij hebben het recht van bijzondere afdelingen van gewapenden te spreken, omdat de aan iedere staat eigen openbare macht ‘niet meer onmiddellijk samenvalt’ met de gewapende bevolking, met haar ‘zelfstandig optredende gewapende organisatie’.

    Zoals alle grote revolutionaire denkers probeert Engels de aandacht van de klassebewuste arbeiders juist op datgene te richten wat volgens het heersende burgerdom geen enkele aandacht waard is, wat het als het meest gewone beschouwt, als iets dat niet alleen door vastgeroeste, maar men kan wel zeggen door versteende vooroordelen geheiligd is. Het staande leger en de politie zijn de voornaamste instrumenten voor de uitoefening van de staatsmacht, maar... kan het soms ook anders?

    Vanuit het standpunt van de ontzaglijke meerderheid van de Europeanen aan het einde van de 19de eeuw, tot wie Engels zich richtte en die niet één grote revolutie zelf hadden meegemaakt of van nabij gevolgd, kan het niet anders. Het is voor hen volkomen onbegrijpelijk wat een ‘zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking’ betekent. Op de vraag, waardoor bijzondere boven de maatschappij staande en zich daarvan vervreemdende afdelingen van ge wapenden nodig geworden zijn, is de Westeuropese en de Russische filister geneigd met een paar aan Spencer of Michailowski ontleende frasen te antwoorden en op het gecompliceerder worden van het openbare leven, op de differentiatie van de functies en dergelijke te wijzen.

    Zulk een verwijzing heeft de schijn van ‘wetenschappelijkheid’ en sust de kleinburger voortreffelijk in slaap, daar het belangrijkste, dat wat eraan ten grondslag ligt ermee verdoezeld wordt, namelijk de splitsing van de maatschappij in onverzoenlijk vijandige klassen.

    Bestond deze splitsing niet, dan zou de ‘zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking’ zich weliswaar door haar gecompliceerdheid en door het peil van haar techniek enz. onderscheiden van de primitieve organisatie van een troep met boomtakken gewapende apen of van de oermens of van de in een gensmaatschappij aaneengesloten mensen, maar zulk een organisatie zou mogelijk zijn.

    Zij is onmogelijk, omdat de beschaafde maatschappij verdeeld is in vijandige en bovendien onverzoenlijk vijandige klassen wier ‘zelfstandig optredende’ bewapening tot een onderlinge gewapende strijd zou leiden. Er ontstaat een staat, er wordt een bijzondere macht geschapen, er ontstaan bijzondere organisaties van gewapenden, en iedere revolutie die het staatsapparaat vernietigt toont ons duidelijk hoe de heersende klasse er naar streeft de haar dienende bijzondere afdelingen van gewapenden te vernieuwen en hoe de onderdrukte klasse er naar streeft een nieuwe soortgelijke organisatie te scheppen, geschikt om niet de uitbuiters maar de uitgebuiten te dienen.

    Engels stelt in de aangehaalde beschouwing theoretisch dezelfde vraag aan de orde die ons door iedere grote revolutie in de praktijk aanschouwelijk en naar de maatstaf van de massa-actie wordt gesteld, de vraag namelijk naar de verhouding tussen de ‘bijzondere’ afdelingen van gewapenden en de ‘zelfstandig optredende gewapende organisatie van de bevolking’. Wij zullen zien hoe deze vraag concreet wordt geïllustreerd door de ervaringen van de Europese en Russische revoluties.

    Maar keren wij tot de uiteenzetting van Engels terug.

    Hij wijst erop dat soms, bij voorbeeld hier en daar in Noord-Amerika, deze openbare macht zwak is (het gaat hier om een voor de kapitalistische maatschappij zeldzame uitzondering en om die delen van Noord-Amerika in zijn voor-imperialistische periode waar de vrije kolonist de overhand had), maar dat zij in het algemeen gesproken sterker wordt.

    ‘Zij’ (de openbare macht) ‘wordt echter sterker naar gelang de klassentegenstellingen binnen de staat zich verscherpen en de aan elkaar grenzende staten groter en dichter bevolkt worden — men zie slechts naar ons huidige Europa, waar klassenstrijd en veroveringsconcurrentie de openbare macht hebben opgeschroefd tot een hoogte, waarop zij.de gehele maatschappij en zelfs de staat dreigt te verslinden.’

    Dit is op zijn laatst in het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw geschreven. Het laatste voorwoord van Engels is gedateerd 16 juni 1891. Toen was de wending naar het imperialisme — zowel in de betekenis van de onbeperkte heerschappij van de trusts en van de almacht der grootste banken, als in de betekenis van een grootscheepse koloniale politiek — in Frankrijk nog maar pas begonnen, terwijl ze in Noord-Amerika en in Duitsland nog zwakker was. Sedertdien is de ‘veroveringsconcurrentie’ met reuzenschreden vooruitgegaan, vooral toen de aardbol in het begin van het tweede decennium van de 20ste eeuw definitief onder de ‘concurrerende veroveraars’, d.w.z. de roofzuchtige grote mogendheden, verdeeld was. De leger- en vlootbewapeningen namen sedert die tijd een ongehoorde omvang aan en de roofoorlog van 1914—1917 om de wereldheerschappij van Engeland of van Duitsland en om de verdeling van de buit heeft het ‘verslinden’ van alle krachten van de maatschappij door de roofzuchtige staatsmacht zodanig versterkt dat een volslagen katastrofe nabij is.

    Reeds in 1891 kon Engels op de ‘veroveringsconcurrentie’ wijzen als op een van de belangrijkste kenmerken van de buitenlandse politiek der grote mogendheden; maar in de jaren 1914—1917, nu deze met een veelvoud verscherpte concurrentie de imperialistische oorlog heeft voortgebracht, bemantelen de schoften van het sociaal-chauvinisme de verdediging van de roversbelangen van ‘hun’ bourgeoisie met frasen over ‘verdediging van het vaderland’ en over ‘bescherming van de republiek en van de revolutie’ enz.

    3. De staateen werktuig tot uitbuiting van de onderdrukte klasse

    Voor het in stand houden van een bijzondere boven de maatschappij staande openbare macht zijn belastingen en staatsschulden nodig.

    ‘De ambtenaren’, schrijft Engels, ‘die in het bezit zijn van de openbare macht en van het recht om belastingen te innen, staan nu als organen van de maatschappij boven de maatschappij. De vrije ongedwongen achting die de organen van de gensinrichting genoten is hun niet genoeg, zelfs indien zij die konden krijgen’ ...Er komen wetten over de heiligheid en de onschendbaarheid van de ambtenaren. ‘De meest onbehouwen politieagent in de beschaafde staat heeft meer “autoriteit” dan alle organen van de gensmaatschappij tezamen; maar de machtigste vorst en de grootste staatsman of veldheer van de beschavingsperiode kan het kleinste genshoofd benijden om de ongedwongen en onbestreden achting die deze geniet.’

    Hier wordt de kwestie opgeworpen van de bevoorrechte positie van de ambtenaren als organen van de staatsmacht. De kern daar­van is: Wat stelt hen boven de maatschappij? Wij zullen zien hoe de Commune van Parijs dit theoretische vraagstuk in 1871 praktisch poogde op te lossen en hoe Kautsky het in 1912 op reactionaire wijze verdoezelde.

    ‘Omdat de staat uit de behoefte is ontstaan de klassentegenstellingen in bedwang te houden; omdat hij echter tegelijk midden in het conflict van deze klassen is ontstaan, is hij in de regel de staat van de machtigste, economisch heersende klasse, die door zijn tussenkomst ook de politiek heersende klasse wordt en zo nieuwe middelen verwerft om de onder­drukte klasse er onder te houden en uit te buiten.’ Niet alleen de antieke en de feodale staat waren organen ter uitbuiting van de slaven en de lijfeigen en horige boeren, maar ook ‘de moderne parlementaire staat (is) een werktuig tot uitbuiting van de loonarbeid door het kapitaal. Bij uitzondering komen er evenwel perioden voor, waarin de strijdende klassen zo zeer met elkaar in evenwicht zijn, dat de staatsmacht voor korte duur als schijnbare bemiddelaarster een zekere zelfstandigheid tegenover beide krijgt.’ Bij voorbeeld de absolute monarchie van de 17de en 18de eeuw, het bonapartisme van het eerste en van het tweede keizerrijk in Frankrijk, en ook Bismarck in Duitsland.

    En, zo voegen wij hieraan toe, ook de regering-Kerenski in het republikeinse Rusland, nadat zij ertoe is overgegaan het revolutionaire proletariaat te vervolgen op een moment waarop de sowjets, als gevolg van de leiding der kleinburgerlijke democraten, reeds machteloos zijn en de bourgeoisie nog niet sterk genoeg is om ze eenvoudigweg uiteen te jagen.

    In de democratische republiek, vervolgt Engels, ‘oefent de rijkdom zijn macht indirect, maar des te zekerder uit’. Enerzijds in de vorm van ‘rechtstreekse corruptie van de ambtenaren’ waarvan Amerika het klassieke voorbeeld is, anderzijds in de vorm van ‘een verbond tussen de regering en de beurs’ (Frankrijk, Amerika).

    In de huidige tijd hebben het imperialisme en de heerschappij van de banken deze beide methoden, waarmee in alle democratische republieken, onverschillig welke, de almacht van de rijkdom beschermd en verwerkelijkt wordt, tot een buitengewone kunst ‘ontwikkeld’. Wanneer b.v. al in de eerste maanden van de democratische republiek in Rusland, als het ware in de wittebroodsweken van het huwelijk tussen de ‘socialisten’— de sociaal­revolutionairen en de mensjewiki — en de bourgeoisie, de heer Paltsjinski in de coalitieregering alle maatregelen saboteerde tot beteugeling van de kapitalisten en van hun roof zucht, van hun plundering van de staatskas via legerleveranties, wanneer daarna de uit het ministerie getreden heer Paltsjinski (die natuurlijk door een andere Paltsjinski van hetzelfde slag vervangen werd) door de kapitalisten ‘beloond’ werd met een baantje waaraan een inkomen van 120.000 roebel per jaar verbonden is — hoe moet men dit dan noemen? Rechtstreekse corruptie of niet-rechtstreekse? Een verbond tussen de regering en de syndicaten of ‘slechts’ vriendschappelijke betrekkingen? Welke rol spelen de Tsjernows, de Tsereteli’s, de Awksentjews en de Skobeljews? Zijn zij ‘rechtstreekse’ bondgenoten van de miljonairs die de staatskas plunderen of slechts indirecte?

    De almacht van de ‘rijkdom’ is in de democratische republiek veiliger, omdat hij niet afhankelijk is van een slecht politiek omhulsel van het kapitalisme. De democratische republiek is het best denkbare omhulsel van het kapitalisme en daarom grondvest het kapitaal, nadat het (via de Paltsjinski’s, de Tsjernows, de Tsereteli’s en Go.) van dit beste omhulsel bezit heeft genomen, zijn macht zo veilig en zeker dat geen enkele wisseling, noch van personen, noch van instellingen, noch van partijen van de burgerlijke democratische republiek deze macht kan schokken.

    Wij moeten nog opmerken dat Engels met uiterste beslistheid het algemene kiesrecht als een werktuig van de heerschappij der bourgeoisie bestempelt. Het algemene kiesrecht, zegt hij, blijkbaar met inachtneming van de ervaring van vele jaren der Duitse sociaal-democratie, is

    ‘de graadmeter voor de rijpheid van de arbeidersklasse. Meer kan en zal het in de tegenwoordige staat nooit zijn;...’

    De kleinburgerlijke democraten van het slag van onze sociaal­revolutionairen en mensjewiki en ook hun bloedsbroeders, alle sociaal-chauvinisten en opportunisten van West-Europa, verwachten juist ‘meer’ van het algemene kiesrecht. Zij delen de verkeerde opvatting en dringen die ook aan het volk op dat het algemene kiesrecht ‘in de huidige staat’ bij machte zou zijn de wil van de meerderheid van het werkende volk tot uitdrukking te brengen en de uitoefening ervan te verzekeren.

    Wij kunnen hier deze verkeerde opvatting slechts aanstippen en er slechts op wijzen dat de volkomen duidelijke, nauwkeurige, concrete uitspraak van Engels in de propaganda en agitatie van de ‘officiële’ (d.w.z. opportunistische) socialistische partijen onophoudelijk vervalst wordt. Hoe volstrekt verkeerd deze opvatting is die hier door Engels wordt verworpen, zal in onze verdere uiteenzettingen van de opvattingen van Marx en Engels omtrent de ‘huidige’ staat uitvoerig worden aangetoond.

    Engels vat zijn opvattingen in zijn populairste geschrift in de volgende woorden samen:

    ‘De staat is dus niet van alle eeuwigheid. Er zijn maatschappijen geweest die het zonder hem klaarspeelden, die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalde trap van de economische ontwikkeling, die noodzakelijk met de splitsing van de maatschappij in klassen verbonden was, werd door deze splitsing de staat nodig. Wij naderen thans met rasse schreden een trap van ontwikkeling van de produktie, waarop het bestaan van deze klassen niet alleen opgehouden heeft noodzakelijk te zijn, maar ook een directe belemmering voor de produktie wordt. Even onvermijdelijk als zij vroeger zijn ontstaan zullen zij ten onder gaan. Met hen valt onvermijdelijk de staat. De maatschappij, die de produktie op grondslag van vrije en gelijke associatie van de producenten opnieuw organiseert, zal de hele staatsmachinerie een plaats inruimen die haar dan zal toekomen: in het museum van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.’

    Dit citaat ontmoet men niet dikwijls in de propaganda- en agitatieliteratuur van de huidige sociaal-democratie. Maar zelfs wanneer het voorkomt wordt het in de regel zo gebruikt alsof men een soort buiging voor een heiligenbeeld maakt, d.w.z. als officiële uitdrukking van hoogachting voor Engels, zonder ook maar een poging te doen zich in te denken wat dit ‘plaats inruimen van de hele staatsmachinerie in het museum van oudheden’ inhoudt aan verstrekkende en ingrijpende krachtsontplooiing van de revolutie. Meestal vindt men zelfs geen begrip voor datgene wat Engels staatsmachinerie noemt.

    4. Het ‘afsterven’ van de staat en de gewelddadige revolutie

    De woorden van Engels over het ‘afsterven’ van de staat zijn zo bekend, worden zo dikwijls aangehaald, tonen zo plastisch de kwintessens van de meest voorkomende vervalsing van het marxisme in de richting van het opportunisme, dat het nodig is ons uitvoerig daarmee bezig te houden. Wij halen hier de gehele beschouwing, waaraan zij ontleend zijn, aan:

    ‘Het proletariaat maakt zich meester van de staatsmacht en maakt van de produktiemiddelen allereerst staatseigendom. Maar daarmee heft het zichzelf als proletariaat op en ook alle klasseverschillen en klassentegenstellingen, en daarmee ook de staat als staat. De tot dusver bestaande, in klassentegenstellingen zich bewegende maatschappij had de staat nodig, d.w.z. een organisatie van de respectieve uitbuitende klasse voor de instandhouding van haar uiterlijke produktievoorwaarden, dus met name voor het met geweld vasthouden van de uitgebuite klasse onder voorwaarden van onderdrukking, zoals die door de bestaande produktiewijze zijn gegeven (slavernij, lijfeigenschap of horigheid, loonarbeid). De staat was de officiële vertegenwoordiger van de gehele maatschappij, haar samenvatting in een zichtbare instelling, maar hij was dit slechts voor zover hij de staat was van de klasse die zelf in haar tijd de gehele maatschappij vertegenwoordigde: in de Oudheid de staat van de slavenhoudende staatsburgers, in de Middeleeuwen van de feodale adel, in onze tijd van de bourgeoisie. Doordat hij eindelijk werkelijk vertegenwoordiger van de gehele maatschappij wordt, maakt hij zichzelf overbodig. Zodra er geen maatschappelijke klasse meer onderdrukt behoeft te worden, zodra met de klassenheerschappij en de strijd om het individuele bestaan, die op de tot dusver bestaande anarchie in de produktie berustte, ook de daaruit voortvloeiende botsingen en buitensporigheden zijn opgeruimd, valt er niets meer te onderdrukken dat een bijzondere onderdrukkingsmacht, een staat, nodig zou maken. De eerste daad waarbij de staat werkelijk als vertegenwoordiger van de gehele maatschappij optreedt — de inbezitneming van de produktiemiddelen in naam van de maatschappij — is tegelijkertijd zijn laatste zelfstandige daad als staat. Het ingrij­pen van een staatsmacht in maatschappelijke verhoudingen wordt op het ene gebied na het andere overbodig en slaapt dan vanzelf in. In plaats van de regering over personen komt het beheer over zaken en het leiden van produktieprocessen. De staat wordt niet ‘afgeschaft’, hij sterft af. Hiernaar kan men de frase over de ‘vrije volksstaat’ beoordelen, dus zowel wat betreft haar tijdelijke agitatorische gerechtvaardigdheid, als wat betreft haar uiteindelijke ontoereikendheid voor de wetenschap; eveneens de eis van de zogenaamde anarchisten dat de staat van vandaag op morgen moet worden afgeschaft.’ (‘Anti-Dühring’, ‘De heer Eugen Dührings omwenteling in de wetenschap’, derde Duitse druk, blz. 301—303.)

    Men loopt geenszins gevaar zich te vergissen wanneer men zegt dat van deze aan gedachten zo uitermate rijke uiteenzetting van Engels slechts dit ene werkelijk gemeengoed van het socialistische denken in de moderne socialistische partijen is geworden, dat volgens Marx de staat ‘afsterft’, in tegenstelling tot de anarchistische leer van het ‘afschaffen’ van de staat. Het marxisme op die wijze besnoeien betekent het tot opportunisme neerhalen, want bij een dergelijke ‘uitlegging’ blijft alleen nog maar een vage voorstelling over van een langzame, gelijkmatige, geleidelijke verandering, zonder sprongen en stormen, zonder revolutie. Het ‘afsterven’ van de staat in de gangbare, algemeen verbreide en, als men het zo noemen mag, door de massa’s aanvaarde zin betekent ongetwijfeld een verdoezeling, zo niet een ontkenning van de revolutie.

    Intussen is een dergelijke ‘uitlegging’ de meest grove, slechts voor de bourgeoisie voordelige verminking van het marxisme, die theoretisch steunt op het verwaarlozen van de belangrijkste omstandigheden en overwegingen, zoals ze bij voorbeeld al in deze door ons volledig geciteerde ‘samenvattende’ beschouwing van Engels uiteengezet zijn.

    Ten eerste. Heel in het begin van deze beschouwing zegt Engels, dat het proletariaat door de staatsmacht te grijpen ‘de staat als staat opheft’. Het is ‘geen gewoonte’ erover na te denken wat dit betekent. Gewoonlijk wordt dit geheel en al genegeerd of voor een soort ‘hegeliaanse zwakheid’ van Engels aangezien. In werkelijkheid is in deze woorden kort en bondig de ervaring uitgedrukt van een der grootste proletarische revoluties, de ervaring van de Commune van Parijs in 1871, waarop wij later nog uitvoeriger zullen terugkomen. Inderdaad spreekt Engels hier over het ‘ophef­fen’ van de staat van de bourgeoisie door de proletarische revolutie, terwijl de woorden over het afsterven betrekking hebben op de overblijfselen van het proletarische staatsbestel na de socialistische revolutie. De burgerlijke staat ‘sterft’ niet ‘af’, volgens Engels, maar wordt door het proletariaat in de revolutie ‘opgeheven’. Na deze revolutie sterft de proletarische staat of halfstaat af.

    Ten tweede. De staat is een ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’. Deze schitterende en uitermate diepzinnige definitie zet Engels hier volkomen duidelijk en ondubbelzinnig uiteen. Maar daaruit volgt dat de ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ van de bourgeoisie tegen het proletariaat, van een handvol rijke mensen tegen de miljoenen werkende mensen, vervangen moet worden door een ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ van het proletariaat tegen de bourgeoisie (de diktatuur van het proletariaat). Dit is juist het wezen van de ‘opheffing van de staat als staat’. Dit is juist de ‘handeling’ van het in bezit nemen van de produktiemiddelen in naam van de maatschappij. En het is zonder meer duidelijk dat zulk een aflossing van de ene (burgerlijke) ‘bijzondere onder­drukkingsmacht’ door de andere (proletarische) ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ onder geen enkele voorwaarde langs de weg van het ‘afsterven’ kan plaats hebben.

    Ten derde. Over het ‘afsterven’ en nog plastischer en kleuriger over het ‘inslapen’ spreekt Engels volkomen duidelijk en ondubbelzinnig met betrekking tot het tijdperk na de ‘inbezitneming van de produktiemiddelen (door de staat) in naam van de gehele maatschappij’, d.w.z. na de socialistische revolutie. Wij allen weten dat de politieke vorm van de ‘staat’ in deze tijd de meest volledige democratie is. Maar bij geen van de opportunisten die zo onbeschaamd het marxisme vervalsen komt de gedachte op dat het hier bij Engels dus over het ‘inslapen’ en ‘afsterven’ van de democratie gaat. Op het eerste gezicht mag dat erg vreemd lijken. Maar ‘onbegrijpelijk’ blijft het alleen voor hem die er niet over heeft nagedacht dat de democratie ook een staat is en dat bijgevolg ook de democratie zal verdwijnen zodra de staat verdwijnt. De burgerlijke staat kan slechts door de revolutie ‘opgeheven’ worden. De staat in het algemeen, d.w.z. de meest volkomen democratie kan alleen ‘afsterven’.

    Ten vierde. Na zijn beroemde stelling ‘de staat sterft af’ te hebben opgesteld geeft Engels onmiddellijk de concrete verklaring dat deze stelling zowel tegen de opportunisten als tegen de anarchisten gericht is. Daarbij stelt Engels de gevolgtrekking uit de stelling over het ‘afsterven van de staat’ die tegen de opportunisten is gericht op de voorgrond.

    Men kan er een weddenschap op aangaan dat van de 10.000 mensen die ooit over het ‘afsterven van de staat’ iets hebben gehoord of gelezen er 9.990 volstrekt niet weten of zich niet herinneren dat Engels zijn gevolgtrekkingen uit deze stelling niet alleen tegen de anarchisten gericht heeft. En van de overblijvende tien personen weten er negen waarschijnlijk niet wat de ‘vrije volksstaat’ is en waarom een aanval op deze leuze een aanval op de opportunisten insluit. Zo wordt geschiedenis geschreven! Zo wordt ongemerkt de grote revolutionaire leer voor de heersende kleinburgerlijkheid pasklaar gemaakt. De conclusie tegen de anarchisten werd duizenden malen herhaald, vervlakt en in haar meest gevulgariseerde vorm in de hoofden gehamerd, tot zij de kracht van een vooroordeel had gekregen. Maar de conclusie tegen de opportunisten werd verdoezeld en ‘vergeten’!

    De ‘vrije volksstaat’ was een programpunt en gangbare leuze van de Duitse sociaal-democratie in de zeventiger jaren. Buiten een kleinburgerlijk hoogdravende omschrijving van het begrip democratie heeft deze leuze geen enkele politieke inhoud. In zoverre er legaal de democratische republiek in werd aangeduid was Engels bereid ter wille van de agitatie het ‘gerechtvaardigde’ van deze leuze ‘tijdelijk’ te laten gelden. Deze leuze was echter opportunistisch, want zij bracht niet alleen een goedpraten van de burgerlijke democratie tot uitdrukking, maar ook het verwaarlozen van de socialistische kritiek op iedere staat in het algemeen. Wij zijn voor de democratische republiek als de beste staatsvorm voor het proletariaat onder het kapitalisme, maar we mogen niet vergeten dat ook in de meest democratische burgerlijke republiek loonslavernij het lot van het volk is. Bovendien, iedere staat is een ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ tegen de onderdrukte klasse. Derhalve is iedere vrij en geen volksstaat. Marx en Engels hebben dit in de zeventiger jaren herhaaldelijk voor hun partijgenoten uiteengezet.

    Ten vijfde. In hetzelfde werk van Engels waaruit iedereen zich de uiteenzetting over het afsterven van de staat herinnert zijn ook beschouwingen te vinden over de betekenis van de gewelddadige revolutie. De historische beoordeling van haar rol gaat bij Engels over in een ware lofrede op de gewelddadige revolutie. Dat ‘herinnert zich niemand’; in de huidige socialistische partijen is het geen gewoonte over de betekenis van deze gedachte te spreken of er zelfs maar over na te denken en in de dagelijkse propaganda en agitatie onder de massa’s spelen deze gedachten geen enkele rol. Maar toch zijn zij met het ‘afsterven’ van de staat onafscheidelijk tot één harmonisch geheel verbonden.

    Hier volgt de uiteenzetting van Engels:

    ‘Dat het geweld echter nog een andere rol in de geschiedenis speelt, een revolutionaire rol; dat het, om Marx’ woorden te gebruiken, de vroedvrouw is van iedere oude maatschappij die van een nieuwe zwanger gaat; dat het het werktuig is waarmee de maatschappelijke beweging zich baanbreekt en verstarde, afgestorven politieke vormen verbrijzelt — daarover bij de heer Dühring geen woord. Slechts onder zuchten en steunen geeft hij de mogelijkheid toe dat er voor de omverwerping van de uitbuiterij misschien geweld nodig zal zijn — helaas - want iedere uitoefening van geweld zou degene die dit aanwendt demoraliseren. En dat tegenover de hoge morele en geestelijke vlucht die het gevolg van elke zegevierende revolutie was! En dat in Duitsland, waar een gewelddadige botsing, die het volk immers opgedrongen kan worden, althans het voordeel zou hebben de door de vernedering van de Dertigjarige Oorlog in het nationale bewustzijn binnengedrongen lakeiengeest uit te roeien. En deze matte, fut- en krachtloze domineesopvatting maakt er aanspraak op zich aan de meest revolutionaire partij die de geschiedenis kent op te dringen?’ (Blz. 193, derde Duitse uitgave, het einde van het IVde hoofdstuk, tweede deel.)

    Hoe valt nu deze lofrede op de gewelddadige revolutie, die Engels van 1878 tot 1894, d.w.z. tot aan zijn dood, hardnekkig aan de Duitse sociaal-democraten voorhoudt, met de theorie van het ‘afsterven’ van de staat in één leer te verenigen?

    Gewoonlijk worden beide verenigd met behulp van het eclecticisme, door zonder enige idee of op sofistische wijze (of om bij de machthebbers in het gevlei te komen) willekeurig nu eens de ene dan weer de andere beschouwing naar voren te halen, waarbij in 99 van de 100 gevallen, zo niet nog vaker, juist het ‘afsterven’ op de voorgrond wordt geschoven. De dialectiek wordt vervangen door het eclecticisme — het meest gewone, meest verbreide verschijnsel in de huidige officiële sociaal-democratische literatuur over het marxisme. Een dergelijk in-de-plaats-stellen is natuurlijk niets nieuws; zelfs in de geschiedenis van de klassieke Griekse wijsbegeerte kan men het vinden. Bij het vervalsen van het marxisme in de richting van het opportunisme zijn de massa’s het gemakkelijkst te misleiden door het eclecticisme als dialectiek aan te dienen; dit geeft schijnbare bevrediging, houdt schijnbaar rekening met alle zijden van het proces, met alle ontwikkelingstendensen, met alle tegen elkaar in werkende invloeden enz., maar in werkelijkheid biedt het geen een- en ondeelbare, geen revolutionaire opvatting van het maatschappelijke ontwikkelingsproces.

    Wij hebben er hiervoor al over gesproken en in het verloop van deze uiteenzetting zullen wij het uitvoeriger aantonen dat de leer van Marx en Engels over de onvermijdelijkheid van de gewelddadige revolutie betrekking heeft op de burgerlijke staat. Deze kan door de proletarische staat (de diktatuur van het proletariaat) niet langs de weg van het ‘afsterven’ afgelost worden; dit kan in de regel alleen door een gewelddadige revolutie. De lofzang die Engels op de gewelddadige revolutie aanheft en die geheel en al overeenkomt met de veelvuldige verklaringen van Marx (herinneren we ons slechts het slot van ‘De ellende van de filosofie’ en van ‘Het Communistisch Manifest’ met de trotse en openhartige verklaring over de onvermijdelijkheid van de gewelddadige revolutie; herinneren wij ons de kritiek op het program van Gotha van 1875, bijna dertig jaar later, waarin Marx het opportunisme van dit program onbarmhartig geselde) — die lofzang is geenszins ‘dweperij’, geenszins declamatie en geen polemische uitval. De noodzakelijkheid van het opvoeden van de massa’s in deze, speciaal in deze opvattingen over de gewelddadige revolutie is de grondslag van heel de leer van Marx en Engels. Het door de nu heersende sociaal-chauvinistische en kautskyaanse stromingen aan hun leer begane verraad komt bijzonder plastisch tot uitdrukking in het feit dat beide zulk een propaganda, zulk een agitatie vergeten hebben.

    De aflossing van de burgerlijke door de proletarische staat is zonder gewelddadige revolutie onmogelijk. De opheffing van de proletarische staat, d.w.z. de opheffing van iedere staat, is niet anders mogelijk dan langs de weg van het ‘afsterven’. Een uitvoerige en concrete ontwikkeling van deze opvattingen leverden Marx en Engels door iedere revolutionaire situatie afzonderlijk te bestuderen en door de lessen uit de ervaringen van iedere afzonderlijke revolutie te analyseren. We gaan thans over tot dit ongetwijfeld belangrijkste deel van hun leer.



    Hoofdstuk II: De ervaringen van de jaren 1848-1851

    1. De vooravond van de revolutie

    De eerste werken van het rijpe marxisme, ‘De ellende van de filosofie’ en ‘Het Communistisch Manifest’, verschenen juist aan de vooravond van de revolutie van 1848. Dientengevolge bieden zij ons behalve een uiteenzetting van de algemene grondslagen van het marxisme tot op zekere hoogte een weerspiegeling van de toenmalige concrete revolutionaire situatie. Het zal daarom doelmatiger zijn te onderzoeken wat de schrijvers van deze werken over de staat hebben gezegd onmiddellijk voor zij hun conclusies uit de ervaringen van de jaren 1848—1851 samenvatten:

    ‘...De werkende klasse’, schrijft Marx in ‘De ellende van de filosofie’, ‘zal in de loop der ontwikkeling de oude burgerlijke maatschappij vervangen door een associatie die de klassen en hun tegenstelling uitsluit; er zal geen eigenlijke politieke macht meer bestaan omdat juist de politieke macht de officiële uitdrukking is van de klassentegenstelling binnen de burgerlijke maatschappij.’ (Blz. 182 van de Duitse uitgave van 1885.)

    Het is leerzaam met deze algemene uiteenzetting van de gedachte over het verdwijnen van de staat na het opheffen van de klassen de uiteenzettingen te vergelijken, welke vervat zijn in het door Marx en Engels enige maanden later, namelijk in november 1847, geschreven ‘Communistisch Manifest’:

    ‘Terwijl we de meest algemene fasen van de ontwikkeling van het proletariaat tekenden, volgden we de min of meer verborgen burgeroorlog binnen de bestaande maatschappij tot het punt waarop hij in een openlijke revolutie uitbarst en het proletariaat door de gewelddadige omverwerping van de bourgeoisie zijn heerschappij grondvest.’

    ‘Wij zagen hierboven reeds dat de eerste stap in de arbeidersrevolutie de verheffing van het proletariaat tot heersende klasse, de verovering van de democratie is.

