Hoofdstuk I: Klassenmaatschappij en staat
1. De staat — een product van de onverzoenlijkheid der klassentegenstellingen
Met de leer van Marx gebeurt nu hetzelfde wat in de geschiedenis meer dan
eens is gebeurd met de leerstellingen van revolutionaire denkers en leiders van
de onderdrukte klassen in hun strijd voor de bevrijding. De grote
revolutionairen werden bij hun leven voortdurend vervolgd door de
onderdrukkende klassen, die hun leer met de ruwste kwaadaardigheid, de
woedendste haat en een teugelloze leugen- en lastercampagne bejegenden. Na hun
dood worden pogingen gedaan hen in onschadelijke afgodsbeeldjes te veranderen,
hen als het ware heilig te verklaren en hun naam een zekere wijding te verlenen
tot ‘vertroosting’ van de onderdrukte klassen en om hen daarmee beet te nemen,
terwijl hun revolutionaire leer van haar inhoud en van haar revolutionaire
scherpte wordt ontdaan en wordt gevulgariseerd. Bij een dergelijke ‘bewerking’
van het marxisme ontmoeten elkaar thans de bourgeoisie en de opportunisten in
de arbeidersbeweging. Zij vergeten, verdoezelen en verminken de revolutionaire
kant van de leer, haar revolutionaire geest. Wat voor de bourgeoisie
aanvaardbaar is of aanvaardbaar schijnt, wordt op de voorgrond geschoven en
hemelhoog geprezen. Alle sociaal-chauvinisten zijn nu ‘marxisten’— lach niet!
En steeds vaker spreken Duitse burgerlijke geleerden, wier specialisme gisteren
nog het vernietigen van het marxisme was, over de ‘nationaal-Duitse’ Marx die
de voor het voeren van de roofoorlog zo schitterend georganiseerde
arbeidersbonden zou hebben opgevoed!
Bij zulk een stand van zaken, nu de verminkingen van het marxisme zo’n
enorme verbreiding hebben gevonden, is het in de eerste plaats onze taak de
ware leer van Marx over de staat te herstellen. Daarvoor zal het nodig zijn uit
de werken van Marx en Engels zelf een hele reeks van lange citaten aan te
halen. Nu zullen lange citaten de uiteenzetting zeker zwaarwichtig maken en de
gemakkelijke leesbaarheid geenszins bevorderen. Maar het is beslist onmogelijk
het zonder deze citaten te stellen. Het is volstrekt noodzakelijk dat alle of
althans de beslissende passages uit de werken van Marx en Engels die over de
kwestie van de staat gaan zo volledig mogelijk worden aangehaald, opdat de
lezer zich een zelfstandig oordeel kan vormen over het geheel der inzichten van
de grondleggers van het wetenschappelijke socialisme en van de ontwikkeling van
die inzichten, maar ook om de vervalsing van deze inzichten door het heden ten
dage heersende ‘kautskyanisme’ aan de hand van documenten te bewijzen en
aanschouwelijk te maken.
Beginnen we met het meest verbreide werk van Fr. Engels, ‘De oorsprong van
het gezin, van de particuliere eigendom en van do staat’ dat in 1894 in
Stuttgart reeds een zesde druk beleefde. Wij zullen de aanhalingen uit de
oorspronkelijke Duitse tekst moeten vertalen, omdat de Russische vertalingen,
hoe talrijk ze ook zijn, voor het merendeel mank gaan door gebrek aan
volledigheid of juistheid.
‘De staat’, zegt Engels, zijn
historische analyse samenvattend, ‘is dus volstrekt geen macht die de
maatschappij van buiten is opgedrongen; evenmin is hij “de werkelijkheid van de
zedelijke idee”, “het beeld en de werkelijkheid van de rede”, zoals Hegel
beweert. De staat is veeleer een produkt van de maatschappij op een bepaalde
trap van ontwikkeling; hij is de erkenning van de onoplosbare tegenspraak met
zichzelf waarin deze maatschappij verward is geraakt, van de onverzoenlijke
tegenstellingen waarin zij zich heeft gesplitst en die zij niet bij machte is
te bezweren. Opdat echter deze tegenstellingen, klassen met tegenstrijdige
economische belangen, zichzelf en de maatschappij niet in een vruchteloze
strijd vernietigen, is een in schijn boven de maatschappij staande macht nodig
geworden, die het conflict moet temperen, het binnen de perken van de “orde”
moet houden; en deze macht, die uit de maatschappij is voortgekomen, maar zich
boven haar stelt en meer en meer van haar vervreemdt, is de staat.’ (Blz.
177/178 van de zesde Duitse uitgave.)
Hier is met alle klaarheid de fundamentele gedachte van het marxisme over
het vraagstuk van de historische rol en de betekenis van de staat tot
uitdrukking gebracht. De staat is het produkt en de uitdrukking van de onverzoenlijkheid
van de
klassentegenstellingen. De staat ontstaat daar, dan en in zoverre, waar,
wanneer en in hoeverre de klassentegenstellingen objectief niet verzoend kunnen worden. En omgekeerd: het
bestaan van de staat bewijst dat de klassentegenstellingen onverzoenlijk zijn.
Juist bij dit uiterst belangrijke en de kern van de zaak rakende punt
begint de vervalsing van het marxisme en wel voornamelijk in tweeërlei richting.
Aan de ene kant plegen burgerlijke en in het bijzonder kleinburgerlijke
ideologen, die onder de druk van onbetwistbare historische feiten gedwongen
zijn te erkennen dat de staat alleen daar bestaat waar klassentegenstellingen
en klassenstrijd zijn, Marx op een zodanige manier te ‘verbeteren’ dat de staat
te voorschijn komt als een orgaan van de klassenverzoening. Volgens Marx kan de staat
niet ontstaan noch bestaan, indien een verzoening van de klassen mogelijk is!
Bij de kleinburgerlijke en filisterachtige professoren en publicisten heet het
— waarbij zij veelal welwillend verwijzen naar Marx! — dat de staat juist de
klassen verzoent. Volgens Marx is de staat een orgaan van de klasseheerschappij,
een
orgaan ter onderdrukking van de ene klasse door de andere, een schepping van de
‘orde’ die deze onderdrukking sanctioneert en bestendigt door het conflict van
de klassen te temperen. Volgens de opvatting van de kleinburgerlijke politici
betekent de orde juist de verzoening van de klassen en niet de onderdrukking
van de ene klasse door de andere; het conflict temperen betekent verzoenen en
niet dat het de onderdrukte klassen onmogelijk wordt gemaakt bepaalde middelen
en methoden van de strijd ter omverwerping van de onderdrukkers te gebruiken.
Tijdens de revolutie van 1917, toen het vraagstuk van de betekenis en van
de rol van de staat in zijn volle omvang aan de orde kwam, in de praktijk als
een vraagstuk van de onmiddellijke actie aan de orde kwam en wel van de
massa-actie, zijn alle sociaal-revolutionairen en mensjewiki bij voorbeeld
allen in één klap volledig afgezakt naar de kleinburgerlijke theorie van de
‘verzoening’ van de klassen door de ‘staat’. De talloze resoluties en artikelen
van de politici van deze beide partijen zijn geheel en al doordrenkt met deze
burgerlijke en filisterachtige theorie van de ‘verzoening’. Dat de staat het
orgaan is ter overheersing van een bepaalde klasse die met haar antipode (de
aan haar tegenovergestelde klasse) niet verzoend kan worden, vermag de
kleinburgerlijke
democratie nooit te begrijpen. De verhouding tot de staat is een van de meest in
het oog springende bewijzen dat onze sociaal-revolutionairen en mensjewiki
helemaal geen socialisten zijn (wat wij, bolsjewiki, altijd al hebben
aangetoond), maar kleinburgerlijke democraten met een bijna-socialistische
fraseologie.
Aan de andere kant is de ‘kautskyaanse’ verdraaiing van het marxisme veel
fijner. ‘Theoretisch’ wordt niet ontkend dat de staat een orgaan van de
klasseheerschappij is, noch dat de klassentegenstellingen onverzoenlijk zijn.
Maar het volgende wordt uit het oog verloren of verdoezeld: wanneer de staat
het produkt is van de onverzoenlijkheid van de klassentegenstellingen, wanneer
hij een macht is die boven de maatschappij staat en ‘zich meer en meer van haar vervreemdt ‘, dan is het duidelijk
dat de bevrijding van de onderdrukte klasse niet alleen niet mogelijk is zonder
gewelddadige revolutie, maar ook niet zonder vernietiging van het apparaat van de
staatsmacht dat door de heersende klasse is geschapen en waarin deze
‘vervreemding’ is belichaamd. Deze conclusie, die theoretisch voor de hand
ligt, heeft Marx — zoals wij verderop zullen zien — met volkomen beslistheid
getrokken op grond van de concrete historische analyse van de taken van de
revolutie. En juist deze conclusie heeft Kautsky — wij zullen dit uitvoerig in
onze verdere uiteenzetting aantonen — ’vergeten’ en verdraaid.
2. Bijzondere afdelingen van gewapenden, gevangenissen enz.
‘In vergelijking met de oude
gensorganisatie’, vervolgt Engels, ‘kenmerkt zich de staat ten eerste door de
indeling van de staatsburgers naar het gebied.’
Deze indeling komt ons als
‘natuurlijk’ voor, hoewel ze een langdurige strijd tegen de oude organisatie
volgens geslachten en stammen heeft geëist.
‘Het tweede kenmerk is de
inrichting van een openbare macht, die niet meer onmiddellijk samenvalt
met de zich als gewapende macht organiserende bevolking. Deze afzonderlijke
openbare macht is nodig, omdat een zelfstandig optredende gewapende organisatie
van de bevolking sinds de splitsing in klassen onmogelijk is geworden... Deze
openbare macht bestaat in iedere staat; zij bestaat niet alleen uit gewapende
mensen, maar ook uit zakelijk toebehoren — gevangenissen en allerlei
dwanginrichtingen, waarvan de gensmaatschappij geen weet had.’
Engels ontwikkelt dan het begrip van de ‘macht’ die men staat noemt, een
macht die uit de maatschappij is ontstaan, maar die zich daarboven heeft
gesteld en zich meer en meer daarvan vervreemdt. Waarin bestaat voornamelijk
die macht? In bijzondere afdelingen van gewapenden die gevangenissen en
dergelijke tot hun beschikking hebben.
Wij hebben het recht van bijzondere afdelingen van gewapenden te spreken,
omdat de aan iedere staat eigen openbare macht ‘niet meer onmiddellijk
samenvalt’ met de gewapende bevolking, met haar ‘zelfstandig optredende
gewapende organisatie’.
Zoals alle grote revolutionaire denkers probeert Engels de aandacht van de
klassebewuste arbeiders juist op datgene te richten wat volgens het heersende
burgerdom geen enkele aandacht waard is, wat het als het meest gewone
beschouwt, als iets dat niet alleen door vastgeroeste, maar men kan wel zeggen
door versteende vooroordelen geheiligd is. Het staande leger en de politie zijn
de voornaamste instrumenten voor de uitoefening van de staatsmacht, maar... kan
het soms ook anders?
Vanuit het standpunt van de ontzaglijke meerderheid van de Europeanen aan
het einde van de 19de eeuw, tot wie Engels zich richtte en die niet één grote
revolutie zelf hadden meegemaakt of van nabij gevolgd, kan het niet anders. Het
is voor hen volkomen onbegrijpelijk wat een ‘zelfstandig optredende gewapende
organisatie van de bevolking’ betekent. Op de vraag, waardoor bijzondere
boven de maatschappij staande en zich daarvan vervreemdende afdelingen van ge
wapenden nodig geworden zijn, is de Westeuropese en de Russische filister
geneigd met een paar aan Spencer of Michailowski ontleende frasen te antwoorden
en op het gecompliceerder worden van het openbare leven, op de differentiatie
van de functies en dergelijke te wijzen.
Zulk een verwijzing heeft de schijn van ‘wetenschappelijkheid’ en sust de
kleinburger voortreffelijk in slaap, daar het belangrijkste, dat wat eraan ten
grondslag ligt ermee verdoezeld wordt, namelijk de splitsing van de
maatschappij in onverzoenlijk vijandige klassen.
Bestond deze splitsing niet, dan zou de ‘zelfstandig optredende gewapende
organisatie van de bevolking’ zich weliswaar door haar gecompliceerdheid en
door het peil van haar techniek enz. onderscheiden van de primitieve
organisatie van een troep met boomtakken gewapende apen of van de oermens of
van de in een gensmaatschappij aaneengesloten mensen, maar zulk een organisatie
zou mogelijk zijn.
Zij is onmogelijk, omdat de beschaafde maatschappij verdeeld is in
vijandige en bovendien onverzoenlijk vijandige klassen wier ‘zelfstandig
optredende’ bewapening tot een onderlinge gewapende strijd zou leiden. Er
ontstaat een staat, er wordt een bijzondere macht geschapen, er ontstaan
bijzondere organisaties van gewapenden, en iedere revolutie die het
staatsapparaat vernietigt toont ons duidelijk hoe de heersende klasse er naar
streeft de haar dienende bijzondere afdelingen van gewapenden te vernieuwen en hoe de
onderdrukte klasse er naar streeft een nieuwe soortgelijke organisatie te
scheppen, geschikt om niet de uitbuiters maar de uitgebuiten te dienen.
Engels stelt in de aangehaalde beschouwing theoretisch dezelfde vraag aan
de orde die ons door iedere grote revolutie in de praktijk aanschouwelijk en
naar de maatstaf van de massa-actie wordt gesteld, de vraag namelijk naar de
verhouding tussen de ‘bijzondere’ afdelingen van gewapenden en de ‘zelfstandig
optredende gewapende organisatie van de bevolking’. Wij zullen zien hoe deze
vraag concreet wordt geïllustreerd door de ervaringen van de Europese en
Russische revoluties.
Maar keren wij tot de uiteenzetting van Engels terug.
Hij wijst erop dat soms, bij voorbeeld hier en daar in Noord-Amerika, deze
openbare macht zwak is (het gaat hier om een voor de kapitalistische
maatschappij zeldzame uitzondering en om die delen van Noord-Amerika in zijn voor-imperialistische
periode waar de vrije kolonist de overhand had), maar dat zij in het algemeen
gesproken sterker wordt.
‘Zij’ (de openbare macht) ‘wordt
echter sterker naar gelang de klassentegenstellingen binnen de staat zich
verscherpen en de aan elkaar grenzende staten groter en dichter bevolkt worden
— men zie slechts naar ons huidige Europa, waar klassenstrijd en
veroveringsconcurrentie de openbare macht hebben opgeschroefd tot een hoogte,
waarop zij.de gehele maatschappij en zelfs de staat dreigt te verslinden.’
Dit is op zijn laatst in het begin van de negentiger jaren van de vorige
eeuw geschreven. Het laatste voorwoord van Engels is gedateerd 16 juni 1891.
Toen was de wending naar het imperialisme — zowel in de betekenis van de
onbeperkte heerschappij van de trusts en van de almacht der grootste banken,
als in de betekenis van een grootscheepse koloniale politiek — in Frankrijk
nog maar pas begonnen, terwijl ze in Noord-Amerika en in Duitsland nog zwakker
was. Sedertdien is de ‘veroveringsconcurrentie’ met reuzenschreden
vooruitgegaan, vooral toen de aardbol in het begin van het tweede decennium van
de 20ste eeuw definitief onder de ‘concurrerende veroveraars’, d.w.z. de
roofzuchtige grote mogendheden, verdeeld was. De leger- en vlootbewapeningen
namen sedert die tijd een ongehoorde omvang aan en de roofoorlog van 1914—1917
om de wereldheerschappij van Engeland of van Duitsland en om de verdeling van
de buit heeft het ‘verslinden’ van alle krachten van de maatschappij door de
roofzuchtige staatsmacht zodanig versterkt dat een volslagen katastrofe nabij
is.
Reeds in 1891 kon Engels op de ‘veroveringsconcurrentie’ wijzen als op een
van de belangrijkste kenmerken van de buitenlandse politiek der grote
mogendheden; maar in de jaren 1914—1917, nu deze met een veelvoud verscherpte
concurrentie de imperialistische oorlog heeft voortgebracht, bemantelen de
schoften van het sociaal-chauvinisme de verdediging van de roversbelangen van
‘hun’ bourgeoisie met frasen over ‘verdediging van het vaderland’ en over
‘bescherming van de republiek en van de revolutie’ enz.
3. De staat — een werktuig tot uitbuiting van de onderdrukte klasse
Voor het in stand houden van een bijzondere boven de maatschappij staande
openbare macht zijn belastingen en staatsschulden nodig.
‘De ambtenaren’, schrijft Engels,
‘die in het bezit zijn van de openbare macht en van het recht om belastingen te
innen, staan nu als organen van de maatschappij boven de maatschappij. De vrije
ongedwongen achting die de organen van de gensinrichting genoten is hun niet
genoeg, zelfs indien zij die konden krijgen’ ...Er komen wetten over de
heiligheid en de onschendbaarheid van de ambtenaren. ‘De meest onbehouwen
politieagent in de beschaafde staat heeft meer “autoriteit” dan alle organen
van de gensmaatschappij tezamen; maar de machtigste vorst en de grootste
staatsman of veldheer van de beschavingsperiode kan het kleinste genshoofd
benijden om de ongedwongen en onbestreden achting die deze geniet.’
Hier wordt de kwestie opgeworpen van de bevoorrechte positie van de
ambtenaren als organen van de staatsmacht. De kern daarvan is: Wat stelt hen boven
de
maatschappij? Wij zullen zien hoe de Commune van Parijs dit theoretische
vraagstuk in 1871 praktisch poogde op te lossen en hoe Kautsky het in 1912 op
reactionaire wijze verdoezelde.
‘Omdat de staat uit de behoefte is ontstaan de
klassentegenstellingen in bedwang te houden; omdat hij echter tegelijk midden
in het conflict van deze klassen is ontstaan, is hij in de regel de staat van
de machtigste, economisch heersende klasse, die door zijn tussenkomst ook de
politiek heersende klasse wordt en zo nieuwe middelen verwerft om de onderdrukte
klasse er onder te houden en uit te buiten.’ Niet alleen de antieke en de
feodale staat waren organen ter uitbuiting van de slaven en de lijfeigen en
horige boeren, maar ook ‘de moderne parlementaire staat (is) een werktuig tot
uitbuiting van de loonarbeid door het kapitaal. Bij uitzondering komen er
evenwel perioden voor, waarin de strijdende klassen zo zeer met elkaar in
evenwicht zijn, dat de staatsmacht voor korte duur als schijnbare bemiddelaarster
een zekere zelfstandigheid tegenover beide krijgt.’ Bij voorbeeld de absolute
monarchie van de 17de en 18de eeuw, het bonapartisme van het eerste en van het
tweede keizerrijk in Frankrijk, en ook Bismarck in Duitsland.
En, zo voegen wij hieraan toe, ook de regering-Kerenski in het
republikeinse Rusland, nadat zij ertoe is overgegaan het revolutionaire
proletariaat te vervolgen op een moment waarop de sowjets, als gevolg van de
leiding der kleinburgerlijke democraten, reeds machteloos zijn en de bourgeoisie
nog niet
sterk genoeg is om ze eenvoudigweg uiteen te jagen.
In de democratische republiek, vervolgt Engels,
‘oefent de rijkdom zijn macht indirect, maar des te zekerder uit’. Enerzijds in
de vorm van ‘rechtstreekse corruptie van de ambtenaren’ waarvan Amerika het
klassieke voorbeeld is, anderzijds in de vorm van ‘een verbond tussen de
regering en de beurs’ (Frankrijk, Amerika).
In de huidige tijd hebben het imperialisme en de heerschappij van de banken
deze beide methoden, waarmee in alle democratische republieken, onverschillig
welke, de almacht van de rijkdom beschermd en verwerkelijkt wordt, tot een
buitengewone kunst ‘ontwikkeld’. Wanneer b.v. al in de eerste maanden van de
democratische republiek in Rusland, als het ware in de wittebroodsweken van
het huwelijk tussen de ‘socialisten’— de sociaalrevolutionairen en de
mensjewiki — en de bourgeoisie, de heer Paltsjinski in de coalitieregering alle
maatregelen saboteerde tot beteugeling van de kapitalisten en van hun roof
zucht, van hun plundering van de staatskas via legerleveranties, wanneer daarna
de uit het ministerie getreden heer Paltsjinski (die natuurlijk door een andere
Paltsjinski van hetzelfde slag vervangen werd) door de kapitalisten ‘beloond’
werd met een baantje waaraan een inkomen van 120.000 roebel per jaar verbonden
is — hoe moet men dit dan noemen? Rechtstreekse corruptie of
niet-rechtstreekse? Een verbond tussen de regering en de syndicaten of
‘slechts’ vriendschappelijke betrekkingen? Welke rol spelen de Tsjernows, de
Tsereteli’s, de Awksentjews en de Skobeljews? Zijn zij ‘rechtstreekse’
bondgenoten van de miljonairs die de staatskas plunderen of slechts indirecte?
De almacht van de ‘rijkdom’ is in de democratische republiek veiliger, omdat hij niet
afhankelijk is van een slecht politiek omhulsel van het kapitalisme. De
democratische republiek is het best denkbare omhulsel van het kapitalisme en
daarom grondvest het kapitaal, nadat het (via de Paltsjinski’s, de Tsjernows,
de Tsereteli’s en Go.) van dit beste omhulsel bezit heeft genomen, zijn macht
zo veilig en zeker dat geen enkele wisseling, noch van personen,
noch van instellingen, noch van partijen van de burgerlijke democratische republiek
deze macht kan schokken.
Wij moeten nog opmerken dat Engels met uiterste beslistheid het algemene
kiesrecht als een werktuig van de heerschappij der bourgeoisie bestempelt. Het
algemene kiesrecht, zegt hij, blijkbaar met inachtneming van de ervaring van
vele jaren der Duitse sociaal-democratie, is
‘de graadmeter voor de rijpheid van de
arbeidersklasse. Meer kan en zal het in de tegenwoordige staat nooit zijn;...’
De kleinburgerlijke democraten van het slag van onze sociaalrevolutionairen
en mensjewiki en ook hun bloedsbroeders, alle sociaal-chauvinisten en
opportunisten van West-Europa, verwachten juist ‘meer’ van het algemene
kiesrecht. Zij delen de verkeerde opvatting en dringen die ook aan het volk op
dat het algemene kiesrecht ‘in de huidige staat’ bij machte zou zijn de wil
van de meerderheid van het werkende volk tot uitdrukking te brengen en de
uitoefening ervan te verzekeren.
Wij kunnen hier deze verkeerde opvatting slechts aanstippen en er slechts
op wijzen dat de volkomen duidelijke, nauwkeurige, concrete uitspraak van
Engels in de propaganda en agitatie van de ‘officiële’ (d.w.z.
opportunistische) socialistische partijen onophoudelijk vervalst wordt. Hoe
volstrekt verkeerd deze opvatting is die hier door Engels wordt verworpen, zal
in onze verdere uiteenzettingen van de opvattingen van Marx en Engels omtrent
de ‘huidige’ staat uitvoerig worden aangetoond.
Engels vat zijn opvattingen in zijn populairste geschrift in de volgende
woorden samen:
‘De staat is dus niet van alle
eeuwigheid. Er zijn maatschappijen geweest die het zonder hem klaarspeelden,
die van staat en staatsmacht geen begrip hadden. Op een bepaalde trap van de
economische ontwikkeling, die noodzakelijk met de splitsing van de maatschappij
in klassen verbonden was, werd door deze splitsing de staat nodig. Wij naderen
thans met rasse schreden een trap van ontwikkeling van de produktie, waarop het
bestaan van deze klassen niet alleen opgehouden heeft noodzakelijk te zijn,
maar ook een directe belemmering voor de produktie wordt. Even onvermijdelijk
als zij vroeger zijn ontstaan zullen zij ten onder gaan. Met hen valt
onvermijdelijk de staat. De maatschappij, die de produktie op grondslag van
vrije en gelijke associatie van de producenten opnieuw organiseert, zal de hele
staatsmachinerie een plaats inruimen die haar dan zal toekomen: in het museum
van oudheden, naast het spinnewiel en de bronzen bijl.’
Dit citaat ontmoet men niet dikwijls in de propaganda- en agitatieliteratuur
van de huidige sociaal-democratie. Maar zelfs wanneer het voorkomt wordt het
in de regel zo gebruikt alsof men een soort buiging voor een heiligenbeeld
maakt, d.w.z. als officiële uitdrukking van hoogachting voor Engels, zonder
ook maar een poging te doen zich in te denken wat dit ‘plaats inruimen van de
hele staatsmachinerie in het museum van oudheden’ inhoudt aan verstrekkende en
ingrijpende krachtsontplooiing van de revolutie. Meestal vindt men zelfs geen
begrip voor datgene wat Engels staatsmachinerie noemt.
4. Het ‘afsterven’ van de staat en de gewelddadige revolutie
De woorden van Engels over het ‘afsterven’ van de staat zijn zo bekend,
worden zo dikwijls aangehaald, tonen zo plastisch de kwintessens van de meest
voorkomende vervalsing van het marxisme in de richting van het opportunisme,
dat het nodig is ons uitvoerig daarmee bezig te houden. Wij halen hier de
gehele beschouwing, waaraan zij ontleend zijn, aan:
‘Het proletariaat maakt zich
meester van de staatsmacht en maakt van de produktiemiddelen allereerst
staatseigendom. Maar daarmee heft het zichzelf als proletariaat op en ook alle
klasseverschillen en klassentegenstellingen, en daarmee ook de staat als
staat. De tot dusver bestaande, in klassentegenstellingen zich bewegende
maatschappij had de staat nodig, d.w.z. een organisatie van de respectieve uitbuitende
klasse voor de instandhouding van haar uiterlijke produktievoorwaarden, dus met
name voor het met geweld vasthouden van de uitgebuite klasse onder voorwaarden
van onderdrukking, zoals die door de bestaande produktiewijze zijn gegeven
(slavernij, lijfeigenschap of horigheid, loonarbeid). De staat was de officiële
vertegenwoordiger van de gehele maatschappij, haar samenvatting in een zichtbare
instelling, maar hij was dit slechts voor zover hij de staat was van de klasse
die zelf in haar tijd de gehele maatschappij vertegenwoordigde: in de Oudheid
de staat van de slavenhoudende staatsburgers, in de Middeleeuwen van de feodale
adel, in onze tijd van de bourgeoisie. Doordat hij eindelijk werkelijk
vertegenwoordiger van de gehele maatschappij wordt, maakt hij zichzelf
overbodig. Zodra er geen maatschappelijke klasse meer onderdrukt behoeft te
worden, zodra met de klassenheerschappij en de strijd om het individuele
bestaan, die op de tot dusver bestaande anarchie in de produktie berustte, ook
de daaruit voortvloeiende botsingen en buitensporigheden zijn opgeruimd, valt
er niets meer te onderdrukken dat een bijzondere onderdrukkingsmacht, een
staat, nodig zou maken. De eerste daad waarbij de staat werkelijk als
vertegenwoordiger van de gehele maatschappij optreedt — de inbezitneming van de
produktiemiddelen in naam van de maatschappij — is tegelijkertijd zijn laatste
zelfstandige daad als staat. Het ingrijpen van een staatsmacht in
maatschappelijke verhoudingen wordt op het ene gebied na het andere overbodig
en slaapt dan vanzelf in. In plaats van de regering over personen komt het
beheer over zaken en het leiden van produktieprocessen. De staat wordt niet
‘afgeschaft’, hij sterft af. Hiernaar kan men de frase over de ‘vrije volksstaat’
beoordelen, dus zowel wat betreft haar tijdelijke agitatorische
gerechtvaardigdheid, als wat betreft haar uiteindelijke ontoereikendheid voor
de wetenschap; eveneens de eis van de zogenaamde anarchisten dat de staat van
vandaag op morgen moet worden afgeschaft.’ (‘Anti-Dühring’, ‘De heer Eugen
Dührings omwenteling in de wetenschap’, derde Duitse druk, blz. 301—303.)
Men loopt geenszins gevaar zich te vergissen wanneer men zegt dat van deze
aan gedachten zo uitermate rijke uiteenzetting van Engels slechts dit ene
werkelijk gemeengoed van het socialistische denken in de moderne socialistische
partijen is geworden, dat volgens Marx de staat ‘afsterft’, in tegenstelling
tot de anarchistische leer van het ‘afschaffen’ van de staat. Het marxisme op
die wijze besnoeien betekent het tot opportunisme neerhalen, want bij een
dergelijke ‘uitlegging’ blijft alleen nog maar een vage voorstelling over van
een langzame, gelijkmatige, geleidelijke verandering, zonder sprongen en
stormen, zonder revolutie. Het ‘afsterven’ van de staat in de gangbare,
algemeen verbreide en, als men het zo noemen mag, door de massa’s aanvaarde zin
betekent ongetwijfeld een verdoezeling, zo niet een ontkenning van de
revolutie.
Intussen is een dergelijke ‘uitlegging’ de meest grove, slechts voor de
bourgeoisie voordelige verminking van het marxisme, die theoretisch steunt op
het verwaarlozen van de belangrijkste omstandigheden en overwegingen, zoals ze
bij voorbeeld al in deze door ons volledig geciteerde ‘samenvattende’
beschouwing van Engels uiteengezet zijn.
Ten eerste. Heel in het begin van deze beschouwing zegt Engels, dat het
proletariaat door de staatsmacht te grijpen ‘de staat als staat opheft’. Het is
‘geen gewoonte’ erover na te denken wat dit betekent. Gewoonlijk wordt dit geheel
en al genegeerd of voor een soort ‘hegeliaanse zwakheid’ van Engels aangezien.
In werkelijkheid is in deze woorden kort en bondig de ervaring uitgedrukt van
een der grootste proletarische revoluties, de ervaring van de Commune van
Parijs in 1871, waarop wij later nog uitvoeriger zullen terugkomen. Inderdaad
spreekt Engels hier over het ‘opheffen’ van de staat van de bourgeoisie door de proletarische
revolutie, terwijl de woorden over het afsterven betrekking hebben op de
overblijfselen van het proletarische staatsbestel na de socialistische
revolutie. De burgerlijke staat ‘sterft’ niet ‘af’, volgens Engels, maar wordt
door het proletariaat in de revolutie ‘opgeheven’. Na deze revolutie sterft de
proletarische staat of halfstaat af.
Ten tweede. De staat is een ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’. Deze
schitterende en uitermate diepzinnige definitie zet Engels hier volkomen
duidelijk en ondubbelzinnig uiteen. Maar daaruit volgt dat de ‘bijzondere
onderdrukkingsmacht’ van de bourgeoisie tegen het proletariaat, van een
handvol rijke mensen tegen de miljoenen werkende mensen, vervangen moet worden
door een ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ van het proletariaat tegen de
bourgeoisie (de diktatuur van het proletariaat). Dit is juist het wezen van de
‘opheffing van de staat als staat’. Dit is juist de ‘handeling’ van het in
bezit nemen van de produktiemiddelen in naam van de maatschappij. En het is
zonder meer duidelijk dat zulk een aflossing van de ene (burgerlijke) ‘bijzondere
onderdrukkingsmacht’ door de andere (proletarische) ‘bijzondere onderdrukkingsmacht’
onder geen enkele voorwaarde langs de weg van het ‘afsterven’ kan plaats
hebben.
Ten derde. Over het ‘afsterven’ en nog plastischer en kleuriger over het
‘inslapen’ spreekt Engels volkomen duidelijk en ondubbelzinnig met betrekking
tot het tijdperk na de ‘inbezitneming van de produktiemiddelen (door de
staat) in naam van de gehele maatschappij’, d.w.z. na de socialistische
revolutie. Wij allen weten dat de politieke vorm van de ‘staat’ in deze tijd de
meest volledige democratie is. Maar bij geen van de opportunisten die zo
onbeschaamd het marxisme vervalsen komt de gedachte op dat het hier bij Engels
dus over het ‘inslapen’ en ‘afsterven’ van de democratie gaat. Op het eerste
gezicht mag dat erg vreemd lijken. Maar ‘onbegrijpelijk’ blijft het alleen voor
hem die er niet over heeft nagedacht dat de democratie ook een staat is en dat
bijgevolg ook de democratie zal verdwijnen zodra de staat verdwijnt. De
burgerlijke staat kan slechts door de revolutie ‘opgeheven’ worden. De staat in
het algemeen, d.w.z. de meest volkomen democratie kan alleen ‘afsterven’.
Ten vierde. Na zijn beroemde stelling ‘de staat sterft af’ te hebben
opgesteld geeft Engels onmiddellijk de concrete verklaring dat deze stelling
zowel tegen de opportunisten als tegen de anarchisten gericht is. Daarbij
stelt Engels de gevolgtrekking uit de stelling over het ‘afsterven van de
staat’ die tegen de opportunisten is gericht op de voorgrond.
Men kan er een weddenschap op aangaan dat van de 10.000 mensen die ooit
over het ‘afsterven van de staat’ iets hebben gehoord of gelezen er 9.990
volstrekt niet weten of zich niet herinneren dat Engels zijn gevolgtrekkingen
uit deze stelling niet alleen tegen de anarchisten gericht heeft. En van de
overblijvende tien personen weten er negen waarschijnlijk niet wat de ‘vrije
volksstaat’ is en waarom een aanval op deze leuze een aanval op de opportunisten
insluit. Zo wordt geschiedenis geschreven! Zo wordt ongemerkt de grote
revolutionaire leer voor de heersende kleinburgerlijkheid pasklaar gemaakt. De
conclusie tegen de anarchisten werd duizenden malen herhaald, vervlakt en in
haar meest gevulgariseerde vorm in de hoofden gehamerd, tot zij de kracht van
een vooroordeel had gekregen. Maar de conclusie tegen de opportunisten werd
verdoezeld en ‘vergeten’!
De ‘vrije volksstaat’ was een programpunt en gangbare leuze van de Duitse
sociaal-democratie in de zeventiger jaren. Buiten een kleinburgerlijk
hoogdravende omschrijving van het begrip democratie heeft deze leuze geen
enkele politieke inhoud. In zoverre er legaal de democratische republiek in
werd aangeduid was Engels bereid ter wille van de agitatie het
‘gerechtvaardigde’ van deze leuze ‘tijdelijk’ te laten gelden. Deze leuze was
echter opportunistisch, want zij bracht niet alleen een goedpraten van de burgerlijke
democratie tot uitdrukking, maar ook het verwaarlozen van de socialistische
kritiek op iedere staat in het algemeen. Wij zijn voor de democratische
republiek als de beste staatsvorm voor het proletariaat onder het kapitalisme,
maar we mogen niet vergeten dat ook in de meest democratische burgerlijke
republiek loonslavernij het lot van het volk is. Bovendien, iedere staat is een
‘bijzondere onderdrukkingsmacht’ tegen de onderdrukte klasse. Derhalve is iedere
vrij en geen volksstaat. Marx en
Engels hebben dit in de zeventiger jaren herhaaldelijk voor hun partijgenoten
uiteengezet.
Ten vijfde. In hetzelfde werk van Engels waaruit
iedereen zich de uiteenzetting over het afsterven van de staat herinnert zijn
ook beschouwingen te vinden over de betekenis van de gewelddadige revolutie.
De historische beoordeling van haar rol gaat bij Engels over in een ware
lofrede op de gewelddadige revolutie. Dat ‘herinnert zich niemand’; in de
huidige socialistische partijen is het geen gewoonte over de betekenis van deze
gedachte te spreken of er zelfs maar over na te denken en in de dagelijkse
propaganda en agitatie onder de massa’s spelen deze gedachten geen enkele rol.
Maar toch zijn zij met het ‘afsterven’ van de staat onafscheidelijk tot één
harmonisch geheel verbonden.
Hier volgt de uiteenzetting van Engels:
‘Dat het geweld echter nog een
andere rol in de geschiedenis speelt, een revolutionaire rol; dat het, om Marx’
woorden te gebruiken, de vroedvrouw is van iedere oude maatschappij die van
een nieuwe zwanger gaat; dat het het werktuig is waarmee de maatschappelijke
beweging zich baanbreekt en verstarde, afgestorven politieke vormen verbrijzelt
— daarover bij de heer Dühring geen woord. Slechts onder zuchten en steunen
geeft hij de mogelijkheid toe dat er voor de omverwerping van de uitbuiterij
misschien geweld nodig zal zijn — helaas - want iedere uitoefening van geweld
zou degene die dit aanwendt demoraliseren. En dat tegenover de hoge morele en geestelijke
vlucht die het gevolg van elke zegevierende revolutie was! En dat in Duitsland,
waar een gewelddadige botsing, die het volk immers opgedrongen kan worden,
althans het voordeel zou hebben de door de vernedering van de Dertigjarige
Oorlog in het nationale bewustzijn binnengedrongen lakeiengeest
uit te roeien. En deze matte, fut- en krachtloze domineesopvatting maakt er aanspraak
op zich aan de meest revolutionaire partij die de geschiedenis kent op te
dringen?’ (Blz. 193, derde Duitse uitgave, het einde van het IVde hoofdstuk,
tweede deel.)
Hoe valt nu deze lofrede op de gewelddadige revolutie, die Engels van 1878
tot 1894, d.w.z. tot aan zijn dood, hardnekkig aan de Duitse sociaal-democraten
voorhoudt, met de theorie van het ‘afsterven’ van de staat in één leer te
verenigen?
Gewoonlijk worden beide verenigd met behulp van het eclecticisme, door
zonder enige idee of op sofistische wijze (of om bij de machthebbers in het
gevlei te komen) willekeurig nu eens de ene dan weer de andere beschouwing naar
voren te halen, waarbij in 99 van de 100 gevallen, zo niet nog vaker, juist het
‘afsterven’ op de voorgrond wordt geschoven. De dialectiek wordt vervangen door
het eclecticisme — het meest gewone, meest verbreide verschijnsel in de
huidige officiële sociaal-democratische literatuur over het marxisme. Een
dergelijk in-de-plaats-stellen is natuurlijk niets nieuws; zelfs in de
geschiedenis van de klassieke Griekse wijsbegeerte kan men het vinden. Bij het
vervalsen van het marxisme in de richting van het opportunisme zijn de massa’s
het gemakkelijkst te misleiden door het eclecticisme als dialectiek aan te
dienen; dit geeft schijnbare bevrediging, houdt schijnbaar rekening met alle
zijden van het proces, met alle ontwikkelingstendensen, met alle tegen elkaar
in werkende invloeden enz., maar in werkelijkheid biedt het geen een- en
ondeelbare, geen revolutionaire opvatting van het maatschappelijke
ontwikkelingsproces.
Wij hebben er hiervoor al over gesproken en in het verloop van deze
uiteenzetting zullen wij het uitvoeriger aantonen dat de leer van Marx en
Engels over de onvermijdelijkheid van de gewelddadige revolutie betrekking
heeft op de burgerlijke staat. Deze kan door de proletarische staat (de
diktatuur van het proletariaat) niet langs de weg van het ‘afsterven’
afgelost worden; dit kan in de regel alleen door een gewelddadige revolutie. De
lofzang die Engels op de gewelddadige revolutie aanheft en die geheel en al
overeenkomt met de veelvuldige verklaringen van Marx (herinneren we ons
slechts het slot van ‘De ellende van de filosofie’ en van ‘Het Communistisch
Manifest’ met de trotse en openhartige verklaring over de onvermijdelijkheid
van de gewelddadige revolutie; herinneren wij ons de kritiek op het program
van Gotha van 1875, bijna dertig jaar later, waarin Marx het opportunisme van
dit program onbarmhartig geselde) — die lofzang is geenszins ‘dweperij’,
geenszins declamatie en geen polemische uitval. De noodzakelijkheid van het
opvoeden van de massa’s in deze, speciaal in deze opvattingen over de
gewelddadige revolutie is de grondslag van heel de leer van Marx en Engels. Het
door de nu heersende sociaal-chauvinistische en kautskyaanse stromingen aan hun
leer begane verraad komt bijzonder plastisch tot uitdrukking in het feit dat
beide zulk een propaganda, zulk een agitatie vergeten hebben.
De aflossing van de burgerlijke door de proletarische staat is zonder
gewelddadige revolutie onmogelijk. De opheffing van de proletarische staat,
d.w.z. de opheffing van iedere staat, is niet anders mogelijk dan langs de weg
van het ‘afsterven’. Een uitvoerige en concrete ontwikkeling van deze
opvattingen leverden Marx en Engels door iedere revolutionaire situatie afzonderlijk
te bestuderen en door de lessen uit de ervaringen van iedere afzonderlijke revolutie
te analyseren. We gaan thans over tot dit ongetwijfeld belangrijkste deel van
hun leer.
Hoofdstuk II: De ervaringen van de jaren
1848-1851
1. De vooravond van de revolutie
De eerste werken van het rijpe marxisme, ‘De ellende van de filosofie’ en
‘Het Communistisch Manifest’, verschenen juist aan de vooravond van de
revolutie van 1848. Dientengevolge bieden zij ons behalve een uiteenzetting van
de algemene grondslagen van het marxisme tot op zekere hoogte een weerspiegeling
van de toenmalige concrete revolutionaire situatie. Het zal daarom doelmatiger
zijn te onderzoeken wat de schrijvers van deze werken over de staat hebben
gezegd onmiddellijk voor zij hun conclusies uit de ervaringen van de jaren
1848—1851 samenvatten:
‘...De werkende klasse’, schrijft Marx in ‘De ellende
van de filosofie’, ‘zal in de loop der ontwikkeling de oude burgerlijke
maatschappij vervangen door een associatie die de klassen en hun tegenstelling
uitsluit; er zal geen eigenlijke politieke macht meer bestaan omdat juist de
politieke macht de officiële uitdrukking is van de klassentegenstelling binnen
de burgerlijke maatschappij.’ (Blz. 182 van de Duitse uitgave van 1885.)
Het is leerzaam met deze algemene uiteenzetting van de gedachte over het verdwijnen
van de staat na het opheffen van de klassen de uiteenzettingen te vergelijken,
welke vervat zijn in het door Marx en Engels enige maanden later, namelijk in
november 1847, geschreven ‘Communistisch Manifest’:
‘Terwijl we de meest algemene fasen van de
ontwikkeling van het proletariaat tekenden, volgden we de min of meer verborgen
burgeroorlog binnen de bestaande maatschappij tot het punt waarop hij in een
openlijke revolutie uitbarst en het proletariaat door de gewelddadige
omverwerping van de bourgeoisie zijn heerschappij grondvest.’
‘Wij zagen hierboven reeds dat de eerste stap in de
arbeidersrevolutie de verheffing van het proletariaat tot heersende klasse,
de verovering van de democratie is.
Het proletariaat zal zijn politieke macht gebruiken om
aan de bourgeoisie stap voor stap alle kapitaal te ontrukken, alle
produktie-instrumenten in handen van de staat, d.w.z. van het als heersende
klasse georganiseerde proletariaat, te concentreren en de massa van de
produktiekrachten zo snel mogelijk te vermeerderen.’
Hier vinden wij de formulering van een der
opmerkelijkste en belangrijkste ideeën van het marxisme inzake het vraagstuk
van de staat, de idee namelijk van de ‘diktatuur van het proletariaat’ (zoals
Marx en Engels zich na de Commune van Parijs begonnen uit te drukken), voorts
een uiterst interessante definitie van de staat die eveneens tot de ‘vergeten
woorden’, van het marxisme behoort: ‘De staat, d.w.z. het als heersende
klasse georganiseerde proletariaat’.
Deze definitie van de staat is niet alleen nimmer
in de heersende propaganda- en agitatieliteratuur van de officiële sociaal-democratische
partijen toegelicht, maar bovendien is ze geheel in het vergeetboek geraakt
omdat ze volkomen onverenigbaar is met het reformisme en een slag in het
gezicht betekent van de gangbare opportunistische vooroordelen en
kleinburgerlijke illusies over een ‘vreedzame ontwikkeling van de democratie’.
Het proletariaat heeft de staat nodig — dat
herhalen alle opportunisten, sociaal-chauvinisten en kautskyanen, waarbij zij
verzekeren dat dit de leer van Marx is; maar zij ‘vergeten’ hieraan toe te
voegen dat, ten eerste, het proletariaat volgens Marx slechts een afstervende
staat nodig heeft, d.w.z. een staat van zodanige samenstelling dat hij
terstond begint af te sterven en niet anders kan dan afsterven. En ten tweede:
de werkers hebben een ‘staat’ nodig, d.w.z. het als ’heersende klasse
georganiseerde proletariaat’.
De staat is een bijzondere machtsorganisatie, een
organisatie van het geweld voor het onderdrukken van de een of andere klasse.
En welke klasse moet het proletariaat onderdrukken? Natuurlijk alleen de
uitbuitersklasse, de bourgeoisie. De werkende mensen hebben alleen de staat
nodig om het verzet van de uitbuiters te onderdrukken. En slechts het
proletariaat — de enige consequent revolutionaire klasse, de enige klasse die
in staat is alle werkers en uitgebuiten te verenigen in de strijd tegen de
bourgeoisie en om haar volledig af te schaffen — slechts het proletariaat is
bij machte hieraan leiding te geven en het te verwezenlijken.
De uitbuitende klassen hebben de politieke
heerschappij nodig in het belang van de instandhouding van de uitbuiting,
d.w.z. in het zelfzuchtige belang van een uiterst kleine minderheid tegenover
de ontzaglijke meerderheid van het volk. De uitgebuite klassen hebben de
politieke heerschappij nodig in het belang van de volledige opheffing van elke
soort van uitbuiting, d.w.z. in het belang van de ontzaglijke meerderheid van
het volk tegenover de uiterst geringe minderheid van moderne slavenhouders — de
grootgrondbezitters en kapitalisten.
De kleinburgerlijke democraten, deze
pseudo-socialisten die de klassenstrijd vervangen hebben door dromen over
klassenharmonie, hebben zich de socialistische omwenteling ook als in een droom
voorgesteld, namelijk niet als het ten val brengen van de heerschappij van de
uitbuitende klasse, maar als vreedzame onderwerping van de minderheid aan de
zich van haar taken bewust geworden meerderheid. Deze kleinburgerlijke utopie,
die onafscheidelijk verbonden is met de erkenning van een boven de klassen
staande staat, heeft in de praktijk geleid tot verraad aan de belangen van de
werkende klassen, zoals dit b.v. is aangetoond door de geschiedenis van de
Franse revoluties van 1848 en 1871 en door de ervaringen van het deelnemen van
‘socialisten’ aan burgerlijke ministeries in Engeland, Frankrijk, Italië en
andere landen aan het eind van de 19de en het begin van de 20ste eeuw.
Heel zijn leven heeft Marx dit kleinburgerlijke
socialisme bestreden dat thans in Rusland door de partijen van de
sociaal-revolutionairen en mensjewiki nieuw leven ingeblazen is. Marx heeft de
leer van de klassenstrijd consequent ontwikkeld tot de leer van de politieke
macht, d.w.z. van de staat.
Het omverwerpen van de heerschappij van de
bourgeoisie kan alleen het werk zijn van het proletariaat, van deze bijzondere
klasse welker economische bestaansvoorwaarden haar op deze omverwerping
voorbereiden en haar de mogelijkheid en de kracht geven ze te volbrengen. Terwijl
de bourgeoisie de boeren en alle kleinburgerlijke lagen der bevolking
versnippert en verstrooit, sluit zij het proletariaat aaneen, verenigt en
organiseert zij het. Alleen het proletariaat is — krachtens zijn economische
rol in de produktie in het groot — bij machte de leider te zijn van alle werkende en uitgebuite
massa’s, die door de bourgeoisie dikwijls niet minder maar heviger worden
uitgebuit en onderdrukt dan de proletariërs, maar tot een zelfstandige bevrijdingsstrijd niet
bij machte zijn.
De leer van de klassenstrijd, door Marx toegepast
op het vraagstuk van de staat en van de socialistische revolutie, leidt noodzakelijkerwijze
tot de erkenning van de politieke heerschappij van het proletariaat, van zijn
diktatuur, d.w.z. een met niemand gedeeld en rechtstreeks op de gewapende macht
der massa’s steunend gezag. Het omverwerpen van de bourgeoisie kan alleen
gebeuren doordat het proletariaat zich verheft tot de heersende klasse die in staat is het
onvermijdelijke, wanhopige verzet van de bourgeoisie te onderdrukken en alle
werkende
en uitgebuite massa’s te organiseren voor het op nieuwe leest schoeien van het
economische bestel.