    Het proletariaat zal zijn politieke macht gebruiken om aan de bourgeoisie stap voor stap alle kapitaal te ontrukken, alle produktie-instrumenten in handen van de staat, d.w.z. van het als heersende klasse georganiseerde proletariaat, te concentreren en de massa van de produktiekrachten zo snel mogelijk te vermeerderen.’

    Hier vinden wij de formulering van een der opmerkelijkste en belangrijkste ideeën van het marxisme inzake het vraagstuk van de staat, de idee namelijk van de ‘diktatuur van het proletariaat’ (zoals Marx en Engels zich na de Commune van Parijs begonnen uit te drukken), voorts een uiterst interessante definitie van de staat die eveneens tot de ‘vergeten woorden’, van het marxisme behoort: ‘De staat, d.w.z. het als heersende klasse georganiseerde proletariaat’.

    Deze definitie van de staat is niet alleen nimmer in de heersende propaganda- en agitatieliteratuur van de officiële sociaal-demo­cratische partijen toegelicht, maar bovendien is ze geheel in het vergeetboek geraakt omdat ze volkomen onverenigbaar is met het reformisme en een slag in het gezicht betekent van de gangbare opportunistische vooroordelen en kleinburgerlijke illusies over een ‘vreedzame ontwikkeling van de democratie’.

    Het proletariaat heeft de staat nodig — dat herhalen alle opportunisten, sociaal-chauvinisten en kautskyanen, waarbij zij verzekeren dat dit de leer van Marx is; maar zij ‘vergeten’ hieraan toe te voegen dat, ten eerste, het proletariaat volgens Marx slechts een afstervende staat nodig heeft, d.w.z. een staat van zodanige samenstelling dat hij terstond begint af te sterven en niet anders kan dan afsterven. En ten tweede: de werkers hebben een ‘staat’ nodig, d.w.z. het als ’heersende klasse georganiseerde proletariaat’.

    De staat is een bijzondere machtsorganisatie, een organisatie van het geweld voor het onderdrukken van de een of andere klasse. En welke klasse moet het proletariaat onderdrukken? Natuurlijk alleen de uitbuitersklasse, de bourgeoisie. De werkende mensen hebben alleen de staat nodig om het verzet van de uitbuiters te onderdrukken. En slechts het proletariaat — de enige consequent revolutionaire klasse, de enige klasse die in staat is alle werkers en uitgebuiten te verenigen in de strijd tegen de bourgeoisie en om haar volledig af te schaffen — slechts het proletariaat is bij machte hieraan leiding te geven en het te verwezenlijken.

    De uitbuitende klassen hebben de politieke heerschappij nodig in het belang van de instandhouding van de uitbuiting, d.w.z. in het zelfzuchtige belang van een uiterst kleine minderheid tegenover de ontzaglijke meerderheid van het volk. De uitgebuite klassen hebben de politieke heerschappij nodig in het belang van de volledige opheffing van elke soort van uitbuiting, d.w.z. in het belang van de ontzaglijke meerderheid van het volk tegenover de uiterst geringe minderheid van moderne slavenhouders — de grootgrondbezitters en kapitalisten.

    De kleinburgerlijke democraten, deze pseudo-socialisten die de klassenstrijd vervangen hebben door dromen over klassenharmonie, hebben zich de socialistische omwenteling ook als in een droom voorgesteld, namelijk niet als het ten val brengen van de heerschappij van de uitbuitende klasse, maar als vreedzame onderwerping van de minderheid aan de zich van haar taken bewust geworden meerderheid. Deze kleinburgerlijke utopie, die onafscheidelijk verbonden is met de erkenning van een boven de klassen staan­de staat, heeft in de praktijk geleid tot verraad aan de belangen van de werkende klassen, zoals dit b.v. is aangetoond door de geschiedenis van de Franse revoluties van 1848 en 1871 en door de ervaringen van het deelnemen van ‘socialisten’ aan burgerlijke ministeries in Engeland, Frankrijk, Italië en andere landen aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.

    Heel zijn leven heeft Marx dit kleinburgerlijke socialisme bestreden dat thans in Rusland door de partijen van de sociaal-revolutionairen en mensjewiki nieuw leven ingeblazen is. Marx heeft de leer van de klassenstrijd consequent ontwikkeld tot de leer van de politieke macht, d.w.z. van de staat.

    Het omverwerpen van de heerschappij van de bourgeoisie kan alleen het werk zijn van het proletariaat, van deze bijzondere klasse welker economische bestaansvoorwaarden haar op deze omverwerping voorbereiden en haar de mogelijkheid en de kracht geven ze te volbrengen. Terwijl de bourgeoisie de boeren en alle kleinburgerlijke lagen der bevolking versnippert en verstrooit, sluit zij het proletariaat aaneen, verenigt en organiseert zij het. Alleen het proletariaat is — krachtens zijn economische rol in de produktie in het groot — bij machte de leider te zijn van alle werkende en uitgebuite massa’s, die door de bourgeoisie dikwijls niet minder maar heviger worden uitgebuit en onderdrukt dan de proletariërs, maar tot een zelfstandige bevrijdingsstrijd niet bij machte zijn.

    De leer van de klassenstrijd, door Marx toegepast op het vraagstuk van de staat en van de socialistische revolutie, leidt noodzakelijkerwijze tot de erkenning van de politieke heerschappij van het proletariaat, van zijn diktatuur, d.w.z. een met niemand gedeeld en rechtstreeks op de gewapende macht der massa’s steunend gezag. Het omverwerpen van de bourgeoisie kan alleen gebeuren doordat het proletariaat zich verheft tot de heersende klasse die in staat is het onvermijdelijke, wanhopige verzet van de bourgeoisie te onderdrukken en alle werkende en uitgebuite massa’s te organiseren voor het op nieuwe leest schoeien van het economische bestel.

    Het proletariaat heeft de staatsmacht nodig, een gecentraliseerde organisatie van de macht, een organisatie van de dwang, zowel om het verzet van de uitbuiters te onderdrukken, als voor liet leiden van de geweldige massa’s van de bevolking, de boeren, do kleine burgerij, de halfproletariërs, ten einde de socialistische economie ‘op gang te brengen’.

    Door de arbeiderspartij op, te voeden voedt het marxisme de voorhoede van het proletariaat op, die in staat is de macht te grijpen en het hele volk naar het socialisme te leiden, hei nieuwe stelsel te besturen en te organiseren, leraar, leider, gids te zijn van alle werkenden en uitgebuiten bij het vormen van hun eigen maat­schappelijke leven, zonder de bourgeoisie en tegen de bourgeoisie. Daarentegen voedt het in onze tijd heersende opportunisme in de arbeiderspartij de vertegenwoordigers van de beter betaalde arbeiders op die zich van de massa’s vervreemden, zich onder het kapitalisme vrij behoorlijk weten ‘in te richten’ en hun eerstgeboorterecht voor een schotel linzen verkopen, d.w.z. afstand doen van hun rol als revolutionaire voorhoede van het volk tegen de bourgeoisie.

    ‘De staat, d.w.z. het als heersende klasse georganiseerde proletariaat’— deze theorie van Marx is onafscheidelijk verbonden met heel zijn leer van de revolutionaire rol van het proletariaat in de geschiedenis. De bekroning van deze rol is de proletarische diktatuur, de politieke heerschappij van het proletariaat.

    Maar indien het proletariaat de staat nodig heeft als bijzondere organisatie van het geweld tegen de bourgeoisie, dan dringt zich vanzelf de vraag op of het denkbaar is een dergelijke organisatie te scheppen zonder dat vooraf de staatsmachine, die de bourgeoisie voor zich zelf heeft geschapen, is afgeschaft en vernietigd. Tot deze gevolgtrekking brengt ons ‘Het Communistisch Manifest’ en Marx spreekt erover als hij de conclusies trekt uit de ervaringen van de revolutie van 1848 tot 1851.

    2. De resultaten van de revolutie

    Ten aanzien van het ons interesserende vraagstuk van de staat maakt Marx de balans op van de revolutie van 1848 tot 1851 in de volgende beschouwingen in het werk ‘De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte’:

    ‘Maar de revolutie is grondig. Zij is nog op haar reis door het vagevuur. Zij doet haar werk methodisch. Tot 2 december 1851 had zij de ene helft van haar voorbereiding voltooid, nu voltooit zij de andere helft. Zij voltooide eerst de parlementaire macht om haar ten val te kunnen brengen. Nu zij dit bereikt heeft, voltooit zij de uitvoerende macht, herleidt zij die tot haar zuiverste uitdrukking, isoleert haar, stelt haar als enige verwijt tegenover zichzelf om al haar krachten ter vernietiging op haar te concentreren’ (door mij onderstreept). ‘En wanneer zij deze tweede helft van haar voorbereidende werk heeft volbracht, zal Europa opspringen van zijn zetel en jubelen: Braaf gewoeld, oude mol!

    Deze uitvoerende macht met haar geweldige bureaucratische en militaire organisatie, met haar in brede lagen opgebouwde en kunstmatige staatsmachinerie, met een leger van ambtenaren van een half miljoen man, naast een leger van nog een half miljoen, dit vreselijke parasietenlichaam, dat zich als een net om het lichaam van de Franse maatschappij spant en alle poriën daarvan verstopt, is ontstaan in de tijd van de absolute monarchie, tijdens het verval van het feodalisme, dat het hielp verhaasten’. De eerste Franse revolutie ontwikkelde de centralisatie ‘maar tevens de omvang, de attributen en de helpers van de regeringsmacht. Napoleon voltooide deze staatsmachinerie’. De legitieme monarchie en de Juli-monarchie ‘voegden er niets aan toe dan een grotere arbeidsverdeling...’

    ‘De parlementaire republiek zag zich tenslotte in haar strijd tegen de revolutie gedwongen, met de onderdrukkingsmaatregelen de middelen en de centralisatie van de regeringsmacht te versterken. Alle omwentelingen vervolmaakten deze machinerie in plaats van haar te breken (door mij onderstreept). ‘De partijen, die afwisselend om de heerschappij worstelden, beschouwden het in bezit nemen van dit geweldige staatsgebouw als de voornaamste buit van de overwinnaar.’ (‘De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte’, blz. 98 en 99, Hamburg 1907, vierde druk.)

    In deze opmerkelijke beschouwing doet het marxisme in vergelijking met ‘Het Communistisch Manifest’ een geweldige stap vooruit. Daar is het vraagstuk van de staat nog uiterst abstract behandeld, in uiterst algemeen gehouden begrippen en bewoordingen. Hier wordt het vraagstuk concreet aangepakt en de conclusie precies omlijnd, praktisch, tastbaar geformuleerd: Alle vroegere revoluties hebben de staatsmachinerie vervolmaakt, maar men moet haar stukslaan, verbrijzelen.

    Deze conclusie is het voornaamste, de grondslag van de leer van het marxisme over de staat. En juist deze grondslag is niet alleen bij de heersende officiële sociaal-democratische partijen in het vergeetboek geraakt, maar is ook (zoals we zullen zien) door de prominentste theoreticus van de Tweede Internationale, K. Kautsky, direct vervalst.

    In ‘Het Communistisch Manifest’ vindt men algemene gevolgtrekkingen uit de geschiedenis, die ons dwingen in de staat een orgaan van klasseheerschappij te zien en die ons tot de onvoorwaardelijke slotsom leiden dat het proletariaat de bourgeoisie niet ten val kan brengen zonder eerst de politieke macht te hebben veroverd, zonder de politieke heerschappij te hebben verkregen en de staat te hebben gemaakt tot het ‘als heersende klasse georganiseerde proletariaat’, en dat deze proletarische staat dadelijk na zijn overwinning zal beginnen af te sterven, omdat in een maatschappij zonder klassentegenstellingen de staat niet nodig en niet mogelijk is. Hier wordt niet de vraag gesteld hoe — van het standpunt van de historische ontwikkeling gezien — deze aflossing van de burgerlijke door de proletarische staat tot stand moet komen.

    Deze vraag nu wordt door Marx in het jaar 1852 gesteld en beantwoord. Zijn filosofie van het dialectische materialisme getrouw, kiest Marx de historische ervaring van de grote revolutiejaren van 1848 tot 1851 als basis. Zoals steeds is ook hier de leer van Marx een door diepe filosofische wereldbeschouwing en rijke kennis van de geschiedenis doorstraalde samenvatting van de ervaring.

    Het vraagstuk van de staat wordt concreet gesteld: Hoe is de burgerlijke staat, de voor de heerschappij van de bourgeoisie onmisbare staatsmachinerie, historisch ontstaan? Van welke aard zijn haar veranderingen, is haar evolutie in de loop van de burgerlijke revoluties en ten opzichte van de zelfstandige acties van de onderdrukte klassen? Wat is de taak van het proletariaat met betrekking tot deze staatsmachinerie?

    De aan de burgerlijke maatschappij eigen gecentraliseerde staatsmacht ontstond in het tijdvak van verval van het absolutisme. Het meest wordt deze staatsmachinerie gekenmerkt door twee instellingen; een leger van ambtenaren en het staande leger. In de werken van Marx en Engels is er herhaaldelijk sprake van hoe deze instellingen door duizenden draden juist met de bourgeoisie verbonden zijn. De ervaringen van iedere arbeider illustreren deze samenhang bijzonder aanschouwelijk en indringend. De arbeidersklasse leert aan het eigen lijf deze samenhang kennen; daarom begrijpt zij zo gemakkelijk de leer van de onvermijdelijkheid van deze samenhang en dringt ze zo diep in haar door, een leer die de kleinburgerlijke democraten uit onwetendheid of uit lichtvaardigheid afwijzen of nog lichtvaardiger ‘in het algemeen’ aanvaarden, maar daarbij vergeten de daaraan vastzittende praktische consequenties te trekken.

    Ambtenarij en staand leger — dat zijn de ‘parasieten’ op het lichaam van de burgerlijke maatschappij, parasieten geboren uit de innerlijke tegenstellingen die deze maatschappij verscheuren, maar wel parasieten die de levensporiën ‘verstoppen’. Het tegenwoordig in de officiële sociaal-democratie heersende kautskyaanse opportunisme beschouwt de opvatting die in de staat een parasitair organisme ziet als een zeer speciaal en uitsluitend attribuut van het anarchisme. Natuurlijk valt deze vervalsing van het marxisme zeer in de smaak van de kleinburgers die het socialisme neergehaald hebben tot de ontstellende smaad van het rechtvaardigen en goedpraten van de imperialistische oorlog door het begrip ‘vaderlandsverdediging’ erop toe te passen, maar daarmee wordt de vervalsing er niet minder om.

    Door alle burgerlijke revoluties die Europa in groten getale sedert het verval van het feodalisme heeft beleefd gaat de ontwikkeling, vervolmaking en versterking van dit ambtenaren- en militaire apparaat voort. In het bijzonder de kleine burgerij wordt naar de kant van de grote bourgeoisie getrokken en in sterke mate aan haar onderworpen juist door middel van dit apparaat, dat de bovenste lagen van de boeren, de ambachtslieden, winkeliers enz. betrekkelijk gemakkelijke, rustige en eervolle baantjes bezorgt die hun bezitters boven het volk verheffen. Men zie maar eens wat er in Rusland gedurende het halve jaar na 27 februari 1917 heeft plaats gehad: Ambtelijke posten die vroeger bij voorkeur aan de leden van de Zwarte Honderd werden vergeven zijn nu de begerenswaardige buit geworden van de kadetten, mensjewiki en sociaal-revolutionairen. Aan ernstige hervormingen, van welke aard ook, wordt in werkelijkheid niet gedacht; men doet zijn best ze uit te stellen ‘tot de Constituerende Vergadering’ — en het bijeenroepen van de Constituerende Vergadering zachtjes aan tot het einde van de oorlog te verschuiven! Met het verdelen van de buit, met het bezetten van ministers-, staatssecretaris- en gouverneursposten enz. enz. talmen ze evenwel niet en wachten ze volstrekt geen Constituerende Vergadering af. Het spel van combinaties bij het samenstellen van regeringen was in werkelijkheid slechts de uitdrukking van dit verdelen en herverdelen van de ‘buit’, zowel hoog als laag, in het gehele land, in het hele centrale en plaatselijke bestuur. Het resultaat, het objectieve resultaat van het halve jaar van 27 februari tot 27 augustus 1917 staat vast: De hervormingen zijn verdaagd, de verdeling van de ambtelijke baantjes heeft plaats gehad en de ‘fouten’ die bij de verdeling werden begaan werden door enige herverdelingen hersteld.

    Maar hoe meer er in het ambtenarenapparaat van deze ‘herverdelingen’ van posten onder de verschillende burgerlijke en kleinburgerlijke partijen (onder de kadetten, de sociaal-revolutionairen en de mensjewiki, om ons tot Rusland te bepalen) plaats hebben, des te scherper worden de onderdrukte klassen met het proletariaat voorop zich bewust van hun onverzoenlijke vijandschap tegenover de hele burgerlijke maatschappij. Daaruit ontstaat voor alle burgerlijke partijen, zelfs voor de meest democratische en ‘revolutionair-democratische’, de noodzaak de onderdrukkingsmaatregelen tegen het revolutionaire proletariaat te verscherpen en het onderdrukkingsapparaat, d.w.z. deze zelfde staatsmachi­nerie, te versterken. Zulk een loop der gebeurtenissen dwingt de revolutie ‘al haar vernietigingskrachten te concentreren’ tegen de staatsmacht, dwingt haar zich niet het verbeteren van de staatsmachinerie, maar het vernietigen, het verbrijzelen ervan tot taak te stellen.

    Het waren geen logische redenaties, maar het was de feitelijke ontwikkeling der gebeurtenissen, de levende ervaring van 1848— 1851 die ertoe hebben geleid dat deze taak zo werd gesteld. Met welk een buitengewone gestrengheid Marx zich houdt aan de feiten die aan de historische ervaring ten grondslag liggen, kan men daaruit zien dat hij in 1852 nog niet concreet de vraag stelt waardoor de te vernietigen staatsmachinerie zal moeten worden vervangen. In die tijd leverde de ervaring nog geen materiaal voor zulk een vraag die later, in het jaar 1871, door de geschiedenis op de agenda werd geplaatst. In 1872 kon men alleen met de nauwkeurigheid van een natuurhistorische waarneming vaststellen dat de proletarische revolutie toen toe was aan de taak ‘al haar krachten ter vernietiging te concentreren’ tegen de staatsmacht, de taak de staatsmacht te ‘verbrijzelen’.

    Hier kan de vraag opkomen of het juist is deze ervaringen, waarnemingen en gevolgtrekkingen van Marx te veralgemenen en over te brengen op een breder terrein dan de geschiedenis van Frankrijk gedurende de jaren 1848 tot 1851. Om deze kwestie te onder­zoeken moeten we eerst aan een opmerking van Engels herinneren om daarna tot de feiten zelf over te gaan.

    ‘Frankrijk is het land’, schrijft Engels in het voorwoord bij de derde druk van de ‘Achttiende Brumaire’, ‘waar de historische klassengevechten meer dan elders telkens tot aan de beslissing werden uitgevochten, waar dus ook de wisselende politieke vormen, waarbinnen zij zich bewegen en waarin hun resultaten zijn samengevat, in de scherpste trekken tot uitdrukking zijn gekomen. Frankrijk, het middelpunt van het feodalisme in de middeleeuwen, het modelland van de unitaire standenmonarchie sinds de Renaissance, dit Frankrijk heeft tijdens de Grote Revolutie het feodalisme vernietigd en de zuivere heerschappij van de bourgeoisie gegrondvest in zulk een klassieke vorm als geen ander Europees land dit heeft gedaan. En ook de strijd van het omhoog strevende proletariaat tegen de heersende bourgeoisie treedt hier in een elders onbekende, acute vorm op.’ (Blz. 4 van de uitgave van 1907.)

    De laatste opmerking is verouderd voor zover sedert 1871 in de revolutionaire strijd van het Franse proletariaat een onderbreking heeft plaats gehad, hoewel deze onderbreking, hoe lang zij ook duren mag, geenszins de mogelijkheid uitsluit dat in de komende proletarische revolutie Frankrijk zal bewijzen het klassieke land van de klassenstrijd tot het beslissende einde te zijn.

    Maar laat ons een algemene blik werpen op de geschiedenis van de ontwikkelde landen tegen het einde van de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Wij zien dat hetzelfde proces zich langzamer, veelzijdiger en op een aanzienlijk uitgestrekter toneel afspeelde; aan de ene kant de uitbouw van de ‘parlementaire macht’, zowel in de republikeinse landen (Frankrijk, Amerika, Zwitserland) als in monarchistische landen (Engeland, tot op zekere hoogte Duitsland, Italië, de Skandinavische landen enz.), aan de andere kant de strijd om de macht tussen de onderscheidene burgerlijke en kleinburgerlijke partijen die onder elkaar de ‘buit’, de ambtelijke posten verdeelden en herverdeelden, zonder dat er iets in de grondslagen van de burgerlijke orde veranderde, en tenslotte het voortdurend volmaakter en hechter worden van de ‘uitvoerende macht’, van haar ambtenaren- en militaire apparaat.

    Het is aan geen twijfel onderhevig, dat dit gemeenschappelijke trekken van de hele moderne ontwikkeling der kapitalistische staten in hun algemeenheid zijn. Gedurende de drie jaren van 1848 tot 1851 heeft Frankrijk in een snelle, scherp omlijnde en geconcentreerde vorm dezelfde ontwikkelingsprocessen getoond die aan de gehele kapitalistische wereld eigen zijn.

    In het bijzonder vertoont het imperialisme, het tijdperk van het bankkapitaal, van de reusachtige kapitalistische monopolies, het tijdperk van het uitgroeien van het monopolistische kapi­talisme tot staatsmonopolistisch kapitalisme, een buitengewone versterking van de ‘staatsmachinerie’, een ongekende groei van zijn ambtelijke en militaire apparaat, gepaard aan een versterking van de dwangmaatregelen tegen het proletariaat, zowel in de monarchistische als in de meest vrije republikeinse landen.

    De wereldgeschiedenis leidt ons thans zonder twijfel in veel grotere mate dan in 1853 tot het ‘concentreren van alle krachten’ van de proletarische revolutie op het ‘vernietigen’ van de staatsmachinerie.

    Wat het proletariaat daarvoor in de plaats zal stellen, daarvoor heeft de Commune van Parijs uiterst leerzaam materiaal geleverd.

    3. Hoe Marx de kwestie in 1852 stelde

    In 1907 publiceerde Mehring in het tijdschrift ‘Die Neue Zeit’ (XXV, II, 164) uittreksels uit een brief van Marx aan Weydemeyer van 5 maart 1852. In deze brief is onder andere de volgende belangwekkende beschouwing te vinden:

    ‘Wat mij betreft — niet aan mij komt de eer toe het bestaan der klassen in de moderne maatschappij of hun onderlinge strijd te hebben ontdekt. Reeds lang voor mij hadden burgerlijke geschiedschrijvers de historische ontwikkeling van deze strijd der klassen en burgerlijke economen de economische anatomie van de klassen in beeld gebracht. Het nieuwe dat ik er aan heb toegevoegd bestond in het leveren van het bewijs 1. dat het bestaan van de klassen alleen verbonden is aan bepaalde historische ontwikkelingsfasen van de produktie; 2. dat de klassenstrijd noodzakelijkerwijze tot de diktatuur van het proletariaat leidt; 3. dat deze diktatuur zelf slechts de overgang vormt naar het opheffen van alle klassen en naar een klasseloze maatschappij.’

    Het is Marx hier gelukt met verbazingwekkende kernachtigheid tot uitdrukking te brengen ten eerste het voornaamste en wezenlijke onderscheid tussen zijn leer en die van de vooraanstaande en diepzinnigste denkers van de bourgeoisie, en ten tweede het wezen van zijn leer over de staat.

    Men zegt en schrijft dikwijls dat de kern van de leer van Marx de klassenstrijd is. Maar dat is niet juist. En uit deze onjuistheid ontstaat voortdurend en onophoudelijk een opportunistische verminking van het marxisme, zijn vervalsing tot een voor de bourgeoisie aanvaardbare leer. De leer van de klassenstrijd is immers niet door Marx, maar voor hem door de bourgeoisie geschapen en ze is in het algemeen gesproken voor de bourgeoisie aanvaardbaar. alleen de klassenstrijd erkent is nog geen marxist en kan nog binnen de perken van het burgerlijke denken en de burgerlijke politiek gebleven zijn. Het marxisme beperken tot de leer van de klassenstrijd betekent het marxisme besnoeien, verminken, reduceren tot iets dat voor de bourgeoisie aanvaardbaar is. Marxist is alleen hij die de erkenning van de klassenstrijd uitbreidt tot de erkenning van de diktatuur van het proletariaat. Hierin ligt de kern van het onderscheid tussen een marxist en de gemiddelde kleine (en ook grote) bourgeois. Dit moet de toetssteen zijn voor het werkelijk begrijpen en onderschrijven van het marxisme. Het is dan ook geen wonder dat, toen de geschiedenis van Europa de arbeidersklasse praktisch voor dit vraagstuk plaatste, niet alleen alle opportunisten en reformisten, maar ook alle ‘kautskyanen’ (de mensen die tussen het reformisme en het marxisme weifelen) povere filisters en kleinburgerlijke democraten bleken te zijn die de diktatuur van het proletariaat afwijzen.. Kautsky’s brochure ‘De diktatuur van het proletariaat’, in augustus 1918, dus geruime tijd na de eerste druk van het onderhavige boekje verschenen, is een prachtig voorbeeld van kleinburgerlijke misvorming van het marxisme en van een laaghartige verloochening ervan in de praktijk, verbonden aan een huichelachtige erkenning in woorden, (Zie mijn brochure ‘De proletarische revolutie en de renegaat Kautsky’, Petrograd en Moskou, 1918.) Het tegenwoordige opportunisme valt in de persoon van zijn voornaamste vertegenwoordiger, de gewezen marxist K. Kautsky, geheel en al onder de aangehaalde door Marx gegeven karakteristiek van de burgerlijke houding, want dit opportunisme beperkt het gebied van de erkenning van de klassenstrijd tot het gebied van de burgerlijke verhoudingen (en binnen dit gebied, ‘binnen zijn grenzen, zal geen enkele beschaafde liberaal weigeren ‘in beginsel’ de klassenstrijd te erkennen!). Het opportunisme breidt de erkenning van de klassenstrijd juist niet uit tot de hoofd­zaak, tot het tijdperk van de overgang van kapitalisme naar communisme, tot het tijdperk van de omverwerping en de volledige vernietiging van de bourgeoisie. In werkelijkheid is dit tijdperk onvermijdelijk een tijdperk van ongekend verbitterde klassenstrijd die weergaloos scherpe vormen aanneemt; daarom moet ook de staat van dit tijdperk onvermijdelijk op een nieuwe manier democratisch (voor de proletariërs en de niet-bezitters in het algemeen) en op een nieuwe manier diktatoriaal (tegen de bourgeoisie) zijn.

    Verder. Het wezen van de leer van Marx over de staat wordt alleen het wezenlijke bezit van hem die begrepen heeft dat de diktatuur van één klasse noodzakelijk is niet alleen voor elke klassenmaatschappij zonder meer, niet alleen voor het proletariaat dat de bourgeoisie ten val heeft gebracht maar ook voor het gehele historische tijdperk dat het kapitalisme van de ‘klasseloze maatschappij’, van het communisme scheidt. De vormen van de burgerlijke staten zijn buitengewoon menigvuldig, maar hun wezen is hetzelfde: Al deze staten zijn op de een of andere manier, maar uiteindelijk onvoorwaardelijk een diktatuur van de bourgeoisie. De overgang van het kapitalisme naar het communisme zal natuurlijk wel een geweldige overvloed en veelsoortigheid van politieke vormen teweegbrengen, maar het wezenlijke zal daarbij beslist eender zijn: de diktatuur van het proletariaat.



    Hoofdstuk III: De ervaring van de Commune van Parijs van 1871. De analyse door Marx

    1. Wat maakte de poging van de Communards zo heldhaftig?

    Het is bekend dat Marx enige maanden voor de Commune, in de herfst van 1870, de Parijse arbeiders waarschuwde dat een poging tot het omverwerpen van de regering een wanhopige domheid zou zijn. Maar toen in maart 1871 de beslissende strijd aan de arbeiders werd opgedrongen en zij hem aanvaardden, toen dus de opstand een feit was geworden begroette Marx de proletarische revolutie, ondanks de boze voortekens, met de grootste geestdrift. Marx was niet zo koppig de ‘ontijdige’ beweging op een pedante wijze te veroordelen, zoals de Russische renegaat van het marxisme Plechanow, die zulk een treurige beroemdheid heeft verkregen, dit deed: in november 1905 schreef hij zo dat hij de arbeiders en boeren opwekte tot de strijd, maar na december 1905 jammerde hij als een echte liberaal: ‘Men had niet naar de wapens moeten grijpen!’.

    Marx volstond er echter niet mee zijn geestdrift te betuigen ten aanzien van de heldenmoed der, zoals hij zich uitdrukte, ‘hemel-bestormende’ Communards. Hij zag in de revolutionaire beweging van de massa, hoewel zij haar doel niet bereikte, een historische poging van ontzaglijke draagwijdte, een bepaalde stap vooruit van de proletarische wereldrevolutie, een praktische stap die belangrijker was dan honderden programs en uiteenzettingen. Deze poging te analyseren, daaruit taktische lessen te trekken, aan deze poging zijn eigen theorie te toetsen — dat was de taak die Marx zich stelde.

    De enige ‘correctie’ die Marx in ‘Het Communistisch Manifest’ meende te moeten aanbrengen werd door hem gemaakt op grond van de revolutionaire ervaringen van de Parijse Communards. Het laatste voorwoord bij de nieuwe Duitse druk van ‘Het Communistisch Manifest’ dat door beide auteurs is ondertekend dateert van 24 juni 1872. In dit voorwoord zeggen de schrijvers Karl Marx en Friedrich Engels dat ‘Het Communistisch Manifest’ heden ‘op bepaalde punten verouderd’ is:

    ‘Inzonderheid heeft de Commune het bewijs geleverd’, zo vervolgen zij, ‘dat “de arbeidersklasse de bestaande staatsmachine niet maar eenvoudig in bezit kan nemen en ze voor haar eigen doeleinden in beweging zetten”.’

    De in dubbele aanhalingstekens geciteerde passage is door de schrijvers ontleend aan Marx’ werk ‘De burgeroorlog in Frankrijk’.

    Marx en Engels schreven dus aan de fundamentele en voornaamste les van de Commune van Parijs zulk een ontzaglijke betekenis toe dat zij die als een wezenlijke correctie aan ‘Het Communistisch Manifest’ toevoegden.

    Het is bijzonder typerend dat juist deze wezenlijke correctie door de opportunisten vervalst werd en dat haar werkelijke betekenis waarschijnlijk aan negen van de tien of zelfs aan negenennegentig van de honderd lezers van ‘Het Communistisch Manifest’ onbekend is. Op deze vervalsing zullen wij later in een hoofdstuk dat speciaal aan de vervalsingen is gewijd uitvoerig terugkomen. Hier moeten wij volstaan met de opmerking dat de gangbare vulgaire ‘opvatting’ van de beroemde door ons geciteerde uitspraak van Marx zo luidt, alsof Marx hier de idee onderstreept van de geleidelijke ontwikkeling in tegenstelling tot het grijpen van de macht en dergelijke.

    Het is in werkelijkheid juist omgekeerd. De gedachte van Marx is dat de arbeidersklasse ‘de kant en klare staatsmachine’ moet stukslaan, breken en zich niet mag vergenoegen met het in bezit nemen alleen.

    Op 12 april 1871, dus juist tijdens de Commune, schreef Marx aan Kugelmann:

    ‘Wanneer je het laatste hoofdstuk van mijn “Achttiende Brumaire” naleest, zul je zien dat de eerstvolgende poging van de Franse revolutie naar mijn mening zal zijn niet meer, zoals tot nu toe, de bureaucratisch-militaire machinerie uit de ene hand in de andere te doen overgaan, maar haar te breken’ (cursief van Marx), ‘en dat is de voorwaarde voor iedere werkelijke volksrevolutie op het vasteland. Dit is ook de poging van onze heldhaftige Parijse partijgenoten.’ (Blz. 709, ‘Die Neue Zeit’, XX, l, 1901/02.) (De brieven van Marx aan Kugelmann zijn in het Russisch in ten minste twee uitgaven verschenen, een ervan onder mijn redactie en voorzien van een voorwoord van mij.)

    Deze woorden: ‘de bureaucratisch-militaire machinerie breken’ omvatten in het kort de voornaamste leer van het marxisme met betrekking tot de taken van het proletariaat in de revolutie ten opzichte van de staat. En juist deze leer werd niet alleen volkomen vergeten, maar ook door de heersende, de kautskyaanse ‘uitleg’ van het marxisme direct misvormd! Wat de verwijzing van Marx naar de ‘Achttiende Brumaire’ betreft — wij hebben de bedoelde passage reeds eerder in haar geheel geciteerd. Het is van belang in het bijzonder twee passages in de aangehaalde beschouwing van Marx te onderstrepen. Ten eerste beperkt hij zijn conclusie tot het vasteland. Dit was begrijpelijk in 1871 toen Engeland als het voorbeeld gold van een land dat, hoewel zuiver kapitalistisch, geen militarisme en ook vrijwel geen bureau­cratie kende. Marx sloot Engeland uit, omdat daar een revolutie en zelfs een volksrevolutie toentertijd mogelijk scheen en mogelijk was zonder dat het daarbij nodig was voordien de ‘kant en klare staatsmachine’ te vernietigen.

    Thans, in 1917, in de tijd van de eerste grote imperialistische oorlog, valt deze beperking van Marx weg. Engeland en Ame­rika, deze grootste en laatste vertegenwoordigers op de hele wereld van de Angelsaksische ‘vrijheid’ in de zin van het ontbreken van militarisme en bureaucratie, zijn geheel en al weggezonken in het algemene Europese, vuile en bloedige moeras van de bureaucratisch-militaire instellingen die alles aan zich onderwerpen en alles verstikken. Nu is ook in Engeland en Amerika het vernietigen en het breken van de ‘kant en klare’ staatsmachine (die het daar in de jaren 1914—1917 tot ‘Europese’, algemeen imperialistische volmaaktheid heeft gebracht) de ‘voorwaarde voor iedere werkelijke volksrevolutie’.

    In de tweede plaats verdient de buitengewoon diepzinnige opmerking van Marx dat de vernietiging van de bureaucratisch-militaire staatsmachine ‘de voorwaarde voor iedere werkelijke volks-revolutie’ is onze speciale aandacht. Het begrip ‘volks’revolutie doet in de mond van Marx vreemd aan en de Russische volgelingen van Plechanow en de mensjewiki, deze navolgers van Stroewe, die zich zo graag voor marxisten uitgeven, zouden misschien kunnen beweren dat Marx zich hier ‘versproken’ heeft. Zij hebben het marxisme tot een zo jammerlijk liberale wanstaltigheid verlaagd dat er voor hen buiten de tegenstelling tussen burgerlijke en proletarische revolutie niets bestaat en zelfs deze tegenstelling wordt door hen ongelooflijk schematisch opgevat.

    Neemt men de revoluties van de twintigste eeuw als voorbeeld, dan moet men natuurlijk zowel de Portugese als de Turkse omwen­teling als burgerlijke revoluties opvatten. Maar noch de ene, noch de andere is een ‘volks’revolutie, want de grote massa van het volk, zijn overwegende meerderheid, is noch in de ene, noch in de andere revolutie zichtbaar actief, zelfstandig, met eigen politieke en economische eisen naar voren getreden. Daarentegen was de Russische burgerlijke revolutie van 1905 tot 1907, ofschoon zij niet op zulke ‘schitterende’ successen kon bogen als de Portugese en de Turkse tijdelijk ten deel vielen, zonder twijfel een ‘echte volks’revolutie, want de massa van het volk, zijn meer­derheid, de ‘onderste’ lagen van de maatschappij, terneergedrukt door knechting en uitbuiting, verhieven zich zelfstandig en drukten op de hele loop van de revolutie de stempel van hun eisen, van hun pogingen om op eigen manier een nieuwe maatschappij op te bouwen in plaats van de vroegere die vernietigd moest worden.

    In geen enkel land van het Europese vasteland vormde het proletariaat in 1871. de meerderheid van de bevolking. Een ‘volks’­revolutie die werkelijk de meerderheid in haar beweging meesleept kon slechts dan zulk een revolutie zijn als zij zowel het proleta­riaat als de boeren omvatte. Deze beide klassen vormden destijds nu eenmaal het ‘volk’. Beide klassen worden daardoor verenigd dat zij door de ‘bureaucratisch-militaire staatsmachine’ neergehouden, onderdrukt en uitgebuit worden. Deze machine te vernietigen, te breken — dat eist het werkelijke belang van het ‘volk’, van zijn meerderheid, de arbeiders, en van de meerderheid der boeren; dit is de ‘voorwaarde’ voor een vrij verbond van de armste boeren met de proletariërs; zonder dit verbond echter is de democratie niet duurzaam en de socialistische omwenteling niet mogelijk.

    Naar zulk een verbond baande zich, zoals bekend, de Commune van Parijs een weg, maar door een reeks van oorzaken van innerlijke en uitwendige aard kon zij haar doel niet bereiken. Marx heeft dan ook, toen hij van de ‘echte volksrevolutie’ sprak, heel nauwkeurig rekening gehouden met de feitelijke krachtsverhouding tussen de klassen in de meeste staten van het Europese vasteland in 1871, zonder ook maar in het minst de eigenaardigheden van de kleine burgerij te vergeten (daarover sprak hij veel en dikwijls). Anderzijds echter stelde hij vast dat het ‘breken’ van de staatsmachine vereist is in het belang van de arbeiders zowel als van de boeren, dat dit hen verenigt, hen tezamen voor de taak stelt zich van het ‘parasiterende lichaam’ te ontdoen en dit te vervangen door iets nieuws.

    En waardoor dan wel?

    2. Waardoor moet de vernietigde staatsmachine vervangen worden?

    Het antwoord dat Marx in 1847 in ‘Het Communistisch Manifest’ op deze vraag geeft is nog geheel abstract of, juister gezegd: dit antwoord geeft de taken aan, maar nog niet de methoden ter vervulling ervan. Die machine moet vervangen worden door de ‘organisatie van het proletariaat tot heersende klasse’, door ‘verovering van de democratie’— dat was het antwoord van ‘Het Communistisch Manifest’.

    Zonder in utopieën te vervallen verwachtte Marx van de ervaring van de massabeweging een antwoord op de vraag welke concrete vormen deze organisatie van het proletariaat als heersende klasse zou aannemen, op welke wijze deze organisatie zich met de zo volledig en consequent mogelijke ‘verovering van de democratie’ zou laten verbinden.

    De ervaring van de Commune, hoe gering ze ook mocht zijn, wordt door Marx in zijn ‘De burgeroorlog in Frankrijk’ op de meest zorgvuldige wijze onderzocht. Wij zullen de belangrijkste passages uit dit werk aanhalen:

    In de negentiende eeuw ontwikkelde zich de uit de middeleeuwen afkomstige ‘...gecentraliseerde staatsmacht, met haar alom tegenwoordige organen — staand leger, politie, bureaucratie, geestelijkheid, rechterlijke stand...’ Met de ontwikkeling van de klassentegenstellingen tussen kapitaal en arbeid ‘...kreeg de staatsmacht meer en meer het karakter van een openbare macht ter onderdrukking van de arbeidersklasse, een apparaat van de klasseheerschappij. Na elke revolutie, die een stap vooruit in de klassenstrijd betekent, treedt het zuiver onderdrukkende karakter van de staatsmacht meer en meer openlijk te voorschijn.’ Na de revolutie van 1848—1849 wordt de staatsmacht ‘...het nationale oorlogsinstrument van het kapitaal tegen de arbeid.’ Het tweede keizerrijk versterkt dit.

    ‘De directe tegenstelling van het keizerrijk was de Com­mune.’ ‘De Commune was de stellige vorm van... een repu­bliek, die niet alleen de monarchistische vorm van de klasseheerschappij moest afschaffen, maar ook de klasseheerschappij zelf.’

    Waarin bestond nu deze ‘stellige’ vorm van de proletarische, socialistische republiek? Hoe zag de staat eruit die zij was begonnen op te bouwen?

    ‘Het eerste decreet der Commune bepaalde... de afschaffing van het staande leger en zijn vervanging door het gewapende volk.’

    Deze eis staat tegenwoordig in het program van alle partijen die zich socialistisch noemen. Maar wat al hun programs waard zijn ziet men het best aan het gedrag van onze sociaal-revolutionairen en mensjewiki die juist na de revolutie van 27 februari ervan hebben afgezien deze eis daadwerkelijk te verwezenlijken!

    ‘De Commune bestond uit de gemeenteraadsleden, die bij algemeen kiesrecht in de verschillende districten van Parijs waren gekozen. Zij waren verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar. Voor het merendeel waren zij natuurlijk arbei­ders of erkende vertegenwoordigers der arbeidersklasse.’ ‘De politie, tot dusverre werktuig van de staatsregeling, werd onmiddellijk van al haar politieke eigenschappen ontdaan en in een verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar werktuig der Commune veranderd. Evenzo de beambten van alle andere takken van bestuur. Vanaf de leden der Commune moest de openbare dienst tegen arbeidersloon worden verricht. De verworven rechten en de representatiegelden van de hoogwaardigheidsbekleders van de staat verdwenen met deze waardigheidsbekleders zelf... Toen het staande leger en de politie, de werktuigen van de materiële macht der oude regering, eenmaal waren afgeschaft, ging de Commune er terstond toe over het geestelijke onderdrukkingswerktuig, de macht der priesters, te breken... De rechterlijke ambtenaren verloren die schijnbare onafhankelijkheid...’ en ‘zouden... voortaan gekozen worden en verantwoordelijk en afzetbaar zijn.’

    De stukgeslagen staatsmachinerie werd dus door de Commune schijnbaar ‘slechts’ vervangen door een meer volkomen democratie: Opheffing van het staande leger, volstrekte verkiesbaarheid en afzetbaarheid van alle ambtelijke personen. In werkelijkheid evenwel betekent dit ‘slechts’ dat op een reusachtige schaal een bepaald soort instellingen door instellingen van principieel andere aard werd vervangen. Hier nu kan men juist een geval van ‘het omslaan van de kwantiteit in de kwaliteit’ waarnemen: De democratie, met de denkbaar grootste volledigheid en consequentie ten uitvoer gelegd, wordt van burgerlijke democratie proletarische democratie, van een staat (= bijzondere macht tot onderdrukking van een bepaalde klasse) iets dat eigenlijk al geen staat meer is.

    Het is nog altijd noodzakelijk de bourgeoisie en haar verzet te onderdrukken. Voor de Commune was dit bijzonder noodzakelijk, en een van de oorzaken van haar nederlaag was dat zij dit niet vastberaden genoeg heeft gedaan. Maar het onderdrukkende orgaan is hier al de meerderheid en niet de minderheid van de bevolking, zoals dat altijd het geval is geweest zowel bij de slavernij als bij de lijfeigenschap of de loonslavernij. Maar als nu de meerderheid van het volk zelf haar uitbuiters onderdrukt, is een ‘bijzondere macht’ ter onderdrukking al niet meer nodig! In deze zin begint de staat af te sterven. In plaats van bijzondere instellingen van een bevoorrechte minderheid (de bevoorrechte ambtenarij, het officierskorps van het staande leger) kan de meerderheid zelf daar rechtstreeks voor zorgen, en hoe groter aandeel het gehele volk heeft bij het uitoefenen van de functies van de staatsmacht, des te minder behoefte heeft het aan die macht.

    Speciale aandacht verdient in dit opzicht een door Marx onderstreepte maatregel van de Commune, namelijk het afschaffen van alle representatiegelden en alle financiële privileges van de ambtenaren en de vermindering van het loon van alle ambtenaren in de staat tot het peil van ‘arbeidersloon’. Juist hierin komt het duidelijkst de wending van burgerlijke naar proletarische democratie tot uiting — van de onderdrukkersdemocratie naar de democratie van de onderdrukten, van de staat als ‘bijzondere macht’ voor het onderdrukken van een bepaalde klasse tot het onder de duim houden van de onderdrukkers door het algemene geweld van de meerderheid van het volk, van de arbeiders en boeren. En juist in dit bijzonder duidelijke en voor het vraagstuk van de staat wel zeer belangrijke punt werd de leer van Marx het grondigst vergeten! In de populaire commentaren, waarvan het aantal legio is, wordt er niet over gesproken. Het is de ‘gewoonte’ erover te zwijgen alsof het om een primitieve ‘naïveteit’ ging, ongeveer zoals de christenen de ‘naïveteiten’ van het oerchristendom met zijn democratisch-revolutionaire geest ‘vergaten’ nadat het christendom tot staatsgodsdienst verheven was.

    De verlaging van de salarissen der hoge staatsbeambten schijnt ‘eenvoudigweg’ een eis te zijn van een naïeve, primitieve democratie. Een der ‘grondleggers’ van het nieuwste opportunisme, de vroegere sociaal-democraat Eduard Bernstein, heeft meer dan eens de platte, burgerlijke spotternijen over ‘primitieve’ democra­tie nagewauweld. Zoals alle opportunisten en ook de hedendaagse kautskyanen heeft hij absoluut niet begrepen dat, ten eerste, de overgang van het kapitalisme naar het socialisme zonder een zekere ‘terugkeer’ naar de ‘primitieve’ democratie onmogelijk is (want hoe moet men anders tot de vervulling der staatsfuncties door de meerderheid van het volk, ja door de gehele bevolking zonder uitzondering overgaan?) en dat, ten tweede, ‘primitieve democratie’ op grondslag van het kapitalisme en van een kapitalistische beschaving iets heel anders is dan de primitieve democratie van de oertijd of van het voor-kapitalistische tijdperk. De kapitalistische beschaving heeft de produktie in het groot, fabrieken, spoorwegen, posterijen, telefoon enz. geschapen op deze grondslag zijn de meeste functies van de oude ‘staatsmacht’ zoda­nig vereenvoudigd en kunnen tot zulke eenvoudige werkzaamheden van registratie, boeking en controle teruggebracht worden, dat deze functies door iedereen die lezen en schrijven kan uitgeoefend kunnen worden, zodat ze tegen normaal ‘arbeidersloon’ verricht zullen kunnen worden en hun iedere schijn van voorrecht, van het ‘voorrecht van superieuren’ ontnomen kan (en moet) worden.

    De onbeperkte verkiesbaarheid en afzetbaarheid te allen tijde van alle ambtelijke personen zonder uitzondering en de verlaging van hun salarissen tot het gewone ‘arbeidersloon’— deze eenvoudige en ‘vanzelfsprekende’ democratische maatregelen, waarbij de belangen van de arbeiders volledig stroken met die van de meerderheid der boeren, dienen tegelijkertijd als brug van het kapitalisme naar het socialisme. Deze maatregelen hebben betrekking op de staatkundige, zuiver politieke omvorming van de maatschappij, maar zij krijgen natuurlijk eerst ten volle zin en betekenis in samenhang met de aan de gang of in voorbereiding zijnde ‘onteigening van de onteigenaars’, d.w.z. met de overgang van de kapitalistische particuliere eigendom van de produktiemiddelen in maatschappelijke eigendom.

    ‘De Commune’, schreef Marx, ‘maakte het wachtwoord van alle burgerlijke revoluties — goedkope regering — tot waarheid door de twee grootste bronnen van uitgaven, het leger en het ambtenarendom, op te heffen.’

    Uit de boeren evenals uit de andere lagen van de kleine burgerij komt slechts een onbetekenende minderheid ‘naar boven’, ‘wordt iets’ in de burgerlijke zin van het woord, d.w.z. verandert in welgestelde lieden, in bourgeois of in goed verzorgde en bevoorrechte ambtenaren. In elk kapitalistisch land waar boeren zijn (en dat is de meerderheid van de kapitalistische staten) wordt de overweldigende meerderheid van de boeren door de regering onderdrukt en dorst naar haar omverwerping, dorst naar een ‘goedkope’ regering. Alleen het proletariaat is in staat dit te verwezenlijken en met deze verwezenlijking doet het tegelijkertijd een stap naar de socialistische omvorming van de staat.

    3. Het afschaffen van het parlementarisme

    ‘De Commune’, schreef Marx, ‘moest geen parlementair, maar een werkend lichaam zijn, uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd...

    In plaats van eenmaal in de drie of zes jaren te beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement moet vertegenwoordigen en vertrappen (ver- und zertreten), moest het algemene kiesrecht het in communes samengevatte volk dienen op de wijze waarop het individuele kiesrecht er iedere andere werkgever toe dient arbeiders, opzichters en boekhouders voor zijn zaak uit te zoeken.’

    Deze opmerkelijke kritiek op het parlementarisme, die van het jaar 1871 dateert, behoort thans, dank zij het algemeen heersende chauvinisme en opportunisme, evenzeer tot de ‘vergeten woorden’ van het marxisme. De ministers en beroepsparlementariërs, de verraders van het proletariaat en de ‘zaken’socialisten van onze dagen hebben de kritiek op het parlementarisme aan de anarchisten overgelaten en om deze verbazend snuggere reden maken zij iedere kritiek op het parlementarisme voor ‘anarchisme’ uit!! Geen wonder dat het proletariaat van de ‘ontwikkelde’ parlementaire landen, walgend van ‘socialisten’ als Scheidemann, David, Legien, Sembat, Renaudel, Henderson, Vandervelde, Stauning, Branting, Bissolati en Co., zijn sympathieën meer en meer aan het anarcho-syndikalisme schonk, hoewel dit een broertje van het opportunisme is.

    Maar voor Marx was de revolutionaire dialektiek nooit de lege modefrase, het kinderrateltje, waartoe zij door Plechanow, Kautsky en anderen is verlaagd. Marx verstond het onverbiddelijk te breken met de anarchisten, omdat zij, vooral in tijden dat er geen revolutionaire situatie voorhanden was, niet in staat bleken ook maar de ‘zwijnestal’ van het burgerlijke parlementarisme te benutten, maar tegelijkertijd verstond Marx het ook werkelijk revolutionair-proletarische kritiek op het parlementarisme uit te oefenen.

    Een keer in de zoveel jaren beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het parlement onder de duim zal houden en onderdrukken — daarin bestaat het wezen van het burgerlijke parlementarisme, niet alleen in de parlementair-constitutionele monarchieën, maar ook in de meest democratische republieken.

    Werpt men evenwel het vraagstuk op van de staat, beschouwt men het parlementarisme als een der instituten van de staat en wel vanuit het standpunt van de taken van het proletariaat in dit opzicht, waar is dan de uitweg uit het parlementarisme? Hoe zou men het zonder parlementarisme kunnen stellen?

    Altijd en altijd weer moet men zeggen: de op de bestudering van de Commune gebaseerde lessen van Marx zijn zo grondig vergeten dat de tegenwoordige ‘sociaal-democraat’ (lees: de tegenwoordige verrader van het socialisme) zich eenvoudig geen andere dan een anarchistische of reactionaire kritiek op het parlementarisme kan indenken.

    De uitweg uit het parlementarisme ligt natuurlijk niet in het afschaffen van de vertegenwoordigende lichamen en van de verkiesbaarheid, maar in het veranderen van de vertegenwoordigende lichamen van kletskolleges in ‘werkende’ lichamen. ‘De Commune moest geen parlementair, maar een werkend lichaam zijn, uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd’.

    ‘Geen parlementair, maar een werkend lichaam’— dat is een schot dat de tegenwoordige parlementariërs en de ‘schoothondjes’ van de sociaal-democratie in het hart treft! Men kijke maar eens naar onverschillig welk parlementair geregeerd land, van Amerika tot Zwitserland, van Frankrijk tot Engeland, Noorwegen enz.: de eigenlijke ‘staats’zaken worden achter de coulissen afgedaan door departementen, kanselarijen en staven. In de parlementen wordt slechts gekletst, speciaal met het doel het ‘eenvoudige volk’ te bedriegen. Dat is zó waar dat zelfs in de Russische republiek, in de burgerlijk-democratische republiek, nog vóór zij erin slaagde een werkelijk parlement te scheppen al deze zonden van het parlementarisme zich reeds onmiddellijk deden gevoelen. Helden van het duffe kleinburgerdom als de heren Skobeljew en Tsereteli, Tsjernow en Awksentjew, verstonden zelfs de kunst de sowjets naar het voorbeeld van het schunnigste burgerlijke parlementarisme te verknoeien en in louter kletskolleges te veranderen. De ‘socialistische’ ministers nemen in de sowjets de goedgelovige boertjes met frasen en resoluties beet. In de regering wordt een eeuwige dans uitgevoerd, enerzijds om zoveel mogelijk sociaal­revolutionairen en mensjewiki om beurten ‘aan de ruif’ van goed betaalde en eervolle baantjes te zetten, anderzijds om de ‘aandacht’ van het volk ‘bezig te houden’. En intussen worden in de kanselarijen en staven ‘staats’zaken ‘verricht’!

    De ‘Djelo Naroda’, het orgaan van de regeringspartij der ‘sociaal­revolutionairen’, heeft onlangs met de onnavolgbare openhartigheid van mensen ‘uit goede kringen’, waar zich ‘allen’ met politieke prostitutie afgeven, in een hoofdartikel erkend dat zelfs in de ministeries die geleid worden door ‘socialisten’ (vergeef ons deze benaming), dat zelfs daar het hele ambtenarenapparaat in feite hetzelfde gebleven is, net zo functioneert als vroeger en ‘in alle vrijheid’ de revolutionaire maatregelen saboteert! Maar al was deze bekentenis er niet — is de feitelijke gang van zaken met het deelnemen aan de regering door de sociaal-revolutionairen en mensjewiki soms geen voldoende bewijs? Karakteristiek is hier slechts dat de heren Tsjernow, Roesanow, Zenzinow en de overige redacteuren van de ‘Djelo Naroda’, die samen met de kadetten in de ministeries zitten, zo zeer alle schaamte verloren hebben dat zij er niet voor terugdeinzen —als gold het een bagatel — openlijk en zonder te blozen te verkondigen dat ‘bij hen’ in de ministeries alles bij het oude is gebleven!! Revolutionair-democratische frasen om de eenvoudige buitenlui te bedriegen en bureaucratische sleur om de kapitalisten ‘te vriend te houden’— dat is het hele wezen van de ‘eerlijke’ coalitie.

    De Commune vervangt het omkoopbare en verrotte parlementarisme van de burgerlijke maatschappij door lichamen waarin de vrijheid van oordeel en beraadslaging niet in bedrog ontaardt, want de parlementariërs moeten zelf werken, zelf hun wetten uitvoeren, zelf controleren met welk resultaat ze ten uitvoer worden gelegd, zelf direct voor hun kiezers de verantwoordelijkheid dragen. De vertegenwoordigende lichamen blijven, maar het parlementarisme als bijzonder stelsel, als scheiding tussen de arbeid van de wetgevende en de uitvoerende macht, als bevoorrechte positie van de afgevaardigden, bestaat hier niet. Zonder vertegenwoordigende lichamen kunnen wij ons geen democratie, zelfs geen proletarische democratie denken, wel echter kunnen en moeten wij ons de democratie denken zonder parlementarisme, als de kritiek op de burgerlijke maatschappij voor ons geen leeg gebazel is, als ons streven de heerschappij van de bourgeoisie omver te werpen oprecht en ernstig gemeend is en niet alleen een ‘verkiezings’leus voor het vangen van arbeidersstemmen, zoals bij de mensjewiki en de sociaal-revolutionairen of bij de Scheidemanns en Legiens, bij de Sembats en Vanderveldes.

    Het is zeer leerzaam dat Marx, wanneer hij van de functies van die ambtenaren spreekt die ook voor de Commune en de proletarische democratie nodig zijn, hen vergelijkt met het ‘door iedere andere werkgever’ aangestelde personeel, d.w.z. met een ‘gewone kapitalistische onderneming met ‘arbeiders, opzichters en boekhouders’.

    Men vindt bij Marx zelfs geen spoor van utopisme in die zin dat hij een ‘nieuwe’ maatschappij uitdenkt en bij elkaar fantaseert. Neen, hij bestudeert, als een natuurhistorisch proces, de geboorte van de nieuwe maatschappij uit de oude, de overgangsvormen van de oude naar de nieuwe. Hij houdt zich aan de feitelijke ervaringen van de proletarische massabeweging en tracht daaruit praktische lessen te trekken. Hij ‘leert’ van de Commune, zoals alle grote revolutionaire denkers niet geaarzeld hebben uit de ervaringen van de grote bewegingen der onderdrukte klassen te leren zonder hun ooit op een pedante manier ‘de les’ te lezen (zoals b.v. Plechanow met: ‘men had niet naar de wapens moeten grijpen’ of Tsereteli met: ‘een klasse moet zich zelfbeperking opleggen’).

    Er kan geen sprake zijn van het met één slag, overal en volledig vernietigen van de ambtenarij. Dat is een utopie. Maar het oude ambtenarenapparaat met één slag stukslaan en terstond beginnen met de opbouw van een nieuw apparaat dat langzamerhand iedere ambtenarij overbodig maakt en opheft — dat is geen utopie, dat is de ervaring van de Commune, daarin bestaat de onmiddel­lijke taak van het revolutionaire proletariaat.

    Het kapitalisme vereenvoudigt de functies van het ‘staatsbestuur, maakt het mogelijk het ‘superieurensysteem’ af te schaffen en alles terug te brengen tot de organisatie van de proletariërs (als heersende klasse) die in naam van de gehele maatschappij ‘arbeiders, opzichters en boekhouders’ zal aanstellen.

    Wij zijn geen utopisten. Wij ‘dromen’ er niet van hoe men het terstond zonder elk bestuur, zonder elke ondergeschiktheid zou kunnen stellen; deze anarchistische dromen, die berusten op het niet begrijpen van wat de taken zijn van de diktatuur van het proletariaat, zijn volkomen vreemd aan het marxisme en dienen in werkelijkheid slechts om de socialistische revolutie op de lange baan te schuiven tot de mensen anders geworden zullen zijn.

    Neen, wij willen de socialistische revolutie met de mensen zoals ze nu zijn, de mensen die het zonder ondergeschiktheid, zonder controle, zonder ‘opzichters en boekhouders’ niet zullen kunnen stellen.

    Maar die ondergeschiktheid moet er een zijn aan de gewapende voorhoede van alle uitgebuiten en werkenden — het proletariaat. Men kan en moet dadelijk, van vandaag op morgen beginnen met bet vervangen van de specifieke ‘superieurenrol’ van de staatsambtenaren door de eenvoudige functies van ‘opzichters en boekhouders’, functies waaraan de tegenwoordige stedeling met zijn ontwikkelingspeil in het algemeen reeds ten volle kan voldoen en die voor een ‘arbeidersloon’ volstrekt uitvoerbaar zijn.

    Laten wij arbeiders zelf de productie in het groot organiseren, uitgaande van wat het kapitalisme reeds heeft geschapen, steunend op onze arbeiderservaring, met behulp van een strenge, ijzeren discipline die door de staatsmacht van de gewapende arbeiders gehandhaafd wordt; laten wij van de staatsambtenaren eenvoudige uitvoerders van onze opdrachten maken, verantwoordelijke, afzetbare, met een bescheiden loon bezoldigde ‘opzichters en boekhouders’ (met inbegrip van alle mogelijke technici) -dat is onze proletarische taak, daarmee kan en moet begonnen worden bij het ten uitvoer leggen van de proletarische revolutie. Zulk een begin, op de grondslag van de produktie in het groot, leidt op zich zelf al tot het geleidelijk ‘afsterven’ van elke ambtenarij, tot het geleidelijk scheppen van een orde — orde zonder aanhalingstekens, die met loonslavernij niets te maken heeft — een orde waarin alle zich steeds meer vereenvoudigende functies van toezicht en controle door ieder om de beurt vervuld worden, dan tot gewoonte worden en tenslotte als bijzondere functies van een bijzondere groep mensen wegvallen.

    Een geestige Duitse sociaal-democraat uit de zeventiger jaren van de vorige eeuw heeft de posterijen een voorbeeld van socialistische bedrijfsvoering genoemd. Dat is zeer juist. Tegenwoordig zijn de posterijen een bedrijf dat naar het voorbeeld van het staats-kapitalistische monopolie is georganiseerd. Het imperialisme verandert gaandeweg alle trusts in organisaties van deze soort. Boven de ‘eenvoudige’ werkenden die zich afjakkeren en gebrek lijden, staat hier een eendere burgerlijke bureaucratie. Maar het mechanisme van de maatschappelijke bedrijfsvoering is hier reeds klaar voorhanden. Breng het kapitalisme ten val, breek met de ijzeren vuist van de gewapende arbeiders het verzet van deze uitbuiters, vernietig de bureaucratische machine van de tegenwoordige staat - en voor ons staat een van het ‘parasietendom’ bevrijd, technisch hoog ontwikkeld mechanisme, dat de verenigde arbeiders zelf zeer wel in beweging kunnen zetten wanneer zij technici, opzichters en boekhouders aanstellen en de arbeid van hen allen, evenals de arbeid van alle ‘staats’ambtenaren met abreidersloon betalen. Dit is een concrete praktische taak die, wat alle trusts betreft, terstond te verwezenlijken is en waarbij de werkenden van de uitbuiting worden bevrijd en de ervaringen worden verwerkt van wat de Commune in de praktijk reeds begon te verwezenlijken (in het bijzonder op het gebied van de staatsopbouw).

    Ons naastbijliggende doel is de gehele volkshuishouding naar het voorbeeld van de posterijen te organiseren en wel zo dat de onder controle en leiding van het gewapende proletariaat staande technici, opzichters en boekhouders, alsmede alle ambtenaren niet meer salaris krijgen dan het ‘arbeidersloon’. Dat is de staat, dat is de economische grondslag van de staat die wij nodig hebben. Dat zal ons de afschaffing van het parlementarisme en het behouden van vertegenwoordigende lichamen tot stand brengen en zal de werkende klassen bevrijden van de prostituering van deze lichamen door de bourgeoisie.

    4. Het organiseren van de eenheid der natie

    ‘In een korte schets van de nationale organisatie, die de Commune uit gebrek aan tijd niet verder kon uitwerken, wordt nadrukkelijk gezegd, dat de Commune de politieke vorm zelfs van het kleinste dorp moest zijn...’ Door deze communes moest ook de ‘nationale afvaardiging’ in Parijs worden gekozen.

    ‘De weinige maar belangrijke functies, die dan nog voor een centrale regering overbleven, moesten niet, zoals met opzet valselijk is voorgesteld, worden afgeschaft, maar aan communale, d.w.z. strikt verantwoordelijke ambtenaren worden overgedragen. De eenheid der natie moest niet worden verbroken, maar integendeel door de Commune-inrichting georganiseerd; ze moest werkelijkheid worden door de vernietiging van die staatsmacht, die zich voor de belichaming van deze eenheid uitgaf, maar onafhankelijk van en de meerdere wilde zijn tegenover de natie, aan welker lichaam zij evenwel slechts een parasitaire uitwas vormde. Terwijl het er op aankwam de enkel maar onderdrukkende organen van de oude regeringsmacht af te snijden, moesten haar rechtmatige functies worden ontrukt aan een macht, die er aanspraak op maakte boven de maatschappij te staan, en aan de verantwoordelijke dienaren der maatschappij worden teruggegeven.’