Het proletariaat heeft de staatsmacht nodig, een
gecentraliseerde organisatie van de macht, een organisatie van de dwang, zowel
om het verzet van de uitbuiters te onderdrukken, als voor liet leiden van de geweldige massa’s
van de bevolking, de boeren, do kleine burgerij, de halfproletariërs, ten einde
de socialistische economie ‘op gang te brengen’.
Door de arbeiderspartij op, te voeden voedt het
marxisme de voorhoede van het proletariaat op, die in staat is de macht te
grijpen en het hele volk naar het socialisme te leiden, hei nieuwe stelsel te
besturen en te organiseren, leraar, leider, gids te zijn van alle werkenden en
uitgebuiten bij het vormen van hun eigen maatschappelijke leven, zonder de
bourgeoisie en tegen de bourgeoisie. Daarentegen voedt het in onze tijd
heersende opportunisme in de arbeiderspartij de vertegenwoordigers van de beter
betaalde arbeiders op die zich van de massa’s vervreemden, zich onder het
kapitalisme vrij behoorlijk weten ‘in te richten’ en hun eerstgeboorterecht
voor een schotel linzen verkopen, d.w.z. afstand doen van hun rol als
revolutionaire voorhoede van het volk tegen de bourgeoisie.
‘De staat, d.w.z. het als heersende klasse
georganiseerde proletariaat’— deze theorie van Marx is onafscheidelijk
verbonden met heel zijn leer van de revolutionaire rol van het proletariaat in
de geschiedenis. De bekroning van deze rol is de proletarische diktatuur, de
politieke heerschappij van het proletariaat.
Maar indien het proletariaat de staat nodig heeft
als bijzondere organisatie van het geweld tegen de bourgeoisie, dan dringt zich
vanzelf de vraag op of het denkbaar is een dergelijke organisatie te scheppen
zonder dat vooraf de staatsmachine, die de bourgeoisie voor zich zelf heeft geschapen, is
afgeschaft en vernietigd. Tot deze gevolgtrekking brengt ons ‘Het Communistisch
Manifest’ en Marx spreekt erover als hij de conclusies trekt uit de ervaringen
van de revolutie van 1848 tot 1851.
2. De resultaten van de revolutie
Ten aanzien van het ons interesserende vraagstuk
van de staat maakt Marx de balans op van de revolutie van 1848 tot 1851 in de
volgende beschouwingen in het werk ‘De achttiende Brumaire van Louis
Bonaparte’:
‘Maar de revolutie is grondig.
Zij is nog op haar reis door het vagevuur. Zij doet haar werk methodisch. Tot 2
december 1851 had zij de ene helft van haar voorbereiding voltooid, nu
voltooit zij de andere helft. Zij voltooide eerst de parlementaire macht om
haar ten val te kunnen brengen. Nu zij dit bereikt heeft, voltooit zij de uitvoerende
macht, herleidt
zij die tot haar zuiverste uitdrukking, isoleert haar, stelt haar als enige
verwijt tegenover zichzelf om al haar krachten ter vernietiging op haar te
concentreren’ (door mij onderstreept). ‘En wanneer zij deze tweede helft van haar
voorbereidende werk heeft volbracht, zal Europa opspringen van zijn zetel en
jubelen: Braaf gewoeld, oude mol!
Deze uitvoerende macht met haar
geweldige bureaucratische en militaire organisatie, met haar in brede lagen
opgebouwde en kunstmatige staatsmachinerie, met een leger van ambtenaren van
een half miljoen man, naast een leger van nog een half miljoen, dit vreselijke
parasietenlichaam, dat zich als een net om het lichaam van de Franse
maatschappij spant en alle poriën daarvan verstopt, is ontstaan in de tijd van
de absolute monarchie, tijdens het verval van het feodalisme, dat het hielp
verhaasten’. De eerste Franse revolutie ontwikkelde de centralisatie ‘maar
tevens de omvang, de attributen en de helpers van de regeringsmacht. Napoleon
voltooide deze staatsmachinerie’. De legitieme monarchie en de Juli-monarchie
‘voegden er niets aan toe dan een grotere arbeidsverdeling...’
‘De parlementaire republiek zag
zich tenslotte in haar strijd tegen de revolutie gedwongen, met de
onderdrukkingsmaatregelen de middelen en de centralisatie van de regeringsmacht
te versterken. Alle omwentelingen vervolmaakten deze machinerie in plaats
van haar te breken (door mij onderstreept). ‘De partijen, die afwisselend om de heerschappij
worstelden, beschouwden het in bezit nemen van dit geweldige staatsgebouw als
de voornaamste buit van de overwinnaar.’ (‘De achttiende Brumaire van Louis
Bonaparte’, blz. 98 en 99, Hamburg 1907, vierde druk.)
In deze opmerkelijke beschouwing doet het marxisme
in vergelijking met ‘Het Communistisch Manifest’ een geweldige stap vooruit.
Daar is het vraagstuk van de staat nog uiterst abstract behandeld, in uiterst
algemeen gehouden begrippen en bewoordingen. Hier wordt het vraagstuk concreet
aangepakt en de conclusie precies omlijnd, praktisch, tastbaar geformuleerd:
Alle vroegere revoluties hebben de staatsmachinerie vervolmaakt, maar men moet
haar stukslaan, verbrijzelen.
Deze conclusie is het voornaamste, de grondslag
van de leer van het marxisme over de staat. En juist deze grondslag is niet
alleen bij de heersende officiële sociaal-democratische partijen in het
vergeetboek geraakt, maar is ook (zoals we zullen zien) door de prominentste
theoreticus van de Tweede Internationale, K. Kautsky, direct vervalst.
In ‘Het Communistisch Manifest’ vindt men algemene
gevolgtrekkingen uit de geschiedenis, die ons dwingen in de staat een orgaan
van klasseheerschappij te zien en die ons tot de onvoorwaardelijke slotsom
leiden dat het proletariaat de bourgeoisie niet ten val kan brengen zonder
eerst de politieke macht te hebben veroverd, zonder de politieke heerschappij
te hebben verkregen en de staat te hebben gemaakt tot het ‘als heersende klasse
georganiseerde proletariaat’, en dat deze proletarische staat dadelijk na zijn
overwinning zal beginnen af te sterven, omdat in een maatschappij zonder
klassentegenstellingen de staat niet nodig en niet mogelijk is. Hier wordt
niet de vraag gesteld hoe — van het standpunt van de historische ontwikkeling
gezien — deze aflossing van de burgerlijke door de proletarische staat tot
stand moet komen.
Deze vraag nu wordt door Marx in het jaar 1852
gesteld en beantwoord. Zijn filosofie van het dialectische materialisme
getrouw, kiest Marx de historische ervaring van de grote revolutiejaren van
1848 tot 1851 als basis. Zoals steeds is ook hier de leer van Marx een door
diepe filosofische wereldbeschouwing en rijke kennis van de geschiedenis doorstraalde
samenvatting van de ervaring.
Het vraagstuk van de staat wordt concreet gesteld:
Hoe is de burgerlijke staat, de voor de heerschappij van de bourgeoisie
onmisbare staatsmachinerie, historisch ontstaan? Van welke aard zijn haar
veranderingen, is haar evolutie in de loop van de burgerlijke revoluties en
ten opzichte van de zelfstandige acties van de onderdrukte klassen? Wat is de
taak van het proletariaat met betrekking tot deze staatsmachinerie?
De aan de burgerlijke maatschappij eigen
gecentraliseerde staatsmacht ontstond in het tijdvak van verval van het
absolutisme. Het meest wordt deze staatsmachinerie gekenmerkt door twee
instellingen; een leger van ambtenaren en het staande leger. In de werken van
Marx en Engels is er herhaaldelijk sprake van hoe deze instellingen door
duizenden draden juist met de bourgeoisie verbonden zijn. De ervaringen van
iedere arbeider illustreren deze samenhang bijzonder aanschouwelijk en
indringend. De arbeidersklasse leert aan het eigen lijf deze samenhang kennen;
daarom begrijpt zij zo gemakkelijk de leer van de onvermijdelijkheid van deze
samenhang en dringt ze zo diep in haar door, een leer die de kleinburgerlijke
democraten uit onwetendheid of uit lichtvaardigheid afwijzen of nog
lichtvaardiger ‘in het algemeen’ aanvaarden, maar daarbij vergeten de daaraan
vastzittende praktische consequenties te trekken.
Ambtenarij en staand leger — dat zijn de
‘parasieten’ op het lichaam van de burgerlijke maatschappij, parasieten geboren
uit de innerlijke tegenstellingen die deze maatschappij verscheuren, maar wel
parasieten die de levensporiën ‘verstoppen’. Het tegenwoordig in de officiële
sociaal-democratie heersende kautskyaanse opportunisme beschouwt de opvatting
die in de staat een parasitair organisme ziet als een zeer speciaal en
uitsluitend attribuut van het anarchisme. Natuurlijk valt deze vervalsing van
het marxisme zeer in de smaak van de kleinburgers die het socialisme neergehaald
hebben tot de ontstellende smaad van het rechtvaardigen en goedpraten van de
imperialistische oorlog door het begrip ‘vaderlandsverdediging’ erop toe te
passen, maar daarmee wordt de vervalsing er niet minder om.
Door alle burgerlijke revoluties die Europa in
groten getale sedert het verval van het feodalisme heeft beleefd gaat de ontwikkeling,
vervolmaking en versterking van dit ambtenaren- en militaire apparaat voort. In
het bijzonder de kleine burgerij wordt naar de kant van de grote bourgeoisie
getrokken en in sterke mate aan haar onderworpen juist door middel van dit
apparaat, dat de bovenste lagen van de boeren, de ambachtslieden, winkeliers
enz. betrekkelijk gemakkelijke, rustige en eervolle baantjes bezorgt die hun
bezitters boven het volk verheffen. Men zie maar eens wat er in Rusland gedurende
het halve
jaar na 27 februari 1917 heeft plaats gehad: Ambtelijke posten die vroeger bij
voorkeur aan de leden van de Zwarte Honderd werden vergeven zijn nu de
begerenswaardige buit geworden van de kadetten, mensjewiki en
sociaal-revolutionairen. Aan ernstige hervormingen, van welke aard ook, wordt
in werkelijkheid niet gedacht; men doet zijn best ze uit te stellen ‘tot de
Constituerende Vergadering’ — en het bijeenroepen van de Constituerende
Vergadering zachtjes aan tot het einde van de oorlog te verschuiven! Met het
verdelen van de buit, met het bezetten van ministers-, staatssecretaris- en
gouverneursposten enz. enz. talmen ze evenwel niet en wachten ze volstrekt geen
Constituerende Vergadering af. Het spel van combinaties bij het samenstellen
van regeringen was in werkelijkheid slechts de uitdrukking van dit verdelen en
herverdelen van de ‘buit’, zowel hoog als laag, in het gehele land, in het hele
centrale en plaatselijke bestuur. Het resultaat, het objectieve resultaat van
het halve jaar van 27 februari tot 27 augustus 1917 staat vast: De
hervormingen zijn verdaagd, de verdeling van de ambtelijke baantjes heeft
plaats gehad en de ‘fouten’ die bij de verdeling werden begaan werden door
enige herverdelingen hersteld.
Maar hoe meer er in het ambtenarenapparaat van
deze ‘herverdelingen’ van posten onder de verschillende burgerlijke en kleinburgerlijke
partijen (onder de kadetten, de sociaal-revolutionairen en de mensjewiki, om
ons tot Rusland te bepalen) plaats hebben, des te scherper worden de
onderdrukte klassen met het proletariaat voorop zich bewust van hun
onverzoenlijke vijandschap tegenover de hele burgerlijke maatschappij. Daaruit
ontstaat voor alle burgerlijke partijen, zelfs voor de meest democratische en
‘revolutionair-democratische’, de noodzaak de onderdrukkingsmaatregelen tegen
het revolutionaire proletariaat te verscherpen en het onderdrukkingsapparaat,
d.w.z. deze zelfde staatsmachinerie, te versterken. Zulk een loop der
gebeurtenissen dwingt de revolutie ‘al haar vernietigingskrachten te
concentreren’ tegen de staatsmacht, dwingt haar zich niet het verbeteren van de
staatsmachinerie, maar het vernietigen, het verbrijzelen ervan tot taak te
stellen.
Het waren geen logische redenaties, maar het was
de feitelijke ontwikkeling der gebeurtenissen, de levende ervaring van 1848—
1851 die ertoe hebben geleid dat deze taak zo werd gesteld. Met welk een
buitengewone gestrengheid Marx zich houdt aan de feiten die aan de historische
ervaring ten grondslag liggen, kan men daaruit zien dat hij in 1852 nog niet
concreet de vraag stelt waardoor de te vernietigen staatsmachinerie zal moeten
worden vervangen. In die tijd leverde de ervaring nog geen materiaal voor zulk
een vraag die later, in het jaar 1871, door de geschiedenis op de agenda werd
geplaatst. In 1872 kon men alleen met de nauwkeurigheid van een
natuurhistorische waarneming vaststellen dat de proletarische revolutie toen toe
was aan
de taak ‘al haar krachten ter vernietiging te concentreren’ tegen de
staatsmacht, de taak de staatsmacht te ‘verbrijzelen’.
Hier kan de vraag opkomen of het juist is deze
ervaringen, waarnemingen en gevolgtrekkingen van Marx te veralgemenen en over
te brengen op een breder terrein dan de geschiedenis van Frankrijk gedurende
de jaren 1848 tot 1851. Om deze kwestie te onderzoeken moeten we eerst aan een
opmerking van Engels herinneren om daarna tot de feiten zelf over te gaan.
‘Frankrijk is het land’, schrijft
Engels in het voorwoord bij de derde druk van de ‘Achttiende Brumaire’, ‘waar
de historische klassengevechten meer dan elders telkens tot aan de beslissing
werden uitgevochten, waar dus ook de wisselende politieke vormen, waarbinnen
zij zich bewegen en waarin hun resultaten zijn samengevat, in de scherpste
trekken tot uitdrukking zijn gekomen. Frankrijk, het middelpunt van het feodalisme
in de middeleeuwen, het modelland van de unitaire standenmonarchie sinds de
Renaissance, dit Frankrijk heeft tijdens de Grote Revolutie het feodalisme
vernietigd en de zuivere heerschappij van de bourgeoisie gegrondvest in zulk
een klassieke vorm als geen ander Europees land dit heeft gedaan. En ook de
strijd van het omhoog strevende proletariaat tegen de heersende bourgeoisie
treedt hier in een elders onbekende, acute vorm op.’ (Blz. 4 van de uitgave van
1907.)
De laatste opmerking is verouderd voor zover
sedert 1871 in de revolutionaire strijd van het Franse proletariaat een
onderbreking heeft plaats gehad, hoewel deze onderbreking, hoe lang zij ook
duren mag, geenszins de mogelijkheid uitsluit dat in de komende proletarische
revolutie Frankrijk zal bewijzen het klassieke land van de klassenstrijd tot
het beslissende einde te zijn.
Maar laat ons een algemene blik werpen op de
geschiedenis van de ontwikkelde landen tegen het einde van de 19de en het begin
van de 20ste eeuw. Wij zien dat hetzelfde proces zich langzamer, veelzijdiger
en op een aanzienlijk uitgestrekter toneel afspeelde; aan de ene kant de
uitbouw van de ‘parlementaire macht’, zowel in de republikeinse landen
(Frankrijk, Amerika, Zwitserland) als in monarchistische landen (Engeland, tot
op zekere hoogte Duitsland, Italië, de Skandinavische landen enz.), aan de
andere kant de strijd om de macht tussen de onderscheidene burgerlijke en
kleinburgerlijke partijen die onder elkaar de ‘buit’, de ambtelijke posten
verdeelden en herverdeelden, zonder dat er iets in de grondslagen van de
burgerlijke orde veranderde, en tenslotte het voortdurend volmaakter en hechter
worden van de ‘uitvoerende macht’, van haar ambtenaren- en militaire apparaat.
Het is aan geen twijfel onderhevig, dat dit gemeenschappelijke
trekken van de hele moderne ontwikkeling der kapitalistische staten in hun
algemeenheid zijn. Gedurende de drie jaren van 1848 tot 1851 heeft Frankrijk in
een snelle, scherp omlijnde en geconcentreerde vorm dezelfde
ontwikkelingsprocessen getoond die aan de gehele kapitalistische wereld eigen
zijn.
In het bijzonder vertoont het imperialisme, het
tijdperk van het bankkapitaal, van de reusachtige kapitalistische monopolies,
het tijdperk van het uitgroeien van het monopolistische kapitalisme tot
staatsmonopolistisch kapitalisme, een buitengewone versterking van de
‘staatsmachinerie’, een ongekende groei van zijn ambtelijke en militaire
apparaat, gepaard aan een versterking van de dwangmaatregelen tegen het
proletariaat, zowel in de monarchistische als in de meest vrije republikeinse
landen.
De wereldgeschiedenis leidt ons thans zonder
twijfel in veel grotere mate dan in 1853 tot het ‘concentreren van alle
krachten’ van de proletarische revolutie op het ‘vernietigen’ van de staatsmachinerie.
Wat het proletariaat daarvoor in de plaats zal
stellen, daarvoor heeft de Commune van Parijs uiterst leerzaam materiaal
geleverd.
3. Hoe Marx de kwestie in 1852 stelde
In 1907 publiceerde Mehring in het tijdschrift
‘Die Neue Zeit’ (XXV, II, 164) uittreksels uit een brief van Marx
aan Weydemeyer van 5 maart 1852. In deze brief is onder andere de volgende
belangwekkende beschouwing te vinden:
‘Wat mij betreft — niet aan mij
komt de eer toe het bestaan der klassen in de moderne maatschappij of hun
onderlinge strijd te hebben ontdekt. Reeds lang voor mij hadden burgerlijke
geschiedschrijvers de historische ontwikkeling van deze strijd der klassen en
burgerlijke economen de economische anatomie van de klassen in beeld gebracht.
Het nieuwe dat ik er aan heb toegevoegd bestond in het leveren van het bewijs
1. dat het bestaan van de klassen alleen verbonden is aan bepaalde historische
ontwikkelingsfasen van de produktie; 2. dat de klassenstrijd
noodzakelijkerwijze tot de diktatuur van het proletariaat leidt; 3. dat deze
diktatuur zelf slechts de overgang vormt naar het opheffen van alle klassen en
naar een klasseloze maatschappij.’
Het is Marx hier gelukt met verbazingwekkende
kernachtigheid tot uitdrukking te brengen ten eerste het voornaamste en wezenlijke
onderscheid tussen zijn leer en die van de vooraanstaande en diepzinnigste
denkers van de bourgeoisie, en ten tweede het wezen van zijn leer over de
staat.
Men zegt en schrijft dikwijls dat de kern van de
leer van Marx de klassenstrijd is. Maar dat is niet juist. En uit deze
onjuistheid ontstaat voortdurend en onophoudelijk een opportunistische verminking
van het marxisme, zijn vervalsing tot een voor de bourgeoisie aanvaardbare
leer. De leer van de klassenstrijd is immers niet door Marx, maar voor hem door de bourgeoisie
geschapen en ze is in het algemeen gesproken voor de bourgeoisie aanvaardbaar.
alleen
de
klassenstrijd erkent is nog geen marxist en kan nog binnen de perken van het
burgerlijke denken en de burgerlijke politiek gebleven zijn. Het marxisme
beperken tot de leer van de klassenstrijd betekent het marxisme besnoeien,
verminken, reduceren tot iets dat voor de bourgeoisie aanvaardbaar is. Marxist
is alleen hij die de erkenning van de klassenstrijd uitbreidt tot de erkenning van de diktatuur
van het proletariaat. Hierin ligt de kern van het onderscheid tussen een
marxist en de gemiddelde kleine (en ook grote) bourgeois. Dit moet de
toetssteen zijn voor het werkelijk begrijpen en onderschrijven van
het marxisme. Het is dan ook geen wonder dat, toen de geschiedenis van Europa
de arbeidersklasse praktisch voor dit vraagstuk plaatste, niet alleen alle
opportunisten en reformisten, maar ook alle ‘kautskyanen’ (de mensen die tussen
het reformisme en het marxisme weifelen) povere filisters en kleinburgerlijke
democraten bleken te zijn die de diktatuur van het proletariaat afwijzen.. Kautsky’s
brochure ‘De
diktatuur van het proletariaat’, in augustus 1918, dus geruime tijd na de
eerste druk van het onderhavige boekje verschenen, is een prachtig voorbeeld
van kleinburgerlijke misvorming van het marxisme en van een laaghartige
verloochening ervan in de praktijk, verbonden aan een huichelachtige
erkenning in woorden, (Zie mijn brochure ‘De proletarische revolutie en de
renegaat Kautsky’, Petrograd en Moskou, 1918.) Het tegenwoordige opportunisme
valt in de persoon van zijn voornaamste vertegenwoordiger, de gewezen marxist
K. Kautsky, geheel en al onder de aangehaalde door Marx gegeven karakteristiek
van de burgerlijke houding, want dit opportunisme beperkt het gebied van de
erkenning van de klassenstrijd tot het gebied van de burgerlijke verhoudingen
(en binnen dit gebied, ‘binnen zijn grenzen, zal geen enkele beschaafde
liberaal weigeren ‘in beginsel’ de klassenstrijd te erkennen!). Het
opportunisme breidt de erkenning van de klassenstrijd juist niet uit tot de
hoofdzaak, tot
het tijdperk van de overgang van kapitalisme naar communisme, tot het tijdperk
van de omverwerping
en de
volledige vernietiging van de bourgeoisie. In werkelijkheid is dit tijdperk
onvermijdelijk een tijdperk van ongekend verbitterde klassenstrijd die
weergaloos scherpe vormen aanneemt; daarom moet ook de staat van dit tijdperk
onvermijdelijk op een nieuwe manier democratisch (voor de
proletariërs en de niet-bezitters in het algemeen) en op een nieuwe manier
diktatoriaal (tegen de
bourgeoisie) zijn.
Verder. Het wezen van de leer van Marx over de
staat wordt alleen het wezenlijke bezit van hem die begrepen heeft dat de
diktatuur van één klasse noodzakelijk is niet alleen voor elke
klassenmaatschappij zonder meer, niet alleen voor het proletariaat dat de bourgeoisie ten
val heeft gebracht maar ook voor het gehele historische tijdperk dat het kapitalisme van
de ‘klasseloze maatschappij’, van het communisme scheidt. De vormen van de
burgerlijke staten zijn buitengewoon menigvuldig, maar hun wezen is hetzelfde:
Al deze staten zijn op de een of andere manier, maar uiteindelijk
onvoorwaardelijk een diktatuur van de bourgeoisie. De overgang van het
kapitalisme naar het communisme zal natuurlijk wel een geweldige overvloed en
veelsoortigheid van politieke vormen teweegbrengen, maar het wezenlijke zal
daarbij beslist eender zijn: de diktatuur van het proletariaat.
Hoofdstuk III: De ervaring van de Commune van Parijs van 1871. De analyse door Marx
1. Wat maakte de poging van de Communards zo
heldhaftig?
Het is bekend dat Marx enige maanden voor de
Commune, in de herfst van 1870, de Parijse arbeiders waarschuwde dat een poging
tot het omverwerpen van de regering een wanhopige domheid zou zijn. Maar toen
in maart 1871 de beslissende strijd aan de arbeiders werd opgedrongen en zij hem aanvaardden,
toen dus de opstand een feit was geworden begroette Marx de proletarische
revolutie, ondanks de boze voortekens, met de grootste geestdrift. Marx was
niet zo koppig de ‘ontijdige’ beweging op een pedante wijze te veroordelen,
zoals de Russische renegaat van het marxisme Plechanow, die zulk een treurige
beroemdheid heeft verkregen, dit deed: in november 1905 schreef hij zo dat hij
de arbeiders en boeren opwekte tot de strijd, maar na december 1905 jammerde
hij als een echte liberaal: ‘Men had niet naar de wapens moeten grijpen!’.
Marx volstond er echter niet mee zijn geestdrift
te betuigen ten aanzien van de heldenmoed der, zoals hij zich uitdrukte,
‘hemel-bestormende’ Communards. Hij zag in de revolutionaire beweging van de
massa, hoewel zij haar doel niet bereikte, een historische poging van
ontzaglijke draagwijdte, een bepaalde stap vooruit van de proletarische wereldrevolutie,
een praktische stap die belangrijker was dan honderden programs en
uiteenzettingen. Deze poging te analyseren, daaruit taktische lessen te
trekken, aan deze poging zijn eigen theorie te toetsen — dat was de taak die
Marx zich stelde.
De enige ‘correctie’ die Marx in ‘Het
Communistisch Manifest’ meende te moeten aanbrengen werd door hem gemaakt op
grond van de revolutionaire ervaringen van de Parijse Communards. Het laatste
voorwoord bij de nieuwe Duitse druk van ‘Het Communistisch Manifest’ dat door
beide auteurs is ondertekend dateert van 24 juni 1872. In dit voorwoord zeggen
de schrijvers Karl Marx en Friedrich Engels dat ‘Het Communistisch Manifest’
heden ‘op bepaalde punten verouderd’ is:
‘Inzonderheid heeft de Commune
het bewijs geleverd’, zo vervolgen zij, ‘dat “de arbeidersklasse de bestaande
staatsmachine niet maar eenvoudig in bezit kan nemen en ze voor haar eigen
doeleinden in beweging zetten”.’
De in dubbele aanhalingstekens geciteerde passage
is door de schrijvers ontleend aan Marx’ werk ‘De burgeroorlog in Frankrijk’.
Marx en Engels schreven dus aan de fundamentele en
voornaamste les van de Commune van Parijs zulk een ontzaglijke betekenis toe
dat zij die als een wezenlijke correctie aan ‘Het Communistisch Manifest’
toevoegden.
Het is bijzonder typerend dat juist deze
wezenlijke correctie door de opportunisten vervalst werd en dat haar werkelijke
betekenis waarschijnlijk aan negen van de tien of zelfs aan negenennegentig
van de honderd lezers van ‘Het Communistisch Manifest’ onbekend is. Op deze
vervalsing zullen wij later in een hoofdstuk dat speciaal aan de vervalsingen
is gewijd uitvoerig terugkomen. Hier moeten wij volstaan met de opmerking dat
de gangbare vulgaire ‘opvatting’ van de beroemde door ons geciteerde uitspraak
van Marx zo luidt, alsof Marx hier de idee onderstreept van de geleidelijke
ontwikkeling in tegenstelling tot het grijpen van de macht en dergelijke.
Het is in werkelijkheid juist omgekeerd. De gedachte van Marx is dat
de arbeidersklasse ‘de kant en klare staatsmachine’ moet stukslaan, breken en zich niet mag
vergenoegen met het in bezit nemen alleen.
Op 12 april 1871, dus juist tijdens de Commune,
schreef Marx aan Kugelmann:
‘Wanneer je het laatste hoofdstuk
van mijn “Achttiende Brumaire” naleest, zul je zien dat de eerstvolgende poging
van de Franse revolutie naar mijn mening zal zijn niet meer, zoals tot nu toe,
de bureaucratisch-militaire machinerie uit de ene hand in de andere te doen
overgaan, maar haar te breken’ (cursief van Marx), ‘en dat is de voorwaarde voor
iedere werkelijke volksrevolutie op het vasteland. Dit is ook de poging van
onze heldhaftige Parijse partijgenoten.’ (Blz. 709, ‘Die Neue Zeit’, XX, l,
1901/02.) (De brieven van Marx aan Kugelmann zijn in het Russisch in ten minste
twee uitgaven verschenen, een ervan onder mijn redactie en voorzien van een
voorwoord van mij.)
Deze woorden: ‘de bureaucratisch-militaire
machinerie breken’ omvatten in het kort de voornaamste leer van het marxisme
met betrekking tot de taken van het proletariaat in de revolutie ten opzichte
van de staat. En juist deze leer werd niet alleen volkomen vergeten, maar ook
door de heersende, de kautskyaanse ‘uitleg’ van het marxisme direct misvormd!
Wat de verwijzing van Marx naar de ‘Achttiende Brumaire’ betreft — wij hebben
de bedoelde passage reeds eerder in haar geheel geciteerd. Het is van belang
in het bijzonder twee passages in de aangehaalde beschouwing van Marx te
onderstrepen. Ten eerste beperkt hij zijn conclusie tot het vasteland. Dit was
begrijpelijk in 1871 toen Engeland als het voorbeeld gold van een land dat,
hoewel zuiver kapitalistisch, geen militarisme en ook vrijwel geen bureaucratie
kende. Marx sloot Engeland uit, omdat daar een revolutie en zelfs een
volksrevolutie toentertijd mogelijk scheen en mogelijk was zonder dat het daarbij nodig was
voordien de ‘kant en klare staatsmachine’ te vernietigen.
Thans, in 1917, in de tijd van de eerste grote
imperialistische oorlog, valt deze beperking van Marx weg. Engeland en Amerika,
deze grootste en laatste vertegenwoordigers op de hele wereld van de
Angelsaksische ‘vrijheid’ in de zin van het ontbreken van militarisme en
bureaucratie, zijn geheel en al weggezonken in het algemene Europese, vuile en
bloedige moeras van de bureaucratisch-militaire instellingen die alles aan zich
onderwerpen en alles verstikken. Nu is ook in Engeland en Amerika het vernietigen en het breken van de ‘kant en klare’
staatsmachine (die het daar in de jaren 1914—1917 tot ‘Europese’, algemeen
imperialistische volmaaktheid heeft gebracht) de ‘voorwaarde voor iedere
werkelijke volksrevolutie’.
In de tweede plaats verdient de buitengewoon
diepzinnige opmerking van Marx dat de vernietiging van de
bureaucratisch-militaire staatsmachine ‘de voorwaarde voor iedere werkelijke volks-revolutie’ is onze
speciale aandacht. Het begrip ‘volks’revolutie doet in de mond van Marx vreemd
aan en de Russische volgelingen van Plechanow en de mensjewiki, deze navolgers
van Stroewe, die zich zo graag voor marxisten uitgeven, zouden misschien kunnen
beweren dat Marx zich hier ‘versproken’ heeft. Zij hebben het marxisme tot een
zo jammerlijk liberale wanstaltigheid verlaagd dat er voor hen buiten de
tegenstelling tussen burgerlijke en proletarische revolutie niets bestaat en
zelfs deze tegenstelling wordt door hen ongelooflijk schematisch opgevat.
Neemt men de revoluties van de twintigste eeuw als
voorbeeld, dan moet men natuurlijk zowel de Portugese als de Turkse omwenteling
als burgerlijke revoluties opvatten. Maar noch de ene, noch de andere is een
‘volks’revolutie, want de grote massa van het volk, zijn overwegende
meerderheid, is noch in de ene, noch in de andere revolutie zichtbaar actief,
zelfstandig, met eigen politieke en economische eisen naar voren getreden.
Daarentegen was de Russische burgerlijke revolutie van 1905 tot 1907, ofschoon
zij niet op zulke ‘schitterende’ successen kon bogen als de Portugese en de
Turkse tijdelijk ten deel vielen, zonder twijfel een ‘echte volks’revolutie,
want de massa van het volk, zijn meerderheid, de ‘onderste’ lagen van de
maatschappij, terneergedrukt door knechting en uitbuiting, verhieven zich
zelfstandig en drukten op de hele loop van de revolutie de stempel van hun eisen, van hun pogingen om op eigen
manier een nieuwe maatschappij op te bouwen in plaats van de vroegere die
vernietigd moest worden.
In geen enkel land van het Europese vasteland
vormde het proletariaat in 1871. de meerderheid van de bevolking. Een ‘volks’revolutie
die werkelijk de meerderheid in haar beweging meesleept kon slechts dan zulk
een revolutie zijn als zij zowel het proletariaat als de boeren omvatte. Deze
beide klassen vormden destijds nu eenmaal het ‘volk’. Beide klassen worden
daardoor verenigd dat zij door de ‘bureaucratisch-militaire staatsmachine’
neergehouden, onderdrukt en uitgebuit worden. Deze machine te vernietigen, te breken — dat eist het werkelijke
belang van het ‘volk’, van zijn meerderheid, de arbeiders, en van de
meerderheid der boeren; dit is de ‘voorwaarde’ voor een vrij verbond van de
armste boeren met de proletariërs; zonder dit verbond echter is de democratie
niet duurzaam en de socialistische omwenteling niet mogelijk.
Naar zulk een verbond baande zich, zoals bekend,
de Commune van Parijs een weg, maar door een reeks van oorzaken van innerlijke
en uitwendige aard kon zij haar doel niet bereiken. Marx heeft dan ook, toen
hij van de ‘echte volksrevolutie’ sprak, heel nauwkeurig rekening gehouden met
de feitelijke krachtsverhouding tussen de klassen in de meeste staten van het
Europese vasteland in 1871, zonder ook maar in het minst de eigenaardigheden
van de kleine burgerij te vergeten (daarover sprak hij veel en dikwijls).
Anderzijds echter stelde hij vast dat het ‘breken’ van de staatsmachine vereist
is in het belang van de arbeiders zowel als van de boeren, dat dit hen
verenigt, hen tezamen voor de taak stelt zich van het ‘parasiterende lichaam’
te ontdoen en dit te vervangen door iets nieuws.
En waardoor dan wel?
2. Waardoor moet de vernietigde staatsmachine
vervangen worden?
Het antwoord dat Marx in 1847 in ‘Het
Communistisch Manifest’ op deze vraag geeft is nog geheel abstract of, juister
gezegd: dit antwoord geeft de taken aan, maar nog niet de methoden ter
vervulling ervan. Die machine moet vervangen worden door de ‘organisatie van
het proletariaat tot heersende klasse’, door ‘verovering van de democratie’—
dat was het antwoord van ‘Het Communistisch Manifest’.
Zonder in utopieën te vervallen verwachtte Marx
van de ervaring van de massabeweging een antwoord op de vraag welke concrete vormen deze organisatie
van het proletariaat als heersende klasse zou aannemen, op welke wijze deze
organisatie zich met de zo volledig en consequent mogelijke ‘verovering van de
democratie’ zou laten verbinden.
De ervaring van de Commune, hoe gering ze ook
mocht zijn, wordt door Marx in zijn ‘De burgeroorlog in Frankrijk’ op de meest
zorgvuldige wijze onderzocht. Wij zullen de belangrijkste passages uit dit werk
aanhalen:
In de negentiende eeuw
ontwikkelde zich de uit de middeleeuwen afkomstige ‘...gecentraliseerde
staatsmacht, met haar alom tegenwoordige organen — staand leger, politie,
bureaucratie, geestelijkheid, rechterlijke stand...’ Met de ontwikkeling van de
klassentegenstellingen tussen kapitaal en arbeid ‘...kreeg de staatsmacht meer
en meer het karakter van een openbare macht ter onderdrukking van de arbeidersklasse,
een apparaat van de klasseheerschappij. Na elke revolutie, die een stap vooruit
in de klassenstrijd betekent, treedt het zuiver onderdrukkende karakter van de
staatsmacht meer en meer openlijk te voorschijn.’ Na de revolutie van 1848—1849
wordt de staatsmacht ‘...het nationale oorlogsinstrument van het kapitaal tegen
de arbeid.’ Het tweede keizerrijk versterkt dit.
‘De directe tegenstelling van het
keizerrijk was de Commune.’ ‘De Commune was de stellige vorm van... een republiek,
die niet alleen de monarchistische vorm van de klasseheerschappij moest
afschaffen, maar ook de klasseheerschappij zelf.’
Waarin bestond nu deze ‘stellige’ vorm van de
proletarische, socialistische republiek? Hoe zag de staat eruit die zij was
begonnen op te bouwen?
‘Het eerste decreet der Commune
bepaalde... de afschaffing van het staande leger en zijn vervanging door het
gewapende volk.’
Deze eis staat tegenwoordig in het program van
alle partijen die zich socialistisch noemen. Maar wat al hun programs waard
zijn ziet men het best aan het gedrag van onze sociaal-revolutionairen en
mensjewiki die juist na de revolutie van 27 februari ervan hebben afgezien deze
eis daadwerkelijk te verwezenlijken!
‘De Commune bestond uit de
gemeenteraadsleden, die bij algemeen kiesrecht in de verschillende districten
van Parijs waren gekozen. Zij waren verantwoordelijk en te allen tijde
afzetbaar. Voor het merendeel waren zij natuurlijk arbeiders of erkende
vertegenwoordigers der arbeidersklasse.’ ‘De politie, tot dusverre werktuig van
de staatsregeling, werd onmiddellijk van al haar politieke eigenschappen
ontdaan en in een verantwoordelijk en te allen tijde afzetbaar werktuig der
Commune veranderd. Evenzo de beambten van alle andere takken van bestuur. Vanaf
de leden der Commune moest de openbare dienst tegen arbeidersloon worden verricht. De
verworven rechten en de representatiegelden van de hoogwaardigheidsbekleders
van de staat verdwenen met deze waardigheidsbekleders zelf... Toen het staande
leger en de politie, de werktuigen van de materiële macht der oude regering,
eenmaal waren afgeschaft, ging de Commune er terstond toe over het geestelijke
onderdrukkingswerktuig, de macht der priesters, te breken... De rechterlijke
ambtenaren verloren die schijnbare onafhankelijkheid...’ en ‘zouden...
voortaan gekozen worden en verantwoordelijk en afzetbaar zijn.’
De stukgeslagen staatsmachinerie werd dus door de
Commune schijnbaar ‘slechts’ vervangen door een meer volkomen democratie:
Opheffing van het staande leger, volstrekte verkiesbaarheid en afzetbaarheid
van alle ambtelijke personen. In werkelijkheid evenwel betekent dit ‘slechts’
dat op een reusachtige schaal een bepaald soort instellingen door instellingen
van principieel andere aard werd vervangen. Hier nu kan men juist een geval van
‘het omslaan van de kwantiteit in de kwaliteit’ waarnemen: De democratie, met
de denkbaar grootste volledigheid en consequentie ten uitvoer gelegd, wordt
van burgerlijke democratie proletarische democratie, van een staat (=
bijzondere macht tot onderdrukking van een bepaalde klasse) iets dat eigenlijk
al geen staat meer is.
Het is nog altijd noodzakelijk de bourgeoisie en
haar verzet te onderdrukken. Voor de Commune was dit bijzonder noodzakelijk, en
een van de oorzaken van haar nederlaag was dat zij dit niet vastberaden genoeg
heeft gedaan. Maar het onderdrukkende orgaan is hier al de meerderheid en niet
de minderheid van de bevolking, zoals dat altijd het geval is geweest zowel bij
de slavernij als bij de lijfeigenschap of de loonslavernij. Maar als nu de
meerderheid van het volk zelf haar uitbuiters onderdrukt, is een ‘bijzondere
macht’ ter onderdrukking al niet meer nodig! In deze zin begint de staat af te
sterven. In plaats van bijzondere instellingen van een bevoorrechte minderheid (de
bevoorrechte ambtenarij, het officierskorps van het staande leger) kan de
meerderheid zelf daar rechtstreeks voor zorgen, en hoe groter aandeel het
gehele volk heeft bij het uitoefenen van de functies van de staatsmacht, des te
minder behoefte heeft het aan die macht.
Speciale aandacht verdient in dit opzicht een door
Marx onderstreepte maatregel van de Commune, namelijk het afschaffen van alle
representatiegelden en alle financiële privileges van de ambtenaren en de
vermindering van het loon van alle ambtenaren in de staat tot het
peil van ‘arbeidersloon’. Juist hierin komt het duidelijkst de wending van burgerlijke naar
proletarische democratie tot uiting — van de onderdrukkersdemocratie naar de
democratie van de onderdrukten, van de staat als ‘bijzondere macht’ voor het onderdrukken van
een bepaalde klasse tot het onder de duim houden van de onderdrukkers door het algemene
geweld van
de meerderheid van het volk, van de arbeiders en boeren. En juist in dit
bijzonder duidelijke en voor het vraagstuk van de staat wel zeer belangrijke
punt werd de leer van Marx het grondigst vergeten! In de populaire
commentaren, waarvan het aantal legio is, wordt er niet over gesproken. Het is
de ‘gewoonte’ erover te zwijgen alsof het om een primitieve ‘naïveteit’ ging,
ongeveer zoals de christenen de ‘naïveteiten’ van het oerchristendom met zijn
democratisch-revolutionaire geest ‘vergaten’ nadat het christendom tot
staatsgodsdienst verheven was.
De verlaging van de salarissen der hoge
staatsbeambten schijnt ‘eenvoudigweg’ een eis te zijn van een naïeve,
primitieve democratie. Een der ‘grondleggers’ van het nieuwste opportunisme,
de vroegere sociaal-democraat Eduard Bernstein, heeft meer dan eens de platte,
burgerlijke spotternijen over ‘primitieve’ democratie nagewauweld. Zoals alle
opportunisten en ook de hedendaagse kautskyanen heeft hij absoluut niet
begrepen dat, ten eerste, de overgang van het kapitalisme naar het socialisme
zonder een zekere ‘terugkeer’ naar de ‘primitieve’ democratie onmogelijk is (want hoe moet men
anders tot de vervulling der staatsfuncties door de meerderheid van het volk,
ja door de gehele bevolking zonder uitzondering overgaan?) en dat, ten tweede,
‘primitieve democratie’ op grondslag van het kapitalisme en van een kapitalistische
beschaving iets heel anders is dan de primitieve democratie van de oertijd of
van het voor-kapitalistische tijdperk. De kapitalistische beschaving heeft de
produktie in het groot, fabrieken, spoorwegen, posterijen, telefoon enz. geschapen
op
deze grondslag zijn de meeste functies van de oude ‘staatsmacht’ zodanig vereenvoudigd en
kunnen tot zulke eenvoudige werkzaamheden van registratie, boeking en controle
teruggebracht worden, dat deze functies door iedereen die lezen en schrijven
kan uitgeoefend kunnen worden, zodat ze tegen normaal ‘arbeidersloon’ verricht
zullen kunnen worden en hun iedere schijn van voorrecht, van het ‘voorrecht van
superieuren’ ontnomen kan (en moet) worden.
De onbeperkte verkiesbaarheid en afzetbaarheid te
allen tijde van alle ambtelijke personen zonder uitzondering en de verlaging van hun
salarissen tot het gewone ‘arbeidersloon’— deze eenvoudige en
‘vanzelfsprekende’ democratische maatregelen, waarbij de belangen van de
arbeiders volledig stroken met die van de meerderheid der boeren, dienen
tegelijkertijd als brug van het kapitalisme naar het socialisme. Deze
maatregelen hebben betrekking op de staatkundige, zuiver politieke omvorming
van de maatschappij, maar zij krijgen natuurlijk eerst ten volle zin en
betekenis in samenhang met de aan de gang of in voorbereiding zijnde
‘onteigening van de onteigenaars’, d.w.z. met de overgang van de
kapitalistische particuliere eigendom van de produktiemiddelen in
maatschappelijke eigendom.
‘De Commune’, schreef Marx,
‘maakte het wachtwoord van alle burgerlijke revoluties — goedkope regering —
tot waarheid door de twee grootste bronnen van uitgaven, het leger en het
ambtenarendom, op te heffen.’
Uit de boeren evenals uit de andere lagen van de
kleine burgerij komt slechts een onbetekenende minderheid ‘naar boven’, ‘wordt
iets’ in de burgerlijke zin van het woord, d.w.z. verandert in welgestelde
lieden, in bourgeois of in goed verzorgde en bevoorrechte ambtenaren. In elk
kapitalistisch land waar boeren zijn (en dat is de meerderheid van de
kapitalistische staten) wordt de overweldigende meerderheid van de boeren door
de regering onderdrukt en dorst naar haar omverwerping, dorst naar een
‘goedkope’ regering. Alleen het proletariaat is in staat dit te verwezenlijken en met
deze verwezenlijking doet het tegelijkertijd een stap naar de socialistische
omvorming van de staat.
3. Het afschaffen van het parlementarisme
‘De Commune’, schreef Marx,
‘moest geen parlementair, maar een werkend lichaam zijn, uitvoerend en
wetgevend tegelijkertijd...
In plaats van eenmaal in de drie
of zes jaren te beslissen welk lid van de heersende klasse het volk in het
parlement moet vertegenwoordigen en vertrappen (ver- und zertreten), moest het
algemene kiesrecht het in communes samengevatte volk dienen op de wijze waarop
het individuele kiesrecht er iedere andere werkgever toe dient arbeiders,
opzichters en boekhouders voor zijn zaak uit te zoeken.’
Deze opmerkelijke kritiek op het parlementarisme,
die van het jaar 1871 dateert, behoort thans, dank zij het algemeen heersende
chauvinisme en opportunisme, evenzeer tot de ‘vergeten woorden’ van het
marxisme. De ministers en beroepsparlementariërs, de verraders van het
proletariaat en de ‘zaken’socialisten van onze dagen hebben de kritiek op het
parlementarisme aan de anarchisten overgelaten en om deze verbazend snuggere
reden maken zij iedere kritiek op het parlementarisme voor ‘anarchisme’ uit!!
Geen wonder dat het proletariaat van de ‘ontwikkelde’ parlementaire landen,
walgend van ‘socialisten’ als Scheidemann, David, Legien, Sembat, Renaudel,
Henderson, Vandervelde, Stauning, Branting, Bissolati en Co., zijn sympathieën
meer en meer aan het anarcho-syndikalisme schonk, hoewel dit een broertje van
het opportunisme is.
Maar voor Marx was de revolutionaire dialektiek
nooit de lege modefrase, het kinderrateltje, waartoe zij door Plechanow,
Kautsky en anderen is verlaagd. Marx verstond het onverbiddelijk te breken met
de anarchisten, omdat zij, vooral in tijden dat er geen revolutionaire situatie
voorhanden was, niet in staat bleken ook maar de ‘zwijnestal’ van het
burgerlijke parlementarisme te benutten, maar tegelijkertijd verstond Marx het
ook werkelijk revolutionair-proletarische kritiek op het parlementarisme uit te
oefenen.
Een keer in de zoveel jaren beslissen welk lid van
de heersende klasse het volk in het parlement onder de duim zal houden en onderdrukken
— daarin bestaat het wezen van het burgerlijke parlementarisme, niet alleen in
de parlementair-constitutionele monarchieën, maar ook in de meest
democratische republieken.
Werpt men evenwel het vraagstuk op van de staat,
beschouwt men het parlementarisme als een der instituten van de staat en wel
vanuit het standpunt van de taken van het proletariaat in dit opzicht, waar is dan de
uitweg uit het parlementarisme? Hoe zou men het zonder parlementarisme kunnen
stellen?
Altijd en altijd weer moet men zeggen: de op de
bestudering van de Commune gebaseerde lessen van Marx zijn zo grondig vergeten
dat de tegenwoordige ‘sociaal-democraat’ (lees: de tegenwoordige verrader van
het socialisme) zich eenvoudig geen andere dan een anarchistische of
reactionaire kritiek op het parlementarisme kan indenken.
De uitweg uit het parlementarisme ligt natuurlijk
niet in het afschaffen van de vertegenwoordigende lichamen en van de verkiesbaarheid,
maar in het veranderen van de vertegenwoordigende lichamen van kletskolleges in
‘werkende’ lichamen. ‘De Commune moest geen parlementair, maar een werkend
lichaam zijn, uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd’.
‘Geen parlementair, maar een werkend lichaam’— dat
is een schot dat de tegenwoordige parlementariërs en de ‘schoothondjes’ van de
sociaal-democratie in het hart treft! Men kijke maar eens naar onverschillig
welk parlementair geregeerd land, van Amerika tot Zwitserland, van Frankrijk
tot Engeland, Noorwegen enz.: de eigenlijke ‘staats’zaken worden achter de
coulissen afgedaan door departementen, kanselarijen en staven. In de
parlementen wordt slechts gekletst, speciaal met het doel het ‘eenvoudige volk’
te bedriegen. Dat is zó waar dat zelfs in de Russische republiek, in de
burgerlijk-democratische republiek, nog vóór zij erin slaagde een werkelijk
parlement te scheppen al deze zonden van het parlementarisme zich reeds
onmiddellijk deden gevoelen. Helden van het duffe kleinburgerdom als de heren
Skobeljew en Tsereteli, Tsjernow en Awksentjew, verstonden zelfs de kunst de
sowjets naar het voorbeeld van het schunnigste burgerlijke parlementarisme te
verknoeien en in louter kletskolleges te veranderen. De ‘socialistische’
ministers nemen in de sowjets de goedgelovige boertjes met frasen en resoluties
beet. In de regering wordt een eeuwige dans uitgevoerd, enerzijds om zoveel
mogelijk sociaalrevolutionairen en mensjewiki om beurten ‘aan de ruif’ van
goed betaalde en eervolle baantjes te zetten, anderzijds om de ‘aandacht’ van
het volk ‘bezig te houden’. En intussen worden in de kanselarijen en staven
‘staats’zaken ‘verricht’!