    In welke mate de opportunisten van de tegenwoordige sociaal-democratie deze beschouwingen van Marx niet begrepen — juister misschien: niet wilden begrijpen — wordt het beste bewezen door het herostratisch beroemde boek van de renegaat Bernstein, ‘De voorwaarden van het socialisme en de taken van de sociaal-democratie’. Juist met betrekking tot de aangehaalde woorden van Marx schreef Bernstein dat het een program was ‘dat naar zijn politieke inhoud in al zijn wezenlijke trekken de grootste gelijkenis vertoonde met het federalisme van Proudhon... Bij alle verdere verschillen tussen Marx en de “kleinburger” Proudhon’ (Bernstein zet het woord tussen aanhalingstekens die volgens hem ironie moeten uitdrukken) ‘is in deze punten de gedachtengang bij hen zo gelijk als maar mogelijk is.’ Zeker, zo gaat Bernstein voort, de betekenis van de gemeenteraden wordt groter ‘...maar of zulk een ontbinding (Auflösung) van het moderne staatsbestel en de totale omvorming (Umwandlung) van zijn organisatie zoals Marx en Proudhon ze schilderen (de vorming van de nationale vergadering uit afgevaardigden van de provinciale en districtsvergaderingen, die op hun beurt uit afgevaardigden van de communes dienen te worden samengesteld) het eerste werk van de democratie zou moeten zijn, zodat dus de vorm van de nationale vertegenwoordigingen zoals hij tot nu toe was zou wegvallen, lijkt mij twijfelachtig.’ (Bernstein, ‘Voorwaarden’, blz. 134 en 136 van de Duitse uitgave van 1899.)

    Dat is werkelijk monsterachtig: De opvattingen van Marx over de ‘vernietiging van de staatsmacht, deze parasitaire uitwas’, over één kam te scheren met het federalisme van Proudhon! Maar iets toevalligs is het niet, want het komt niet eens bij de opportunist op dat Marx hier helemaal niet spreekt over het federalisme in tegenstelling tot het centralisme, maar over de vernietiging van de oude, burgerlijke, in alle burgerlijke landen bestaande staatsmachine.

    De opportunist kan zich alleen voorstellen wat hij om zich heen ziet, in het milieu van de kleinburgerlijke alledaagsheid en van ‘reformistische’ stagnatie, namelijk alleen de ‘gemeenteraden’! Aan de revolutie van het proletariaat ook maar te denken, dat heeft de opportunist verleerd.

    Het is belachelijk. Opmerkelijk is echter dat op dit punt Bernstein in het geheel niet werd aangevallen. Bernstein werd door velen weerlegd, in de Russische literatuur in het bijzonder door Plechanow, in de Westeuropese door Kautsky, maar geen van beiden heeft van deze vervalsing van Marx door Bernstein met een enkel woord gewag gemaakt.

    De opportunist is het zozeer verleerd revolutionair te denken en zijn gedachten over de revolutie te laten gaan dat hij Marx ‘federalisme’ toeschrijft en hem met Proudhon, de stichter van het anarchisme, over één kam scheert. En Kautsky én Plechanow, die zich voor orthodoxe marxisten uitgeven en de leer van het revolutionaire marxisme zeggen hoog te houden, zwijgen daarover! Hier ligt een van de wortels van die uiterste vervlakking van de opvattingen over het verschil tussen marxisme en anarchisme, die zowel de kautskyanen als de opportunisten kenmerkt en waarop wij nog zullen terugkomen.

    De aangehaalde beschouwingen van Marx over de ervaringen van de Commune bevatten zelfs geen spoortje van federalisme. Marx is het met Proudhon eens juist in datgene wat de opportunist Bernstein niet ziet. Marx verschilt met Proudhon juist daar van mening waar Bernstein overeenstemming ziet.

    Marx is het met Proudhon eens voorzover zij beiden voor het ‘stukslaan’ van de tegenwoordige staatsmachine zijn. Deze overeenstemming van het marxisme met het anarchisme (met Proudhon zowel als met Bakoenin) willen noch de opportunisten, noch de kautskyanen zien, want zij hebben zich op dit punt van het marxisme afgekeerd.

    Marx verschilt zowel met Proudhon als met Bakoenin van mening juist in het vraagstuk van het federalisme (om van de diktatuur van het proletariaat maar niet eens te spreken). Uit de kleinburgerlijke opvattingen van het anarchisme volgt logischerwijs het federalisme. Marx is centralist. In zijn hier aangehaalde beschouwingen is geen enkele afwijking van het centralisme te vinden. Slechts lieden die vervuld zijn van kleinburgerlijk ‘bijgeloof’ in de staat kunnen de vernietiging van de burgerlijke staatsmachine aanzien voor een vernietiging van het centralisme!

    Als echter het proletariaat en de arme boeren de staatsmacht in handen nemen, zich geheel vrij in communes organiseren en de werkzaamheid van alle communes verenigen om het kapitaal te verslaan, het verzet van de kapitalisten te breken en de particuliere eigendom van de spoorwegen, fabrieken, grond enz. aan de gehele natie, de gehele maatschappij over te dragen — is dat soms geen centralisme? Zou dat niet het meest consequente democratische centralisme zijn? En nog wel een proletarisch centralisme?

    Het komt eenvoudig niet bij Bernstein op dat een vrijwillig centralisme mogelijk is, een vrijwillige vereniging van de commu­nes tot een natie, een vrijwillig samengaan van de proletarische communes ter vernietiging van de burgerlijke heerschappij en van de burgerlijke staatsmachine. Bernstein stelt zich als iedere filister het centralisme voor als iets dat alleen van bovenaf, door de ambtenaren en militairen opgedrongen en in stand gehouden kan worden.

    Marx heeft er uitdrukkelijk op gewezen (alsof hij de mogelijkheid had voorzien dat zijn opvattingen werden verdraaid) dat het tot de Commune gerichte verwijt, dat zij de eenheid van de natie wilde vernietigen en de centrale regering wilde opheffen, een bewuste vervalsing is. Marx gebruikt de uitdrukking ‘de eenheid der natie moest georganiseerd’ worden met opzet om het bewuste, democratische, proletarische centralisme tegenover het burgerlijke, militaire, bureaucratische centralisme te plaatsen.

    Maar... erger dan een dove is hij die niet horen wil. En de opportunisten van de tegenwoordige sociaal-democratie willen nu eenmaal niets horen van het vernietigen van de staatsmacht en van het amputeren van de parasitaire uitwas.

    5. Het vernietigen van de parasitaire staat

    We hebben de desbetreffende passages bij Marx reeds aangehaald, maar we moeten ze nog aanvullen.

    ‘Het is gewoonlijk het lot van nieuwe historische scheppingen, te worden aangezien voor het pendant van oudere en zelfs van afgeleefde vormen van het maatschappelijke leven, waarop zij enigermate lijken. Zo werd deze nieuwe Commune, die de moderne staatsmacht breekt, aangezien voor een herleving van de middeleeuwse communes... een bond van kleine staten, waarvan Montesquieu en de Girondijnen droomden... voor een overdreven vorm van de oude strijd tegen de ten top gevoerde centralisatie...

    Het Commune-bestel zou integendeel aan het maatschappelijke lichaam al die krachten hebben teruggegeven, die tot dusverre de parasitaire uitwas “staat”, die op de maatschappij teert en haar vrije beweging belemmert, heeft verbruikt. Door deze daad alleen zou het de wedergeboorte van Frankrijk op gang hebben gebracht...

    Doch in werkelijkheid zou het Commune-bestel de landelijke producenten onder de geestelijke leiding van de districtshoofdsteden hebben gebracht en hun daar in de stedelijke arbeiders de natuurlijke vertegenwoordigers van hun belangen hebben verzekerd. Alleen al het bestaan van de Commune bracht als iets, dat van zelf sprak, de plaatselijke zelfregering met zich mee, maar nu niet meer als tegenwicht tegen de thans overbodig gemaakte staatsmacht.’

    ‘Vernietiging van de staatsmacht’ die een ‘parasitaire uitwas’ is, haar ‘amputatie’, ‘vernietiging’, de ‘thans overbodig gemaakte staatsmacht’— dat zijn de uitdrukkingen die Marx gebruikte toen hij de ervaringen van de Commune beoordeelde en onderzocht.

    Dit alles is bijna een halve eeuw geleden geschreven en men moet nu als het ware opgravingen verrichten om de brede massa’s bewust te doen worden van het onvervalste marxisme. De conclusies uit de waarnemingen van de laatste door Marx meegemaakte grote revolutie had men vergeten juist op het moment dat de volgende grote revoluties van het proletariaat naderden.

    ‘De menigvuldigheid van interpretaties, waarvan de Commune het voorwerp was, en de menigvuldigheid van belangen die in haar tot uitdrukking kwamen, bewijzen dat zij een in alle opzichten voor uitbreiding vatbare politieke vorm was terwijl alle vroegere regeringsvormen in wezen onderdrukkend waren geweest. Haar ware geheim was dit: zij was in wezen een regering van de arbeidersklasse, het resultaat van de strijd van de voortbrengende tegen de toeeigenende klasse, de eindelijk ontdekte politieke vorm, waaronder de economische bevrijding van de arbeid zich kon voltrekken. Zonder deze laatste voorwaarde was het Commune-bestel een onmogelijkheid en een misleiding.’

    De utopisten hielden zich bezig met het ‘ontdekken’ van de politieke vormen, waaronder de socialistische reconstructie van de maatschappij moest geschieden. De anarchisten wilden in het geheel niets weten van politieke vormen. De opportunisten van de tegenwoordige sociaal-democratie beschouwden de burgerlijke politieke vormen van de parlementaire democratische staat als de grens die niet kon worden overschreden, ze beukten zich het voorhoofd stuk bij het aanbidden van dit ‘toonbeeld’ en verklaarden ieder streven om deze vormen te breken voor anarchisme. Marx heeft uit de gehele geschiedenis van het socialisme en van de politieke strijd de conclusie getrokken dat de staat zal moeten verdwijnen en dat de overgangsvorm daarbij (de overgang van staat naar niet-staat) het ‘als heersende klasse georganiseerde proletariaat’ zal zijn. Maar Marx deed geen poging de politieke vormen van deze toekomst te ontdekken. Hij beperkte zich tot een nauwkeurige waarneming en analyse van de geschiedenis van Frankrijk en trok de conclusie die het jaar 1851 toestond: het zal gaan, om de vernietiging van de burgerlijke staatsmachine.

    En toen de revolutionaire massabeweging van het proletariaat was uitgebroken, begon Marx, ondanks het mislukken van deze beweging en ondanks haar korte duur en in het oog lopende zwakte, te bestuderen welke vormen zij had ontdekt.

    De Commune is de door de proletarische revolutie ‘eindelijk ontdekte’ vorm, waaronder de economische bevrijding van de arbeid zich kan voltrekken.

    De Commune is de eerste poging van de proletarische revolutie de burgerlijke staatsmachine te verbrijzelen en tevens de ‘einde­lijk ontdekte’ politieke vorm door welke men het verbrijzelde kan en moet vervangen.

    Wij zullen in het verdere verloop van dit opstel zien dat de Russische revoluties van 1905 en 1917 in een andere situatie en onder andere voorwaarden het werk van de Commune voortzetten en de geniale historische analyse van Marx bevestigen.



    Hoofdstuk IV: Vervolg. Aanvullende toelichtingen van Engels

    Met betrekking tot de betekenis van de ervaring der Commune belichtte Marx de kern van het vraagstuk. Engels kwam herhaal­delijk op dit onderwerp terug, gaf een toelichting op de analyse en de gevolgtrekkingen van Marx en belichtte soms met zoveel kracht en zo verhelderend andere kanten van het vraagstuk dat het nodig is speciaal op deze toelichtingen in te gaan.

    1. ‘Over het woningvraagstuk’

    In zijn werk over het woningvraagstuk (1872) houdt Engels reeds rekening met de ervaringen van de Commune en verwijlt meerma­len bij de taak van de revolutie met betrekking tot de staat. Het is interessant hoe aan een concreet onderwerp aanschouwelijk getoond kan worden enerzijds de trekken die de proletarische staat met de tegenwoordige gemeen heeft, trekken die ons in beide gevallen veroorloven van een staat te spreken, en anderzijds de onderscheidingskentekenen of de overgang naar het afschaffen van de staat.

    ‘Hoe moet nu het woningvraagstuk worden opgelost? In de tegenwoordige maatschappij wordt het precies als iedere andere maatschappelijke kwestie opgelost, namelijk door de geleidelijke economische vereffening van vraag en aanbod, een oplossing die steeds weer opnieuw dit vraagstuk voort­brengt en dus geen oplossing is. Hoe een sociale revolutie dit vraagstuk zou oplossen hangt niet alleen af van de telkenmale zich voordoende omstandigheden, maar hangt ook samen met veel verder reikende vraagstukken, waaronder de opheffing van de tegenstelling tussen stad en land een der voornaamste is. Daar wij geen utopische stelsels voor de inrichting van de toekomstige maatschappij behoeven op te stellen zou het meer dan overbodig zijn hierop in te gaan. Zoveel is echter zeker dat reeds nu in de grote steden voldoende woonruimte aanwezig is om bij een rationeel gebruik iedere wezenlijke “woningnood” terstond te lenigen. Dit kan natuurlijk alleen geschieden door onteigening van de tegenwoordige bezitters of door dakloze en in hun woningen uitermate samengepakte arbeiders in hun huizen in te kwartieren; zodra het proletariaat de politieke macht veroverd heeft zal zulk een door het algemene welzijn geboden maatregel even gemakkelijk uitvoerbaar zijn als andere onteigeningen en inkwartieringen door de tegenwoordige staat.’ (Blz. 22 van de Duitse uitgave van 1887.)

    Hier wordt niet de verandering van de vorm van de staatsmacht onderzocht, maar alleen de inhoud van haar werkzaamheid. Onteigeningen en inkwartieringen worden ook door de tegenwoordige staat verordend. Formeel beschouwd zal ook de proletarische staat inkwartieringen en onteigeningen van huizen kunnen verordenen. Maar het is duidelijk dat het oude uitvoerende apparaat, de met de bourgeoisie verbonden ambtenarij, eenvoudig onbruikbaar zou zijn voor het ten uitvoer leggen van de verordeningen van de proletarische staat.

    ‘Er moet overigens worden vastgesteld dat de “daadwerkelijke inbezitneming” van alle arbeidsinstrumenten, de inbezitneming van de gehele industrie door het werkende volk precies het tegenovergestelde is van de “aflossing” van Proudhon. In het laatste geval wordt de individuele arbeider eigenaar van de woning, van de boerenhofstede, van het arbeidsinstrument; in het eerste geval blijft het “werkende volk” gemeenschappelijke eigenaar van de huizen, fabrieken en arbeidsinstrumenten en wordt hun vruchtgebruik, althans gedurende een overgangstijd, bezwaarlijk zonder vergoeding van de kosten aan enkelingen of maatschappijen overgedragen. De afschaffing van de grondeigendom is immers ook niet de afschaffing van de grondrente, maar haar overdracht, zij het in gewijzigde vorm, aan de maatschappij. De daadwerkelijke inbezitneming van alle arbeidsinstrumenten door het werkende volk sluit dus het behoud van de huurverhouding geenszins uit.’ (Blz. 68.)

    Het in deze beschouwing aangesneden vraagstuk van de economische grondslagen van het afsterven van de staat zullen wij in het volgende hoofdstuk behandelen. Engels drukt zich uiterst. voorzichtig uit waar hij zegt dat de proletarische staat ‘bezwaarlijk’ zonder vergoeding woningen kan verdelen, ‘althans gedurende een overgangstijd’. Het tegen vergoeding afstaan aan afzonderlijke gezinnen van woningen die aan het gehele volk behoren veronderstelt ook het inkasseren van dit huurgeld en een zekere controle, alsmede het vaststellen van bepaalde normen voor het verdelen van de woonruimte. Dit alles vereist een bepaalde staats vorm, maar volstrekt niet een bijzonder militair en bureaucratisch apparaat met ambtelijke personen in bevoorrechte positie. De overgang naar een stelsel waarbij de woningen zonder vergoeding zullen kunnen worden afgestaan, houdt echter verband met het totale ‘afsterven’ van de staat.

    Daar waar Engels het erover heeft dat de blanquisten na de Commune en onder invloed van haar ervaringen principieel het standpunt van het marxisme innamen, formuleert hij dit standpunt terloops als volgt:

    ‘...de noodzakelijkheid van de politieke actie van het proletariaat en van zijn diktatuur als overgang naar het afschaffen van de klassen en met hen van de staat.’ (Blz. 55.)

    Liefhebbers van haarkloverij of burgerlijke ‘Marx-vernietigers’ mogen een tegenspraak zien tussen deze erkenning van het ‘afschaf­fen van de staat’ en het afwijzen van een formule als de anarchistische in de vroeger geciteerde passage uit de ‘Anti-Dühring’. Het zou niet verwonderlijk zijn als de opportunisten ook Engels als ‘anarchist’ zouden bestempelen. Steeds vaker hoort men thans van de zijde van de sociaal-chauvinisten de beschuldiging dat de internationalisten anarchisten zijn.

    Dat tegelijk met de afschaffing van de klassen ook een afschaffing van de staat zal plaatsvinden, dat heeft het marxisme altijd geleerd. De algemeen bekende passage in de ‘Anti-Dühring’ over het ‘afsterven van de staat’ verwijt de anarchisten niet zo maar dat zij voor het afschaffen van de staat zijn, maar dat zij de mogelijkheid prediken de staat ‘van vandaag op morgen’ af te schaffen.

    Daar de tegenwoordig heersende ‘sociaal-democratische’ leer de verhouding van het marxisme tot het anarchisme inzake de kwestie van het afschaffen van de staat volkomen verdraait, is het bijzonder nuttig te herinneren aan een polemiek van Marx en Engels tegen de anarchisten.

    2. De polemiek tegen de anarchisten

    Deze polemiek valt in het jaar 1873. Marx en Engels schreven toen voor een Italiaanse socialistische almanak bijdragen tegen de proudhonisten, de ‘autonomisten’ of ‘anti-autoritairen’, maar pas in 1913 verschenen deze artikelen in een Duitse vertaling in de ‘Neue Zeit’.

    ‘Wanneer de politieke strijd van de arbeidersklasse’, schreef Marx, spottend met de anarchisten en met hun afwijzen van de politiek, ‘revolutionaire vormen aanneemt, wanneer de arbeiders in plaats van de diktatuur van de bourgeoisie hun revolutionaire diktatuur plaatsen, dan begaan zij de vreselijke misdaad van beginselverkrachting, want om hun) jammerlijke, profane dagelijkse behoeften te bevredigen, om het verzet van de bourgeoisie te breken, geven zij de staat een revolutionaire en voorbijgaande vorm in plaats van de wapens neer te leggen en de staat af te schaffen.’ (‘Neue Zeit’, XXXII, dl. l, 1913-1914, blz. 40.)

    Marx verzette zich dus uitsluitend tegen deze soort van ‘afschaffing’ van de staat, toen hij de anarchisten bestreed! Geenszins ertegen dat met het verdwijnen van de klassen ook de staat zal verdwijnen of met het afschaffen van de klassen zal worden afgeschaft, maar daartegen dat de arbeiders zouden afzien van het gebruik van wapens en van het georganiseerde geweld, dat wil zeggen van de staat die moet dienen om ‘het verzet van de bourgeoisie te breken’.

    Marx legt, opdat de ware betekenis van zijn bestrijding van het anarchisme niet verdraaid wordt, opzettelijk de nadruk op de ‘revolutionaire en voorbijgaande vorm’ van de staat die het proletariaat nodig heeft. Het proletariaat heeft de staat slechts tijdelijk nodig. Onze onenigheid met de anarchisten betreft geenszins de kwestie van het afschaffen van de staat als doel. Wij beweren dat het voor het bereiken van dit doel noodzakelijk is tijdelijk de organen, middelen en methoden van de staatsmacht tegen de uitbuiters te gebruiken, evenals er voor het opheffen van de klassen een voorbijgaande diktatuur van de onderdrukte klasse nodig is. In zijn polemiek tegen de anarchisten stelt Marx het vraagstuk op de scherpste en duidelijkste manier: Wanneer de arbeiders het juk van de kapitalisten afschudden, moeten zij dan ‘de wapens neerleggen’ of ze tegen de kapitalisten gebruiken om hun verzet te breken? Maar is het systematische gebruik van de wapens door een klasse tegen een andere soms iets anders dan een ‘voorbijgaande vorm’ van de staat?

    Iedere sociaal-democraat moge zich afvragen of hij in zijn polemiek tegen de anarchisten het vraagstuk van de staat zo heeft gesteld, of de overgrote meerderheid van de officiële socialistische partijen van de Tweede Internationale dit vraagstuk zo heeft gesteld.

    Engels heeft deze kwestie nog uitvoeriger en bevattelijker uiteengezet. Eerst drijft hij de spot met de verwarring in de hoofden van de proudhonisten die zich ‘anti-autoritair’ noemden, d.w.z. iedere autoriteit, iedere ondergeschiktheid, elk regeringsgezag van de hand wezen. Neem nu, zegt Engels, een fabriek, een spoorweg, een schip op volle zee; is het niet duidelijk dat zonder een zekere ondergeschiktheid en dus ook zonder een zekere autoriteit of macht geen van deze gecompliceerde technische inrichtingen, die op het gebruik van machines en de planmatige samenwerking van vele personen berusten, kan functioneren?

    ‘Wanneer ik dit argument tegen de meest verwoede anti-autoritairen aanvoer’, schrijft Engels, ‘kunnen zij mij alleen maar dit antwoord geven: Tja, dat is waar, maar het gaat hier niet om de autoriteit die wij aan de afgevaardigden geven; het gaat hier om een opdracht. Deze lieden geloven dat zij een zaak kunnen veranderen door de naam ervan te veranderen.’

    Nadat Engels op deze wijze heeft aangetoond dat autoriteit en autonomie betrekkelijke begrippen zijn, dat het gebied waarbinnen zij gelden met de verschillende fasen van de maatschappelijke ontwikkeling mee verandert en dat het dwaasheid is ze als iets absoluuts te beschouwen en nadat hij er nog aan heeft toegevoegd dat de toepassing van machines en van de produktie in het groot steeds verder om zich heen grijpt, gaat hij van algemene beschouwingen over de autoriteit tot het vraagstuk van de staat over.

    ‘Als de autonomisten’, schrijft hij, ‘ermee hadden volstaan te zeggen dat de sociale organisatie van de toekomst de autoriteit slechts zal toelaten binnen de grenzen die door de produktieverhoudingen onvermijdelijk worden getrokken, dan had men met hen tot een accoord kunnen komen; zij zijn echter blind voor alle feiten die de autoriteit noodzakelijk maken en strijden hartstochtelijk tegen het woord.

    Waarom beperken de anti-autoritairen zich er niet toe tegen de politieke autoriteit, tegen de staat te keer te gaan? Alle socialisten zijn het met elkaar eens dat de staat en met hem de politieke autoriteit ten gevolge van de toekomstige sociale revolutie zullen verdwijnen; dit betekent dat de openbare functies hun politieke karakter zullen verliezen en in eenvoudige administratieve functies zullen veranderen die over de sociale belangen waken. De anti-autoritairen evenwel eisen dat de politieke staat met één slag wordt afgeschaft, nog eerder dan de sociale verhoudingen afgeschaft zijn die hem hebben voortgebracht. Zij eisen dat de eerste daad van de sociale revolutie het afschaffen van de autoriteit zal zijn.

    Hebben deze heren ooit een revolutie gezien? Een revolutie is beslist de meest autoritaire zaak die er bestaat, een daad door welke een deel van de bevolking aan het andere deel zijn wil oplegt door middel van geweren, bajonetten en kanonnen, wat allemaal zeer autoritaire middelen zijn, en de partij die overwonnen heeft moet haar heerschappij handhaven door de angst die haar wapens de reactionairen inboezemen. En als de Commune van Parijs zich niet van de autoriteit van een gewapend volk tegen de bourgeoisie had bediend, zou zij zich dan langer dan één dag staande hebben kunnen houden? Kunnen wij haar niet omgekeerd verwijten dat zij zich te weinig van deze autoriteit heeft bediend? Dus het een of het ander: Of de anti-autoritairen weten zelf niet wat zij zeggen en in dat geval stichten zij slechts verwarring, of ze weten het en in dat geval verraden zij de zaak van het proletariaat. In beide gevallen dienen zij slechts de reactie.’ (Blz. 39.)

    In deze beschouwing worden vraagstukken aangeroerd die behandeld dienen te worden in verband met de verhouding tussen politiek en economie bij het afsterven van de staat (aan dit onderwerp is het volgende hoofdstuk gewijd). Daartoe behoren het vraagstuk van de verandering der openbare functies van politieke in eenvoudige administratieve en het vraagstuk van de ‘politieke staat’. Deze laatste uitdrukking, die al heel gemakkelijk tot misverstand aanleiding kan geven, wijst op het proces van het afsterven van de staat: de afstervende staat kan op een bepaalde trap van zijn afsterven een onpolitieke staat worden genoemd.

    Het meest opmerkelijke in deze beschouwingen van Engels is opnieuw de manier waarop hij het vraagstuk tegen de anarchisten aan de orde stelt. Sinds 1873 hebben de sociaal-democraten, die leerlingen van Engels willen zijn, miljoenen malen tegen de anarchisten gepolemiseerd, maar ze deden het juist niet zoals marxisten kunnen en moeten polemiseren. De anarchistische voorstelling van het afschaffen van de staat is verward en onrevolutionair — zo stelde Engels de kwestie. De anarchisten willen juist de revolutie in haar ontstaan en haar ontwikkeling, in haar bijzondere taak tegenover het geweld, de autoriteit, de macht en de staat, niet zien.

    De gebruikelijke kritiek van de tegenwoordige sociaal-democraten op het anarchisme komt neer op een zuiver kleinburgerlijke banaliteit: ‘Wij erkennen de staat, de anarchisten niet!’ Zulk een banaliteit moet op enigermate denkende en revolutionaire arbeiders natuurlijk afstotend werken. Engels zegt iets anders; hij legt er de nadruk op dat alle socialisten het verdwijnen van de staat als gevolg van de socialistische omwenteling erkennen. Daarna stelt hij concreet de kwestie van de revolutie, met name de kwestie die gewoonlijk door de opportunistische sociaal-democraten wordt ontweken en door hen om zo te zeggen uitsluitend aan de anarchisten ter ‘uitwerking’ wordt overgelaten. En met deze kwestie pakt Engels de koe bij de horens: Had de Commune de revolutionaire macht van de staat, d.w.z. van het gewapende, als heersende klasse georganiseerde proletariaat, niet meer moeten gebruiken?

    De heersende officiële sociaal-democratie maakt zich van de kwestie aangaande de concrete taken van het proletariaat in de revolutie gewoonlijk af met de laffe grapjes van een filister of, in het beste geval, met de ontwijkende sofistische frase ‘dat zullen we dan wel zien. En zo konden de anarchisten met recht beweren dat deze sociaal-democratie haar taak verzaakt de arbeidersklasse revolutionair op te voeden. Engels gebruikt de ervaring van de laatste proletarische revolutie juist om heel concreet aan de weet te komen wat het proletariaat met betrekking tot de banken en met betrekking tot de staat moet doen en hoe dit gedaan moet worden.

    3. Een brief aan Bebel

    Een van de opmerkelijkste, zo niet de opmerkelijkste beschouwing in de werken van Marx en Engels over de staat is de volgende passa­ge in de brief van Engels aan Bebel van 18—28 maart 1875. Tus­sen haakjes zij opgemerkt dat deze brief voor zover ons bekend is voor het eerst door Bebel in het tweede deel van diens gedenkschriften (‘Uit mijn leven’) werden gepubliceerd, in 1911, dus 36 jaar nadat de brief was geschreven en afgezonden. Engels kritiseerde in zijn brief aan Bebel hetzelfde ontwerp van het program van Gotha, waarop ook Marx in zijn beroemde brief aan Bracke kritiek oefende. Engels schreef speciaal over het vraag­stuk van de staat het volgende:

    ‘De vrije volksstaat is in de vrije staat veranderd. Grammatikaal gezien is een vrije staat er een, waar de staat vrij is tegenover zijn burgers, dus een staat met een despotische regering. Men moest maar liever ophouden met al dat ge­praat over de staat, vooral sinds de Commune, die reeds geen staat in de eigenlijke zin van het woord meer was. De “volksstaat” is ons door de anarchisten tot walgens toe voor de voeten geworpen, ofschoon reeds het geschrift van Marx tegen Proudhon en later “Het Communistisch Manifest” ronduit zeggen dat met de invoering van de socialistische maatschappij de staat zich vanzelf oplost en verdwijnt. Daar nu de staat toch slechts een voorbijgaande instelling is waarvan men zich in de strijd, in de revolutie bedient om zijn tegenstanders er met geweld onder te houden, is het pure onzin van vrije volksstaat te spreken: Zolang het proletariaat de staat nog gebruikt, doet het dit niet in het belang van de vrijheid, maar om er zijn tegenstanders mee onder de duim te houden, en zodra er van vrijheid sprake kan zijn, houdt de staat als zodanig op te bestaan. Wij zouden dus willen voorstellen overal in plaats van staat “Gemeinwesen” te plaatsen, een goed oud Duits woord dat het Franse “commune” zeer goed kan vervangen.’ (Blz. 321—322 van het Duitse origineel.)

    Men moet in het oog houden dat deze brief betrekking heeft op het partijprogram dat Marx in een slechts enige weken later geschreven brief (van 5 mei 1875) kritiseerde en dat Engels toen tezamen met Marx in Londen woonde. Wanneer Engels in de laatste zin dan ook ‘wij’ schrijft, stelt hij ongetwijfeld in zijn eigen naam en in die van Marx aan de leider van de Duitse arbeiderspartij voor het woord ‘staat’ uit het program te schrappen en het door het woord ‘gemenebest’ te vervangen.

    Welk een gehuil over ‘anarchisme’ zouden de kopstukken van het tegenwoordige aan het gemak van de opportunisten aangepaste ‘marxisme’ hebben aangeheven, wanneer hun deze verandering in het partijprogram zou worden voorgesteld!

    Laat ze huilen. Daarvoor zullen zij door de bourgeoisie geprezen worden.

    Maar wij zullen verder gaan met ons werk. Bij een herziening van ons partijprogram dient met deze raad van Marx en Engels zeer beslist rekening gehouden te worden ten einde dichter bij de waarheid te komen, ten einde het marxisme te herstellen en het van vervalsingen te zuiveren en ten einde juister leiding te geven aan de strijd ter bevrijding van de arbeidersklasse. Onder de bolsjewiki zal men zeker geen tegenstanders van deze raad van Marx en Engels tegenkomen. Een moeilijkheid zou misschien de term kunnen opleveren. In het Duits zijn er twee woorden, nl. ‘Gemeinde’ en ‘Gemeinwesen’, en daarvan kiest Engels het laatste dat niet een enkele gemeente aanduidt, maar het totaal der gemeenten, het systeem van gemeenten. In het Russisch bestaat er geen overeenkomstig woord en men zou misschien het Franse woord ‘commune’ moeten kiezen, ofschoon dit ook zijn nadelen heeft.