De ‘Djelo Naroda’, het orgaan van de
regeringspartij der ‘sociaalrevolutionairen’, heeft onlangs met de
onnavolgbare openhartigheid van mensen ‘uit goede kringen’, waar zich ‘allen’
met politieke prostitutie afgeven, in een hoofdartikel erkend dat zelfs in de
ministeries die geleid worden door ‘socialisten’ (vergeef ons deze benaming),
dat zelfs daar het hele ambtenarenapparaat in feite hetzelfde gebleven is, net
zo functioneert als vroeger en ‘in alle vrijheid’ de revolutionaire maatregelen
saboteert! Maar al was deze bekentenis er niet — is de feitelijke gang van
zaken met het deelnemen aan de regering door de sociaal-revolutionairen en
mensjewiki soms geen voldoende bewijs? Karakteristiek is hier slechts dat de
heren Tsjernow, Roesanow, Zenzinow en de overige redacteuren van de ‘Djelo
Naroda’, die samen met de kadetten in de ministeries zitten, zo zeer alle
schaamte verloren hebben dat zij er niet voor terugdeinzen —als gold het een
bagatel — openlijk en zonder te blozen te verkondigen dat ‘bij hen’ in de
ministeries alles bij het oude is gebleven!! Revolutionair-democratische
frasen om de eenvoudige buitenlui te bedriegen en bureaucratische sleur om de
kapitalisten ‘te vriend te houden’— dat is het hele wezen van de ‘eerlijke’
coalitie.
De Commune vervangt het omkoopbare en verrotte
parlementarisme van de burgerlijke maatschappij door lichamen waarin de vrijheid
van oordeel en beraadslaging niet in bedrog ontaardt, want de parlementariërs
moeten zelf werken, zelf hun wetten uitvoeren, zelf controleren met welk
resultaat ze ten uitvoer worden gelegd, zelf direct voor hun kiezers de
verantwoordelijkheid dragen. De vertegenwoordigende lichamen blijven, maar het
parlementarisme als bijzonder stelsel, als scheiding tussen de arbeid van de
wetgevende en de uitvoerende macht, als bevoorrechte positie van de afgevaardigden,
bestaat hier niet. Zonder vertegenwoordigende lichamen kunnen wij ons geen
democratie, zelfs geen proletarische democratie denken, wel echter kunnen en moeten
wij ons
de democratie denken zonder parlementarisme, als de kritiek op de burgerlijke
maatschappij voor ons geen leeg gebazel is, als ons streven de heerschappij van
de bourgeoisie omver te werpen oprecht en ernstig gemeend is en niet alleen een
‘verkiezings’leus voor het vangen van arbeidersstemmen, zoals bij de mensjewiki
en de sociaal-revolutionairen of bij de Scheidemanns en Legiens, bij de Sembats
en Vanderveldes.
Het is zeer leerzaam dat Marx, wanneer hij van de
functies van die ambtenaren spreekt die ook voor de Commune en de proletarische
democratie nodig zijn, hen vergelijkt met het ‘door iedere andere werkgever’
aangestelde personeel, d.w.z. met een ‘gewone kapitalistische onderneming met
‘arbeiders, opzichters en boekhouders’.
Men vindt bij Marx zelfs geen spoor van utopisme
in die zin dat hij een ‘nieuwe’ maatschappij uitdenkt en bij elkaar fantaseert.
Neen, hij bestudeert, als een natuurhistorisch proces, de geboorte van de nieuwe
maatschappij uit de oude, de overgangsvormen van de oude naar de nieuwe.
Hij houdt zich aan de feitelijke ervaringen van de proletarische massabeweging
en tracht daaruit praktische lessen te trekken. Hij ‘leert’ van de Commune,
zoals alle grote revolutionaire denkers niet geaarzeld hebben uit de ervaringen
van de grote bewegingen der onderdrukte klassen te leren zonder hun ooit op een
pedante manier ‘de les’ te lezen (zoals b.v. Plechanow met: ‘men had niet naar
de wapens moeten grijpen’ of Tsereteli met: ‘een klasse moet zich
zelfbeperking opleggen’).
Er kan geen sprake zijn van het met één slag,
overal en volledig vernietigen van de ambtenarij. Dat is een utopie. Maar het
oude ambtenarenapparaat met één slag stukslaan en terstond beginnen met de
opbouw van een nieuw apparaat dat langzamerhand iedere ambtenarij overbodig
maakt en opheft — dat is geen utopie, dat is de ervaring van de Commune, daarin
bestaat de onmiddellijke taak van het revolutionaire proletariaat.
Het kapitalisme vereenvoudigt de functies van het
‘staatsbestuur, maakt het mogelijk het ‘superieurensysteem’ af te schaffen en
alles terug te brengen tot de organisatie van de proletariërs (als heersende
klasse) die in naam van de gehele maatschappij ‘arbeiders, opzichters en
boekhouders’ zal aanstellen.
Wij zijn geen utopisten. Wij ‘dromen’ er niet van
hoe men het terstond zonder elk bestuur, zonder elke ondergeschiktheid zou
kunnen stellen; deze anarchistische dromen, die berusten op het niet begrijpen
van wat de taken zijn van de diktatuur van het proletariaat, zijn volkomen
vreemd aan het marxisme en dienen in werkelijkheid slechts om de socialistische
revolutie op de lange baan te schuiven tot de mensen anders geworden zullen
zijn.
Neen, wij willen de socialistische revolutie met
de mensen zoals ze nu zijn, de mensen die het zonder ondergeschiktheid, zonder
controle, zonder ‘opzichters en boekhouders’ niet zullen kunnen stellen.
Maar die ondergeschiktheid moet er een zijn aan de
gewapende voorhoede van alle uitgebuiten en werkenden — het proletariaat. Men
kan en moet dadelijk, van vandaag op morgen beginnen met bet vervangen van de
specifieke ‘superieurenrol’ van de staatsambtenaren door de eenvoudige
functies van ‘opzichters en boekhouders’, functies waaraan de tegenwoordige
stedeling met zijn ontwikkelingspeil in het algemeen reeds ten volle kan
voldoen en die voor een ‘arbeidersloon’ volstrekt uitvoerbaar zijn.
Laten wij arbeiders zelf de productie in het groot
organiseren, uitgaande van wat het kapitalisme reeds heeft geschapen, steunend
op onze arbeiderservaring, met behulp van een strenge, ijzeren discipline die
door de staatsmacht van de gewapende arbeiders gehandhaafd wordt; laten wij
van de staatsambtenaren eenvoudige uitvoerders van onze opdrachten maken,
verantwoordelijke, afzetbare, met een bescheiden loon bezoldigde ‘opzichters
en boekhouders’ (met inbegrip van alle mogelijke technici) -dat is onze
proletarische taak, daarmee kan en moet begonnen worden bij het ten uitvoer leggen
van de proletarische revolutie. Zulk een begin, op de grondslag van de
produktie in het groot, leidt op zich zelf al tot het geleidelijk ‘afsterven’
van elke ambtenarij, tot het geleidelijk scheppen van een orde — orde zonder
aanhalingstekens, die met loonslavernij niets te maken heeft — een orde waarin
alle zich steeds meer vereenvoudigende functies van toezicht en controle door
ieder om de beurt vervuld worden, dan tot gewoonte worden en tenslotte als bijzondere
functies
van een bijzondere groep mensen wegvallen.
Een geestige Duitse sociaal-democraat uit de
zeventiger jaren van de vorige eeuw heeft de posterijen een voorbeeld van
socialistische bedrijfsvoering genoemd. Dat is zeer juist. Tegenwoordig zijn
de posterijen een bedrijf dat naar het voorbeeld van het staats-kapitalistische
monopolie
is georganiseerd. Het imperialisme verandert gaandeweg alle trusts in
organisaties van deze soort. Boven de ‘eenvoudige’ werkenden die zich afjakkeren
en gebrek lijden, staat hier een eendere burgerlijke bureaucratie. Maar het
mechanisme van de maatschappelijke bedrijfsvoering is hier reeds klaar
voorhanden. Breng het kapitalisme ten val, breek met de ijzeren vuist van de
gewapende arbeiders het verzet van deze uitbuiters, vernietig de
bureaucratische machine van de tegenwoordige staat - en voor ons staat een van
het ‘parasietendom’ bevrijd, technisch hoog ontwikkeld mechanisme, dat de
verenigde arbeiders zelf zeer wel in beweging kunnen zetten wanneer zij
technici, opzichters en boekhouders aanstellen en de arbeid van hen allen, evenals de arbeid van alle
‘staats’ambtenaren
met abreidersloon betalen. Dit is een concrete praktische taak die, wat alle
trusts betreft, terstond te verwezenlijken is en waarbij de werkenden van de
uitbuiting worden bevrijd en de ervaringen worden verwerkt van wat de Commune
in de praktijk reeds begon te verwezenlijken (in het bijzonder op het gebied
van de staatsopbouw).
Ons naastbijliggende doel is de gehele volkshuishouding naar het
voorbeeld van de posterijen te organiseren en wel zo dat de onder controle en
leiding van het gewapende proletariaat staande technici, opzichters en
boekhouders, alsmede alle ambtenaren niet meer salaris krijgen dan het
‘arbeidersloon’. Dat is de staat, dat is de economische grondslag van de staat
die wij nodig hebben. Dat zal ons de afschaffing van het parlementarisme en het
behouden van vertegenwoordigende lichamen tot stand brengen en zal de werkende
klassen bevrijden van de prostituering van deze lichamen door de bourgeoisie.
4. Het organiseren van de eenheid der natie
‘In een korte schets van de
nationale organisatie, die de Commune uit gebrek aan tijd niet verder kon
uitwerken, wordt nadrukkelijk gezegd, dat de Commune de politieke vorm zelfs
van het kleinste dorp moest zijn...’ Door deze communes moest ook de ‘nationale
afvaardiging’ in Parijs worden gekozen.
‘De weinige maar belangrijke
functies, die dan nog voor een centrale regering overbleven, moesten niet,
zoals met opzet valselijk is voorgesteld, worden afgeschaft, maar aan
communale, d.w.z. strikt verantwoordelijke ambtenaren worden overgedragen. De
eenheid der natie moest niet worden verbroken, maar integendeel door de
Commune-inrichting georganiseerd; ze moest werkelijkheid worden door de
vernietiging van die staatsmacht, die zich voor de belichaming van deze
eenheid uitgaf, maar onafhankelijk van en de meerdere wilde zijn tegenover de
natie, aan welker lichaam zij evenwel slechts een parasitaire uitwas vormde.
Terwijl het er op aankwam de enkel maar onderdrukkende organen van de oude
regeringsmacht af te snijden, moesten haar rechtmatige functies worden ontrukt
aan een macht, die er aanspraak op maakte boven de maatschappij te staan, en
aan de verantwoordelijke dienaren der maatschappij worden teruggegeven.’
In welke mate de opportunisten van de
tegenwoordige sociaal-democratie deze beschouwingen van Marx niet begrepen —
juister misschien: niet wilden begrijpen — wordt het beste bewezen door het
herostratisch beroemde boek van de renegaat Bernstein, ‘De voorwaarden van het
socialisme en de taken van de sociaal-democratie’. Juist met betrekking tot de
aangehaalde woorden van Marx schreef Bernstein dat het een program was ‘dat
naar zijn politieke inhoud in al zijn wezenlijke trekken de grootste gelijkenis
vertoonde met het federalisme van Proudhon... Bij alle verdere verschillen
tussen Marx en de “kleinburger” Proudhon’ (Bernstein zet het woord tussen
aanhalingstekens die volgens hem ironie moeten uitdrukken) ‘is in deze punten
de gedachtengang bij hen zo gelijk als maar mogelijk is.’ Zeker, zo gaat
Bernstein voort, de betekenis van de gemeenteraden wordt groter ‘...maar of
zulk een ontbinding (Auflösung) van het moderne staatsbestel en de totale
omvorming (Umwandlung) van zijn organisatie zoals Marx en Proudhon ze
schilderen (de vorming van de nationale vergadering uit afgevaardigden van de
provinciale en districtsvergaderingen, die op hun beurt uit afgevaardigden van
de communes dienen te worden samengesteld) het eerste werk van de democratie
zou moeten zijn, zodat dus de vorm van de nationale vertegenwoordigingen zoals
hij tot nu toe was zou wegvallen, lijkt mij twijfelachtig.’ (Bernstein,
‘Voorwaarden’, blz. 134 en 136 van de Duitse uitgave van 1899.)
Dat is werkelijk monsterachtig: De opvattingen van
Marx over de ‘vernietiging van de staatsmacht, deze parasitaire uitwas’, over
één kam te scheren met het federalisme van Proudhon! Maar iets toevalligs is
het niet, want het komt niet eens bij de opportunist op dat Marx hier helemaal
niet spreekt over het federalisme in tegenstelling tot het centralisme, maar
over de vernietiging van de oude, burgerlijke, in alle burgerlijke landen
bestaande staatsmachine.
De opportunist kan zich alleen voorstellen wat hij
om zich heen ziet, in het milieu van de kleinburgerlijke alledaagsheid en van
‘reformistische’ stagnatie, namelijk alleen de ‘gemeenteraden’! Aan de
revolutie van het proletariaat ook maar te denken, dat heeft de opportunist
verleerd.
Het is belachelijk. Opmerkelijk is echter dat op
dit punt Bernstein in het geheel niet werd aangevallen. Bernstein werd door
velen weerlegd, in de Russische literatuur in het bijzonder door Plechanow, in
de Westeuropese door Kautsky, maar geen van beiden heeft van deze vervalsing van Marx door
Bernstein met een enkel woord gewag gemaakt.
De opportunist is het zozeer verleerd
revolutionair te denken en zijn gedachten over de revolutie te laten gaan dat
hij Marx ‘federalisme’ toeschrijft en hem met Proudhon, de stichter van het
anarchisme, over één kam scheert. En Kautsky én Plechanow, die zich voor
orthodoxe marxisten uitgeven en de leer van het revolutionaire marxisme zeggen
hoog te houden, zwijgen daarover! Hier ligt een van de wortels van die uiterste
vervlakking van de opvattingen over het verschil tussen marxisme en anarchisme,
die zowel de kautskyanen als de opportunisten kenmerkt en waarop wij nog
zullen terugkomen.
De aangehaalde beschouwingen van Marx over de
ervaringen van de Commune bevatten zelfs geen spoortje van federalisme. Marx is
het met Proudhon eens juist in datgene wat de opportunist Bernstein niet ziet.
Marx verschilt met Proudhon juist daar van mening waar Bernstein
overeenstemming ziet.
Marx is het met Proudhon eens voorzover zij beiden
voor het ‘stukslaan’ van de tegenwoordige staatsmachine zijn. Deze overeenstemming
van het marxisme met het anarchisme (met Proudhon zowel als met Bakoenin)
willen noch de opportunisten, noch de kautskyanen zien, want zij hebben zich op
dit punt van het marxisme afgekeerd.
Marx verschilt zowel met Proudhon als met Bakoenin
van mening juist in het vraagstuk van het federalisme (om van de diktatuur van
het proletariaat maar niet eens te spreken). Uit de kleinburgerlijke
opvattingen van het anarchisme volgt logischerwijs het federalisme. Marx is
centralist. In zijn hier aangehaalde beschouwingen is geen enkele afwijking
van het centralisme te vinden. Slechts lieden die vervuld zijn van
kleinburgerlijk ‘bijgeloof’ in de staat kunnen de vernietiging van de
burgerlijke staatsmachine aanzien voor een vernietiging van het centralisme!
Als echter het proletariaat en de arme boeren de
staatsmacht in handen nemen, zich geheel vrij in communes organiseren en de
werkzaamheid van alle communes verenigen om het kapitaal te verslaan, het
verzet van de kapitalisten te breken en de particuliere eigendom van de
spoorwegen, fabrieken, grond enz. aan de gehele natie, de gehele maatschappij
over te dragen — is dat soms geen centralisme? Zou dat niet het meest
consequente democratische centralisme zijn? En nog wel een proletarisch centralisme?
Het komt eenvoudig niet bij Bernstein op dat een
vrijwillig centralisme mogelijk is, een vrijwillige vereniging van de communes
tot een natie, een vrijwillig samengaan van de proletarische communes ter
vernietiging van de burgerlijke heerschappij en van de burgerlijke
staatsmachine. Bernstein stelt zich als iedere filister het centralisme voor
als iets dat alleen van bovenaf, door de ambtenaren en militairen opgedrongen
en in stand gehouden kan worden.
Marx heeft er uitdrukkelijk op gewezen (alsof hij
de mogelijkheid had voorzien dat zijn opvattingen werden verdraaid) dat het tot
de Commune gerichte verwijt, dat zij de eenheid van de natie wilde vernietigen
en de centrale regering wilde opheffen, een bewuste vervalsing is. Marx
gebruikt de uitdrukking ‘de eenheid der natie moest georganiseerd’ worden met
opzet om het bewuste, democratische, proletarische centralisme tegenover het
burgerlijke, militaire, bureaucratische centralisme te plaatsen.
Maar... erger dan een dove is hij die niet horen
wil. En de opportunisten van de tegenwoordige sociaal-democratie willen nu eenmaal
niets horen van het vernietigen van de staatsmacht en van het amputeren van de
parasitaire uitwas.
5. Het vernietigen van de parasitaire staat
We hebben de desbetreffende passages bij Marx
reeds aangehaald, maar we moeten ze nog aanvullen.
‘Het is gewoonlijk het lot van
nieuwe historische scheppingen, te worden aangezien voor het pendant van
oudere en zelfs van afgeleefde vormen van het maatschappelijke leven, waarop
zij enigermate lijken. Zo werd deze nieuwe Commune, die de moderne staatsmacht
breekt, aangezien voor een herleving van de middeleeuwse communes... een bond
van kleine staten, waarvan Montesquieu en de Girondijnen droomden... voor een
overdreven vorm van de oude strijd tegen de ten top gevoerde centralisatie...
Het Commune-bestel zou
integendeel aan het maatschappelijke lichaam al die krachten hebben
teruggegeven, die tot dusverre de parasitaire uitwas “staat”, die op de maatschappij
teert en haar vrije beweging belemmert, heeft verbruikt. Door deze daad alleen
zou het de wedergeboorte van Frankrijk op gang hebben gebracht...
Doch in werkelijkheid zou het
Commune-bestel de landelijke producenten onder de geestelijke leiding van de
districtshoofdsteden hebben gebracht en hun daar in de stedelijke arbeiders de
natuurlijke vertegenwoordigers van hun belangen hebben verzekerd. Alleen al
het bestaan van de Commune bracht als iets, dat van zelf sprak, de plaatselijke
zelfregering met zich mee, maar nu niet meer als tegenwicht tegen de thans
overbodig gemaakte staatsmacht.’
‘Vernietiging van de staatsmacht’ die een
‘parasitaire uitwas’ is, haar ‘amputatie’, ‘vernietiging’, de ‘thans overbodig
gemaakte staatsmacht’— dat zijn de uitdrukkingen die Marx gebruikte toen hij de
ervaringen van de Commune beoordeelde en onderzocht.
Dit alles is bijna een halve eeuw geleden
geschreven en men moet nu als het ware opgravingen verrichten om de brede
massa’s bewust te doen worden van het onvervalste marxisme. De conclusies uit
de waarnemingen van de laatste door Marx meegemaakte grote revolutie had men
vergeten juist op het moment dat de volgende grote revoluties van het
proletariaat naderden.
‘De menigvuldigheid van
interpretaties, waarvan de Commune het voorwerp was, en de menigvuldigheid van
belangen die in haar tot uitdrukking kwamen, bewijzen dat zij een in alle
opzichten voor uitbreiding vatbare politieke vorm was terwijl alle vroegere
regeringsvormen in wezen onderdrukkend waren geweest. Haar ware geheim was dit:
zij was in wezen een regering van de arbeidersklasse, het resultaat van de
strijd van de voortbrengende tegen de toeeigenende klasse, de eindelijk
ontdekte politieke vorm, waaronder de economische bevrijding van de arbeid zich
kon voltrekken. Zonder deze laatste voorwaarde was het Commune-bestel een
onmogelijkheid en een misleiding.’
De utopisten hielden zich bezig met het
‘ontdekken’ van de politieke vormen, waaronder de socialistische reconstructie
van de maatschappij moest geschieden. De anarchisten wilden in het geheel niets
weten van politieke vormen. De opportunisten van de tegenwoordige
sociaal-democratie beschouwden de burgerlijke politieke vormen van de
parlementaire democratische staat als de grens die niet kon worden
overschreden, ze beukten zich het voorhoofd stuk bij het aanbidden van dit
‘toonbeeld’ en verklaarden ieder streven om deze vormen te breken voor anarchisme. Marx
heeft uit de gehele geschiedenis van het socialisme en van de politieke strijd
de conclusie getrokken dat de staat zal moeten verdwijnen en dat de
overgangsvorm daarbij (de overgang van staat naar niet-staat) het ‘als
heersende klasse georganiseerde proletariaat’ zal zijn. Maar Marx deed geen
poging de politieke vormen van deze toekomst te ontdekken. Hij beperkte zich tot een
nauwkeurige waarneming en analyse van de geschiedenis van Frankrijk en trok de
conclusie die het jaar 1851 toestond: het zal gaan, om de vernietiging van de burgerlijke
staatsmachine.
En toen de revolutionaire massabeweging van het
proletariaat was uitgebroken, begon Marx, ondanks het mislukken van deze
beweging en ondanks haar korte duur en in het oog lopende zwakte, te bestuderen
welke vormen zij had ontdekt.
De Commune is de door de proletarische revolutie
‘eindelijk ontdekte’ vorm, waaronder de economische bevrijding van de arbeid
zich kan voltrekken.
De Commune is de eerste poging van de
proletarische revolutie de burgerlijke staatsmachine te verbrijzelen en tevens de ‘eindelijk
ontdekte’ politieke vorm door welke men het verbrijzelde kan en moet vervangen.
Wij zullen in het verdere verloop van dit opstel
zien dat de Russische revoluties van 1905 en 1917 in een andere situatie en
onder andere voorwaarden het werk van de Commune voortzetten en de geniale
historische analyse van Marx bevestigen.
Hoofdstuk IV: Vervolg. Aanvullende toelichtingen
van Engels
Met betrekking tot de betekenis van de ervaring
der Commune belichtte Marx de kern van het vraagstuk. Engels kwam herhaaldelijk
op dit onderwerp terug, gaf een toelichting op de analyse en de
gevolgtrekkingen van Marx en belichtte soms met zoveel kracht en zo
verhelderend andere kanten van het vraagstuk dat het nodig is speciaal op
deze toelichtingen in te gaan.
1. ‘Over het woningvraagstuk’
In zijn werk over het woningvraagstuk (1872) houdt
Engels reeds rekening met de ervaringen van de Commune en verwijlt meermalen
bij de taak van de revolutie met betrekking tot de staat. Het is interessant
hoe aan een concreet onderwerp aanschouwelijk getoond kan worden enerzijds de
trekken die de proletarische staat met de tegenwoordige gemeen heeft, trekken
die ons in beide gevallen veroorloven van een staat te spreken, en anderzijds
de onderscheidingskentekenen of de overgang naar het afschaffen van de staat.
‘Hoe moet nu het woningvraagstuk
worden opgelost? In de tegenwoordige maatschappij wordt het precies als iedere
andere maatschappelijke kwestie opgelost, namelijk door de geleidelijke
economische vereffening van vraag en aanbod, een oplossing die steeds weer opnieuw
dit vraagstuk voortbrengt en dus geen oplossing is. Hoe een sociale revolutie
dit vraagstuk zou oplossen hangt niet alleen af van de telkenmale zich
voordoende omstandigheden, maar hangt ook samen met veel verder reikende
vraagstukken, waaronder de opheffing van de tegenstelling tussen stad en land
een der voornaamste is. Daar wij geen utopische stelsels voor de inrichting van
de toekomstige maatschappij behoeven op te stellen zou het meer dan overbodig
zijn hierop in te gaan. Zoveel is echter zeker dat reeds nu in de grote steden
voldoende woonruimte aanwezig is om bij een rationeel gebruik iedere wezenlijke
“woningnood” terstond te lenigen. Dit kan natuurlijk alleen geschieden door
onteigening van de tegenwoordige bezitters of door dakloze en in hun woningen
uitermate samengepakte arbeiders in hun huizen in te kwartieren; zodra het
proletariaat de politieke macht veroverd heeft zal zulk een door het algemene
welzijn geboden maatregel even gemakkelijk uitvoerbaar zijn als andere
onteigeningen en inkwartieringen door de tegenwoordige staat.’ (Blz. 22 van de
Duitse uitgave van 1887.)