    ‘De Commune, die reeds geen staat in de eigenlijke zin van het woord meer was’— dat is een theoretisch uiterst belangrijke uitspraak van Engels. Na wat hiervoor is gezegd is deze uitspraak volkomen begrijpelijk. De Commune hield op staat te zijn voor zover zij niet de meerderheid van het volk onder de duim te houden had, maar een minderheid (de uitbuiters); de burgerlijke staatsmachine had zij vernietigd; in plaats van een bijzondere onderdrukkende macht trad de bevolking zelf op het toneel. Al deze dingen zijn afwijkingen van de staat in de eigenlijke zin. En als de Commune was blijven bestaan, zouden de sporen van de staat vanzelf in haar zijn ‘afgestorven’, had zij zijn instituten niet behoeven ‘af te schaffen’; deze zouden hebben opgehouden te functioneren naarmate ze niets meer te doen hadden gehad.

    ‘De “volksstaat” is ons door de anarchisten tot walgens toe voor de voeten geworpen’, zegt Engels en daarmee bedoelt hij allereerst Bakoenin en diens uitvallen tegen de Duitse sociaal-democraten. Engels erkent het gerechtvaardigde van deze uitvallen in zoverre dat de ‘volksstaat’ even grote onzin is en een even grote afwijking van het socialisme betekent als de ‘vrije volksstaat’! Engels poogt de strijd van de Duitse sociaal-democraten tegen de anarchisten te corrigeren, deze strijd in principieel juiste banen te leiden en hem van de opportunistische vooroordelen met betrekking tot de ‘staat’ te zuiveren. Maar helaas! De brief van Engels bleef 36 jaar voor de wereld verborgen. En we zullen later zien dat ook na de publicatie van deze brief Kautsky eigenlijk dezelfde fouten, waartegen Engels waarschuwt, hardnekkig herhaalt.

    Bebel antwoordde Engels in een brief van 21 september 1875, waarin hij onder andere schreef dat hij met het oordeel van Engels over het ontwerp-program ‘volkomen instemt’ en dat hij Liebknecht verwijten heeft gemaakt over diens toegevendheid (blz. 334 van Bebels memoires, Duits, deel II). Neemt men echter Bebels brochure ‘Onze doeleinden’ ter hand, dan vindt men daar geheel verkeerde beschouwingen over de staat:

    ‘De staat moet dus van een op klasseheerschappij berustende staat in een volksstaat veranderd worden.’ (‘Unsere Ziele’, Duitse editie, 1886, blz. 14.)

    Dit staat zwart op wit in de negende (negende!) druk van de brochure van Bebel! Geen wonder dat de zo hardnekkig herhaalde opportunistische beschouwingen over de staat vlees en bloed zijn geworden van de Duitse sociaal-democratie, te meer daar men de revolutionaire uiteenzettingen van Engels geheim hield en de voorwaarden van het leven de mensen gedurende lange tijd aan de revolutie deden ‘ontwennen’.

    4. De kritiek op het ontwerp van het program van Erfurt

    De kritiek op het ontwerp van het program van Erfurt, die Engels op 29 juni 1891 aan Kautsky zond en die eerst tien jaar later in ‘Die Neue Zeit’ werd gepubliceerd, mag bij een analyse van de marxistische leer inzake de staat niet worden overgeslagen, want zij is in hoofdzaak gewijd juist aan de kritiek op de opportunistische zienswijze van de sociaal-democratie over het vraagstuk van de staatsinrichting.

    Terloops zij nog opgemerkt dat Engels ook over economische vraagstukken een uiterst waardevolle vingerwijzing geeft, die bevestigt met welk een aandacht en overleg hij met name de wijzigingen in het moderne kapitalisme volgde en hoe hij daardoor tot op zekere hoogte de taken van ons tijdperk, het imperialistische, wist te voorzien. Hier deze vingerwijzing: Naar aanleiding van het woord ‘planloosheid’, dat in het ontwerp-program ter karakterisering van het kapitalisme wordt gebruikt, schrijft Engels:

    ‘...Wanneer wij van de naamloze vennootschappen overgaan naar de trusts die gehele takken van industrie beheersen en monopoliseren, dan houdt daar niet slechts de private produktie op, maar ook de planloosheid.’ (‘Neue Zeit’, 20ste jrg, 1901-’02, I, blz. 8.)

    Hier wordt het fundamentele in de theoretische beoordeling van het moderne kapitalisme, d.w.z. van het imperialisme, gegeven, namelijk dat het kapitalisme in monopolistisch kapitalisme verandert. Dit laatste moet met bijzondere nadruk gezegd worden, want tot de meest voorkomende dwalingen behoort de burgerlijk-reformistische bewering dat het monopolistische of staatsmonopo­listische kapitalisme al geen kapitalisme meer is, dat het reeds ‘staatssocialisme’ genoemd kan worden en dergelijk fraais meer. Een volkomen planmatigheid vertoonden de trusts natuurlijk niet, vertonen zij niet en kunnen zij ook niet vertonen. Maar zelfs in zover zij volgens een plan werken, in zover de kapitaalmagnaten van tevoren de grootte van de produktie op nationale of zelfs internationale schaal bepalen, in zover zij de produktie naar een vast plan regelen — blijven wij toch binnen het kapitalisme, zij het ook in een nieuw stadium ervan, maar ongetwijfeld in het kapitalisme. De ‘nabijheid’ van zulk een kapitalisme ten opzichte van het socialisme zou voor werkelijke vertegenwoordigers van het proletariaat het bewijs moeten zijn van de nabijheid, gemakkelijkheid, uitvoerbaarheid en noodzaak van de socialistische revolutie, maar in geen geval een argument om het afwijzen van deze revolutie en het goedpraten van het kapitalisme, wat men bij alle reformisten kan aantreffen, te tolereren.

    Keren wij echter tot het vraagstuk van de staat terug. Engels geeft ons hier drieërlei waardevolle aanwijzingen: ten eerste over het vraagstuk van de republiek, ten tweede over het verband tussen het nationale vraagstuk en de staatsinrichting en, ten derde, over het plaatselijke zelfbestuur.

    Wat de republiek betreft — Engels maakte haar tot het zwaartepunt van zijn kritiek op het ontwerp van het program van Erfurt. En als wij bedenken welke betekenis dit program voor de gehele internationale sociaal-democratie heeft gekregen en hoezeer het een voorbeeld is geworden voor de gehele Tweede Internationale, dan mogen wij zonder overdrijving zeggen dat Engels hier het opportunisme van de gehele Tweede Internationale kritiseert.

    ‘De politieke eisen van het ontwerp vertonen een grote fout. Dat wat er eigenlijk gezegd moest worden staat er niet in.’ (Cursief van Engels.)

    En verder wordt uiteengezet dat de Duitse grondwet in wezen een namaaksel is van de uiterst reactionaire grondwet van 1850, dat de Rijksdag, volgens de woorden van Wilhelm Liebknecht, ‘het vijgeblad van het absolutisme’ is en dat het ‘klaarblijkelijk zinloos’ is op grondslag van deze grondwet, die de staatkundige verbrokkeling en het verbond van kleine staten in Duitsland sanctioneert, een ‘verandering van alle arbeidsmiddelen in gemeen­schappelijke eigendom’ te willen teweegbrengen.

    ‘Daaraan te raken is evenwel gevaarlijk’, vervolgt Engels, die maar al te goed weet dat men in Duitsland de eis van een republiek niet legaal in het program kan opnemen. Maar Engels legt zich niet zo maar neer bij deze plausibele over­weging waarmee ‘allen’ zich tevreden stellen. Hij gaat verder: ‘En toch moet de zaak op de een of andere manier aangepakt worden. Hoe nodig dat is bewijst juist nu het in een groot deel van de sociaal-democratische pers veld winnende (einreiszende) opportunisme. Uit vrees voor hernieuwing van de socialistenwet en met de herinnering voor ogen aan allerlei overijlde uitlatingen die onder die wet zijn gedaan, moet nu ineens de tegenwoordige wettelijke toestand in Duitsland voor de partij voldoende zijn om al haar eisen langs vreedzame weg door te zetten.’

    Dat de Duitse sociaal-democraten handelen uit vrees voor een hernieuwing van de uitzonderingswet — dit essentiële feit plaatst Engels op de voorgrond en hij noemt het zonder schroom opportunisme. Juist omdat in Duitsland republiek en vrijheid ontbreken, noemt hij het dromen van een ‘vreedzame’ weg volstrekt zinloos. Engels is voorzichtig genoeg om zich niet te binden. Hij geeft toe dat men in republieken of anders in landen met verstrekkende vrijheden zich een vreedzame ontwikkeling naar het socialisme kan ‘voorstellen’ (slechts ‘voorstellen’!), maar in Duitsland, herhaalt hij:

    ‘...in Duitsland, waar de regering bijna almachtig is en de Rijksdag en alle andere vertegenwoordigende lichamen zonder werkelijke macht zijn, in Duitsland zo iets proclameren, en nog wel zonder enige noodzaak, betekent het vijgeblad aan het absolutisme ontnemen en het voor de eigen naaktheid binden...’

    De officiële leiders van de Duitse sociaal-democratische partij, die deze raadgevingen in de bureaula had geborgen, bleken dan ook in hun overgrote meerderheid inderdaad behoeders van het absolutisme te zijn.

    ‘...Zulk een politiek kan op de duur alleen de eigen partij misleiden. Men schuift algemene abstracte politieke vraagstukken op de voorgrond en maskeert daarmee de meest voor het grijpen liggende concrete vraagstukken, die bij de eerste grote gebeurtenissen, bij de eerste politieke crisis zichzelf op de agenda plaatsen. Wat anders kan daarvan het gevolg zijn dan dat de partij plotseling op het beslissende ogenblik radeloos is, dat er over de meest beslissende punten onduidelijkheid en onenigheid heersen omdat over deze punten nooit is gediscussieerd...

    Dit vergeten van de principiële kwesties ter wille van de directe belangen van de dag, dit worstelen en streven naar het succes van het moment, zonder acht te slaan op de latere gevolgen, dit prijsgeven van de toekomst van de beweging ter wille van haar heden mag dan “eerlijk” bedoeld zijn, het is en blijft opportunistisch, en het ‘eerlijke’ opportunisme is misschien wel het gevaarlijkste van alle...

    Als er iets vaststaat dan is het dat onze partij en de arbeidersklasse alleen tot de heerschappij kunnen komen onder de vorm van de democratische republiek. Die is zelfs de specifieke vorm voor de diktatuur van het proletariaat, zoals de grote Franse revolutie reeds heeft aangetoond.’

    Engels herhaalt hier in bijzonder plastische yorm de grondgedachte die als een rode draad door alle werken van Marx loopt, namelijk dat de democratische republiek de directe opening biedt naar de diktatuur van het proletariaat. Want deze republiek, die de heerschappij van het kapitaal en daarmee de onderdrukking van de massa’s en de klassenstrijd volstrekt niet opheft, leidt onvermijdelijk tot zulk een uitbreiding, ontplooiing, veralgemening en verscherping van deze strijd dat, zodra de mogelijkheid ontstaat de eerste en diepste belangen der onderdrukte massa’s te bevredigen, deze mogelijkheid onvermijdelijk en alleen door de diktatuur van het proletariaat wordt verwezenlijkt, doordat het proletariaat leiding geeft aan de massa’s. Voor de gehele Tweede Internationale zijn ook dit ‘vergeten woorden’ van het marxisme en dit vergeten is buitengewoon duidelijk aan de dag getreden in de geschiedenis van de partij der mensjewiki in het eerste halve jaar van de Russische revolutie van 1917.

    Over het vraagstuk van de federatieve republiek in verband met de nationale samenstelling van de bevolking schreef Engels:

    ‘Wat moet er in de plaats’ (van het huidige Duitsland met zijn reactionair-monarchistische staatsinrichting en zijn even reactionaire verbrokkeling in kleine staten, die het specifieke Pruisendom vereeuwigt in plaats van deze staatjes te doen opgaan in Duitsland als een geheel) ‘komen? Naar mijn mening kan het proletariaat alleen de vorm van de ene en onbeelbare republiek gebruiken. De federatieve republiek is in het reusachtige gebied van de Verenigde Staten nu nog over het algemeen een noodzakelijkheid, ofschoon zij in het oosten al een hinderpaal wordt. Zij zou een stap vooruit zijn in Engeland, waar op de beide eilanden vier naties wonen en ondanks één parlement nu al drie verschillende rechtsstelsels naast elkaar bestaan. Zij is in het kleine Zwitserland reeds lang een beletsel geworden, dat alleen verdragen wordt omdat Zwitserland ermee tevreden is een zuiver passief lid van het Europese statensysteem te zijn. Voor Duitsland zou een federalistische verzwitsering een enorme stap achteruit zijn. Twee punten onderscheiden de bondsstaat van de eenheidsstaat, nl. dat elke afzonderlijke staat van de bond, elk kanton zijn eigen burgerlijke en strafwetgeving en rechtsbestel heeft, en voorts dat naast de volkskamer een landenkamer bestaat, waarin ieder kanton, groot of klein, als zodanig een stem heeft.’ In Duitsland vormt de bondsstaat een overgang tot de eenheidsstaat, en de in 1866 en 1870 gemaakte ‘revolutie van bovenaf’ dient niet meer ongedaan gemaakt te worden, maar moet worden aangevuld door een ‘beweging van onderop’.

    De staatsvormen laten Engels geenszins onverschillig, maar hij spant zich integendeel in om met buitengewone zorg vooral de overgangsvormen te onderzoeken en op grond van de concrete historische eigenaardigheden van elk geval afzonderlijk vast te stellen van waar die bepaalde overgangsvorm komt en waarheen ze leidt.

    Evenals Marx verdedigt Engels van het standpunt van het proletariaat en van de proletarische revolutie het democratische cen­tralisme, de ene en ondeelbare republiek. Hij beschouwt de federatieve republiek, hetzij als een uitzonderingsgeval en als een beletsel van de ontwikkeling, hetzij als een overgang van de monarchie naar de centralistische republiek, onder bepaalde bijzondere omstandigheden als een ‘stap vooruit’. En onder deze bijzondere omstandigheden treedt het nationale vraagstuk op de voorgrond. Bij alle onverbiddelijke kritiek die zowel Engels als Marx uitoefent op het reactionaire gedoe met kleine staatjes en op het in bepaalde gevallen verhullen van het reactionaire karakter daarvan achter het nationale vraagstuk, vinden wij bij hen toch nergens ook maar een schijn van een streven om het nationale vraagstuk uit de weg te gaan, een streven waaraan Nederlandse en Poolse marxisten, die van het kleinburgerlijk enge nationalisme van ‘hun’ kleine staten uitgaan, zich dikwijls schuldig maken.

    Zelfs in Engeland, waar de geografische omstandigheden en de eeuwenlange gemeenschappelijkheid van taal en geschiedenis in de verschillende kleine delen van Engeland ‘een einde gemaakt’ schijnen te hebben aan het nationale vraagstuk, zelfs daar onderkent Engels het duidelijke feit dat het nationale vraagstuk nog niet opgelost is, en daarom ziet hij de federatieve republiek als een ‘stap vooruit’. Natuurlijk is ook hier geen zweem te vinden van het opgeven noch van de kritiek op de gebreken van de federatieve republiek, noch van de besliste propaganda en strijd voor de ene en onbeelbare, centralistisch-democratische republiek.

    Maar het democratische centralisme wordt door Engels volstrekt niet opgevat in de bureaucratische zin waarin dit begrip door de burgerlijke en kleinburgerlijke ideologen, onder wie ook de anarchisten, wordt gebruikt. Voor Engels sluit centralisme niet die brede plaatselijke zelfregeling uit, die bij een vrijwillig bewaren van de eenheid van de staat door de ‘communes’ en gewesten aan iedere soort van bureaucratie en ‘commanderen’ van bovenaf onvoorwaardelijk een eind maakt.

    ‘...Dus de ene en onbeelbare republiek’, schrijft Engels als hij de marxistische programpunten over de staat ont­wikkelt, ‘maar niet in de zin van de tegenwoordige Franse, die niets anders is dan het in 1798 gestichte keizerrijk zonder de keizer. Van 1792 tot 1798 bezat ieder Frans departement, iedere gemeente (Gemeinde) volledig zelfbestuur naar Amerikaans model en dat moeten wij ook hebben. Hoe het zelfbestuur ingericht moet worden en hoe men het zonder bureaucratie klaarspeelt, dat hebben ons Amerika en de eerste Franse republiek bewezen en dat bewijzen vandaag nog Australië, Canada en andere Engelse koloniën. En zulk een provinciaal en gemeentelijk zelfbestuur is heel wat vrijer dan bij voorbeeld het Zwitserse federalisme, waar het kanton weliswaar zeer onafhankelijk is ten opzichte van de bond’ (d.w.z. ten opzichte van de federatieve staat in zijn geheel), ‘maar ook ten opzichte van het district en de gemeente. De kantonale regeringen benoemen stadhouders der districten en prefecten, iets waarvan men in de Engels sprekende landen geen weet heeft en waarvan wij in de toekomst evenzeer verschoond wensen te blijven als van de Pruisische landraden en regeringsraden’ (commissarissen, districtshoofden van politie, gouverneurs, kortom alle van bovenaf benoemde ambtenaren). Engels stelt in overeenstemming daarmee voor het punt over het zelfbestuur in het program zo te formuleren: ‘Volstrekt zelfbestuur in provincie’ (gouvernement of gewest), ‘district en gemeente door bij algemeen kiesrecht gekozen beambten. Afschaffing van alle van staatswege benoemde plaatselijke en provinciale overheden.’

    In de door de regering van Kerenski en andere ‘socialistische’ ministers verboden ‘Prawda’ (nr. 68 van 28 mei 1917) was ik al in de gelegenheid er op te wijzen hoe op dit punt — maar zeker niet alleen op dit punt — onze zogenaamde socialistische vertegenwoordigers van de zogenaamd revolutionaire zogenaamde democratie zich aan buitengewoon krasse vergrijpen tegen de democratie hebben schuldig gemaakt. Maar natuurlijk zijn de heren, die zich door een ‘coalitie’ met de imperialistische bourgeoisie hebben gebonden, voor deze waarschuwingen doof gebleven.

    Het is uitermate belangrijk er op te wijzen dat Engels aan de hand van feiten en met een zeer exact voorbeeld het vooral onder de kleinburgerlijke democratie sterk verbreide vooroordeel weerlegt dat een federatieve republiek beslist meer vrijheid betekent dan een centralistische. Dat is onjuist. Dat wordt weerlegd door de feiten die Engels over de centralistische Franse republiek van 1792 tot 1798 en over de federatieve Zwitserse republiek aanhaalt. De werkelijk democratische centralistische republiek bood meer vrijheid dan de federatieve. Of met andere woorden: De in de geschiedenis bekende hoogste mate van plaatselijke, gewestelijke enz. vrijheid werd niet door een federatieve, maar door een centralistische republiek geboden.

    Op dit feit, zoals in het algemeen op het gehele vraagstuk van de federatieve en de centralistische republiek en van het plaatselijke zelfbestuur, werd en wordt in onze partijpropaganda en -agitatie te weinig acht geslagen.

    5. De inleiding van 1891 tot ‘De burgeroorlog in Frankrijk’ van Marx

    In zijn inleiding tot de berde druk van ‘De burgeroorlog in Frankrijk’ (deze inleiding is gedateerd 18 maart 1891 en is oorspronkelijk in de ‘Neue Zeit’ gepubliceerd) geeft Engels, naast interessante terloopse opmerkingen over kwesties die met de verhouding tot de staat verbonden zijn, een buitengewoon verhelderende samenvatting van de ervaringen van de Commune. Deze samenvatting, verdiept door de ervaringen van het tijdvak van twintig jaren dat de schrijver van de Commune scheidde, is speciaal gericht tegen de in Duitsland verbreide ‘bijgelovige verering van de staat’ en kan met recht beschouwd worden als het laatste woord van het marxisme over het vraagstuk dat wij hier onder de loep nemen.

    In Frankrijk, zegt Engels, waren de arbeiders na iedere revolutie gewapend; ‘...voor de bourgeoisie, die het roer van de staat in handen hield, was dan ook het eerste gebod het ontwapenen van de arbeiders. Vandaar na elke, door de arbeiders bevochten revolutie een nieuwe strijd, die met de nederlaag der arbeiders eindigt.’

    Deze samenvatting van de ervaringen van burgerlijke revoluties is even kort als rijk aan betekenis. De kern van de zaak — o.a. ook in het vraagstuk van de staat (heeft de onderdrukte klasse wapens of niet?) — is hier buitengewoon helder naar voren gebracht. Maar juist deze kern wordt dikwijls genegeerd, zowel door de professoren die zich onder invloed van de burgerlijke ideologie bevinden, als door de kleinburgerlijke democraten. In de Russische revolutie van 1917 viel aan de mensjewiek en ‘ook-marxist’ Tsereteli de eer (een eer a la Cavaignac) te beurt dit geheim van de burgerlijke revoluties in het openbaar te verklappen. In zijn ‘historische’ rede van 11 juni klapte Tsereteli uit de school dat de bourgeoisie vastbesloten was de arbeiders van Petrograd te ontwapenen, waarbij hij natuurlijk dit besluit ook als zijn eigen besluit en in het algemeen als noodzakelijk ‘voor de staat’ voorstelde.

    De historische redevoering van Tsereteli van 11 juni zal zeker iedere geschiedschrijver van de revolutie van 1917 tot aanschouwelijke illustratie dienen van de wijze waarop het door de heer Tsereteli geleide blok van sociaal-revolutionairen en mensjewiki zich aan de kant van de bourgeoisie tegen het revolutionaire pro­letariaat heeft geschaard.

    Een andere terloopse opmerking van Engels die ook met het vraagstuk van de staat verband houdt betreft de godsdienst. Het is bekend dat de Duitse sociaal-democratie, naarmate zij meer in het moeras raakte en opportunistischer werd, ook meer en meer afzakte tot een filisterachtige, foutieve uitlegging van de beroemde formule ‘de godsdienst moet tot een persoonlijke aangelegenheid worden verklaard’.

    Deze formule werd namelijk zo uitgelegd alsof ook voor de partij van het revolutionaire proletariaat het vraagstuk van de godsdienst een persoonlijke aangelegenheid was!! Tegen dit uitgesproken verraad aan het revolutionaire program van het proletariaat trekt Engels van leer, die in 1891 nog slechts zeer zwakke kiemen van het opportunisme in zijn partij waarnam en zich dan ook uiterst voorzichtig uitdrukte:

    ‘Zoals in de Commune bijna alleen arbeiders of erkende arbeidersvertegenwoordigers zitting hadden, zo droegen ook haar besluiten een beslist proletarisch karakter. Of ze vaardigde hervormingen uit, die de republikeinse bourgeoisie slechts uit lafheid had nagelaten, maar die voor de vrije ontplooiing van het optreden der arbeidersklasse een noodzakelijke grondslag uitmaakten, zoals het verwezenlijken van de stelling dat tegenover de staat godsdienst niets anders is dan een persoonlijke aangelegenheid; of zij vaardigde besluiten uit, die rechtstreeks in het belang van de arbeidersklasse waren en gedeeltelijk diep in de oude maatschappij-orde ingrepen.’

    Engels onderstreepte de woorden ‘tegenover de staat’ met opzet en hij nam daarmee direct het Duitse opportunisme op de korrel dat de godsdienst tegenover de partij tot een persoonlijke aangelegenheid verklaarde en op die manier de partij van het revolutionaire proletariaat neerdrukte tot het peil van een banale ‘vrijdenkende’ kleine burgerij, die een confessieloze toestand wel wil dulden maar geen strijd wenst te voeren van de partij tegen het opium godsdienst dat het volk dom houdt.

    De toekomstige geschiedschrijver van de Duitse sociaal-democratie die de oorzaken van haar smadelijke ineenstorting in het jaar 1914 wil nagaan, zal voor dit vraagstuk zeer veel belangrijk materiaal vinden, vanaf de ontwijkende, voor het opportunisme alle deuren wijd open zettende opmerkingen van Kautsky, de geestelijke leider van de partij, tot aan de houding van de partij ten opzichte van de ‘Los-von-Kirche-Bewegung’ (‘los van de kerkbeweging’) in 1913.

    Maar laat ons nagaan hoe Engels twintig jaar na de Commune haar lessen voor het strijdende proletariaat samenvatte. Dit zijn de lessen, die Engels op de voorgrond plaatste:

    ‘Juist de onderdrukkende macht van de tot dusverre bestaande, gecentraliseerde regering, leger, politieke politie, bureaucratie, die Napoleon in 1798 had geschapen en die sedertdien elke nieuwe regering als welkom werktuig had overgenomen en tegen haar tegenstanders gebruikt,— juist deze macht behoorde overal te vallen, zoals ze al in Parijs was gevallen.

    De Commune moest al meteen bij voorbaat erkennen, dat de arbeidersklasse, eenmaal tot de heerschappij gekomen, niet met het oude staatsapparaat kon voortwerken; dat deze arbeidersklasse, wilde ze niet haar eigen, eerst pas veroverde heerschappij weer teloor zien gaan, enerzijds het hele oude, tot dusverre tegen haar zelf aangewende onderdrukkingsapparaat moest afschaffen, doch anderzijds zich moest beveiligen tegen haar eigen afgevaardigden en beambten, door dezen, zonder uitzondering, als te allen tijde afzetbaar te verklaren.’

    Steeds opnieuw legt Engels er de nadruk op dat niet alleen in de monarchie, maar ook in de democratische republiek de staat staat blijft, d.w.z. het kenmerk van zijn wezen behoudt, namelijk dat hij de ambtenaren, de ‘dienaren van de maatschappij’, haar organen in haar meesters verandert.

    ‘Tegen deze, in alle tot nu toe bestaande staten onvermijdelijke verandering van de staat en de staatsorganen van dienaren der maatschappij in meesters der maatschappij, paste de Commune twee onfeilbare middelen toe. In de eerste plaats bezette zij alle posten, besturende, rechtsprekende, onderwijzende, door keuze volgens het algemeen stemrecht der belanghebbenden, en wel met het recht van terugroeping te allen tijde door dezelfde belanghebbenden. En in de tweede plaats betaalde zij voor alle diensten, hoge zowel als lage, slechts het loon, dat andere arbeiders ontvingen. Het hoogste salaris, dat ze ten slotte betaalde, was 6.000 franc.

    Daarmee was de baantjesjagerij stevig aan banden gelegd, ook zonder de bindende mandaten bij gedelegeerden in vertegenwoordigende lichamen, die er ten overvloede nog aan werden toegevoegd.’

    Engels raakt hiermee aan die gedenkwaardige grenslijn, waar een consequente democratie enerzijds in socialisme overgaat en anderzijds het socialisme vereist. Want voor het opheffen van de staat is het nodig dat de functies van de staatsdienst in zulke eenvoudige functies van toezicht en controle veranderen dat zij voor de overgrote meerderheid van de bevolking en tenslotte ook voor de gehele bevolking toegankelijk en uitvoerbaar worden. Het volledig uitroeien van de baantjesjagerij eist dat een ‘eervol’, zij het ook onbetaald ‘plaatsje’ in de staatsdienst niet meer als springplank kan dienen om hoogst lucratieve posten in banken en naamloze vennootschappen te bereiken, zoals dat in alle, ook in de meest vrije kapitalistische landen regelmatig voorkomt.

    Engels maakt echter niet de fout die sommige marxisten in het vraagstuk van het zelfbeschikkingsrecht van de natie maken: onder het kapitalisme, zeggen zij, is het zelfbeschikkingsrecht onmogelijk, onder het socialisme is het overbodig. Zulk een schijnbaar geestige, in werkelijkheid evenwel foutieve argu­mentatie kan ook gebruikt worden voor iedere democratische instelling welke men maar wil, ook voor de bescheiden ambtenaren­salarissen, want volkomen consequente democratie is onder het kapitalisme onmogelijk, terwijl onder het socialisme toch elke democratie zal afsterven.

    Dat is sofisterij, die doet denken aan de oudbakken grap dat een man kaal begint te worden als hij één haar verliest.

    Het ontwikkelen van de democratie tot het einde, het vinden van de vormen van deze ontwikkeling, het toetsen daarvan aan de praktijk enz. - dat alles is een van de taken behorende tot de strijd voor de sociale revolutie. Op zichzelf genomen kan geen democratie het socialisme brengen. Maar in het leven bestaat geen enkele democratie ‘op zichzelf’, zij bestaat met andere verschijnselen ‘tezamen’, zij oefent haar werking op het economische leven uit, bevordert de wijziging van het economische bestel, staat op haar beurt bloot aan de invloeden van de economische ontwikkeling enz. Dat is de dialektiek van de levende geschiedenis. Engels gaat verder:

    ‘Dit verbrijzelen (Sprengung) van de tot nu toe bestaande staatsmacht en het vervangen daarvan door een nieuwe, waarachtig democratische, is in het derde hoofdstuk van de “Burgeroorlog” grondig behandeld. Het was evenwel nodig hier nog eens op enkele trekken daarvan in te gaan, omdat juist in Duitsland het bijgeloof in de staat zich uit de filosofie in het algemene bewustzijn van de bourgeoisie en zelfs van vele arbeiders heeft overgeplant. Volgens de filosofische voorstelling is de staat de “verwezenlijking van de idee” of het in het filosofische overgebrachte rijk gods op aarde, het gebied, waarop de eeuwige waarheid en gerechtigheid tot werkelijkheid wordt of behoort te worden. En daaruit volgt dan een bijgelovige verering van de staat en van al hetgeen met de staat samenhangt, die des te gemakkelijker ingang vindt, naarmate men zich van kindsbeen af er aan heeft gewend zich in te beelden, dat de aan de hele maatschappij gemeenschappelijke zaken en belangen niet anders kunnen worden behartigd dan tot dusverre het geval is geweest, nl. door de staat en zijn goed bezoldigde overheidspersonen. En men meent al een zeer geweldig stoutmoedige stap te hebben gedaan, als men zich van het geloof in de erfelijke monarchie heeft vrijgemaakt en bij de democratische republiek zweert. In werkelijkheid echter is de staat niets dan een apparaat ter onderdrukking van de ene klasse door de andere, en wel in de democratische republiek niet minder dan in de monarchie, en in het beste geval een kwaad dat het in de strijd om de klasseheerschappij zegevierende proletariaat erft en welks ergste kanten het, evenmin als de Commune, zal kunnen nalaten met de grootst mogelijke spoed te besnoeien, totdat een in nieuwe, vrije maatschappijtoestanden opgegroeid geslacht in staat zal zijn zich van de hele staatsrommel te ontdoen.’

    Engels waarschuwde de Duitsers dat zij bij het vervangen van de monarchie door een republiek de grondslagen van het socia­lisme in het vraagstuk van de staat in het algemeen niet mochten vergeten. Deze waarschuwing van hem leest men vandaag als een directe les voor de heren Tsereteli en Tsjernow, die in hun ‘coalitie’-praktijk hun bijgeloof aan de staat en hun bijgelovige verering van de staat hebben geopenbaard!

    Nog twee opmerkingen. Ten eerste: Wanneer Engels zegt dat de staat in de democratische republiek ‘niet minder’ ‘een apparaat ter onderdrukking van de ene klasse door de andere’ is dan in de monarchie, dan betekent dit nog volstrekt niet dat de vorm van de onderdrukking voor het proletariaat onverschillig is, zoals vele anarchisten ‘leren’. Een bredere, een vrijere, een ruimere vorm van de klassenstrijd en van de klasseonderdrukking betekent voor het proletariaat een onmetelijke verlichting in de strijd om het afschaffen van de klassen.