Hier wordt niet de verandering van de vorm van de staatsmacht
onderzocht, maar alleen de inhoud van haar werkzaamheid. Onteigeningen en
inkwartieringen worden ook door de tegenwoordige staat verordend. Formeel
beschouwd zal ook de proletarische staat inkwartieringen en onteigeningen van
huizen kunnen verordenen. Maar het is duidelijk dat het oude uitvoerende
apparaat, de met de bourgeoisie verbonden ambtenarij, eenvoudig onbruikbaar
zou zijn voor het ten uitvoer leggen van de verordeningen van de proletarische
staat.
‘Er moet overigens worden
vastgesteld dat de “daadwerkelijke inbezitneming” van alle
arbeidsinstrumenten, de inbezitneming van de gehele industrie door het werkende
volk precies het tegenovergestelde is van de “aflossing” van Proudhon. In het
laatste geval wordt de individuele arbeider eigenaar van de woning, van de
boerenhofstede, van het arbeidsinstrument; in het eerste geval blijft het
“werkende volk” gemeenschappelijke eigenaar van de huizen, fabrieken en
arbeidsinstrumenten en wordt hun vruchtgebruik, althans gedurende een
overgangstijd, bezwaarlijk zonder vergoeding van de kosten aan enkelingen of
maatschappijen overgedragen. De afschaffing van de grondeigendom is immers ook
niet de afschaffing van de grondrente, maar haar overdracht, zij het in
gewijzigde vorm, aan de maatschappij. De daadwerkelijke inbezitneming van alle
arbeidsinstrumenten door het werkende volk sluit dus het behoud van de huurverhouding
geenszins uit.’ (Blz. 68.)
Het in deze beschouwing aangesneden vraagstuk van
de economische grondslagen van het afsterven van de staat zullen wij in het
volgende hoofdstuk behandelen. Engels drukt zich uiterst. voorzichtig uit waar
hij zegt dat de proletarische staat ‘bezwaarlijk’ zonder vergoeding woningen
kan verdelen, ‘althans gedurende een overgangstijd’. Het tegen vergoeding
afstaan aan afzonderlijke gezinnen van woningen die aan het gehele volk behoren
veronderstelt ook het inkasseren van dit huurgeld en een zekere controle,
alsmede het vaststellen van bepaalde normen voor het verdelen van de
woonruimte. Dit alles vereist een bepaalde staats vorm, maar volstrekt niet een
bijzonder militair en bureaucratisch apparaat met ambtelijke personen in
bevoorrechte positie. De overgang naar een stelsel waarbij de woningen zonder
vergoeding zullen kunnen worden afgestaan, houdt echter verband met het totale
‘afsterven’ van de staat.
Daar waar Engels het erover heeft dat de
blanquisten na de Commune en onder invloed van haar ervaringen principieel het
standpunt van het marxisme innamen, formuleert hij dit standpunt terloops als
volgt:
‘...de noodzakelijkheid van de politieke actie van het
proletariaat en van zijn diktatuur als overgang naar het afschaffen van de
klassen en met hen van de staat.’ (Blz. 55.)
Liefhebbers van haarkloverij of burgerlijke
‘Marx-vernietigers’ mogen een tegenspraak zien tussen deze erkenning van het ‘afschaffen van
de staat’ en het afwijzen van een formule als de anarchistische in de vroeger
geciteerde passage uit de ‘Anti-Dühring’. Het zou niet verwonderlijk zijn als
de opportunisten ook Engels als ‘anarchist’ zouden bestempelen. Steeds vaker
hoort men thans van de zijde van de sociaal-chauvinisten de beschuldiging dat de
internationalisten anarchisten zijn.
Dat tegelijk met de afschaffing van de klassen ook
een afschaffing van de staat zal plaatsvinden, dat heeft het marxisme altijd
geleerd. De algemeen bekende passage in de ‘Anti-Dühring’ over het ‘afsterven
van de staat’ verwijt de anarchisten niet zo maar dat zij voor het afschaffen
van de staat zijn, maar dat zij de mogelijkheid prediken de staat ‘van vandaag
op morgen’ af te schaffen.
Daar de tegenwoordig heersende
‘sociaal-democratische’ leer de verhouding van het marxisme tot het anarchisme
inzake de kwestie van het afschaffen van de staat volkomen verdraait, is het
bijzonder nuttig te herinneren aan een polemiek van Marx en Engels tegen de
anarchisten.
2. De polemiek tegen de anarchisten
Deze polemiek valt in het jaar 1873. Marx en
Engels schreven toen voor een Italiaanse socialistische almanak bijdragen tegen
de proudhonisten, de ‘autonomisten’ of ‘anti-autoritairen’, maar pas in 1913
verschenen deze artikelen in een Duitse vertaling in de ‘Neue Zeit’.
‘Wanneer de politieke strijd van
de arbeidersklasse’, schreef Marx, spottend met de anarchisten en met hun
afwijzen van de politiek, ‘revolutionaire vormen aanneemt, wanneer de arbeiders
in plaats van de diktatuur van de bourgeoisie hun revolutionaire diktatuur plaatsen,
dan begaan zij de vreselijke misdaad van beginselverkrachting, want om hun)
jammerlijke, profane dagelijkse behoeften te bevredigen, om het verzet van de
bourgeoisie te breken, geven zij de staat een revolutionaire en voorbijgaande
vorm in plaats van de wapens neer te leggen en de staat af te schaffen.’ (‘Neue
Zeit’, XXXII, dl. l, 1913-1914, blz. 40.)
Marx verzette zich dus uitsluitend tegen deze
soort van ‘afschaffing’ van de staat, toen hij de anarchisten bestreed!
Geenszins ertegen dat met het verdwijnen van de klassen ook de staat zal
verdwijnen of met het afschaffen van de klassen zal worden afgeschaft, maar
daartegen dat de arbeiders zouden afzien van het gebruik van wapens en van het
georganiseerde geweld, dat wil zeggen van de staat die moet dienen om ‘het verzet
van de bourgeoisie te breken’.
Marx legt, opdat de ware betekenis van zijn
bestrijding van het anarchisme niet verdraaid wordt, opzettelijk de nadruk op
de ‘revolutionaire en voorbijgaande vorm’ van de staat die het proletariaat
nodig heeft. Het proletariaat heeft de staat slechts tijdelijk nodig. Onze
onenigheid met de anarchisten betreft geenszins de kwestie van het afschaffen
van de staat als doel. Wij beweren dat het voor het bereiken van dit doel
noodzakelijk is tijdelijk de organen, middelen en methoden van de staatsmacht tegen de uitbuiters te
gebruiken, evenals er voor het opheffen van de klassen een voorbijgaande
diktatuur van de onderdrukte klasse nodig is. In zijn polemiek tegen de
anarchisten stelt Marx het vraagstuk op de scherpste en duidelijkste manier:
Wanneer de arbeiders het juk van de kapitalisten afschudden, moeten zij dan ‘de
wapens neerleggen’ of ze tegen de kapitalisten gebruiken om hun verzet te
breken? Maar is het systematische gebruik van de wapens door een klasse tegen
een andere soms iets anders dan een ‘voorbijgaande vorm’ van de staat?
Iedere sociaal-democraat moge zich afvragen of hij
in zijn polemiek tegen de anarchisten het vraagstuk van de staat zo heeft
gesteld, of de overgrote meerderheid van de officiële socialistische partijen
van de Tweede Internationale dit vraagstuk zo heeft gesteld.
Engels heeft deze kwestie nog uitvoeriger en
bevattelijker uiteengezet. Eerst drijft hij de spot met de verwarring in de
hoofden van de proudhonisten die zich ‘anti-autoritair’ noemden, d.w.z. iedere
autoriteit, iedere ondergeschiktheid, elk regeringsgezag van de hand wezen.
Neem nu, zegt Engels, een fabriek, een spoorweg, een schip op volle zee; is
het niet duidelijk dat zonder een zekere ondergeschiktheid en dus ook zonder
een zekere autoriteit of macht geen van deze gecompliceerde technische
inrichtingen, die op het gebruik van machines en de planmatige samenwerking van
vele personen berusten, kan functioneren?
‘Wanneer ik dit argument tegen de
meest verwoede anti-autoritairen aanvoer’, schrijft Engels, ‘kunnen zij mij
alleen maar dit antwoord geven: Tja, dat is waar, maar het gaat hier niet om de
autoriteit die wij aan de afgevaardigden geven; het gaat hier om een
opdracht. Deze lieden geloven dat zij een zaak kunnen veranderen door de naam ervan
te veranderen.’
Nadat Engels op deze wijze heeft aangetoond dat
autoriteit en autonomie betrekkelijke begrippen zijn, dat het gebied waarbinnen
zij gelden met de verschillende fasen van de maatschappelijke ontwikkeling mee
verandert en dat het dwaasheid is ze als iets absoluuts te beschouwen en nadat
hij er nog aan heeft toegevoegd dat de toepassing van machines en van de
produktie in het groot steeds verder om zich heen grijpt, gaat hij van algemene
beschouwingen over de autoriteit tot het vraagstuk van de staat over.
‘Als de autonomisten’, schrijft hij, ‘ermee hadden
volstaan te zeggen dat de sociale organisatie van de toekomst de autoriteit
slechts zal toelaten binnen de grenzen die door de produktieverhoudingen
onvermijdelijk worden getrokken, dan had men met hen tot een accoord kunnen
komen; zij zijn echter blind voor alle feiten die de autoriteit noodzakelijk
maken en strijden hartstochtelijk tegen het woord.
Waarom beperken de anti-autoritairen zich er niet toe
tegen de politieke autoriteit, tegen de staat te keer te gaan? Alle socialisten
zijn het met elkaar eens dat de staat en met hem de politieke autoriteit ten
gevolge van de toekomstige sociale revolutie zullen verdwijnen; dit betekent
dat de openbare functies hun politieke karakter zullen verliezen en in
eenvoudige administratieve functies zullen veranderen die over de sociale
belangen waken. De anti-autoritairen evenwel eisen dat de politieke staat met
één slag wordt afgeschaft, nog eerder dan de sociale verhoudingen afgeschaft
zijn die hem hebben voortgebracht. Zij eisen dat de eerste daad van de sociale
revolutie het afschaffen van de autoriteit zal zijn.
Hebben deze heren ooit een
revolutie gezien? Een revolutie is beslist de meest autoritaire zaak die er
bestaat, een daad door welke een deel van de bevolking aan het andere deel zijn
wil oplegt door middel van geweren, bajonetten en kanonnen, wat allemaal zeer
autoritaire middelen zijn, en de partij die overwonnen heeft moet haar
heerschappij handhaven door de angst die haar wapens de reactionairen
inboezemen. En als de Commune van Parijs zich niet van de autoriteit van een
gewapend volk tegen de bourgeoisie had bediend, zou zij zich dan langer dan één
dag staande hebben kunnen houden? Kunnen wij haar niet omgekeerd verwijten dat
zij zich te weinig van deze autoriteit heeft bediend? Dus het een of het ander:
Of de anti-autoritairen weten zelf niet wat zij zeggen en in dat geval stichten
zij slechts verwarring, of ze weten het en in dat geval verraden zij de zaak
van het proletariaat. In beide gevallen dienen zij slechts de reactie.’ (Blz.
39.)
In deze beschouwing worden vraagstukken aangeroerd
die behandeld dienen te worden in verband met de verhouding tussen politiek en
economie bij het afsterven van de staat (aan dit onderwerp is het volgende
hoofdstuk gewijd). Daartoe behoren het vraagstuk van de verandering der
openbare functies van politieke in eenvoudige administratieve en het vraagstuk
van de ‘politieke staat’. Deze laatste uitdrukking, die al heel gemakkelijk tot
misverstand aanleiding kan geven, wijst op het proces van het afsterven van
de staat: de afstervende staat kan op een bepaalde trap van zijn afsterven een
onpolitieke staat worden genoemd.
Het meest opmerkelijke in deze beschouwingen van
Engels is opnieuw de manier waarop hij het vraagstuk tegen de anarchisten aan
de orde stelt. Sinds 1873 hebben de sociaal-democraten, die leerlingen van
Engels willen zijn, miljoenen malen tegen de anarchisten gepolemiseerd, maar ze
deden het juist niet zoals marxisten kunnen en moeten polemiseren. De
anarchistische voorstelling van het afschaffen van de staat is verward en onrevolutionair — zo stelde Engels de
kwestie. De anarchisten willen juist de revolutie in haar ontstaan en haar
ontwikkeling, in haar bijzondere taak tegenover het geweld, de autoriteit, de
macht en de staat, niet zien.
De gebruikelijke kritiek van de tegenwoordige
sociaal-democraten op het anarchisme komt neer op een zuiver kleinburgerlijke
banaliteit: ‘Wij erkennen de staat, de anarchisten niet!’ Zulk een banaliteit
moet op enigermate denkende en revolutionaire arbeiders natuurlijk afstotend
werken. Engels zegt iets anders; hij legt er de nadruk op dat alle socialisten
het verdwijnen van de staat als gevolg van de socialistische omwenteling
erkennen. Daarna stelt hij concreet de kwestie van de revolutie, met name de
kwestie die gewoonlijk door de opportunistische sociaal-democraten wordt
ontweken en door hen om zo te zeggen uitsluitend aan de anarchisten ter
‘uitwerking’ wordt overgelaten. En met deze kwestie pakt Engels de koe bij de
horens: Had de Commune de revolutionaire macht van de staat, d.w.z. van het
gewapende, als heersende klasse georganiseerde proletariaat, niet meer moeten gebruiken?
De heersende officiële sociaal-democratie maakt
zich van de kwestie aangaande de concrete taken van het proletariaat in de
revolutie gewoonlijk af met de laffe grapjes van een filister of, in het beste
geval, met de ontwijkende sofistische frase ‘dat zullen we dan wel zien. En zo
konden de anarchisten met recht beweren dat deze sociaal-democratie haar taak
verzaakt de arbeidersklasse revolutionair op te voeden. Engels gebruikt de
ervaring van de laatste proletarische revolutie juist om heel concreet aan de
weet te komen wat het proletariaat met betrekking tot de banken en met
betrekking tot de staat moet doen en hoe dit gedaan moet worden.
3. Een brief aan Bebel
Een van de opmerkelijkste, zo niet de opmerkelijkste beschouwing in de
werken van Marx en Engels over de staat is de volgende passage in de brief van
Engels aan Bebel van 18—28 maart 1875. Tussen haakjes zij opgemerkt dat deze
brief voor zover ons bekend is voor het eerst door Bebel in het tweede deel van
diens gedenkschriften (‘Uit mijn leven’) werden gepubliceerd, in 1911, dus 36
jaar nadat de brief was geschreven en afgezonden. Engels kritiseerde in zijn
brief aan Bebel hetzelfde ontwerp van het program van Gotha, waarop ook Marx in
zijn beroemde brief aan Bracke kritiek oefende. Engels schreef speciaal over het
vraagstuk van de staat het volgende:
‘De vrije volksstaat is in de
vrije staat veranderd. Grammatikaal gezien is een vrije staat er een, waar de
staat vrij is tegenover zijn burgers, dus een staat met een despotische
regering. Men moest maar liever ophouden met al dat gepraat over de staat,
vooral sinds de Commune, die reeds geen staat in de eigenlijke zin van het
woord meer was. De “volksstaat” is ons door de anarchisten tot walgens toe
voor de voeten geworpen, ofschoon reeds het geschrift van Marx tegen Proudhon
en later “Het Communistisch Manifest” ronduit zeggen dat met de invoering van
de socialistische maatschappij de staat zich vanzelf oplost en verdwijnt. Daar
nu de staat toch slechts een voorbijgaande instelling is waarvan men zich in de
strijd, in de revolutie bedient om zijn tegenstanders er met geweld onder te
houden, is het pure onzin van vrije volksstaat te spreken: Zolang het proletariaat
de staat nog gebruikt, doet het dit niet in het belang van de vrijheid, maar
om er zijn tegenstanders mee onder de duim te houden, en zodra er van vrijheid
sprake kan zijn, houdt de staat als zodanig op te bestaan. Wij zouden dus
willen voorstellen overal in plaats van staat “Gemeinwesen” te plaatsen, een
goed oud Duits woord dat het Franse “commune” zeer goed kan vervangen.’ (Blz.
321—322 van het Duitse origineel.)
Men moet in het oog houden dat deze brief
betrekking heeft op het partijprogram dat Marx in een slechts enige weken later
geschreven brief (van 5 mei 1875) kritiseerde en dat Engels toen tezamen met
Marx in Londen woonde. Wanneer Engels in de laatste zin dan ook ‘wij’ schrijft,
stelt hij ongetwijfeld in zijn eigen naam en in die van Marx aan de leider van
de Duitse arbeiderspartij voor het woord ‘staat’ uit het program te
schrappen en het door het woord ‘gemenebest’ te vervangen.
Welk een gehuil over ‘anarchisme’ zouden de
kopstukken van het tegenwoordige aan het gemak van de opportunisten aangepaste
‘marxisme’ hebben aangeheven, wanneer hun deze verandering in het partijprogram
zou worden voorgesteld!
Laat ze huilen. Daarvoor zullen zij door de
bourgeoisie geprezen worden.
Maar wij zullen verder gaan met ons werk. Bij een
herziening van ons partijprogram dient met deze raad van Marx en Engels zeer
beslist rekening gehouden te worden ten einde dichter bij de waarheid te komen,
ten einde het marxisme te herstellen en het van vervalsingen te zuiveren en ten
einde juister leiding te geven aan de strijd ter bevrijding van de
arbeidersklasse. Onder de bolsjewiki zal men zeker geen tegenstanders van deze
raad van Marx en Engels tegenkomen. Een moeilijkheid zou misschien de term
kunnen opleveren. In het Duits zijn er twee woorden, nl. ‘Gemeinde’ en
‘Gemeinwesen’, en daarvan kiest Engels het laatste dat niet een enkele gemeente
aanduidt, maar het totaal der gemeenten, het systeem van gemeenten. In het
Russisch bestaat er geen overeenkomstig woord en men zou misschien het Franse
woord ‘commune’ moeten kiezen, ofschoon dit ook zijn nadelen heeft.
‘De Commune, die reeds geen staat in de eigenlijke
zin van het woord meer was’— dat is een theoretisch uiterst belangrijke
uitspraak van Engels. Na wat hiervoor is gezegd is deze uitspraak volkomen
begrijpelijk. De Commune hield op staat te zijn voor zover zij niet de meerderheid
van het volk onder de duim te houden had, maar een minderheid (de uitbuiters);
de burgerlijke staatsmachine had zij vernietigd; in plaats van een bijzondere
onderdrukkende macht
trad de bevolking zelf op het toneel. Al deze dingen zijn afwijkingen van de
staat in de eigenlijke zin. En als de Commune was blijven bestaan, zouden de
sporen van de staat vanzelf in haar zijn ‘afgestorven’, had zij zijn instituten
niet behoeven ‘af te schaffen’; deze zouden hebben opgehouden te functioneren
naarmate ze niets meer te doen hadden gehad.
‘De “volksstaat” is ons door de anarchisten tot
walgens toe voor de voeten geworpen’, zegt Engels en daarmee bedoelt hij
allereerst Bakoenin en diens uitvallen tegen de Duitse sociaal-democraten.
Engels erkent het gerechtvaardigde van deze uitvallen in zoverre dat de ‘volksstaat’ even
grote onzin is en een even grote afwijking van het socialisme betekent als de
‘vrije volksstaat’! Engels poogt de strijd van de Duitse sociaal-democraten
tegen de anarchisten te corrigeren, deze strijd in principieel juiste banen te
leiden en hem van de opportunistische vooroordelen met betrekking tot de
‘staat’ te zuiveren. Maar helaas! De brief van Engels bleef 36 jaar voor de
wereld verborgen. En we zullen later zien dat ook na de publicatie van deze
brief Kautsky eigenlijk dezelfde fouten, waartegen Engels waarschuwt,
hardnekkig herhaalt.
Bebel antwoordde Engels in een brief van 21
september 1875, waarin hij onder andere schreef dat hij met het oordeel van
Engels over het ontwerp-program ‘volkomen instemt’ en dat hij Liebknecht verwijten
heeft gemaakt over diens toegevendheid (blz. 334 van Bebels memoires, Duits,
deel II). Neemt men echter Bebels brochure ‘Onze doeleinden’ ter hand, dan
vindt men daar geheel verkeerde beschouwingen over de staat:
‘De staat moet dus van een op klasseheerschappij berustende staat in een volksstaat
veranderd worden.’ (‘Unsere Ziele’, Duitse editie, 1886, blz. 14.)
Dit staat zwart op wit in de negende (negende!)
druk van de brochure van Bebel! Geen wonder dat de zo hardnekkig herhaalde
opportunistische beschouwingen over de staat vlees en bloed zijn geworden van
de Duitse sociaal-democratie, te meer daar men de revolutionaire
uiteenzettingen van Engels geheim hield en de voorwaarden van het leven de
mensen gedurende lange tijd aan de revolutie deden ‘ontwennen’.
4. De kritiek op het ontwerp van het program
van Erfurt
De kritiek op het ontwerp van het program van
Erfurt, die Engels op 29 juni 1891 aan Kautsky zond en die eerst tien jaar
later in ‘Die Neue Zeit’ werd gepubliceerd, mag bij een analyse van de
marxistische leer inzake de staat niet worden overgeslagen, want zij is in
hoofdzaak gewijd juist aan de kritiek op de opportunistische zienswijze van de
sociaal-democratie over het vraagstuk van de staatsinrichting.
Terloops zij nog opgemerkt dat Engels ook over
economische vraagstukken een uiterst waardevolle vingerwijzing geeft, die
bevestigt met welk een aandacht en overleg hij met name de wijzigingen in het
moderne kapitalisme volgde en hoe hij daardoor tot op zekere hoogte de taken
van ons tijdperk, het imperialistische, wist te voorzien. Hier deze
vingerwijzing: Naar aanleiding van het woord ‘planloosheid’, dat in het
ontwerp-program ter karakterisering van het kapitalisme wordt gebruikt,
schrijft Engels:
‘...Wanneer wij van de naamloze vennootschappen
overgaan naar de trusts die gehele takken van industrie beheersen en
monopoliseren, dan houdt daar niet slechts de private produktie op, maar ook de
planloosheid.’ (‘Neue Zeit’, 20ste jrg, 1901-’02, I, blz. 8.)
Hier wordt het fundamentele in de theoretische
beoordeling van het moderne kapitalisme, d.w.z. van het imperialisme, gegeven,
namelijk dat het kapitalisme in monopolistisch kapitalisme verandert. Dit laatste
moet met bijzondere nadruk gezegd worden, want tot de meest voorkomende dwalingen
behoort de burgerlijk-reformistische bewering dat het monopolistische of
staatsmonopolistische kapitalisme al geen kapitalisme meer is, dat het
reeds ‘staatssocialisme’ genoemd kan worden en dergelijk fraais meer. Een
volkomen planmatigheid vertoonden de trusts natuurlijk niet, vertonen zij niet
en kunnen zij ook niet vertonen. Maar zelfs in zover zij volgens een plan
werken, in zover de kapitaalmagnaten van tevoren de grootte van de produktie op
nationale of zelfs internationale schaal bepalen, in zover zij de produktie
naar een vast plan regelen — blijven wij toch binnen het kapitalisme, zij het ook in een
nieuw stadium ervan, maar ongetwijfeld in het kapitalisme. De ‘nabijheid’ van zulk een kapitalisme ten
opzichte van het socialisme zou voor werkelijke vertegenwoordigers van het
proletariaat het bewijs moeten zijn van de nabijheid, gemakkelijkheid,
uitvoerbaarheid en noodzaak van de socialistische revolutie, maar in geen
geval een argument om het afwijzen van deze revolutie en het goedpraten van het
kapitalisme, wat men bij alle reformisten kan aantreffen, te tolereren.
Keren wij echter tot het vraagstuk van de staat
terug. Engels geeft ons hier drieërlei waardevolle aanwijzingen: ten eerste
over het vraagstuk van de republiek, ten tweede over het verband tussen het
nationale vraagstuk en de staatsinrichting en, ten derde, over het plaatselijke
zelfbestuur.