    Ten tweede: De vraag waarom pas een opgroeiend geslacht in staat zal zijn zich van de hele staatsrommel te ontdoen is verbonden met het vraagstuk van het te boven komen van de democratie, tot welk vraagstuk wij nu willen overgaan.

    6. Engels over het te boven komen van de democratie

    Engels kwam hierover te spreken in verband met de wetenschappelijke ontoereikendheid van de naam ‘sociaal-democraat’.

    In het voorwoord tot een uitgave van verschillende, hoofdzakelijk aan ‘internationale vraagstukken’ gewijde artikelen uit de zeventiger jaren, ‘Internationales aus dem “Volksstaat”’ - een voorwoord gedateerd 3 januari 1894, dus anderhalf jaar voor zijn dood —, schreef Engels dat hij in al zijn artikelen de naam ‘communist’ en niet ‘sociaal-democraat’ heeft gebruikt, omdat toenertijd de proudhonisten in Frankrijk en lassalleanen in Duitsland zich sociaal-democraten noemden.

    ‘Voor Marx en mij was het dan ook echt onmogelijk, ter benaming van ons speciale standpunt een uitdrukking van een dergelijke rekbaarheid te kiezen. Vandaag is dat anders en daarom kan het woord’ (‘sociaal-democraat’) ‘er mee door (mag passieren), al blijft het nog zo weinig passend (unpassend) voor een partij, waarvan het economische program niet louter algemeen socialistisch, maar direct communistisch is en waarvan het politieke einddoel het te boven komen van de hele staat en dus ook van de democratie is.’

    De dialecticus Engels blijft aan het einde van zijn levensdagen de dialektiek trouw. Marx en ik, zegt hij, hadden een uitste­kende, wetenschappelijk exacte benaming voor de partij, maar er ontbrak de werkelijke, d.w.z. de proletarische massapartij. Nu (aan het einde van de 19de eeuw) bestaat er een werkelijke partij, maar haar naam is wetenschappelijk onjuist. Dat geeft niet, hij ‘kan er mee door’ als de partij zich maar ontwikkelt, als de wetenschappelijke onjuistheid van haar naam voor de partij zelf maar niet verborgen blijft en haar maar niet belet zich in de juiste richting te ontwikkelen!

    Een grappenmaker zou tenslotte ook ons, bolsjewiki, op de manier van Engels kunnen troosten: Wij hebben een werkelijke partij, zij ontwikkelt zich voortreffelijk en dus kan ook een zo zinloos en raar gevormd woord als ‘bolsjewiek’ ‘er mee door’, een woord dat niet meer uitdrukt dan de zuiver toevallige omstandigheid dat wij in 1903 op het Brussels-Londense congres de meerderheid hadden... Nu, nadat de vervolgingen van onze partij in juli en augustus 1917 van de kant van de republikeinen en van de ‘revolutionaire’ kleinburgerlijke democratie het woord bolsjewiek voor het hele volk tot een erenaam gemaakt hebben, nu deze vervolgingen bovendien de zo geweldige historische vooruitgang van onze partij in haar werkelijke ontwikkeling onderstrepen, nu zou ook ik misschien afzien van het voorstel dat ik in april deed om de naam van onze partij te veranderen. Misschien zou ik mijn kameraden een ‘compromis’ voorstellen, namelijk ons communistische partij noemen en het woord ‘bolsjewiki’ tussen haakjes er bij houden...

    Maar de kwestie van de naam van de partij is veel minder belangrijk dan die van de verhouding van het revolutionaire proletariaat tot de staat.

    In de gebruikelijke beschouwingen over de staat wordt voortdurend de fout begaan waarvoor Engels hier waarschuwt en die wij in het voorafgaande reeds hebben aangeroerd. Men vergeet namelijk steeds dat afschaffing van de staat ook afschaffing van de democratie betekent, dat het afsterven van de staat ook het afsterven van de democratie meebrengt.

    Op het eerste gezicht moge deze bewering erg zonderling en onbegrijpelijk lijken; misschien zal deze of gene de vrees gaan koesteren dat wij de komst van een maatschappelijk stelsel verwachten, waarin het beginsel van de onderwerping van de minderheid aan de meerderheid niet wordt nagevolgd, want democratie is immers juist erkenning van dit beginsel?

    Neen. Democratie is niet identiek met onderwerping van de min­derheid aan de meerderheid. Democratie is een staat die de onderwerping van de minderheid aan de meerderheid erkent, d.w.z. een organisatie voor het systematisch toepassen van geweld van de ene klasse tegen de andere, van het ene deel van de bevolking tegen het andere.

    Wij stellen ons als einddoel de afschaffing van de staat, d.w.z. van iedere soort van georganiseerd en systematisch geweld, van elke toepassing van geweld tegen mensen in het algemeen. Wij verwachten niet het aanbreken van een maatschappelijk stelsel, waarin het beginsel van de onderwerping van de minderheid aan de meerderheid niet wordt nagekomen. Maar in ons streven naar het socialisme zijn wij ervan overtuigd dat het tot communisme zal uitgroeien en dat in verband daarmee elke noodzakelijkheid van het toepassen van geweld tegen mensen in het algemeen zal verdwijnen, elke onderwerping van de ene mens aan de andere, van het ene deel van de bevolking aan het andere, want de mensen zullen eraan wennen de meest elementaire regels van het samenleven in de maatschappij na te komen zonder geweld en zonder onderwerping.

    Om dit element van de gewoonte duidelijk aan te geven spreekt Engels van een nieuw geslacht dat, ‘in nieuwe, vrije maatschappij­toestanden opgegroeid..., in staat zal zijn zich van de hele staatsrommel te ontdoen’, elke staatsvorm af te schaffen, ook de democratisch republikeinse.

    Ter verdere verduidelijking hiervan is een onderzoek nodig naar het vraagstuk van de economische grondslagen van het afsterven van de staat.



    Hoofdstuk V: De economische grondslagen van het afsterven van de staat

    Het meest uitvoerig bespreekt Marx dit vraagstuk in zijn ‘Kritiek op het program van Gotha’ (zijn brief aan Bracke van 5 mei 1875, eerst in 1891 gepubliceerd in de ‘Neue Zeit’, IX, I; in het Russisch als brochure verschenen). Het polemische deel van dit belangrijke werk, dat uit een kritiek op de lassalleanen bestaat, heeft het positieve deel, nl. de analyse van het verband tussen de ontwikkeling van het communisme en het afsterven van de staat, om zo te zeggen naar de achtergrond gedrongen.

    1. De manier waarop Marx de kwestie aan de orde stelt

    Bij oppervlakkige vergelijking van de brief van Marx aan Bracke van 5 mei 1875 en de boven besproken brief van Engels aan Bebel van 28 maart 1875 zou men de indruk kunnen krijgen dat Marx veel meer ‘aanhanger van de staat’ was dan Engels en dat er tussen de opvattingen van beide auteurs over de staat een zeer aanzienlijk onderscheid bestond.

    Engels adviseert Bebel al dat gepraat over de staat maar te laten varen, het woord ‘staat’ uit het program te schrappen en in plaats daarvan het woord ‘gemenebest’ te zetten; Engels zegt zelfs dat de Commune al geen staat in de eigenlijke zin van het woord meer was. Marx daarentegen spreekt zelfs van ‘het toekomstige staatsbestel van de communistische maatschappij’, d.w.z. het is alsof hij de noodzakelijkheid van de staat zelfs onder het communisme erkent.

    Zulk een opvatting zou echter volkomen verkeerd zijn. Een nadere beschouwing toont dat de opvattingen van Marx en Engels over de staat en zijn afsterven elkaar volkomen dekken en dat met name de aangehaalde uitdrukking van Marx op deze afstervende staat betrekking heeft.

    Het is duidelijk dat er geen sprake kan zijn van het bepalen van een tijdstip van het toekomstige ‘afsterven’ van de staat, te meer daar dit klaarblijkelijk een langdurig proces is. Het schijnbare verschil tussen Marx en Engels is te verklaren door het verschil van onderwerpen die zij behandelden en van de taak die zij zich stelden. Engels stelde zich de taak aan Bebel aanschouwelijk, scherp omlijnd en in grote trekken de hele onzinnigheid van de meest voorkomende (en voor een niet gering deel door Lassalle gedeelde) vooroordelen met betrekking tot de staat aan te tonen. Marx raakt deze kwestie slechts even, maar zijn oog is op een ander onderwerp gericht: de ontwikkeling van de communistische maatschappij.

    De hele theorie van Marx is een toepassing van de ontwikkelingsleer — in haar meest consequente, volkomen, doordachte en aan inhoud rijke vorm — op het moderne kapitalisme. Natuurlijk kwam Marx daarbij voor de vraag te staan of deze leer ook toegepast kan worden op de naderende ineenstorting van het kapitalisme en de toekomstige ontwikkeling van het komende communisme.

    Op grond van welke gegevens kan men nu de kwestie van de toekomstige ontwikkeling van het komende communisme onderzoeken?

    Op grond van het feit, dat het communisme voortkomt uit het kapitalisme, zich historisch uit het kapitalisme ontwikkelt en het resultaat is van de werkingen van een maatschappelijke kracht die door het kapitalisme is voortgebracht. Bij Marx vinden wij geen spoor van een poging utopieën te construeren en te fantaseren over dat wat men niet kan weten. Marx stelt het vraagstuk van het communisme aan de orde op de manier waarop een natuuronderzoeker het probleem van de ontwikkeling van een nieuwe, laat ons zeggen biologische variëteit aanpakt, waarvan hem bekend is dat ze zo en zo is ontstaan en zich in deze of gene bepaalde richting wijzigt.

    Marx maakt in de eerste plaats een eind aan de verwarring die het program van Gotha in de kwestie van de verhouding tussen staat en maatschappij had gesticht.

    ‘...De “tegenwoordige maatschappij” is’, schrijft hij, ‘de kapitalistische maatschappij die meer of minder vrij van middeleeuwse bijmengsels, meer of minder gewijzigd door de bijzondere historische ontwikkeling van ieder land, meer of minder ontwikkeld in alle beschaafde landen bestaat. De “tegenwoordige staat” daarentegen wisselt met de landsgrenzen. Hij is een andere in het Pruisisch-Duitse rijk dan in Zwitserland, in Engeland een andere dan in de Verenigde Staten. “De tegenwoordige staat” is dus een fictie.

    Maar toch hebben de verschillende staten van de verschillende beschaafde landen, ondanks hun bonte verscheidenheid in vorm, alle gemeen dat zij op de bodem staan van de moderne burgerlijke maatschappij, waarvan de ene alleen meer of minder kapitalistisch ontwikkeld is dan de andere. Zij hebben dus ook zekere wezenlijke karaktertrekken gemeen. In die zin kan men van het “tegenwoordige staatsbestel” spreken in tegenstelling tot de toekomst, waarin zijn tegenwoordige wortel, de burgerlijke maatschappij, afgestorven is.

    Dan rijst de vraag: Welke verandering zal het staatsbestel in een communistische maatschappij ondergaan? Met andere woorden, welke maatschappelijke functies blijven er dan over die met de tegenwoordige functies van de staat overeenkomen? Deze vraag kan alleen wetenschappelijk beantwoord worden en men komt geen vlooiesprong dichter bij het probleem al gaat men duizend keer het woord volk met het woord staat combineren.’

    Nadat Marx op deze manier het gepraat over de ‘volksstaat’ belachelijk heeft gemaakt, formuleert hij het vraagstuk en waarschuwt in zekere zin dat men bij het wetenschappelijk beantwoorden van dit vraagstuk slechts met wetenschappelijk vaststaande gegevens moet werken.

    Het eerste wat door de gehele ontwikkelingstheorie, de hele wetenschap in het algemeen zeer precies werd vastgesteld, wat de utopisten vergaten en wat de tegenwoordige opportunisten, die de sociale revolutie vrezen, vergeten, is de omstandigheid dat er historisch ongetwijfeld een bijzonder stadium of een bijzondere etappe van de overgang van het kapitalisme naar het communisme moet zijn.

    2. De overgang van het kapitalisme naar het communisme

    ‘Tussen de kapitalistische en de communistische maatschappij’, zo vervolgt Marx, ‘ligt de periode van de revolutionaire verandering van de ene in de andere. Daarmee komt ook een politieke overgangsperiode overeen, waarin de staat niets anders kan zijn dan de revolutionaire diktatuur van het proletariaat.’

    Deze gevolgtrekking berust bij Marx op de analyse van de rol die het proletariaat in de moderne kapitalistische maatschappij speelt, op gegevens over de ontwikkeling van deze maatschappij en over de onverzoenlijkheid van de tegenstrijdige belangen van het proletariaat en de bourgeoisie.

    Vroeger werd dit vraagstuk aldus gesteld: Om zich te bevrijden moet het proletariaat de bourgeoisie omverwerpen, de politieke macht veroveren en zijn revolutionaire diktatuur instellen.

    Nu echter wordt de kwestie iets anders gesteld: De overgang van de kapitalistische maatschappij, die zich naar het communisme ontwikkelt, is niet mogelijk zonder een ‘politieke overgangsperiode’ en de staat van deze periode kan niets anders zijn dan de revolutionaire diktatuur van het proletariaat.

    In welke verhouding staat nu deze diktatuur tot de democratie? Wij zagen dat ‘Het Communistisch Manifest’ simpelweg twee begrippen: 'organisatie van het proletariaat tot heersende klasse’ en ‘verovering van de democratie’— naast elkaar plaatst. Op grond van alles wat hiervoor is gezegd kan men nauwkeuriger vaststellen hoe de democratie bij de overgang van het kapitalisme naar het communisme verandert.

    In de kapitalistische maatschappij, ervan uitgaande dat ze zich onder de gunstigste omstandigheden ontwikkelt, hebben we in de democratische republiek een meer of minder volkomen democratie. Deze democratie is echter steeds beperkt door het enge raam van de kapitalistische uitbuiting en blijft dus per slot van rekening steeds een democratie voor de minderheid, alleen voor de bezittende klassen, alleen voor de rijken. De vrijheid van de kapitalistische maatschappij blijft steeds ongeveer eender wat de vrijheid in de oude Griekse republieken was: een vrijheid voor de slavenhouders. Ten gevolge van de kapitalistische uitbuiting zijn de moderne loonslaven zo zeer door nood en ellende terneergedrukt, dat hun hoofd ‘niet naar democratie’, ‘niet naar politiek’ staat, waardoor bij het gewone vreedzame verloop van de dingen de meerderheid van de bevolking uitgesloten is van deelname aan het openbare en politieke leven.

    De juistheid van deze stelling wordt wellicht het duidelijkst bevestigd door Duitsland, omdat in dit land de constitutionele legaliteit zich opvallend lang en vast, bijna een halve eeuw (1871 — 1914), heeft gehandhaafd. In dit tijdvak heeft de sociaal-democratie daar veel meer dan in andere landen deze ‘legaliteit’ weten ‘uit te buiten’ en een groter deel van de arbeiders in de politieke partij weten te organiseren dan waar ook ter wereld. Hoe groot nu is dit grootste in de kapitalistische maatschappij ooit waargenomen deel van de politiek bewuste en actieve loonslaven? Een miljoen leden van de sociaal-democratische partij — bij 15 miljoen loonarbeiders! Drie miljoen in vakverenigingen georganiseerden — van de 15 miljoen!

    Democratie voor een uiterst geringe minderheid, democratie voor de rijken — dat is de democratie van de kapitalistische maatschappij. Bekijkt men het mechanisme van de kapitalistische democratie van naderbij, dan ontdekt men overal, zowel aan de ‘onbetekenende’ (zogenaamd onbetekenende) details van het kiesrecht (vestigingsclausule, uitsluiting van de vrouwen enz.), als aan de techniek van de vertegenwoordigende lichamen en aan de feitelijke belemmeringen ten aanzien van het recht van ver­gadering (openbare gebouwen zijn er niet voor ‘proleten’!) of aan de zuiver kapitalistische organisatie van de dagbladpers enzovoort enzovoort — overal ontdekt men beperking en nog eens beperking van de democratie. Deze beperkingen, uitzonderingen, uitsluitingen en belemmeringen voor de armen lijken van geringe betekenis vooral voor diegene die nooit aan eigen lijf de armoede heeft gekend en nooit zelf met het leven van de onderdrukte klassen in hun massaliteit in aanraking is gekomen (en dat geldt voor negen van de tien, zo niet voor negenennegentig van de honderd van alle burgerlijke politici en schrijvers) — maar alle tezamen genomen sluiten deze beperkingen de armen uit van de politiek en van het actief deelnemen aan de democratie.

    Marx heeft deze kern van de kapitalistische democratie schitterend geraakt toen hij bij het analyseren van de ervaringen van de Commune zei: de onderdrukten wordt eenmaal in de zoveel jaren toegestaan te beslissen welke vertegenwoordiger van de onderdrukkende klasse hen in het parlement zal vertegenwoordigen en vertrappen!

    Maar van deze kapitalistische democratie — die onvermijdelijk beperkt is, die de armen in het geniep opzijschuift en daarom door en door huichelachtig en vals is — gaat de ontwikkeling niet eenvoudig, gladjes en langs rechte lijn ‘naar steeds grotere democratie’, zoals liberale professoren en kleinburgerlijke opportunisten het gelieven voor te stellen. Neen. De verdere ontwikkeling, d.w.z. de ontwikkeling naar het communisme, gaat via de diktatuur van het proletariaat en kan ook niet anders gaan, want buiten het proletariaat kan niemand het verzet van de kapitalistische uitbuiters breken en langs een andere weg kan het niet gebroken worden.

    De diktatuur van het proletariaat, d.w.z. de organisatie van de voorhoede van de onderdrukten tot heersende klasse met de onderdrukking van de uitbuiters als doel, kan echter niet eenvoudig alleen een uitbreiding van de democratie tot resultaat hebben. Tegelijk met de reusachtige uitbreiding van de democratie die voor het eerst een democratie voor de armen, een democratie voor het volk en niet alleen een democratie voor de welgestelden wordt, brengt de diktatuur van het proletariaat een reeks van vrijheidsbeperkingen voor de onderdrukkers, de uitbuiters en de kapitalisten. Dezen moeten wij onder de duim houden om de mensheid van de loonslavernij te bevrijden; hun verzet moet met geweld worden gebroken en het is duidelijk dat waar onderdrukking is, waar geweld is geen vrijheid, geen democratie bestaat.

    Engels heeft het in zijn brief aan Bebel voortreffelijk uitgedrukt waar hij, zoals de lezer zich zal herinneren, zegt dat ‘zolang het proletariaat de staat nog gebruikt’ het dit doet ‘niet in het belang van de vrijheid, maar om er zijn tegenstanders mee onder de duim te houden, en zodra er van vrijheid sprake kan zijn houdt de staat als zodanig op te bestaan’!

    Democratie voor de geweldige meerderheid van het volk en het met geweld onder de duim houden van de uitbuiters en onder­drukkers van het volk, d.w.z. hun uitsluiting van de democratie — deze wijziging ondergaat de democratie bij de overgang van het kapitalisme naar het communisme.

    Pas in de communistische maatschappij, wanneer het verzet van de kapitalisten reeds voorgoed is gebroken, wanneer de kapitalisten zijn verdwenen, wanneer er geen klassen meer zijn (d.w.z. geen onderscheid tussen de leden van de maatschappij met betrekking tot de maatschappelijke produktiemiddelen) — pas dan ‘houdt de staat op te bestaan en kan er van vrijheid sprake zijn’. Pas dan is een werkelijk volkomen democratie werkelijk zonder enige uitzondering mogelijk en zal zij verwezenlijkt worden. En pas dan zal de democratie beginnen af te sterven als gevolg van de eenvoudige omstandigheid dat de van de kapitalistische slavernij, van de ontelbare gruwelen, brutaliteiten, onzinnigheden en gemeenheden van de kapitalistische uitbuiting bevrijde mensen er langzamerhand aan zullen wennen de elementairste, van oudsher bekende en eeuwenlang in alle voorschriften gepredikte regels van het samenleven in de maatschappij te eerbiedigen en wel zonder geweld, zonder dwang, zonder onderwerping en zonder het bijzondere apparaat tot onderdrukking dat staat wordt genoemd.

    De uitdrukking ‘de staat sterft af’ is zeer gelukkig gekozen, want zij wijst zowel op het geleidelijke als op het elementaire van dit proces. Alleen de gewoonte kan en zal ook zeker deze werking teweegbrengen, want wij zien miljoenenvoudig om ons heen hoe gemakkelijk de mensen wennen aan het volgen van de voor hen noodzakelijke regels van de maatschappelijke samenleving, wanneer de uitbuiting ontbreekt, wanneer er niets is dat hen hindert, dat protest en opstand uitlokt en de noodzaak van onderdrukking schept.

    Dus: In de kapitalistische maatschappij hebben wij een besnoeide, armzalige, valse democratie, een democratie alleen voor de rijken, voor de minderheid. De diktatuur van het proletariaat, de overgangsperiode naar het communisme, zal voor het eerst de democratie aan het volk, aan de meerderheid geven, maar tegelijkertijd zal zij noodzakelijkerwijs een minderheid, de uitbuiters, onder de duim houden. Alleen het communisme kan een werkelijk volkomen democratie bieden en hoe volkomener deze democratie zal zijn, des te sneller zal zij overbodig worden en vanzelf afsterven.

    Met andere woorden: In het kapitalistische stelsel hebben we de staat in de eigenlijke zin van het woord, een bijzondere machine tot onderdrukking van de ene klasse door de andere en wel van de meerderheid door de minderheid. Om de stelselmatige onderdrukking van de uitgebuite meerderheid door de uitbuitende minderheid succesvol te doen zijn is er natuurlijk een uiterste wreedheid nodig, een beestachtige onderdrukking, zijn er zeeën van bloed nodig door welke de mensheid in slavernij, lijfeigenschap en loonarbeid haar weg zoekt.

    Verder: Bij de overgang van het kapitalisme naar het communisme is de onderdrukking nog noodzakelijk, maar ze is al onderdrukking van de uitbuitende minderheid door de uitgebuite meerderheid. Het bijzondere apparaat, de bijzondere onderdrukkingsmachine, de ‘staat’, is nog noodzakelijk, maar het is al een overgangsstaat, geen staat meer in de eigenlijke zin van het woord, want het onder de duim houden van de uitbuitende minderheid door de meerderheid van de loonslaven van gisteren is naar verhouding zo iets gemakkelijks, eenvoudigs en natuurlijks, dat het veel minder bloed zal kosten dan het onderdrukken van opstanden van slaven, lijfeigenen en loonarbeiders en de mensheid dan ook veel goedkoper zal komen te staan. En het is verenigbaar met de uitbreiding van de democratie tot zulk een overweldigende meerderheid van de bevolking, dat de noodzakelijkheid van een bijzondere machine ter onderdrukking begint te verdwijnen. De uitbuiters zijn natuurlijk niet in staat het volk er onder te houden zonder een hoogst gecompliceerde machinerie die deze taak moet uitvoeren, maar het volk kan met een zeer eenvoudige ‘machine’ de uitbuiters er onder houden, zelfs nagenoeg zonder ‘machine’, zonder een bijzonder apparaat, alleen door organisatie van de gewapende massa’s (zoals, om even vooruit te lopen, de sowjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden).

    Tenslotte maakt alleen het communisme de staat geheel over­bodig, want dan is er niemand meer die onder de duim gehouden moet worden, ‘niemand’ in de zin van een klasse, van een stelselmatige bestrijding van een bepaald deel van de bevolking. Wij zijn geen utopisten en ontkennen volstrekt niet dat overtredingen door individuen mogelijk en onvermijdelijk zijn en evenmin dat het noodzakelijk is zulke overtredingen te onderdrukken. Maar in de eerste plaats heeft men daarvoor geen afzonderlijke machinerie, geen afzonderlijk onderdrukkingsapparaat nodig; daarvoor zal het gewapende volk zelf wel zorgen met dezelfde vanzelfsprekendheid en hetzelfde gemak als waarmee de eerste de beste groep beschaafde mensen, zelfs in de tegenwoordige maatschappij, een einde maakt aan een vechtpartij of een vrouw beschermt tegen overlast. In de tweede plaats weten we dat de eigenlijke maatschappelijke oorzaak van overtredingen van de maatschappelijke regels tenslotte gezocht moet worden in de uitbuiting van de massa’s, in hun armoede en ellende. Met het verwijderen van deze hoofdoorzaak zullen de overtredingen onvermijdelijk beginnen ‘af te sterven’ . We weten niet hoe snel en in welke volgorde dit zal gebeuren, maar we weten dat ze zullen afsterven. En met het afsterven van de overtredingen zal ook de staat afsterven.

    Zonder zich met utopieën in te laten heeft Marx nader aangetoond wat zich nu met betrekking tot de toekomst laat bepalen, nl. het onderscheid tussen de lagere en de hogere fase (trap, etappe) van de communistische maatschappij.

    3. De eerste fase van de communistische maatschappij

    In zijn ‘Kritiek op het program van Gotha’ weerlegt Marx uitvoerig de gedachte van Lassalle, dat de arbeider onder het socialisme de ‘onverkorte’ of ‘volledige opbrengst van de arbeid’ zal ontvangen. Marx toont aan dat van het maatschappelijke produkt een reservefonds afgetrokken moet worden, een fonds tot uitbreiding van de produktie, voor het vervangen van de ‘versleten’ machines enz.; bovendien uit de consumptiemiddelen een fonds voor de kosten van het bestuur, voor scholen, ziekenhuizen, bejaardentehuizen enz.

    In plaats van de vage, onduidelijke, algemene frase van Lassalle (‘de volledige opbrengst van de arbeid voor de arbeider’) geeft Marx een nuchtere berekening hoe de socialistische maatschappij haar huishouding moet bestieren. Marx analyseert concreet de levensvoorwaarden van zulk een maatschappij waarin geen kapitalisme is en zegt:

    ‘Waarmee wij hier te maken hebben’ (bij het bespreken van het program van de arbeiderspartij) ‘is een communistische maatschappij, niet zoals zij zich op haar eigen grondslag heeft ontwikkeld, maar omgekeerd, zoals zij juist uit de kapitalistische maatschappij voortkomt; die dus in elk opzicht — economisch, zedelijk, geestelijk — nog behept is met de moedervlekken van de oude maatschappij, uit welker schoot zij afkomstig is.’

    Deze communistische maatschappij die zojuist uit de schoot van het kapitalisme het licht van de wereld heeft aanschouwd, die in elk opzicht nog de moedervlekken draagt van de oude maatschappij, noemt Marx de ‘eerste’ of laagste fase van de communistische maatschappij.

    De produktiemiddelen zijn al niet meer de private eigendom van enkelingen. De produktiemiddelen behoren aan de gehele maatschappij. Elk lid van de maatschappij verricht een bepaald deel van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid en ontvangt daarvoor van de maatschappij een bewijs dat hij een zekere hoeveelheid arbeid heeft geleverd. Op dit bewijs ontvangt hij een dienovereenkomstige hoeveelheid produkten uit de maatschappelijke voorraden aan consumptiemiddelen. Na aftrek van de hoeveelheid arbeid die voor het gemeenschappelijke fonds is bestemd krijgt dus iedere arbeider van de maatschappij evenveel terug als hij haar gegeven heeft.

    Er heerst in zekere zin ‘gelijkheid’.

    Wanneer evenwel Lassalle meent dat deze maatschappelijke orde (die gewoonlijk socialisme wordt genoemd, maar bij Marx de naam draagt van eerste fase van het communisme) een ‘billijke verdeling’ en ‘gelijk recht van allen op het gelijke arbeidsprodukt’ betekent, dan is hij daarmee abuis. Marx toont dit abuis aan.

    ‘Gelijk recht’ hebben we hier inderdaad, zegt Marx, maar het is nog het ‘burgerlijke recht’ dat, zoals elk recht, ongelijkheid vooronderstelt. Elk recht is de toepassing van eenzelfde maatstaf op ongelijke mensen die in werkelijkheid niet aan elkaar gelijk zijn, van elkaar verschillen; en daarom is het ‘gelijke recht’ een schending van de gelijkheid en een onrechtvaardigheid. Inderdaad krijgt ieder die een gelijke hoeveelheid maatschappelijke arbeid levert een gelijk aandeel in het maatschappelijke produkt (nadat eerdergenoemde aftrek heeft plaatsgehad).

    Intussen zijn de mensen stuk voor stuk niet aan elkaar gelijk: de ene is sterker, de andere is zwakker; de ene is getrouwd, de andere niet; de ene heeft meer kinderen dan de andere enz.

    ‘Bij een gelijke arbeidsprestatie’, concludeert Marx ‘en dus gelijk aandeel aan het maatschappelijke verbruiksfonds ontvangt dus de ene in feite meer dan de andere, is de ene rijker dan de andere enz. Om al deze misstanden te vermijden zou het recht in plaats van gelijk ongelijk moeten zijn.’

    Rechtvaardigheid en gelijkheid kan de eerste fase van het communisme dus niet geven: verschillen en wel onrechtvaardige verschillen in rijkdom blijven bestaan, maar de uitbuiting van de ene mens door de andere wordt onmogelijk, want de produktiemiddelen, de fabrieken, machines, grond enz. kunnen niet meer als private eigendom toegeëigend worden. Marx vernietigt Lassalles kleinburgerlijke en onduidelijke frase van ‘gelijkheid’ en ‘rechtvaardigheid’ in het algemeen en toont daarbij de ontwikkelingsgang van die communistische maatschappij, die gedwongen is eerst alleen de ‘onrechtvaardigheid’ uit de weg te ruimen dat de produktiemiddelen door enkele personen toegeëigend zijn, en die vooreerst niet in staat is met één slag ook de verdere onrechtvaardigheid uit de weg te ruimen die in de verdeling van de consumptiemiddelen ‘volgens de arbeidsprestatie’ (en niet volgens de behoefte) bestaat.

    De vulgair-economen, onder wie burgerlijke professoren met inbegrip van ‘onze’ Toegan, maken de socialisten steeds het verwijt dat zij de ongelijkheid van de mensen vergeten en van een opheffing van deze ongelijkheid ‘dromen’. Zulk een verwijt bewijst, zoals wij zien, alleen de buitengewone onwetendheid van de heren burgerlijke ideologen.

    Marx houdt niet alleen zo nauwkeurig mogelijk rekening met de onvermijdelijke ongelijkheid van de mensen, maar is er zich ook van bewust dat de overgang alleen van de produktiemiddelen in het gemeenschappelijke bezit van de gehele maatschappij (‘socialisme’ in de gebruikelijke zin van het woord) de misstanden van de verdeling en de ongelijkheid van het ‘burgerlijke recht’, dat blijft bestaan zolang de produkten ‘volgens de arbeidsprestatie’ verdeeld worden, niet doet verdwijnen.

    ‘Maar deze misstanden’, zo gaat Marx voort, ‘zijn in de eerste fase van de communistische maatschappij, zoals deze na langdurige barensweeën uit de kapitalistische maatschappij is voortgekomen, niet te vermijden. Het recht kan nooit hoger zijn dan de economische vorm en de daardoor bepaalde culturele ontwikkeling van de maatschappij.’

    Op deze wijze wordt het ‘burgerlijke recht’ in de eerste fase van de communistische maatschappij (die men gewoonlijk socialisme noemt) niet geheel opgeheven, maar slechts gedeeltelijk, naar gelang van de reeds voltrokken economische omwenteling, dus alleen voor zover het de produktiemiddelen betreft. Het ‘burgerlijke recht’ beschouwt ze als de private eigendom van enkelingen. Het socialisme maakt ze tot gemeenschappelijke eigendom. In zoverre — en alleen in zoverre — valt het ‘burgerlijke recht’ weg.

    Maar toch blijft het in zijn andere delen bestaan, nl. als regulator (bepalende faktor) bij de verdeling van de produkten en van de arbeid onder de leden van de maatschappij. ‘Wie niet werkt zal ook niet eten’— dit socialistische beginsel is reeds verwezenlijkt; ‘voor gelijke hoeveelheid arbeid een gelijke hoeveelheid produkten’— ook dit socialistische beginsel is reeds verwezenlijkt. Maar dit is nog geen communisme en het maakt geen eind aan het ‘burgerlijke recht’ volgens hetwelk ongelijke mensen voor ongelijke (in feite ongelijke) hoeveelheden arbeid een gelijke hoeveelheid produkten ontvangen.

    Dat is een ‘misstand’, zegt Marx, maar die is in de eerste fase van het communisme niet te vermijden, want als men niet in utopieën wil vervallen, kan men niet aannemen dat de mensen dadelijk na de omverwerping van het kapitalisme zullen leren zonder enige rechtsnorm ten nutte van de gemeenschap te werken, daar immers door de afschaffing van het kapitalisme de economische voorwaarden voor zulk een verandering niet onmiddellijk gegeven zijn.

    En andere normen dan die van het ‘burgerlijke recht’ zijn er niet. En in zoverre blijft nog de noodzakelijkheid bestaan van de staat die de maatschappelijke eigendom van de produktiemiddelen beschermt en tevens over de gelijkheid van de arbeidsprestatie en de gelijkheid bij het verdelen van de produkten moet waken.

    De staat sterft af in zoverre er geen kapitalisten, geen klassen meer zijn en men dan ook geen klasse meer kan onderdrukken. Maar de staat is nog niet geheel afgestorven, want nog blijft de bescherming van het ‘burgerlijke recht’ over, dat de feitelijke ongelijkheid sanctioneert. Voor het volledig afsterven van de staat is het volledige communisme nodig.

    4. De hogere fase van de communistische maatschappij

    Marx vervolgt:

    ‘In een hogere fase van de communistische maatschappij, nadat de knechtende onderwerping van de individuen aan de arbeidsverdeling en daarmee ook de tegenstelling tussen geestelijke en lichamelijke arbeid verdwenen is, nadat de arbeid niet alleen middel tot leven maar zelfs de eerste levensbehoefte geworden is, nadat met de alzijdige ontwikkeling van de individuen ook de produktiekrachten zijn gegroeid en alle bronnen van de in samenwerking voortgebrachte rijkdom rijker vloeien — eerst dan kan de enge burgerlijke rechtshorizon geheel worden overschreden en kan de maatschappij in haar vaandels schrijven: Ieder naar zijn bekwaamheden, aan ieder naar zijn behoeften!’

    Nu eerst kunnen wij de gehele juistheid van Engels’ woorden beoordelen, waarmee hij het verbinden van de woorden ‘vrijheid’ en ‘staat’ onverbiddelijk als een onzinnigheid hoonde. Zolang er een staat is, is er geen vrijheid. Wanneer er vrijheid zal bestaan, zal er geen staat bestaan.

    De economische grondslag van het volledig afsterven van de staat is een zo hoge ontwikkeling van het communisme dat de tegenstelling tussen geestelijke en lichamelijke arbeid verdwijnt, dat daarmee dus een van de voornaamste bronnen van de tegenwoordige maatschappelijke ongelijkheid verdwijnt, een bron die louter door de overgang van de produktiemiddelen in handen van de maatschappij, louter door de onteigening van de kapitalisten volstrekt nog niet uit de weg geruimd kan worden.

    Deze onteigening geeft de mogelijkheid van een kolossale ontwik­keling van de produktiekrachten. En wanneer wij zien hoe deze ontwikkeling reeds thans door het kapitalisme ongelooflijk wordt tegengehouden, hoeveel vooruitgang er geboekt zou kunnen worden op grond van de tegenwoordig reeds bereikte techniek, dan mogen wij met het volste vertrouwen zeggen dat de onteigening van de kapitalisten onontkoombaar een ontzaglijke ontwikkeling van de produktiekrachten van de mensenmaatschappij ten gevolge zal hebben. Hoe snel deze ontwikkeling zich zal ontplooien en hoe snel zij zal leiden tot opheffing van de arbeidsverdeling, tot opheffing van de tegenstelling tussen geestelijke en lichamelijke arbeid en tot het veranderen van de arbeid in een ‘eerste levensbehoefte’, dat weten wij niet en dat kunnen wij niet weten.

    Wij mogen dus slechts spreken van het onvermijdelijk afsterven van de staat, waarbij wij er de nadruk op leggen dat dit proces zeer langdurig is en afhangt van de snelheid waarmee de hogere fase van het communisme zich ontwikkelt; de kwestie van de tijdsduur of van de concrete vormen van dit afsterven laten we volstrekt open, want er is geen materiaal voor het beantwoorden van zulke vragen.

    De staat zal volledig kunnen afsterven wanneer de maatschappij de regel zal hebben verwezenlijkt ‘ieder naar zijn bekwaamheden, aan ieder naar zijn behoeften’, d.w.z. wanneer de mensen zo gewend zullen zijn aan het naleven van de grondregels van het samenleven in de maatschappij en hun arbeid zo produktief zal zijn dat zij vrijwillig naar hun bekwaamheden zullen werken. ‘De enge burgerlijke rechtshorizon’ die iemand met de onbarmhartigheid van een Shylock doet uitrekenen of hij soms niet een half uur langer gewerkt of iets minder betaald gekregen heeft dan een ander — deze enge horizon zal dan overschreden zijn. Het zal dan niet nodig zijn dat de maatschappij de produkten volgens vaste normen onder de rechthebbenden verdeelt, want ieder zal nemen ‘naar zijn behoeften’.

    Van burgerlijk standpunt uit valt het gemakkelijk zulk een maatschappelijke structuur als ‘pure utopie’ voor te stellen en er over te spotten dat de socialisten iedereen het recht garanderen, zonder enige controle op de arbeidsprestatie van elke burger afzonderlijk, van de maatschappij zoveel truffels, automobielen, piano’s enz. te ontvangen als hij maar wil. De meeste burgerlijke ‘geleerden’ bepalen zich ook vandaag nog er toe zich over deze dingen alleen maar vrolijk te maken, maar zij bewijzen daarmee zowel hun onwetendheid als hun eigen baatzuchtige verdediging van het kapitalisme.

    Onwetendheid, want het is bij geen socialist ooit opgekomen te ‘garanderen’ dat de hogere ontwikkelingsfase van het communisme er komt; de voorspelling van de grote socialisten echter dat ze zal komen gaat niet uit van de tegenwoordige arbeidsproduktiviteit en niet van de tegenwoordige kleinburger die het, zoals de semi­naristen bij Pomjalowski, klaarspeelt ‘nutteloos’ de maatschappelijke rijkdommen te verknoeien en het onmogelijke te verlangen.

    Tot de ‘hogere’ fase van het communisme begonnen zal zijn eisen de socialisten de allerstrengste controle door de gemeenschap en door de staat van de hoeveelheid arbeid en de hoeveelheid verbruik, maar deze controle moet beginnen met de onteigening van de kapitalisten, met de controle van de arbeiders op de kapitalisten, en zij moet uitgevoerd worden niet met behulp van een ambtenarenstaat, maar van de staat der gewapende arbeiders.

    De baatzuchtige verdediging van het kapitalisme door de burger­lijke ideologen (en hun trawanten van het slag van Tsereteli, Tsjernow en Co.) bestaat juist daarin dat zij de brandende en actuele kwestie van de politiek van vandaag op slinkse wijze verwisselen voor discussies en praatjes over de verre toekomst, en wel de kwestie van de onteigening der kapitalisten, van de verandering van alle burgers in arbeiders en employés van één groot ‘syndicaat’, nl. van de hele staat, en van de totale ondergeschiktheid van alle arbeid van dit algehele syndicaat aan de werkelijk democratische staat, de staat van de sowjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden.

    Wanneer de geleerde professor en na hem de kleinburger en daarna de heren Tsereteli en Tsjernow het hebben over krankzinnige utopieën, over demagogische beloften van de bolsjewiki of over de onmogelijkheid van het ‘invoeren’ van het socialisme, dan bedoelen zij eigenlijk het hogere stadium of de hogere fase van het communisme die niemand heeft beloofd ‘in te voeren’ en waaraan niemand zelfs gedacht heeft, want ‘invoeren’ is er in het geheel niet bij.

    En daarmee zijn we bij de kwestie beland van het wetenschappelijke onderscheid tussen socialisme en communisme dat Engels in de eerder geciteerde opmerking over het onjuiste van de naam ‘sociaal-democraat’ aanroert. In politiek opzicht zal het onderscheid tussen de eerste of lagere en de hogere fase van het communisme mettertijd waarschijnlijk zeer groot zijn, maar thans, onder het kapitalisme, is het een dwaasheid op dit onderscheid de nadruk te leggen; hoogstens enkele anarchisten zouden het op de voorgrond kunnen schuiven (wanneer er althans onder de anarchisten nog mensen over zijn die niets hebben geleerd, nadat een Kropotkin, Grave, Cornelissen en andere ‘lichten’ van het anarchisme zich ‘op z’n Plechanows’ veranderd hebben in sociaal-chauvinisten of loopgraaf-anarchisten, zoals Ge, een der weinige anarchisten die eer en geweten hebben bewaard, zich uitdrukt). Het wetenschappelijke onderscheid tussen socialisme en communisme is evenwel duidelijk. Wat gewoonlijk socialisme genoemd wordt, duidde Marx aan als de ‘eerste’ of lagere fase van de communistische maatschappij. Het woord ‘communisme’ kan ook hier aangewend worden, in zoverre de produktiemiddelen eigendom van de gemeenschap zijn; maar men moet hierbij niet vergeten dat dit communisme niet volledig is. De grote waarde van de uitlegging van Marx is daarin gelegen dat hij ook hier consequent de materialistische dialektiek, de ontwikkelingsleer toepast en het communisme opvat als iets dat zich uit het kapitalisme ontwikkelt. In plaats van scholastisch geconstrueerde, ‘bedachte’ definities en onvruchtbare haarkloverijen (wat is communisme, wat socialisme?) analyseert Marx wat men trappen van economische rijpheid van het communisme kan noemen.

    In zijn eerste fase, op zijn eerste trap kan het communisme economisch nog niet geheel rijp zijn, nog niet geheel vrij van de tradities en overblijfselen van het kapitalisme. Vandaar een interessant verschijnsel als het voortbestaan van de ‘enge burgerlijke rechtshorizon’ in de eerste fase van het communisme. Het burgerlijke recht vooronderstelt met betrekking tot de verdeling van de consumptie middelen natuurlijk ook onvermijdelijk de burgerlijke staat, want het recht is niets zonder een apparaat dat het in acht nemen van de rechtsnormen kan afdwingen.

    Hieruit volgt dat onder het communisme niet alleen een tijdlang het burgerlijke recht blijft bestaan, maar zelfs de burgerlijke staat — zonder de bourgeoisie!

    Dat kan een paradox of een dialektisch spiegelgevecht lijken, hetgeen immers aan het marxisme dikwijls verweten wordt door mensen die nooit de geringste moeite hebben gedaan om ook maar enigszins zijn ontzaglijk diepe inhoud te doorgronden.

    In werkelijkheid echter toont ons het leven bij elke stap, in de natuur zowel als in de maatschappij, overblijfselen van het oude in het nieuwe. En Marx heeft het communisme niet willekeurig een stukje ‘burgerlijk’ recht ondergeschoven, doch alleen dat genomen wat economisch en politiek onvermijdelijk is in een maatschappij die uit de schoot van het kapitalisme voortkomt.

    De democratie is in de bevrijdingsstrijd van de arbeidersklasse tegen de kapitalisten van grote betekenis. Maar de democratie is volstrekt geen grenslijn die niet te overschrijden is, doch vormt slechts een etappe op de weg van feodalisme naar kapitalisme en van kapitalisme naar communisme.

    Democratie betekent gelijkheid. Men begrijpt de grote betekenis van de strijd van het proletariaat voor gelijkheid en voor de leus van de gelijkheid, wanneer men ze althans in de zin van afschaffing van de klassen opvat. Maar democratie betekent slechts formele gelijkheid. En terstond na de verwezenlijking van het gelijke recht van alle leden van de maatschappij met betrekking tot de eigendom van de productiemiddelen, d.w.z. de gelijkheid van de arbeid en van het arbeidsloon, zal onvermijdelijk de vraag voor de mensheid opdoemen hoe nu de weg van de formele gelijkheid verder gaat naar de daadwerkelijke gelijkheid of naar de verwezenlijking van de regel ‘ieder naar zijn bekwaamheden, aan ieder naar zijn behoeften’. Via welke etappes en door welke praktische maatregelen de mensheid dit hoogste doel zal bereiken weten wij niet en kunnen wij niet weten. Maar het is van belang zich te realiseren hoe volkomen leugenachtig de gebruikelijke burgerlijke voorstelling is dat het socialisme iets doods, iets verstards, eens en voor altijd gegeven is, terwijl in werkelijkheid eerst met het socialisme een snelle, echte, waarachtige vooruitgang van de massa’s op alle gebieden van het openbare en persoonlijke leven begint, aanvankelijk onder deelneming van de meerderheid van de bevolking en dan van de gehele bevolking.

    Democratie is een staatsvorm, een van de varianten van de staat. Bijgevolg is zij, zoals iedere staat, een georganiseerde systematische toepassing van geweld tegenover mensen. Dit aan de ene kant. Aan de andere kant echter betekent zij een formele erkenning van de gelijkheid van de burgers, het gelijke recht van allen op het bepalen van de staatsinrichting en het besturen van de staat. Dat heeft weer tot gevolg dat de democratie op een bepaalde trap van haar ontwikkeling de ten opzichte van het kapitalisme revolutionaire klasse, het proletariaat, aaneensluit en haar de mogelijkheid geeft de burgerlijke, zij het ook een republikeins­burgerlijke, staatsmachine — staand leger, politie, ambtenarij — te breken, in stukken te slaan, van het aangezicht van de aarde te laten verdwijnen en te vervangen door een meer democra­tische staatsmachine, maar toch altijd nog een staatsmachine, bestaande uit gewapende arbeidersmassa’s die ertoe overgaan het gehele volk aan de militie te doen deelnemen.

    Hierbij ‘slaat de kwantiteit om in de kwaliteit’: Een zodanige trap van democratie gaat buiten het raam van de burgerlijke maatschappij en is het begin van haar socialistische omvorming. Wanneer werkelijk allen aan het staatsbestuur deelnemen kan het kapitalisme zich niet langer houden. De ontwikkeling van het kapitalisme schept harerzijds de voorwaarden dat werkelijk ‘allen’ aan het staatsbestuur kunnen deelnemen. Tot deze voorwaarden behoort het algemene onderwijs dat in de meest vooraanstaande kapitalistische landen al is ingevoerd, voorts het ‘scholen en disciplineren’ van miljoenen arbeiders door het grote, gecompliceerde, gesocialiseerde apparaat van de posterijen, de spoorwegen, de grote bedrijven, de groothandel, het bankwezen enz. enz.

    Onder zulke economische voorwaarden is het volstrekt mogelijk onverwijld, van vandaag op morgen, er toe over te gaan de kapitalisten en de ambtenaren, nadat zij ten val gebracht zijn, te vervangen door de gewapende arbeiders, door het gehele gewapende volk voor wat betreft de controle op de produktie en de verdeling en bij het instellen van de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording t.a.v. de arbeid en de produkten. (Men verwissele de kwestie van de controle en van de rekenplichtigheid niet met die van het wetenschappelijk gevormde personeel, de ingenieurs, landbouwkundigen enz.; deze heren werken nu als ondergeschikten van de kapitalisten en zullen morgen nog beter werken als ondergeschikten van de gewapende arbeiders.) Rekenplichtigheid en controle — dat is het belangrijkste wat voor het ‘op gang brengen’, voor het juiste functioneren van de communistische maatschappij in haar eerste fase noodzakelijk is. Alle burgers worden hier betaalde employés van de staat die gevormd wordt door de gewapende arbeiders. Alle burgers worden employés en arbeiders van één het gehele volk omvattend staats’syndicaat’. Het gaat er alleen om dat allen in gelijke mate arbeiden, de maat van de arbeid juist in acht nemen en in gelijke mate loon krijgen. De rekenplicht en de controle zijn door het kapitalisme uitermate vereenvoudigd, teruggebracht tot uiterst eenvoudige, voor iedere mens die kan lezen en schrijven toegankelijke werkzaamheden van toezicht en boekhouding, het beheersen van de vier hoofdbewerkingen van de rekenkunde en het uitschrijven van de nodige kwitanties.

    [noot: Wanneer de staat, wat liet belangrijkste deel van zijn functies betreft, tot zulk een rekenplicht en controle door de arbeiders zelf is teruggebracht, dan houdt hij op ‘politieke staat’ te zijn; dan veranderen de maatschappelijke functies van politieke in eenvoudige administratieve. (Zie ook hiervoor: Hoofdstuk IV, deel 2, over de polemiek van Engels tegen de anarchisten.)

    Wanneer de meerderheid van het volk zelfstandig en overal zal beginnen met zulk een rekenplichtigheid en zulk een controle op de kapitalisten (die dan employés geworden zijn), zo goed als op de heren intellectuelen met hun kapitalistische allures, dan wordt deze controle een werkelijk universele, algemene, waarachtige volkscontrole, dan zal niemand zich meer daaraan kunnen onttrekken, want nergens zal men zich ervoor ‘kunnen redden’.

    De gehele maatschappij zal dan een enkele fabriek en een enkel kantoor met gelijkheid van arbeid en van beloning geworden zijn.

    Maar deze ‘fabrieks’discipline, die het proletariaat na de over­winning op de kapitalisten en de omverwerping van de uitbuiters tot de gehele maatschappij zal uitstrekken, is beslist niet ons ideaal of ons einddoel; ze betekent slechts een stap die noodzakelijk is voor het radikaal zuiveren van de maatschappij van alle laagheden en gemeenheden van de kapitalistische uitbuiting, een stap om verder voorwaarts te kunnen gaan.

    Van het ogenblik af dat alle leden van de maatschappij of althans hun overgrote meerderheid geleerd hebben zelf de staat te besturen en zelf de staatsregering in handen hebben genomen, alsmede de controle op een uiterst kleine minderheid van de kapitalisten, op de heertjes die zo graag hun kapitalistische allures zouden willen behouden en op die arbeiders die door het kapitalisme grondig gedemoraliseerd zijn — van dat ogenblik af zal de noodzakelijkheid van elk regeren in het algemeen beginnen te verdwijnen. Hoe volkomener de democratie is, des te meer nabij is het tijdstip waarop zij overbodig wordt. Hoe democratischer de ‘staat’ is die uit gewapende arbeiders bestaat en die reeds geen ‘staat in de eigenlijke betekenis van het woord’ meer is, des te eerder zal iedere staat beginnen af te sterven.

    Want als allen het besturen zullen hebben geleerd en inderdaad zelfstandig de maatschappelijke produktie zullen leiden, zelfstandig de rekenplicht en de controle op de nietsdoeners, de herenzoontjes, de zwendelaars en dergelijke ‘bewaarders van de traditie van het kapitalisme’ zullen uitoefenen, zal het ontduiken van deze door het hele volk uitgeoefende rekenplicht en controle wel zo uitermate moeilijk worden, een zo zeldzame uitzondering vormen en waarschijnlijk een zo snelle en ernstige bestraffing ten gevolge hebben (want de gewapende arbeiders zijn mensen van het praktische leven, geen sentimentele intellectuelen, en ze zullen wel nauwelijks met zich laten spotten), dat de noodzakelijkheid van het in acht nemen der eenvoudige grondregels van het menselijke samenleven zeer spoedig gewoonte zal worden.

    En dan zal de deur wijd openstaan voor de overgang van de eerste fase van de communistische maatschappij naar haar hogere fase en daarmee ook naar het volledig afsterven van de staat.



    Hoofdstuk VI: Het vervlakken van het marxisme door de opportunisten

    Het vraagstuk van de verhouding van de staat tot de sociale revo­lutie en van de sociale revolutie tot de staat heeft de voornaamste theoretici en publicisten van de Tweede Internationale (1889— 1914) zeer weinig beziggehouden, zomin als het vraagstuk van de revolutie in het algemeen. De meest karakteristieke trek van het proces van het geleidelijk toenemende opportunisme, dat in 1914 tot de ineenstorting van de Tweede Internationale heeft geleid, is evenwel dat men, al werd men met de neus op het vraagstuk gedrukt, altijd trachtte het te omzeilen of het niet bemerkte.

    In het algemeen kan men zeggen dat het ontwijken van de kwestie van de verhouding van de proletarische revolutie tot de staat, een ontwijken dat het opportunisme heeft begunstigd en gevoed, geleid heeft tot een verminking van het marxisme en tot zijn volkomen vervlakking.

    Ten einde dit droevige proces, zij het ook in het kort, te karakteriseren, wenden wij ons tot de voornaamste theoretici van het marxisme, Plechanow en Kautsky.

    1. Plechanows polemiek tegen de anarchisten

    Plechanow heeft aan de kwestie van de verhouding tussen anarchisme en socialisme een afzonderlijke brochure gewijd, ‘Anarchisme en socialisme’, die in 1894 in het Duits is verschenen.

    Plechanow speelde het klaar bij de behandeling van dit onderwerp het meest actuele, meest brandende, in politiek opzicht meest belangrijke punt van de bestrijding van het anarchisme, nl. de verhouding van de revolutie tot de staat en het vraagstuk van de staat in het algemeen volledig uit de weg te gaan. In zijn brochure zijn twee gedeelten te onderscheiden: een historisch-literair deel met waardevol materiaal over de geschiedenis van de ideeën van Stirner, Proudhon e.a., en een tweede, filisterachtig deel met platvloerse beschouwingen, volgens welke een anarchist nauwelijks van een bandiet te onderscheiden is.

    De verbinding van deze onderwerpen is zeer curieus en uiterst karakteristiek voor de gehele werkzaamheid van Plechanow aan de vooravond van de revolutie en in de loop van de revolutionaire periode in Rusland; Plechanow ontpopte zich dan ook in de jaren van 1905 tot 1917 half als een doctrinair en half als een filister die op politiek gebied achter de bourgeoisie aandraafde.

    We hebben gezien hoe Marx en Engels in hun polemiek tegen de anarchisten hun opvattingen over de verhouding van de revolutie tot de staat met de meeste zorgvuldigheid naar voren brachten. Bij de uitgave van de ‘Kritiek op het program van Gotha’ van Marx schreef Engels in 1891: ‘Wij’ (d.w.z. Marx en Engels) ‘waren toen, nauwelijks twee jaar na het congres van de’ (Eerste) ‘Internationale in Den Haag,, in de heftigste strijd gewikkeld met Bakoenin en diens anarchisten.’

    De anarchisten probeerden uitgerekend de Commune van Parijs zogezegd voor zichzelf en als een bevestiging van hun leer ‘te claimen’; daarbij begrepen zij absoluut niets van haar lessen, noch van de analyse van die lessen door Marx. Het anarchisme beeft niets opgeleverd dat het juiste antwoord op de concrete politieke vragen: Moet de oude staatsmachine verbrijzeld worden en waardoor moet zij vervangen worden? ook maar benadert.

    Maar van ‘anarchisme en socialisme’ spreken en het hele vraagstuk van de staat omzeilen, de hele ontwikkeling van het marxisme voor en na de Commune niet opmerken, dat betekende onvermijdelijk afglijden naar het opportunisme. Want juist het opportunisme vaart er wel bij wanneer de beide zoëven door ons aangeroerde vraagstukken in het geheel niet worden aange­sneden. Dat is reeds een overwinning van het opportunisme.

    2. Kautsky’s polemiek tegen de opportunisten

    Van Kautsky’s werken zijn er ongetwijfeld meer in het Russisch vertaald dan in enige andere taal. Niet ten onrechte beweren sommige Duitse sociaal-democraten schertsend dat Kautsky in Rusland meer gelezen wordt dan in Duitsland. (Tussen haakjes: deze scherts heeft een veel diepere historische betekenis dan hun geestelijke vaders vermoeden; namelijk de Russische arbeiders die in 1905 een buitengewoon sterke, ongekende leeshonger voor de beste werken van de beste sociaal-democratische wereldliteratuur aan de dag legden en aan wie een in andere landen ongekende menigte vertalingen en uitgaven van deze werken werd aangeboden, hebben daarmee om zo te zeggen in versneld tempo de reusachtige ervaring van het meer ontwikkelde buurland op de jonge bodem van onze proletarische beweging overgeplant.)

    Bijzonder bekend is Kautsky bij ons, behalve door zijn populaire uiteenzetting van het marxisme, door zijn polemiek tegen de door Bernstein geleide opportunisten. Stelt men zich echter tot taak na te gaan hoe Kautsky in de tijd van de zware crisis van 1914— 1915 tot zijn ongehoord schandalige hersenloosheid en tot zijn verdediging van het sociaal-chauvinisme is afgezakt, dan mag men een feit dat bijna geheel onbekend is niet uit het oog ver­liezen. Het feit namelijk dat Kautsky voor hij tegen de voor­naamste vertegenwoordigers van het opportunisme in Frankrijk (Millerand en Jaurès) en in Duitsland (Bernstein) optrad, zeer wankelmoedig was. De marxistische ‘Zarja’, die in 1901—1902 in Stuttgart verscheen en revolutionair-proletarische opvattingen verdedigde, zag zich gedwongen tegen Kautsky te polemiseren en zijn uit halfheden bestaande, ontwijkende en ten opzichte van de opportunisten verzoenende resolutie op het Parijse Internationale Socialistencongres van 1900 als ‘gummi-achtig’ te karakteriseren. In de Duitse literatuur werden brieven van Kautsky gepubliceerd die aantoonden dat hij voor zijn veldtocht tegen Bernstein niet minder weifelde.

    Van veel grotere betekenis is echter de omstandigheid dat wij thans bij het onderzoek van de geschiedenis van Kautsky’s jongste verraad aan het marxisme kunnen vaststellen hoe hij in zijn polemiek tegen de opportunisten, in de wijze waarop hij)het vraagstuk aan de orde stelde en behandelde, systematisch naar het opportunisme neigde juist in het vraagstuk van de staat. Nemen wij het eerste grote werk van Kautsky tegen het opportunisme, zijn boek ‘Bernstein en het sociaal-democratische program’. Bernstein wordt uitvoerig door Kautsky weerlegd. Karakteristiek is echter het volgende.

    Bernstein beschuldigt in zijn herostratisch beroemd geworden ‘Voorwaarden van het socialisme’ het marxisme van ‘blanquisme’ (een beschuldiging die sindsdien door de opportunisten en liberale bourgeois in Rusland duizendmaal tegen de vertegenwoordigers van het revolutionaire marxisme, de bolsjewiki, is herhaald). Daarbij staat Bernstein speciaal stil bij ‘De burgeroorlog in Frankrijk’ van Marx en tracht hij — zoals wij zagen zonder succes — de opvattingen van Marx over de lessen van de Commune te identificeren met de opvattingen van Proudhon. Bernstein schenkt vooral aandacht aan de conclusie van Marx die deze in het voorwoord van 1872 voor ‘Het Communistisch Manifest’ onderstreepte en die luidde dat ‘de arbeidersklasse de bestaande staatsmachine niet meer eenvoudig in bezit kan nemen en ze voor haar eigen doeleinden in beweging zetten’.

    Bernstein vindt zulk een ‘behagen’ in deze uitspraak dat hij haar in zijn boek wel drie maal herhaalt en in een volkomen verdraaide, opportunistische zin uitlegt.

    Marx wil, zoals wij gezien hebben, zeggen dat de arbeidersklasse de gehele staatsmachine moet verbrijzelen, breken, opblazen (opblazen — Sprengung — is de uitdrukking die Engels gebruikt). Volgens Bernstein echter schijnt het alsof Marx met deze woorden de arbeidersklasse heeft willen waarschuwen voor een al te ijverig revolutionair optreden bij het grijpen van de macht.

    Een grovere en afschuwelijkere verdraaiing van Marx’ gedachte kan men zich nauwelijks voorstellen.

    Wat deed Kautsky nu in zijn zeer uitvoerige weerlegging van Bernsteins tirade?

    Hij vermeed het de opportunistische verdraaiing van het marxisme op dit punt in heel haar diepte te analyseren. Hij haalde de eerder geciteerde passage van het voorwoord van Engels bij ‘De burgeroorlog’ van Marx aan en beperkte zich er toe te zeggen dat volgens Marx de arbeidersklasse de kant en klare staatsmachine niet eenvoudig in bezit kan nemen, maar ze toch in het algemeen in bezit kan nemen, en dat was alles. Dat Bernstein aan Marx juist het tegendeel van diens werkelijke uitspraak in de mond legde, dat Marx sinds 1852 als de taak van de proletarische revolutie het ‘breken’ van de staatsmachine op de voorgrond stelde, daarover is bij Kautsky geen woord te vinden. Op die manier werd het meest wezenlijke onderscheid tussen marxisme en opportunisme ten aanzien van de taken van de proletarische revolutie bij Kautsky weggemoffeld.

    ‘De beslissing over het probleem van de proletarische diktatuur’, schreef Kautsky ‘tegen’ Bernstein, ‘kunnen we wel rustig aan de toekomst overlaten.’ (Blz. 172 van de Duitse uitgave.)

    Dit is geen polemiek tegen, maar in de grond van de zaak een concessie aan Bernstein, een capitulatie voor het opportunisme, want voorlopig willen de opportunisten immers niet meer bereiken dan dat alle principiële vraagstukken over de taken van de proletarische revolutie ‘rustig aan de toekomst overgelaten’ worden.

    Van 1852 tot 1891, veertig jaar lang, hebben Marx en Engels het proletariaat geleerd dat het de staatsmachine in stukken moet slaan. Maar met het volledige verraad voor ogen dat de opportunisten op dit punt ten opzichte van het marxisme hebben gepleegd, weet Kautsky het in 1899 klaar te spelen de vraag of men deze machine moet stukslaan om te wisselen voor de vraag wat de concrete vormen van dit stukslaan zijn, en hij zoekt dan zijn toevlucht bij de ‘onbetwistbare’ (en nutteloze) filisterachtige waarheid dat men die concrete vormen van te voren niet kan weten! Er gaapt een afgrond tussen Marx en Kautsky in hun verhouding tot de taak die de proletarische partij heeft, nl. de arbeidersklasse voor te bereiden op de revolutie.

    Nemen we een later, rijper werk van Kautsky, dat eveneens in hoge mate aan het weerleggen van de opportunistische dwalingen is gewijd. Het is zijn brochure ‘De sociale revolutie’. De schrijver nam hier als zijn onderwerp de ‘proletarische revolutie’ en het ‘proletarische regiem’. De auteur geeft zeer veel wat grote waarde heeft, maar juist het vraagstuk van de staat ontwijkt hij. In de brochure is overal sprake van de verovering van de staatsmacht, verder niets, d.w.z. er wordt een formulering gekozen die de opportunisten tegemoetkomt voorzover zij een verovering van de macht zonder een vernietiging van de staatsmachine toelaat. Juist dat wat Marx in 1872 in het program van ‘Het Communistisch Manifest’ ‘verouderd’ noemt, wordt door Kautsky in 1902 weer opgewarmd.