Wat de republiek betreft — Engels maakte haar tot
het zwaartepunt van zijn kritiek op het ontwerp van het program van Erfurt. En
als wij bedenken welke betekenis dit program voor de gehele internationale
sociaal-democratie heeft gekregen en hoezeer het een voorbeeld is geworden voor
de gehele Tweede Internationale, dan mogen wij zonder overdrijving zeggen dat
Engels hier het opportunisme van de gehele Tweede Internationale kritiseert.
‘De politieke eisen van het ontwerp vertonen een grote
fout. Dat wat er eigenlijk gezegd moest worden staat er niet in.’ (Cursief van Engels.)
En verder wordt uiteengezet dat de Duitse grondwet
in wezen een namaaksel is van de uiterst reactionaire grondwet van 1850, dat de
Rijksdag, volgens de woorden van Wilhelm Liebknecht, ‘het vijgeblad van het
absolutisme’ is en dat het ‘klaarblijkelijk zinloos’ is op grondslag van deze
grondwet, die de staatkundige verbrokkeling en het verbond van kleine staten in
Duitsland sanctioneert, een ‘verandering van alle arbeidsmiddelen in gemeenschappelijke
eigendom’ te willen teweegbrengen.
‘Daaraan te raken is evenwel gevaarlijk’, vervolgt
Engels, die maar al te goed weet dat men in Duitsland de eis van een republiek
niet legaal in het program kan opnemen. Maar Engels legt zich niet zo maar neer
bij deze plausibele overweging waarmee ‘allen’ zich tevreden stellen. Hij gaat
verder: ‘En toch moet de zaak op de een of andere manier aangepakt worden. Hoe
nodig dat is bewijst juist nu het in een groot deel van de
sociaal-democratische pers veld winnende (einreiszende) opportunisme. Uit vrees
voor hernieuwing van de socialistenwet en met de herinnering voor ogen aan
allerlei overijlde uitlatingen die onder die wet zijn gedaan, moet nu ineens de
tegenwoordige wettelijke toestand in Duitsland voor de partij voldoende zijn om
al haar eisen langs vreedzame weg door te zetten.’
Dat de Duitse sociaal-democraten handelen uit
vrees voor een hernieuwing van de uitzonderingswet — dit essentiële feit
plaatst Engels op de voorgrond en hij noemt het zonder schroom opportunisme.
Juist omdat in Duitsland republiek en vrijheid ontbreken, noemt hij het dromen
van een ‘vreedzame’ weg volstrekt zinloos. Engels is voorzichtig genoeg om zich
niet te binden. Hij geeft toe dat men in republieken of anders in landen met
verstrekkende vrijheden zich een vreedzame ontwikkeling naar het socialisme kan
‘voorstellen’ (slechts ‘voorstellen’!), maar in Duitsland, herhaalt hij:
‘...in Duitsland, waar de regering bijna almachtig is
en de Rijksdag en alle andere vertegenwoordigende lichamen zonder werkelijke
macht zijn, in Duitsland zo iets proclameren, en nog wel zonder enige
noodzaak, betekent het vijgeblad aan het absolutisme ontnemen en het voor de
eigen naaktheid binden...’
De officiële leiders van de Duitse
sociaal-democratische partij, die deze raadgevingen in de bureaula had
geborgen, bleken dan ook in hun overgrote meerderheid inderdaad behoeders van
het absolutisme te zijn.
‘...Zulk een politiek kan op de duur alleen de eigen
partij misleiden. Men schuift algemene abstracte politieke vraagstukken op de
voorgrond en maskeert daarmee de meest voor het grijpen liggende concrete
vraagstukken, die bij de eerste grote gebeurtenissen, bij de eerste politieke
crisis zichzelf op de agenda plaatsen. Wat anders kan daarvan het gevolg zijn
dan dat de partij plotseling op het beslissende ogenblik radeloos is, dat er
over de meest beslissende punten onduidelijkheid en onenigheid heersen omdat
over deze punten nooit is gediscussieerd...
Dit vergeten van de principiële kwesties ter wille van
de directe belangen van de dag, dit worstelen en streven naar het succes van
het moment, zonder acht te slaan op de latere gevolgen, dit prijsgeven van de
toekomst van de beweging ter wille van haar heden mag dan “eerlijk” bedoeld
zijn, het is en blijft opportunistisch, en het ‘eerlijke’ opportunisme is
misschien wel het gevaarlijkste van alle...
Als er iets vaststaat dan is het dat onze partij en de
arbeidersklasse alleen tot de heerschappij kunnen komen onder de vorm van de
democratische republiek. Die is zelfs de specifieke vorm voor de diktatuur van
het proletariaat, zoals de grote Franse revolutie reeds heeft aangetoond.’
Engels herhaalt hier in bijzonder plastische yorm
de grondgedachte die als een rode draad door alle werken van Marx loopt,
namelijk dat de democratische republiek de directe opening biedt naar de
diktatuur van het proletariaat. Want deze republiek, die de heerschappij van
het kapitaal en daarmee de onderdrukking van de massa’s en de klassenstrijd
volstrekt niet opheft, leidt onvermijdelijk tot zulk een uitbreiding,
ontplooiing, veralgemening en verscherping van deze strijd dat, zodra de
mogelijkheid ontstaat de eerste en diepste belangen der onderdrukte massa’s te
bevredigen, deze mogelijkheid onvermijdelijk en alleen door de diktatuur van
het proletariaat wordt verwezenlijkt, doordat het proletariaat leiding geeft
aan de massa’s. Voor de gehele Tweede Internationale zijn ook dit ‘vergeten
woorden’ van het marxisme en dit vergeten is buitengewoon duidelijk aan de dag
getreden in de geschiedenis van de partij der mensjewiki in het eerste halve
jaar van de Russische revolutie van 1917.
Over het vraagstuk van de federatieve republiek in
verband met de nationale samenstelling van de bevolking schreef Engels:
‘Wat moet er in de plaats’ (van het huidige Duitsland
met zijn reactionair-monarchistische staatsinrichting en zijn even reactionaire
verbrokkeling in kleine staten, die het specifieke Pruisendom vereeuwigt in
plaats van deze staatjes te doen opgaan in Duitsland als een geheel) ‘komen?
Naar mijn mening kan het proletariaat alleen de vorm van de ene en onbeelbare
republiek gebruiken. De federatieve republiek is in het reusachtige gebied van
de Verenigde Staten nu nog over het algemeen een noodzakelijkheid, ofschoon
zij in het oosten al een hinderpaal wordt. Zij zou een stap vooruit zijn in
Engeland, waar op de beide eilanden vier naties wonen en ondanks één parlement
nu al drie verschillende rechtsstelsels naast elkaar bestaan. Zij is in het
kleine Zwitserland reeds lang een beletsel geworden, dat alleen verdragen wordt
omdat Zwitserland ermee tevreden is een zuiver passief lid van het Europese
statensysteem te zijn. Voor Duitsland zou een federalistische verzwitsering een
enorme stap achteruit zijn. Twee punten onderscheiden de bondsstaat van de
eenheidsstaat, nl. dat elke afzonderlijke staat van de bond, elk kanton zijn
eigen burgerlijke en strafwetgeving en rechtsbestel heeft, en voorts dat naast
de volkskamer een landenkamer bestaat, waarin ieder kanton, groot of klein,
als zodanig een stem heeft.’ In Duitsland vormt de bondsstaat een overgang tot
de eenheidsstaat, en de in 1866 en 1870 gemaakte ‘revolutie van bovenaf’ dient
niet meer ongedaan gemaakt te worden, maar moet worden aangevuld door een
‘beweging van onderop’.
De staatsvormen laten Engels geenszins
onverschillig, maar hij spant zich integendeel in om met buitengewone zorg
vooral de overgangsvormen te onderzoeken en op grond van de concrete
historische eigenaardigheden van elk geval afzonderlijk vast te stellen van
waar die
bepaalde overgangsvorm komt en waarheen ze leidt.
Evenals Marx verdedigt Engels van het standpunt
van het proletariaat en van de proletarische revolutie het democratische centralisme,
de ene en ondeelbare republiek. Hij beschouwt de federatieve republiek, hetzij
als een uitzonderingsgeval en als een beletsel van de ontwikkeling, hetzij als
een overgang van de monarchie naar de centralistische republiek, onder
bepaalde bijzondere omstandigheden als een ‘stap vooruit’. En onder deze
bijzondere omstandigheden treedt het nationale vraagstuk op de voorgrond. Bij
alle onverbiddelijke kritiek die zowel Engels als Marx uitoefent op het
reactionaire gedoe met kleine staatjes en op het in bepaalde gevallen verhullen
van het reactionaire karakter daarvan achter het nationale vraagstuk, vinden
wij bij hen toch nergens ook maar een schijn van een streven om het nationale
vraagstuk uit de weg te gaan, een streven waaraan Nederlandse en Poolse marxisten,
die van het kleinburgerlijk enge nationalisme van ‘hun’ kleine staten uitgaan,
zich dikwijls schuldig maken.
Zelfs in Engeland, waar de geografische
omstandigheden en de eeuwenlange gemeenschappelijkheid van taal en geschiedenis
in de verschillende kleine delen van Engeland ‘een einde gemaakt’ schijnen te
hebben aan het nationale vraagstuk, zelfs daar onderkent Engels het duidelijke
feit dat het nationale vraagstuk nog niet opgelost is, en daarom ziet hij de
federatieve republiek als een ‘stap vooruit’. Natuurlijk is ook hier geen zweem
te vinden van het opgeven noch van de kritiek op de gebreken van de federatieve
republiek, noch van de besliste propaganda en strijd voor de ene en onbeelbare,
centralistisch-democratische republiek.
Maar het democratische centralisme wordt door
Engels volstrekt niet opgevat in de bureaucratische zin waarin dit begrip door
de burgerlijke en kleinburgerlijke ideologen, onder wie ook de anarchisten,
wordt gebruikt. Voor Engels sluit centralisme niet die brede plaatselijke
zelfregeling uit, die bij een vrijwillig bewaren van de eenheid van de staat
door de ‘communes’ en gewesten aan iedere soort van bureaucratie en
‘commanderen’ van bovenaf onvoorwaardelijk een eind maakt.
‘...Dus de ene en onbeelbare republiek’, schrijft
Engels als hij de marxistische programpunten over de staat ontwikkelt, ‘maar
niet in de zin van de tegenwoordige Franse, die niets anders is dan het in 1798
gestichte keizerrijk zonder de keizer. Van 1792 tot 1798 bezat ieder Frans
departement, iedere gemeente (Gemeinde) volledig zelfbestuur naar Amerikaans
model en dat moeten wij ook hebben. Hoe het zelfbestuur ingericht moet worden
en hoe men het zonder bureaucratie klaarspeelt, dat hebben ons Amerika en de
eerste Franse republiek bewezen en dat bewijzen vandaag nog Australië, Canada
en andere Engelse koloniën. En zulk een provinciaal en gemeentelijk zelfbestuur
is heel wat vrijer dan bij voorbeeld het Zwitserse federalisme, waar het kanton
weliswaar zeer onafhankelijk is ten opzichte van de bond’ (d.w.z. ten opzichte
van de federatieve staat in zijn geheel), ‘maar ook ten opzichte van het
district en de gemeente. De kantonale regeringen benoemen stadhouders der
districten en prefecten, iets waarvan men in de Engels sprekende landen geen
weet heeft en waarvan wij in de toekomst evenzeer verschoond wensen te blijven
als van de Pruisische landraden en regeringsraden’ (commissarissen,
districtshoofden van politie, gouverneurs, kortom alle van bovenaf benoemde
ambtenaren). Engels stelt in overeenstemming daarmee voor het punt over het
zelfbestuur in het program zo te formuleren: ‘Volstrekt zelfbestuur in
provincie’ (gouvernement of gewest), ‘district en gemeente door bij algemeen
kiesrecht gekozen beambten. Afschaffing van alle van staatswege benoemde plaatselijke
en provinciale overheden.’
In de door de regering van Kerenski en andere
‘socialistische’ ministers verboden ‘Prawda’ (nr. 68 van 28 mei 1917) was ik al
in de gelegenheid er op te wijzen hoe op dit punt — maar zeker niet alleen op
dit punt — onze zogenaamde socialistische vertegenwoordigers van de zogenaamd
revolutionaire zogenaamde democratie zich aan buitengewoon krasse vergrijpen tegen
de democratie hebben schuldig gemaakt. Maar natuurlijk zijn de heren, die zich door een
‘coalitie’ met de imperialistische bourgeoisie hebben gebonden, voor deze
waarschuwingen doof gebleven.
Het is uitermate belangrijk er op te wijzen dat
Engels aan de hand van feiten en met een zeer exact voorbeeld het vooral onder
de kleinburgerlijke democratie sterk verbreide vooroordeel weerlegt dat een
federatieve republiek beslist meer vrijheid betekent dan een centralistische.
Dat is onjuist. Dat wordt weerlegd door de feiten die Engels over de
centralistische Franse republiek van 1792 tot 1798 en over de federatieve
Zwitserse republiek aanhaalt. De werkelijk democratische centralistische
republiek bood meer vrijheid dan de federatieve. Of met andere woorden: De
in de geschiedenis bekende hoogste mate van plaatselijke, gewestelijke
enz. vrijheid werd niet door een federatieve, maar door een centralistische republiek geboden.
Op dit feit, zoals in het algemeen op het gehele
vraagstuk van de federatieve en de centralistische republiek en van het plaatselijke
zelfbestuur, werd en wordt in onze partijpropaganda en -agitatie te weinig acht
geslagen.
5. De inleiding van 1891 tot ‘De burgeroorlog
in Frankrijk’ van Marx
In zijn inleiding tot de berde druk van ‘De
burgeroorlog in Frankrijk’ (deze inleiding is gedateerd 18 maart 1891 en is
oorspronkelijk in de ‘Neue Zeit’ gepubliceerd) geeft Engels, naast
interessante terloopse opmerkingen over kwesties die met de verhouding tot de
staat verbonden zijn, een buitengewoon verhelderende samenvatting van de
ervaringen van de Commune. Deze samenvatting, verdiept door de ervaringen van
het tijdvak van twintig jaren dat de schrijver van de Commune scheidde, is
speciaal gericht tegen de in Duitsland verbreide ‘bijgelovige verering van de
staat’ en kan met recht beschouwd worden als het laatste woord van het marxisme over
het vraagstuk dat wij hier onder de loep nemen.
In Frankrijk, zegt Engels, waren de arbeiders na
iedere revolutie gewapend; ‘...voor de bourgeoisie, die het roer van de staat
in handen hield, was dan ook het eerste gebod het ontwapenen van de arbeiders.
Vandaar na elke, door de arbeiders bevochten revolutie een nieuwe strijd, die
met de nederlaag der arbeiders eindigt.’
Deze samenvatting van de ervaringen van
burgerlijke revoluties is even kort als rijk aan betekenis. De kern van de zaak
— o.a. ook in het vraagstuk van de staat (heeft de onderdrukte klasse wapens
of niet?)
— is hier buitengewoon helder naar voren gebracht. Maar juist deze kern wordt
dikwijls genegeerd, zowel door de professoren die zich onder invloed van de
burgerlijke ideologie bevinden, als door de kleinburgerlijke democraten. In de
Russische revolutie van 1917 viel aan de mensjewiek en ‘ook-marxist’ Tsereteli
de eer (een eer a la Cavaignac) te beurt dit geheim van de burgerlijke revoluties
in het openbaar te verklappen. In zijn ‘historische’ rede van 11 juni klapte
Tsereteli uit de school dat de bourgeoisie vastbesloten was de arbeiders van
Petrograd te ontwapenen, waarbij hij natuurlijk dit besluit ook als zijn eigen
besluit en in het algemeen als noodzakelijk ‘voor de staat’ voorstelde.
De historische redevoering van Tsereteli van 11
juni zal zeker iedere geschiedschrijver van de revolutie van 1917 tot aanschouwelijke
illustratie dienen van de wijze waarop het door de heer Tsereteli geleide blok
van sociaal-revolutionairen en mensjewiki zich aan de kant van de bourgeoisie tegen het revolutionaire proletariaat
heeft geschaard.
Een andere terloopse opmerking van Engels die ook
met het vraagstuk van de staat verband houdt betreft de godsdienst. Het is
bekend dat de Duitse sociaal-democratie, naarmate zij meer in het moeras raakte
en opportunistischer werd, ook meer en meer afzakte tot een filisterachtige,
foutieve uitlegging van de beroemde formule ‘de godsdienst moet tot een
persoonlijke aangelegenheid worden verklaard’.
Deze formule werd namelijk zo uitgelegd alsof ook
voor de partij van het revolutionaire proletariaat het vraagstuk van de godsdienst een
persoonlijke aangelegenheid was!! Tegen dit uitgesproken verraad aan het
revolutionaire program van het proletariaat trekt Engels van leer, die in 1891
nog slechts zeer zwakke kiemen van het opportunisme in zijn partij waarnam en
zich dan ook uiterst voorzichtig uitdrukte:
‘Zoals in de Commune bijna alleen
arbeiders of erkende arbeidersvertegenwoordigers zitting hadden, zo droegen
ook haar besluiten een beslist proletarisch karakter. Of ze vaardigde
hervormingen uit, die de republikeinse bourgeoisie slechts uit lafheid had
nagelaten, maar die voor de vrije ontplooiing van het optreden der
arbeidersklasse een noodzakelijke grondslag uitmaakten, zoals het
verwezenlijken van de stelling dat tegenover de staat godsdienst niets anders
is dan een persoonlijke aangelegenheid; of zij vaardigde besluiten uit, die
rechtstreeks in het belang van de arbeidersklasse waren en gedeeltelijk diep
in de oude maatschappij-orde ingrepen.’
Engels onderstreepte de woorden ‘tegenover de
staat’ met
opzet en hij nam daarmee direct het Duitse opportunisme op de korrel dat de
godsdienst tegenover de partij tot een persoonlijke aangelegenheid verklaarde
en op die manier de partij van het revolutionaire proletariaat neerdrukte tot
het peil van een banale ‘vrijdenkende’ kleine burgerij, die een confessieloze
toestand wel wil dulden maar geen strijd wenst te voeren van de partij tegen het opium
godsdienst dat het volk dom houdt.
De toekomstige geschiedschrijver van de Duitse
sociaal-democratie die de oorzaken van haar smadelijke ineenstorting in het
jaar 1914 wil nagaan, zal voor dit vraagstuk zeer veel belangrijk materiaal
vinden, vanaf de ontwijkende, voor het opportunisme alle deuren wijd open
zettende opmerkingen van Kautsky, de geestelijke leider van de partij, tot aan
de houding van de partij ten opzichte van de ‘Los-von-Kirche-Bewegung’ (‘los
van de kerkbeweging’) in 1913.
Maar laat ons nagaan hoe Engels twintig jaar na de
Commune haar lessen voor het strijdende proletariaat samenvatte. Dit zijn de
lessen, die Engels op de voorgrond plaatste:
‘Juist de onderdrukkende macht van de tot dusverre bestaande,
gecentraliseerde regering, leger, politieke politie, bureaucratie, die Napoleon
in 1798 had geschapen en die sedertdien elke nieuwe regering als welkom
werktuig had overgenomen en tegen haar tegenstanders gebruikt,— juist deze
macht behoorde overal te vallen, zoals ze al in Parijs was gevallen.
De Commune moest al meteen bij voorbaat erkennen, dat
de arbeidersklasse, eenmaal tot de heerschappij gekomen, niet met het oude
staatsapparaat kon voortwerken; dat deze arbeidersklasse, wilde ze niet haar
eigen, eerst pas veroverde heerschappij weer teloor zien gaan, enerzijds het
hele oude, tot dusverre tegen haar zelf aangewende onderdrukkingsapparaat
moest afschaffen, doch anderzijds zich moest beveiligen tegen haar eigen
afgevaardigden en beambten, door dezen, zonder uitzondering, als te allen tijde
afzetbaar te verklaren.’
Steeds opnieuw legt Engels er de nadruk op dat
niet alleen in de monarchie, maar ook in de democratische republiek de staat staat blijft,
d.w.z. het kenmerk van zijn wezen behoudt, namelijk dat hij de ambtenaren, de
‘dienaren van de maatschappij’, haar organen in haar meesters verandert.
‘Tegen deze, in alle tot nu toe bestaande staten
onvermijdelijke verandering van de staat en de staatsorganen van dienaren der
maatschappij in meesters der maatschappij, paste de Commune twee onfeilbare
middelen toe. In de eerste plaats bezette zij alle posten, besturende,
rechtsprekende, onderwijzende, door keuze volgens het algemeen stemrecht der
belanghebbenden, en wel met het recht van terugroeping te allen tijde door
dezelfde belanghebbenden. En in de tweede plaats betaalde zij voor alle
diensten, hoge zowel als lage, slechts het loon, dat andere arbeiders
ontvingen. Het hoogste salaris, dat ze ten slotte betaalde, was 6.000 franc.
Daarmee was de baantjesjagerij stevig aan banden
gelegd, ook zonder de bindende mandaten bij gedelegeerden in vertegenwoordigende
lichamen, die er ten overvloede nog aan werden toegevoegd.’
Engels raakt hiermee aan die gedenkwaardige
grenslijn, waar een consequente democratie enerzijds in socialisme overgaat en anderzijds het
socialisme vereist. Want voor het opheffen van de staat is het nodig dat de
functies van de staatsdienst in zulke eenvoudige functies van toezicht en
controle veranderen dat zij voor de overgrote meerderheid van de bevolking en
tenslotte ook voor de gehele bevolking toegankelijk en uitvoerbaar worden. Het
volledig uitroeien van de baantjesjagerij eist dat een ‘eervol’, zij het ook
onbetaald ‘plaatsje’ in de staatsdienst niet meer als springplank kan dienen
om hoogst lucratieve posten in banken en naamloze vennootschappen te bereiken,
zoals dat in alle, ook in de meest vrije kapitalistische landen regelmatig voorkomt.
Engels maakt echter niet de fout die sommige
marxisten in het vraagstuk van het zelfbeschikkingsrecht van de natie maken:
onder het kapitalisme, zeggen zij, is het zelfbeschikkingsrecht onmogelijk,
onder het socialisme is het overbodig. Zulk een schijnbaar geestige, in
werkelijkheid evenwel foutieve argumentatie kan ook gebruikt worden voor
iedere democratische instelling welke men maar wil, ook voor de bescheiden
ambtenarensalarissen, want volkomen consequente democratie is onder het
kapitalisme onmogelijk, terwijl onder het socialisme toch elke democratie zal afsterven.
Dat is sofisterij, die doet denken aan de oudbakken grap dat een man
kaal begint te worden als hij één haar verliest.
Het ontwikkelen van de democratie tot het einde, het vinden van de vormen van deze ontwikkeling,
het toetsen daarvan aan de praktijk enz. - dat alles is een van de
taken behorende tot de strijd voor de sociale revolutie. Op zichzelf genomen
kan geen democratie het socialisme brengen. Maar in het leven bestaat geen
enkele democratie ‘op zichzelf’, zij bestaat met andere verschijnselen
‘tezamen’, zij oefent haar werking op het economische leven uit, bevordert de
wijziging van het economische bestel, staat op haar beurt bloot aan
de invloeden van de economische ontwikkeling enz. Dat is de dialektiek van de
levende geschiedenis. Engels gaat verder:
‘Dit verbrijzelen (Sprengung) van de tot nu toe
bestaande staatsmacht en het vervangen daarvan door een nieuwe, waarachtig
democratische, is in het derde hoofdstuk van de “Burgeroorlog” grondig
behandeld. Het was evenwel nodig hier nog eens op enkele trekken daarvan in te
gaan, omdat juist in Duitsland het bijgeloof in de staat zich uit de filosofie
in het algemene bewustzijn van de bourgeoisie en zelfs van vele arbeiders heeft
overgeplant. Volgens de filosofische voorstelling is de staat de
“verwezenlijking van de idee” of het in het filosofische overgebrachte rijk
gods op aarde, het gebied, waarop de eeuwige waarheid en gerechtigheid tot
werkelijkheid wordt of behoort te worden. En daaruit volgt dan een bijgelovige
verering van de staat en van al hetgeen met de staat samenhangt, die des te
gemakkelijker ingang vindt, naarmate men zich van kindsbeen af er aan heeft
gewend zich in te beelden, dat de aan de hele maatschappij gemeenschappelijke
zaken en belangen niet anders kunnen worden behartigd dan tot dusverre het
geval is geweest, nl. door de staat en zijn goed bezoldigde overheidspersonen.