    In de brochure is een speciaal hoofdstuk gewijd aan de ‘vormen en wapens van de sociale revolutie’. Hier wordt gesproken over de politieke massastaking en over de ‘machtsmiddelen van de moderne grote staat, zijn bureaucratie en leger’, maar over dat wat de Commune de arbeiders reeds geleerd heeft, daarover geen woord. Blijkbaar heeft Engels de socialisten, in het bijzonder de Duitse, niet voor niets gewaarschuwd tegen de ‘bijgelovige verering’ van de staat.

    Kautsky formuleert de zaak aldus: Het overwinnende proletariaat zal ‘het democratische program verwezenlijken’ en hij zet dan de punten daarvan uiteen. Over het nieuwe dat het jaar 1871 in de kwestie van de vervanging van de burgerlijke democratie door de proletarische democratie heeft opgeleverd geen woord. Kautsky maakt zich van de zaak af door zo ‘solide’ klinkende banaliteiten als:

    ‘En toch spreekt het vanzelf dat wij onder de tegenwoordige verhoudingen niet tot de macht komen. De revolutie zelf veronderstelt een langdurige en diepgaande strijd die reeds onze huidige politieke en sociale structuur zal veranderen.’

    Zeker spreekt dat ‘vanzelf’, net zo goed als de waarheid dat paarden haver eten en dat de Wolga in de Kaspische Zee stroomt. Het is alleen jammer dat met behulp van de zinledige en opgebla­zen frase van de ‘diepgaande’ strijd de voor het revolutionaire proletariaat beslissende vraag ontweken wordt waarin de ‘diepte’ van zijn revolutie ten opzichte van de staat en ten opzichte van de democratie zich dan wel onderscheidt van de vroegere niet-proletarische revoluties.

    Doordat Kautsky deze vraag uit de weg gaat doet hij in werkelijkheid op dit zeer belangrijke punt een concessie aan het opportunisme, ofschoon hij het in woorden een verbitterde oorlog verklaart, de betekenis ‘van de idee der revolutie’ onderstreept (hoeveel is deze ‘idee’ waard wanneer men er voor terugschrikt onder de arbeiders de concrete lessen van de revolutie te propageren?) of zegt: ‘het revolutionaire idealisme voor alles’ of verklaart dat de Engelse arbeiders ‘heden ternauwernood nog iets anders zijn dan kleine bourgeois’.

    ‘In een socialistische maatschappij’, schrijft Kautsky, ‘kunnen de meest verschillende vormen van bedrijf-bureaucratische (??), vakverenigings-, coöperatieve en eenmansbedrijven naast elkaar bestaan... Er bestaan b.v. bedrijven die het zonder een bureaucratische (??) organisatie niet kunnen stellen, met name de spoorwegen. De democratische organisatie kan daar een zodanige vorm aannemen dat de arbeiders afgevaardigden kiezen, die een soort parlement vormen dat de arbeidsreglementen vaststelt en over het bestuur van het bureaucratische apparaat waakt. Andere bedrijven kan men aan vakverenigingen in beheer geven, weer andere kunnen op coöperatieve grondslag geleid worden.’ (Blz. 148 en 115 van de Russische editie, Genève, 1903.)

    Deze beschouwing is foutief en betekent een stap terug in vergelijking met wat Marx en Engels in de zeventiger jaren aan de hand van de lessen der Commune hebben aangetoond.

    Wat de zogenaamd noodzakelijke ‘bureaucratische’ organisatie betreft, daarin verschillen de spoorwegen beslist in niets van alle bedrijven van de machinale grote industrie in het algemeen, van iedere fabriek, warenhuis of groot kapitalistisch landbouwbedrijf. In al deze bedrijven schrijft de techniek onvoorwaardelijk de strengste discipline voor, de grootste nauwkeurigheid bij het uitvoeren van de aan ieder toegewezen deeltaak, op straffe van stremming van het hele bedrijf of van benadeling van de installaties of produkten. In al deze ondernemingen zullen natuurlijk de arbeiders ‘afgevaardigden kiezen die een soort parlement vormen’. Maar daar gaat het nu juist om, dat dit ‘soort parlement’ geen parlement in de zin van een burgerlijke parlementaire instelling zal zijn. Het gaat er juist om dat dit ‘soort parlement’ niet alleen ‘de arbeidsreglementen vaststelt en over het bestuur van het bureaucratische apparaat waakt’, zoals Kautsky zich dat voorstelt wiens gedachtegang niet buiten het raam van het burgerlijke parlementarisme komt. In de socialistische maatschappij zal natuurlijk ‘een soort parlement’ van arbeidersafgevaardigden ‘arbeidsreglementen vaststellen’ en over ‘het bestuur van het apparaat waken’, maar dit apparaat zal niet ‘bureaucratisch’ zijn. Nadat de arbeiders de politieke macht veroverd zullen hebben, zullen zij het oude bureaucratische apparaat in stukken slaan, het tot op zijn grondvesten vernietigen, er geen steen van op de andere laten. Zij zullen het vervangen door een nieuw apparaat, dat uit de arbeiders en employés zelf bestaat tegen wier verandering in bureaucraten terstond de maatregelen genomen zullen worden die Marx en Engels uitvoerig hebben onderzocht: 1. niet slechts verkiesbaarheid, maar ook afzetbaarheid te allen tijde; 2. een loon niet hoger dan het loon van een arbeider; 3. ogenblikkelijke overgang tot de toestand, waarbij allen functies van toezicht en controle vervullen, allen gedurende enige tijd ‘bureaucraten’ worden, waardoor dus niemand ‘bureaucraat’ kan worden.

    Kautsky heeft de woorden van Marx ‘De Commune moest geen parlementair, maar een werkend lichaam zijn, uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd’ in het geheel niet doordacht.

    Kautsky heeft absoluut niet het verschil begrepen tussen het burgerlijke parlementarisme, dat democratie (niet voor het volk) verbindt met bureaucratie (tegen het volk), en de proletarische democratie, die terstond de maatregelen zal nemen om de bureaucratie uit te roeien en die in staat zal zijn deze maatregelen door te zetten tot aan de volledige vernietiging van de bureaucratie en de invoering van de volledige democratie voor het volk.

    Kautsky openbaart hier nog altijd dezelfde ‘bijgelovige verering’ van de staat en hetzelfde ‘bijgelovige vertrouwen’ in de bureaucratie.

    Wij zullen nu overgaan tot het laatste en beste werk van Kautsky tegen de opportunisten, zijn brochure ‘De weg naar de macht’ (naar ik meen niet in het Russisch uitgegeven, want zij verscheen in 1909, juist tijdens de zwartste Russische reactie). Deze brochure betekent een belangrijke stap vooruit, voorzover daarin niet sprake is van het revolutionaire program in het algemeen, zoals in de brochure van 1899 tegen Bernstein, en niet van de taken van de sociale revolutie onafhankelijk van het tijdstip van haar uitbreken, zoals in de brochure van 1902 ‘De sociale revolutie’, maar van de concrete voorwaarden die ons dwingen te erkennen dat het ‘tijdperk van de revolutie’ aanbreekt.

    De schrijver wijst met beslistheid op de verscherping van de klassentegenstellingen in het algemeen en op het imperialisme dat hierbij een bijzonder grote rol speelt. Na het ‘revolutionaire tijdperk van 1789—1871’ in West-Europa begint met het jaar 1905 een daarmee overeenkomstige periode in het oosten van Europa. Met dreigende snelheid nadert de wereldoorlog. ‘Het’ (proletariaat) ‘kan niet meer spreken van een te vroege revolutie’. Wij zijn het revolutionaire tijdperk binnengetreden.’ De ‘revolutionaire periode breekt aan’.

    Deze verklaringen zijn volkomen duidelijk. Deze brochure van Kautsky kan als maatstaf dienen van wat de Duitse sociaal-democratie voor de imperialistische oorlog beloofde te zijn en hoe diep zij (en met haar ook Kautsky zelf) bij het uitbreken van de oorlog gezonken is. ‘De tegenwoordige situatie’, schreef Kauts­ky in deze brochure, ‘brengt evenwel het gevaar met zich dat wij’ (d.w.z. de Duitse sociaal-democratie) ‘licht voor “gematigder” gehouden worden dan wij in werkelijkheid zijn.’ Het is echter gebleken dat de Duitse sociaal-democratische partij onvergelijkelijk gematigder en opportunistischer was dan zij scheen!

    Des te kenmerkender is het dat Kautsky, ondanks de beslistheid waarmee hij over het reeds begonnen tijdperk van revoluties spreekt, ook in deze brochure, die volgens zijn eigen woorden juist aan het vraagstuk van de ‘politieke revolutie’ gewijd is, het probleem van de staat wederom volkomen omzeilt.

    Als onvermijdelijk resultaat van dit ontwijken, omzeilen en verzwijgen van het vraagstuk kwam dan ook de totale overgang naar het opportunisme, waarover wij thans zullen spreken.

    De Duitse sociaal-democratie heeft als het ware in de persoon van Kautsky verklaard: Ik blijf bij de revolutionaire opvattingen (1899). Ik erken in het bijzonder de onvermijdelijkheid van de sociale revolutie van het proletariaat (1902). Ik erken het aanbreken van een nieuw tijdperk van revoluties (1909). Maar zodra het gaat om de taken van de proletarische revolutie met betrekking tot de staat doe ik een stap terug ten opzichte van dat wat Marx reeds in 1852 heeft gezegd (1912).

    Aldus werd het vraagstuk ondubbelzinnig geformuleerd in Kautsky’s polemiek tegen Pannekoek.

    3. De polemiek van Kautsky tegen Pannekoek

    Pannekoek trad tegen Kautsky op als een vertegenwoordiger van die ‘links-radikale’ stroming, waartoe ook Rosa Luxemburg, Karl Radek en anderen behoorden en die bij het verdedigen van de revolutionaire taktiek unaniem ervan overtuigd was dat Kautsky op het standpunt stond van het ‘centrum’, dat beginselloos tussen marxisme en opportunisme heen en weer zwalkt. De juistheid van deze opvatting werd volkomen bevestigd door de oorlog, toen het ‘centrum’ (ten onrechte marxistisch genoemd) of het ‘kautskyanisme’ zich in heel zijn afschrikwekkende erbarmelijkheid openbaarde.

    In het artikel ‘Massa-actie en revolutie’, dat het vraagstuk van de staat aanroert (‘Neue Zeit’, 1912, XXX, II), tekende Pannekoek Kautsky’s standpunt als dat van het ‘passieve radikalisme’, als ‘de theorie van het dadenloos afwachten’. ‘Kautsky ziet het proces van de revolutie over het hoofd’ (blz. 616). Door het vraagstuk zo te stellen kwam Pannekoek te spreken over het ons interesserende onderwerp, nl. de taken van de proletarische revolutie met betrekking tot de staat.

    ‘De strijd van het proletariaat’, schreef hij, ‘is niet eenvoudig een strijd tegen de bourgeoisie om de staatsmacht als zodanig, maar een strijd tegen de staatsmacht... de inhoud van deze revolutie is de vernietiging en ontbinding (Auflösung) van de machtsmiddelen van de staat door de machtsmiddelen van het proletariaat... De strijd eindigt pas wanneer als eindresultaat de volkomen vernietiging van de organisatie van de staat bereikt is. De organisatie van de meerderheid heeft dan haar overwicht bewezen doordat zij de organisatie van de heersende minderheid heeft vernietigd.’ (Blz. 548.)

    De formulering waarin Pannekoek zijn gedachten kleedt gaat mank aan grote gebreken. Maar zijn gedachte is toch duidelijk en het is interessant hoe Kautsky hem weerlegde.

    ‘Tot nu toe’, schreef Kautsky, ‘bestond het verschil tussen sociaal-democraten en anarchisten daarin, dat eerstgenoemden de staatsmacht wilden veroveren, laatstgenoemden ze wilden vernietigen. Pannekoek wil allebei.’ (Blz. 724.)

    Ook al is Pannekoeks uiteenzetting niet duidelijk en concreet genoeg (afgezien van andere gebreken in zijn artikel die het hier behandelde onderwerp niet raken), Kautsky wist toch precies de door Pannekoek aangeduide principiële kant van de zaak te pakken, en voor wat deze fundamentele principekwestie betreft verlaat Kautsky geheel en al de bodem van het marxisme en gaat hij over naar het opportunisme. Het onderscheid dat hij tussen sociaal-democraten en anarchisten maakt is volstrekt fout; het marxisme is bij hem definitief verminkt en vervlakt.

    Het verschil tussen marxisten en anarchisten bestaat hierin: 1. De marxisten streven naar de volledige afschaffing van de staat, maar achten dit doel pas bereikbaar na het afschaffen van de klassen door de socialistische revolutie, dus als resultaat van de invoering van het socialisme dat tot het afsterven van de staat leidt; de anarchisten willen de volledige afschaffing van de staat van vandaag op morgen, zonder de voorwaarden te begrijpen die een dergelijke afschaffing uitvoerbaar maken. 2. De marxisten achten het noodzakelijk dat het proletariaat na de verovering van de politieke macht de oude staatsmachine volkomen vernietigt en een nieuwe daarvoor in de plaats stelt die bestaat uit de organisatie van de gewapende arbeiders, naar het voorbeeld van de Commune; de anarchisten, die zweren bij het vernietigen van de staatsmachine, hebben maar een zeer vage voorstelling van wat het proletariaat in haar plaats zal stellen en hoe het de revolutionaire macht zal gebruiken; de anarchisten verwerpen zelfs de gedachte dat het revolutionaire proletariaat, zijn revolutionaire diktatuur, gebruik maakt van de staatsmacht. 3. De marxisten eisen dat het proletariaat wordt voorbereid op de revolutie, waarbij gebruik gemaakt wordt van de tegenwoordige staat; de anarchisten wijzen dit van de hand.

    Tegenover Kautsky nu is het Pannekoek die in deze controverse het marxisme vertegenwoordigt, want Marx leerde juist dat het proletariaat de staatsmachine niet eenvoudig kan veroveren, in die zin dat de oude staatsmachine in nieuwe handen overgaat, maar dat het dit apparaat moet vernietigen, breken en door een. nieuw vervangen.

    Kautsky gaat van het marxisme tot het opportunisme over, want juist de voor opportunisten volstrekt onaanvaardbare vernietiging van de staatsmachine verdwijnt bij hem volledig, maar hij laat een achterdeurtje open door het zo uit te leggen dat de ‘verovering’ niet meer is dan een eenvoudig behalen van de meerderheid.

    Om zijn verminking van het marxisme te bemantelen gaat Kautsky te werk als een schriftgeleerde: hij komt aandragen met ‘een citaat’ van Marx zelf. In 1850 schreef Marx over de noodzakelijkheid van ‘een besliste centralisatie van de macht in handen» van de staatsmacht’. En Kautsky vraagt triomfantelijk: Wil Pannekoek soms het ‘centralisme’ vernietigen?

    Dit is al niet meer dan een goocheltruc die veel weg heeft van Bernsteins identificatie van het marxisme met het proudhonisme met betrekking tot de kwestie federalisme of centralisme.

    Het ‘citaat’ van Kautsky slaat als een tang op een varken: Centralisme is zowel bij de oude als bij de nieuwe staatsmachine mogelijk. Als de arbeiders vrijwillig hun gewapende krachten verenigen, dan betekent dat centralisme; deze zal dan echter op een ‘volledige vernietiging’ van het centralistische staatsapparaat, van het staande leger, de politie en de bureaucratie berusten. Kautsky pleegt hier regelrecht bedrog, wanneer hij de hem welbekende beschouwingen van Marx en Engels over de Commune omzeilt en een citaat voor de dag haalt dat met de kwestie niets te maken heeft.

    ‘Wil hij’ (Pannekoek) ‘misschien de staatsfuncties van de ambtenaren opheffen?’, gaat Kautsky voort. ‘Maar wij kunnen het in partij en vakvereniging niet zonder beambten stellen, laat staan in het bestuur van de staat. Ons program eist dan ook niet afschaffing van de staatsbeambten, maar de verkiezing van de overheden door het volk... Het gaat er bij deze bespreking niet om hoe het bestuursapparaat van de “toekomststaat” gevormd zal worden, maar of onze politieke strijd de staatsmacht ontbindt (auflöst) nog voordat wij haar veroverd hebben (cursief van Kautsky). ‘Welk ministerie met zijn ambtenaren zou kunnen worden opgeheven?’ Er volgt dan een opsomming van het ministerie van onderwijs, van justitie, van financiën, van oorlog. ‘Neen, geen der tegenwoordige ministeries zal door onze politieke strijd tegen de regeringen opgedoekt worden... Ik herhaal om misverstand te voorkomen: er is hier geen sprake van de vorming van de “toekomststaat” door de zegevierende sociaal-democratie, maar van die van de tegenwoordige staat door onze oppositie.’ (Blz. 725.)

    Dit is duidelijk de zaak verdraaien. Pannekoek wierp juist de kwestie van de revolutie op. Dat komt duidelijk tot uitdrukking zowel in het opschrift van diens artikel als in de aangehaalde passages. Door op de kwestie van de ‘oppositie’ over te springen verwisselt Kautsky op slinkse wijze het revolutionaire voor het opportunistische standpunt. Bij hem komt het hierop neer: Nu maken wij oppositie en na het veroveren van de macht zullen we wel verder zien. De revolutie verdwijnt! Dat is precies wat de opportunisten willen.

    Het gaat niet om de oppositie, noch om de politieke strijd in het algemeen, maar juist om de revolutie. De revolutie bestaat daarin dat het proletariaat het ‘bestuursapparaat’, sterker nog, het gehele staatsapparaat vernietigt en dit vervangt door een nieuw apparaat bestaande uit gewapende arbeiders. Kautsky toont een ‘bijgelovige verering’ van de ‘ministeries’, maar waaróm zouden die niet vervangen kunnen worden door, laat ons zeggen, commissies van deskundigen bij de sowjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden, die de gehele macht, met niemand verder gedeeld, in handen hebben?

    De kern van de vraag is beslist niet of er ‘ministeries’ blijven bestaan of dat er ‘commissies van deskundigen’ of een andere soort van instellingen zullen zijn, dat is tenslotte bijzaak. Van belang is slechts de vraag of de oude staatsmachine (die met duizend draden verbonden is met de bourgeoisie en geheel doortrokken is van verstarde gewoonten en conservatisme) behouden blijft of dat zij vernietigd en door een nieuwe vervangen wordt. De revolutie mag niet daarin bestaan dat de nieuwe klasse met behulp­ van de oude staatsmachine beveelt en regeert, maar dat zij deze machine breekt en met behulp van een nieuwe machine beveelt en regeert — deze grondgedachte van het marxisme moffelt Kautsky weg of hij heeft er helemaal niets van begrepen.

    Zijn vraag ten aanzien van de ambtenaren toont op aanschouwe­lijke wijze dat hij de lessen van de Commune en de leer van Marx niet heeft begrepen. ‘Wij kunnen het in partij en vakverenigingen niet zonder beambten stellen...’

    Wij kunnen het onder het kapitalisme, onder de heerschappij van de bourgeoisie niet zonder ambtenaren stellen. Het proletariaat is geknecht, de werkende massa’s zijn door het kapitalisme tot slaven gemaakt. Onder het kapitalisme is de democratie beperkt, ingesnoerd, besnoeid en verminkt als gevolg van de algemene loonslavernij, de nood en ellende van de massa’s. Daarom en daarom alleen worden in onze politieke en vakverenigingorganisaties de beambten door het kapitalistische milieu gedemoraliseerd (of, juister gezegd, vertonen zij de tendens gedemoraliseerd te worden) en hebben zij de neiging in bureaucraten te veranderen, d.w.z. in van de massa’s vervreemde, en boven de massa’s staande bevoorrechte personen.

    Dat is het wezen van de bureaucratie en zolang de kapitalisten niet onteigend zijn, zolang de bourgeoisie niet omvergeworpen is, zolang is ook een zekere ‘bureaucratisering’ zelfs van de proletarische functionarissen onvermijdelijk.

    Volgens Kautsky is het zo: Aangezien men gekozen functionarissen houdt, houdt men ook onder het socialisme beambten, houdt men ook de bureaucratie. Maar juist dat klopt niet. Juist aan het voorbeeld van de Commune heeft Marx aangetoond dat onder het socialisme de functionarissen ophouden ‘bureaucraten’ en ‘ambtenaren’ te zijn en wel in die mate waarin naast de verkiesbaarheid ook nog de afzetbaarheid te allen tijde ingevoerd wordt, daarbij nog het loon tot op het gemiddelde arbeidersloon wordt teruggebracht en bovendien de parlementaire lichamen vervangen worden door ‘werkende... uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd’.

    In de grond van de zaak is de hele argumentatie van Kautsky tegen Pannekoek en in het bijzonder zijn prachtige tegenwerping dat wij het ook in partij en vakvereniging niet zonder beambten kunnen stellen een herhaling van de oude ‘argumenten’ van Bernstein tegen het marxisme in hét algemeen. In zijn renegatenboek ‘De voorwaarden van het socialisme’ bestrijdt Bernstein de ideeën van de ‘primitieve’ democratie en dat wat hij ‘doctrinair democratisme’ noemt: bindende mandaten, onbezoldigde beambten, een machteloze centrale vertegenwoordiging enz. Als bewijs van de onhoudbaarheid van deze ‘primitieve’ democratie beroept Bernstein zich op de ervaringen van de Engelse vakbonden (trade-unions), zoals die door de beide Webbs uitgelegd worden. In de loop van de zeventig jaren van hun ontwikkeling hebben de trade-unions, die zich zogenaamd ‘in volkomen vrijheid’ ontwikkelden (blz. 137 van de Duitse uitgave), zich volgens hem overtuigd van de onbruikbaarheid van de ‘primitieve’ democratie en deze door de gebruikelijke democratie, het met bureaucratie verbonden parlementarisme, vervangen.

    In werkelijkheid ontwikkelden de trade-unions zich niet ‘in volkomen vrijheid’, maar in volkomen kapitalistische slavernij waarin men het natuurlijk ‘niet kon stellen’ zonder een reeks van concessies aan het bestaande kwaad, aan het geweld, de leugen en de uitsluiting van de armen van de ‘hogere’ bestuurslichamen. Onder het socialisme zal veel van de ‘primitieve’ democratie zonder twijfel weer opleven, want voor de eerste maal in de geschiedenis van de beschaafde maatschappijen zal dan de massa van de bevolking zich verheffen tot het zelfstandig deelnemen niet alleen aan het stemmen en aan verkiezingen, maar ook aan het dagelijkse bestuurswerk. Onder het socialisme zullen allen om de beurt regeren en er zich snel aan wennen dat niemand regeert.

    Marx heeft met zijn geniaal kritisch-analytisch verstand in de praktische maatregelen van de Commune deze kentering gezien die de opportunisten vrezen en uit louter lafheid niet willen erkennen, omdat zij er niets voor voelen onherroepelijk te breken met de bourgeoisie, en die de anarchisten niet willen zien, hetzij uit overhaasting, hetzij doordat zij de voorwaarden van sociale veranderingen op massale schaal in het geheel niet kunnen bevatten. ‘Er valt niet te denken aan een vernietiging van de oude staatsmachine; hoe zouden we het zonder ministeries en beambten kunnen stellen’, redeneert de opportunist, de filister in merg en been die in werkelijkheid niet alleen niet gelooft in de revolutie, in de scheppende kracht van de revolutie, maar er zelfs doodsbang voor is (zoals onze mensjewiki en sociaalrevolutionairen).

    ‘Het is alleen zaak de oude staatsmachine te vernietigen, men behoeft zich niet te verdiepen in de concrete lessen van vroegere proletarische revoluties en te analyseren waardoor en hoe het vernietigde vervangen moet worden’, redeneert de anarchist (natuurlijk de beste onder de anarchisten en niet b.v. een die in het gevolg van de heren Kropotkin en Co. achter de bourgeoisie aandraaft). De anarchist komt dan ook terecht bij een taktiek van vertwijfeling in plaats van bij revolutionaire arbeid aan concrete taken, een arbeid die onverbiddelijk stoutmoedig moet zijn, maar tegelijkertijd rekening moet houden met de praktische voorwaarden van de massabeweging.

    Marx leert ons beide fouten te vermijden: hij leert ons heel de oude staatsmachine met onbegrensde moed te vernietigen en tegelijk de kwestie concreet te stellen: De Commune bracht het voor elkaar in enkele weken tijd de bouw van een nieuwe, pro­letarische staatsmachine ter hand te nemen door langs die en die weg de passende maatregelen tot grotere democratie en uitroeiing van de bureaucratie ten uitvoer te leggen. Wij moeten dus van de communards leren; wij moeten in hun praktische maatregelen een schets zien voor de dringend noodzakelijke en onverwijld uit te voeren praktische maatregelen en zo zullen wij, deze weg volgend, tot de volkomen vernietiging van de bureaucratie komen.

    De mogelijkheid van een dergelijke vernietiging wordt verze­kerd doordat het socialisme de arbeidsdag zal verkorten, de volksmassa’s tot nieuw leven zal verheffen en voor de meerderheid van de bevolking omstandigheden zal scheppen die allen zonder uitzondering zullen toestaan ‘staatsfuncties’ te vervullen. Dat zal tot een volkomen afsterven van elke soort staat leiden.

    ‘Het kan haar taak’ (van de massastaking) ‘niet zijn’, gaat Kautsky verder, ‘de staatsmacht te vernietigen, maar alleen een regering op een bepaald punt tot toegeven te brengen of een het proletariaat vijandig gezinde regering te vervangen door een het proletariaat tegemoetkomende (entgegenkommende)... Nooit ofte nimmer echter kan dit’ (de overwinning van het proletariaat op een vijandige regering) ‘tot een vernietiging van de staatsmacht leiden, maar altijd slechts tot een verschuiving (Verschiebung) van de machtsverhoudingen binnen de staatsmacht... En het doel van onze politieke strijd blijft daarbij hetzelfde als het tot nu toe was: verovering van de staatsmacht door het behalen van de meerderheid in het parlement en het verheffen van het parlement tot meester van de regering.’ (Blz. 726, 727, 732.)

    Dit is reeds je reinste en banaalste opportunisme, het metterdaad prijsgeven van de revolutie bij gelijktijdige aanvaarding van de revolutie met de mond. Kautsky’s gedachten reiken niet verder dan ‘een het proletariaat tegemoetkomende regering’— een stap terug naar het filisterdom in vergelijking met het jaar 1847, toen ‘Het Communistisch Manifest’ ‘de organisatie van het proletariaat tot heersende klasse’ proclameerde.

    Er zal voor Kautsky niets anders overblijven dan het verwezenlijken van de door hem beminde ‘eenheid’ met een Scheidemann, een Plechanow en een Vandervelde, die allen bereid zijn voor een regering te strijden die ‘het proletariaat tegemoetkomt’. Maar wij zullen met deze verraders van het socialisme breken en voor de vernietiging van de gehele oude staatsmachinerie strijden, opdat het gewapende proletariaat zelf de regering wordt. En dat zijn twee volkomen verschillende dingen.

    Kautsky zal het aangename gezelschap moeten delen van een Legien en een David, een Plechanow, Potresow, Tsereteli en Tsjernow, die allen volstrekt bereid zijn voor een ‘verschuiving van de machtsverhoudingen binnen de staatsmacht’ te strijden en voor ‘het behalen van de meerderheid in het parlement en het verheffen van het parlement tot meester van de regering’ — een heel edel doel dat in alle opzichten aanvaardbaar is voor de opportunisten en waarbij alles binnen het raam van de burgerlijk-parlementaire republiek blijft.

    Maar wij zullen met de opportunisten breken; en het gehele klassebewuste proletariaat zal aan onze zijde staan in de strijd niet voor een ‘verschuiving van de machtsverhoudingen’, maar voor het omverwerpen van de bourgeoisie, voor het vernietigen van het burgerlijke parlementarisme, voor de democratische republiek naar het voorbeeld van de Commune of de republiek van de sowjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden, voor de revolutionaire diktatuur van het proletariaat.

    # # #

    Nog verder rechts dan Kautsky bevinden zich in het internationale socialisme richtingen als die van de ‘Sozialistische Monatshefte’ in Duitsland (Legien, David, Kolb en vele anderen, waartoe ook de Skandinaviërs Stauning en Branting behoren), de aanhangers van Jaurès en Vandervelde in Frankrijk en België, Turati, Treves en andere vertegenwoordigers van de rechtervleugel der Italiaanse partij, de Fabiërs en de ‘Onafhankelijken’ (‘Onafhankelijke Arbeiderspartij’, die in werkelijkheid altijd van de liberalen afhankelijk is geweest) in Engeland en dergelijke meer. Al deze heren, die in het parlementaire werk en in partijpublicaties een ontzaglijke, zeer dikwijls zelfs overheersende rol spelen, wijzen de diktatuur van het proletariaat ronduit af en voeren een onverbloemd opportunistische politiek. Voor deze heren is de ‘diktatuur’ van het proletariaat ‘in strijd met’ de democratie!! In de grond van de zaak bestaat er tussen hen en de kleinburgerlijke democraten geen wezenlijk verschil.

    Neemt men deze omstandigheid in aanmerking, dan mag men met recht de conclusie trekken dat de Tweede Internationale in de persoon van de overgrote meerderheid van haar officiële vertegenwoordigers geheel en al in het opportunisme is afgegleden. De ervaringen van de Commune werden niet alleen vergeten, maar ook verdraaid. De arbeidersmassa’s werd niet alleen niet voorgehouden dat het ogenblik nadert waarop zij in actie moeten komen om de oude staatsmachine stuk te breken en door een nieuwe te vervangen, ten einde op die manier hun politieke heerschappij tot grondslag van de socialistische maatschappij te maken — de massa’s werd juist het tegendeel ingeprent en de ‘verovering van de macht’ werd zo voorgesteld dat voor het opportunisme duizenden achterdeurtjes open bleven.

    Dit verdraaien en verzwijgen van het vraagstuk van de verhouding van de proletarische revolutie tot de staat moest noodzakelijkerwijs een grote rol spelen in een tijd toen de staten met hun ingevolge de imperialistische concurrentie versterkte militaire apparaat in oorlogsmonsters veranderden, die miljoenen mensen vernietigen om uit te maken of Engeland dan wel Duitsland, of dit dan wel dat financierskapitaal de wereld zal beheersen.

    [noot: In het manuskript volgt dan nog: ‘Hoofdstuk VII - DE ERVARINGEN VAN DE RUSSISCHE REVOLUTIE VAN 1905 EN 1917 - Het in dit opschrift genoemde onderwerp is zo uitgebreid en veelomvattend dat men daarover vele boekdelen zou kunnen en moeten schrijven. In het onderhavige geschrift zal ik mij natuurlijk moeten beperken tot de allerbelangrijkste lessen van deze ervaring, voor zover ze direct betrekking hebben op de taken van het proletariaat ten opzichte van de staatsmacht tijdens de revolutie.’ (Hier breekt de tekst af.) ]



    Nawoord

    Deze brochure werd in augustus en september 1917 geschreven. De opzet van het volgende, het zevende hoofdstuk over ‘De ervaringen van de Russische revoluties van 1905 en 1917’ was er al. Maar behalve de aanhef van dit hoofdstuk heb ik er geen regel van kunnen schrijven: ik werd daarin ‘gestoord’ door de politieke crisis, de vooravond van de revolutie van oktober 1917. Over zulk een ‘storing’ kan men zich alleen maar verheugen. Overigens zal het tweede deel van dit werk (over ‘De ervaringen van de Russische revoluties van 1905 en 1917’) waarschijnlijk nog wel enige tijd op zich moeten laten wachten; het is aangenamer en nuttiger de ‘ervaringen van de revolutie’ mee te maken dan er over te schrijven.


    Petrograd, 30 november 1917.
    De schrijver

    top