En men meent al een zeer geweldig stoutmoedige stap te hebben gedaan, als men
zich van het geloof in de erfelijke monarchie heeft vrijgemaakt en bij de democratische
republiek zweert. In werkelijkheid echter is de staat niets dan een apparaat
ter onderdrukking van de ene klasse door de andere, en wel in de democratische
republiek niet minder dan in de monarchie, en in het beste geval een kwaad dat
het in de strijd om de klasseheerschappij zegevierende proletariaat erft en
welks ergste kanten het, evenmin als de Commune, zal kunnen nalaten met de
grootst mogelijke spoed te besnoeien, totdat een in nieuwe, vrije
maatschappijtoestanden opgegroeid geslacht in staat zal zijn zich van de hele
staatsrommel te ontdoen.’
Engels waarschuwde de Duitsers dat zij bij het
vervangen van de monarchie door een republiek de grondslagen van het socialisme
in het vraagstuk van de staat in het algemeen niet mochten vergeten. Deze
waarschuwing van hem leest men vandaag als een directe les voor de heren
Tsereteli en Tsjernow, die in hun ‘coalitie’-praktijk hun bijgeloof aan de staat
en hun bijgelovige verering van de staat hebben geopenbaard!
Nog twee opmerkingen. Ten eerste: Wanneer Engels
zegt dat de staat in de democratische republiek ‘niet minder’ ‘een apparaat ter
onderdrukking van de ene klasse door de andere’ is dan in de monarchie, dan
betekent dit nog volstrekt niet dat de vorm van de onderdrukking voor het
proletariaat onverschillig is, zoals vele anarchisten ‘leren’. Een bredere, een
vrijere, een ruimere vorm van de klassenstrijd en van de klasseonderdrukking
betekent voor het proletariaat een onmetelijke verlichting in de strijd om het
afschaffen van de klassen.
Ten tweede: De vraag waarom pas een opgroeiend
geslacht in staat zal zijn zich van de hele staatsrommel te ontdoen is verbonden
met het vraagstuk van het te boven komen van de democratie, tot welk vraagstuk
wij nu willen overgaan.
6. Engels over het te boven komen van de democratie
Engels kwam hierover te spreken in verband met de wetenschappelijke ontoereikendheid van de
naam ‘sociaal-democraat’.
In het voorwoord tot een uitgave van
verschillende, hoofdzakelijk aan ‘internationale vraagstukken’ gewijde
artikelen uit de zeventiger jaren, ‘Internationales aus dem “Volksstaat”’ - een
voorwoord gedateerd 3 januari 1894, dus anderhalf jaar voor zijn dood —,
schreef Engels dat hij in al zijn artikelen de naam ‘communist’ en niet ‘sociaal-democraat’
heeft gebruikt, omdat toenertijd de proudhonisten in Frankrijk en
lassalleanen in Duitsland zich sociaal-democraten noemden.
‘Voor Marx en mij was het dan ook echt onmogelijk,
ter benaming van ons speciale standpunt een uitdrukking van een dergelijke
rekbaarheid te kiezen. Vandaag is dat anders en daarom kan het woord’
(‘sociaal-democraat’) ‘er mee door (mag passieren), al blijft het nog zo weinig
passend (unpassend) voor een partij, waarvan het economische program niet
louter algemeen socialistisch, maar direct communistisch is en waarvan het
politieke einddoel het te boven komen van de hele staat en dus ook van de
democratie is.’
De dialecticus Engels blijft aan het einde van
zijn levensdagen de dialektiek trouw. Marx en ik, zegt hij, hadden een uitstekende,
wetenschappelijk exacte benaming voor de partij, maar er ontbrak de werkelijke,
d.w.z. de proletarische massapartij. Nu (aan het einde van de 19de eeuw)
bestaat er een werkelijke partij, maar haar naam is wetenschappelijk onjuist.
Dat geeft niet, hij ‘kan er mee door’ als de partij zich maar ontwikkelt, als de
wetenschappelijke onjuistheid van haar naam voor de partij zelf maar niet
verborgen blijft en haar maar niet belet zich in de juiste richting te
ontwikkelen!
Een grappenmaker zou tenslotte ook ons,
bolsjewiki, op de manier van Engels kunnen troosten: Wij hebben een werkelijke
partij, zij ontwikkelt zich voortreffelijk en dus kan ook een zo zinloos en
raar gevormd woord als ‘bolsjewiek’ ‘er mee door’, een woord dat niet meer
uitdrukt dan de zuiver toevallige omstandigheid dat wij in 1903 op het
Brussels-Londense congres de meerderheid hadden... Nu, nadat de vervolgingen
van onze partij in juli en augustus 1917 van de kant van de republikeinen en
van de ‘revolutionaire’ kleinburgerlijke democratie het woord bolsjewiek voor
het hele volk tot een erenaam gemaakt hebben, nu deze vervolgingen bovendien de
zo geweldige historische vooruitgang van onze partij in haar werkelijke ontwikkeling
onderstrepen, nu zou ook ik misschien afzien van het voorstel dat ik in april
deed om de naam van onze partij te veranderen. Misschien zou ik mijn kameraden
een ‘compromis’ voorstellen, namelijk ons communistische partij noemen en het
woord ‘bolsjewiki’ tussen haakjes er bij houden...
Maar de kwestie van de naam van de partij is veel
minder belangrijk dan die van de verhouding van het revolutionaire
proletariaat tot de staat.
In de gebruikelijke beschouwingen over de staat
wordt voortdurend de fout begaan waarvoor Engels hier waarschuwt en die wij in
het voorafgaande reeds hebben aangeroerd. Men vergeet namelijk steeds dat
afschaffing van de staat ook afschaffing van de democratie betekent, dat het
afsterven van de staat ook het afsterven van de democratie meebrengt.
Op het eerste gezicht moge deze bewering erg
zonderling en onbegrijpelijk lijken; misschien zal deze of gene de vrees gaan
koesteren dat wij de komst van een maatschappelijk stelsel verwachten, waarin
het beginsel van de onderwerping van de minderheid aan de meerderheid niet
wordt nagevolgd, want democratie is immers juist erkenning van dit beginsel?
Neen. Democratie is niet identiek met
onderwerping van de minderheid aan de meerderheid. Democratie is een staat die de
onderwerping van
de minderheid aan de meerderheid erkent, d.w.z. een organisatie voor het
systematisch toepassen van geweld van de ene klasse tegen de andere, van het
ene deel van de bevolking tegen het andere.
Wij stellen ons als einddoel de afschaffing van de
staat, d.w.z. van iedere soort van georganiseerd en systematisch geweld, van
elke toepassing van geweld tegen mensen in het algemeen. Wij verwachten niet
het aanbreken van een maatschappelijk stelsel, waarin het beginsel van de
onderwerping van de minderheid aan de meerderheid niet wordt nagekomen. Maar in
ons streven naar het socialisme zijn wij ervan overtuigd dat het tot communisme
zal uitgroeien en dat in verband daarmee elke noodzakelijkheid van het
toepassen van geweld tegen mensen in het algemeen zal verdwijnen, elke onderwerping van de ene mens aan de
andere, van het ene deel van de bevolking aan het andere, want de mensen zullen
eraan wennen de meest elementaire regels van het samenleven in de maatschappij na te
komen zonder geweld en zonder onderwerping.
Om dit element van de gewoonte duidelijk aan te
geven spreekt Engels van een nieuw geslacht dat, ‘in nieuwe, vrije maatschappijtoestanden
opgegroeid..., in staat zal zijn zich van de hele staatsrommel te ontdoen’,
elke staatsvorm af te schaffen, ook de democratisch republikeinse.
Ter verdere verduidelijking hiervan is een
onderzoek nodig naar het vraagstuk van de economische grondslagen van het
afsterven van de staat.
Hoofdstuk V: De economische grondslagen van het afsterven van de staat
Het meest uitvoerig bespreekt Marx dit vraagstuk in
zijn ‘Kritiek op het program van Gotha’ (zijn brief aan Bracke van 5 mei 1875,
eerst in 1891 gepubliceerd in de ‘Neue Zeit’, IX, I; in het Russisch als
brochure verschenen). Het polemische deel van dit belangrijke werk, dat uit een
kritiek op de lassalleanen bestaat, heeft het positieve deel, nl. de analyse
van het verband tussen de ontwikkeling van het communisme en het afsterven van
de staat, om zo te zeggen naar de achtergrond gedrongen.
1. De manier
waarop Marx de kwestie aan de orde stelt
Bij oppervlakkige vergelijking van de brief van Marx aan Bracke van 5 mei
1875 en de boven besproken brief van Engels aan Bebel van 28 maart 1875 zou men
de indruk kunnen krijgen dat Marx veel meer ‘aanhanger van de staat’ was dan
Engels en dat er tussen de opvattingen van beide auteurs over de staat een zeer
aanzienlijk onderscheid bestond.
Engels adviseert Bebel al dat gepraat
over de staat maar te laten varen, het woord ‘staat’ uit het program te
schrappen en in plaats daarvan het woord ‘gemenebest’ te zetten; Engels zegt
zelfs dat de Commune al geen staat in de eigenlijke zin van het woord meer was.
Marx daarentegen spreekt zelfs van ‘het toekomstige staatsbestel van de
communistische maatschappij’, d.w.z. het is alsof hij de noodzakelijkheid van
de staat zelfs onder het communisme erkent.
Zulk een opvatting
zou echter volkomen verkeerd zijn. Een nadere beschouwing toont dat de
opvattingen van Marx en Engels over de staat en zijn afsterven elkaar volkomen
dekken en dat met name de aangehaalde uitdrukking van Marx op deze afstervende
staat betrekking heeft.
Het is duidelijk dat
er geen sprake kan zijn van het bepalen van een tijdstip van het toekomstige
‘afsterven’ van de staat, te meer daar dit klaarblijkelijk een langdurig
proces is. Het schijnbare verschil tussen Marx en Engels is te verklaren door
het verschil van onderwerpen die zij behandelden en van de taak die zij zich
stelden. Engels stelde zich de taak aan Bebel aanschouwelijk, scherp omlijnd en
in grote trekken de hele onzinnigheid van de meest voorkomende (en voor een
niet gering deel door Lassalle gedeelde) vooroordelen met betrekking tot de
staat aan te tonen. Marx raakt deze kwestie slechts even,
maar zijn oog is op een ander onderwerp gericht: de ontwikkeling van de
communistische maatschappij.
De hele theorie van
Marx is een toepassing van de ontwikkelingsleer — in haar meest consequente,
volkomen, doordachte en aan inhoud rijke vorm — op het moderne kapitalisme.
Natuurlijk kwam Marx daarbij voor de vraag te staan of deze leer ook toegepast
kan worden op de naderende ineenstorting van het kapitalisme en de toekomstige
ontwikkeling van het komende communisme.
Op grond van welke gegevens
kan men nu de kwestie van de toekomstige ontwikkeling van het komende
communisme onderzoeken?
Op grond van het
feit, dat het communisme voortkomt uit het kapitalisme,
zich historisch uit het kapitalisme ontwikkelt en het resultaat is van de
werkingen van een maatschappelijke kracht die door het kapitalisme is voortgebracht.
Bij Marx vinden wij geen spoor van een poging utopieën te construeren en te
fantaseren over dat wat men niet kan weten. Marx stelt het vraagstuk van het
communisme aan de orde op de manier waarop een natuuronderzoeker het probleem
van de ontwikkeling van een nieuwe, laat ons zeggen biologische variëteit
aanpakt, waarvan hem bekend is dat ze zo en zo is ontstaan en zich in deze of
gene bepaalde richting wijzigt.
Marx maakt in de eerste plaats een eind aan de verwarring die het
program van Gotha in de kwestie van de verhouding tussen staat en maatschappij
had gesticht.
‘...De “tegenwoordige maatschappij” is’, schrijft hij, ‘de
kapitalistische maatschappij die meer of minder vrij van middeleeuwse
bijmengsels, meer of minder gewijzigd door de bijzondere historische
ontwikkeling van ieder land, meer of minder ontwikkeld in alle beschaafde
landen bestaat. De “tegenwoordige staat” daarentegen wisselt met de
landsgrenzen. Hij is een andere in het Pruisisch-Duitse rijk dan in
Zwitserland, in Engeland een andere dan in de Verenigde Staten. “De
tegenwoordige staat” is dus een fictie.
Maar toch hebben de verschillende staten van de verschillende beschaafde
landen, ondanks hun bonte verscheidenheid in vorm, alle gemeen dat zij op de
bodem staan van de moderne burgerlijke maatschappij, waarvan de ene alleen meer
of minder kapitalistisch ontwikkeld is dan de andere. Zij hebben dus ook zekere
wezenlijke karaktertrekken gemeen. In die zin kan men van het “tegenwoordige
staatsbestel” spreken in tegenstelling tot de toekomst, waarin zijn
tegenwoordige wortel, de burgerlijke maatschappij, afgestorven is.
Dan rijst
de vraag: Welke verandering zal het staatsbestel in een communistische
maatschappij ondergaan? Met andere woorden, welke maatschappelijke functies
blijven er dan over die met de tegenwoordige functies van de staat
overeenkomen? Deze vraag kan alleen wetenschappelijk beantwoord worden en men
komt geen vlooiesprong dichter bij het probleem al gaat men duizend keer het
woord volk met het woord staat combineren.’
Nadat Marx op deze
manier het gepraat over de ‘volksstaat’ belachelijk heeft gemaakt, formuleert
hij het vraagstuk en waarschuwt in zekere zin dat men bij het wetenschappelijk
beantwoorden van dit vraagstuk slechts met wetenschappelijk vaststaande
gegevens moet werken.
Het eerste wat door
de gehele ontwikkelingstheorie, de hele wetenschap in het algemeen zeer
precies werd vastgesteld, wat de utopisten vergaten en wat de tegenwoordige
opportunisten, die de sociale revolutie vrezen, vergeten, is de omstandigheid
dat er historisch ongetwijfeld een bijzonder stadium of een bijzondere etappe
van de overgang van het kapitalisme naar het communisme moet zijn.
2. De overgang van
het kapitalisme naar het communisme
‘Tussen de kapitalistische en de communistische maatschappij’, zo vervolgt
Marx, ‘ligt de periode van de revolutionaire verandering van de ene in de
andere. Daarmee komt ook een politieke overgangsperiode overeen, waarin de
staat niets anders kan zijn dan de revolutionaire diktatuur van het
proletariaat.’
Deze gevolgtrekking
berust bij Marx op de analyse van de rol die het proletariaat in de moderne
kapitalistische maatschappij speelt, op gegevens over de ontwikkeling van deze
maatschappij en over de onverzoenlijkheid van de tegenstrijdige belangen van
het proletariaat en de bourgeoisie.
Vroeger werd dit
vraagstuk aldus gesteld: Om zich te bevrijden moet het proletariaat de
bourgeoisie omverwerpen, de politieke macht veroveren en zijn revolutionaire
diktatuur instellen.
Nu echter wordt
de kwestie iets anders gesteld: De overgang van de kapitalistische
maatschappij, die zich naar het communisme ontwikkelt, is niet mogelijk zonder
een ‘politieke overgangsperiode’ en de staat van deze periode kan niets anders
zijn dan de revolutionaire diktatuur van het proletariaat.
In welke verhouding
staat nu deze diktatuur tot de democratie? Wij zagen dat ‘Het Communistisch
Manifest’ simpelweg twee begrippen: 'organisatie van het proletariaat tot
heersende klasse’ en ‘verovering van de democratie’— naast elkaar plaatst. Op
grond van alles wat hiervoor is gezegd kan men nauwkeuriger vaststellen hoe de
democratie bij de overgang van het kapitalisme naar het communisme verandert.
In de kapitalistische
maatschappij, ervan uitgaande dat ze zich onder de gunstigste omstandigheden
ontwikkelt, hebben we in de democratische republiek een meer of minder volkomen
democratie. Deze democratie is echter steeds beperkt door het enge raam van de
kapitalistische uitbuiting en blijft dus per slot van rekening steeds een
democratie voor de minderheid, alleen voor de bezittende klassen, alleen voor
de rijken. De vrijheid van de kapitalistische maatschappij blijft steeds
ongeveer eender wat de vrijheid in de oude Griekse republieken was: een
vrijheid voor de slavenhouders. Ten gevolge van de kapitalistische uitbuiting
zijn de moderne loonslaven zo zeer door nood en ellende terneergedrukt, dat
hun hoofd ‘niet naar democratie’, ‘niet naar politiek’ staat, waardoor bij het
gewone vreedzame verloop van de dingen de meerderheid van de bevolking
uitgesloten is van deelname aan het openbare en politieke leven.
De juistheid van deze
stelling wordt wellicht het duidelijkst bevestigd door Duitsland, omdat in dit
land de constitutionele legaliteit zich opvallend lang en vast, bijna een halve
eeuw (1871 — 1914), heeft gehandhaafd. In dit tijdvak heeft de
sociaal-democratie daar veel meer dan in andere landen deze ‘legaliteit’ weten
‘uit te buiten’ en een groter deel van de arbeiders in de politieke partij
weten te organiseren dan waar ook ter wereld. Hoe groot nu is dit grootste in
de kapitalistische maatschappij ooit waargenomen deel van de politiek bewuste
en actieve loonslaven? Een miljoen leden van de sociaal-democratische partij —
bij 15 miljoen loonarbeiders! Drie miljoen in vakverenigingen georganiseerden —
van de 15 miljoen!
Democratie voor een
uiterst geringe minderheid, democratie voor de rijken — dat is de democratie
van de kapitalistische maatschappij. Bekijkt men het mechanisme van de
kapitalistische democratie van naderbij, dan ontdekt men overal, zowel aan de
‘onbetekenende’ (zogenaamd onbetekenende) details van het kiesrecht
(vestigingsclausule, uitsluiting van de vrouwen enz.), als aan de techniek van
de vertegenwoordigende lichamen en aan de feitelijke belemmeringen ten aanzien
van het recht van vergadering (openbare gebouwen zijn er niet voor
‘proleten’!) of aan de zuiver kapitalistische organisatie van de dagbladpers
enzovoort enzovoort — overal ontdekt men beperking en nog eens beperking van de
democratie. Deze beperkingen, uitzonderingen, uitsluitingen en belemmeringen
voor de armen lijken van geringe betekenis vooral voor diegene die nooit aan
eigen lijf de armoede heeft gekend en nooit zelf met het leven van de onderdrukte
klassen in hun massaliteit in aanraking is gekomen (en dat geldt voor negen van
de tien, zo niet voor negenennegentig van de honderd van alle burgerlijke
politici en schrijvers) — maar alle tezamen genomen sluiten deze beperkingen de
armen uit van de politiek en van het actief deelnemen aan de democratie.
Marx heeft deze kern
van de kapitalistische democratie schitterend geraakt toen hij bij het
analyseren van de ervaringen van de Commune zei: de onderdrukten wordt eenmaal
in de zoveel jaren toegestaan te beslissen welke vertegenwoordiger van de onderdrukkende
klasse hen in het parlement zal vertegenwoordigen en vertrappen!
Maar van deze
kapitalistische democratie — die onvermijdelijk beperkt is, die de armen in het
geniep opzijschuift en daarom door en door huichelachtig en vals is — gaat de
ontwikkeling niet eenvoudig, gladjes en langs rechte lijn ‘naar steeds grotere
democratie’, zoals liberale professoren en kleinburgerlijke opportunisten het
gelieven voor te stellen. Neen. De verdere ontwikkeling, d.w.z. de
ontwikkeling naar het communisme, gaat via de diktatuur van het proletariaat en
kan ook niet anders gaan, want buiten het proletariaat kan niemand het verzet
van de kapitalistische uitbuiters breken en langs een andere
weg kan het niet gebroken worden.
De diktatuur van het
proletariaat, d.w.z. de organisatie van de voorhoede van de onderdrukten tot
heersende klasse met de onderdrukking van de uitbuiters als doel, kan echter
niet eenvoudig alleen een uitbreiding van de democratie tot resultaat hebben. Tegelijk
met de reusachtige uitbreiding van de democratie die voor het eerst een
democratie voor de armen, een democratie voor het volk en niet alleen een
democratie voor de welgestelden wordt, brengt de diktatuur van het
proletariaat een reeks van vrijheidsbeperkingen voor de onderdrukkers, de
uitbuiters en de kapitalisten. Dezen moeten wij onder de duim houden om de
mensheid van de loonslavernij te bevrijden; hun verzet moet met geweld worden
gebroken en het is duidelijk dat waar onderdrukking is, waar geweld is geen
vrijheid, geen democratie bestaat.
Engels heeft het in
zijn brief aan Bebel voortreffelijk uitgedrukt waar hij, zoals de lezer zich
zal herinneren, zegt dat ‘zolang het proletariaat de staat nog gebruikt’ het
dit doet ‘niet in het belang van de vrijheid, maar om er zijn tegenstanders mee
onder de duim te houden, en zodra er van vrijheid sprake kan zijn houdt de
staat als zodanig op te bestaan’!
Democratie voor de
geweldige meerderheid van het volk en het met geweld onder de duim houden van
de uitbuiters en onderdrukkers van het volk, d.w.z. hun uitsluiting van de
democratie — deze wijziging ondergaat de democratie bij de overgang van het
kapitalisme naar het communisme.
Pas in de
communistische maatschappij, wanneer het verzet van de kapitalisten reeds
voorgoed is gebroken, wanneer de kapitalisten zijn verdwenen, wanneer er geen
klassen meer zijn (d.w.z. geen onderscheid tussen de leden van de maatschappij
met betrekking tot de maatschappelijke produktiemiddelen) — pas dan ‘houdt de
staat op te bestaan en kan er van vrijheid sprake zijn’. Pas dan is
een werkelijk volkomen democratie werkelijk zonder enige uitzondering mogelijk
en zal zij verwezenlijkt worden. En pas dan zal de democratie beginnen af te
sterven als gevolg van de eenvoudige omstandigheid dat de van de
kapitalistische slavernij, van de ontelbare gruwelen, brutaliteiten,
onzinnigheden en gemeenheden van de kapitalistische uitbuiting bevrijde mensen
er langzamerhand aan zullen wennen de elementairste,
van oudsher bekende en eeuwenlang in alle voorschriften gepredikte regels van
het samenleven in de maatschappij te eerbiedigen en wel zonder geweld, zonder
dwang, zonder onderwerping en zonder het bijzondere apparaat tot
onderdrukking dat staat wordt genoemd.
De uitdrukking ‘de
staat sterft af’ is zeer gelukkig gekozen, want zij wijst zowel op het
geleidelijke als op het elementaire van dit proces. Alleen de gewoonte kan en
zal ook zeker deze werking teweegbrengen, want wij zien miljoenenvoudig om ons
heen hoe gemakkelijk de mensen wennen aan het volgen van de voor hen
noodzakelijke regels van de maatschappelijke samenleving, wanneer de
uitbuiting ontbreekt, wanneer er niets is dat hen hindert, dat protest en
opstand uitlokt en de noodzaak van onderdrukking schept.
Dus: In de
kapitalistische maatschappij hebben wij een besnoeide, armzalige, valse
democratie, een democratie alleen voor de rijken, voor de minderheid. De
diktatuur van het proletariaat, de overgangsperiode naar het communisme, zal
voor het eerst de democratie aan het volk, aan de meerderheid geven, maar
tegelijkertijd zal zij noodzakelijkerwijs een minderheid, de uitbuiters, onder
de duim houden. Alleen het communisme kan een werkelijk volkomen democratie
bieden en hoe volkomener deze democratie zal zijn, des te sneller zal zij
overbodig worden en vanzelf afsterven.
Met andere woorden:
In het kapitalistische stelsel hebben we de staat in de eigenlijke zin van het
woord, een bijzondere machine tot onderdrukking van de ene klasse door de
andere en wel van de meerderheid door de minderheid. Om de stelselmatige onderdrukking
van de uitgebuite meerderheid door de uitbuitende minderheid succesvol te doen
zijn is er natuurlijk een uiterste wreedheid nodig, een beestachtige
onderdrukking, zijn er zeeën van bloed nodig door welke de mensheid in
slavernij, lijfeigenschap en loonarbeid haar weg zoekt.
Verder: Bij de overgang
van het kapitalisme naar het communisme is de onderdrukking nog noodzakelijk,
maar ze is al onderdrukking van de uitbuitende minderheid door de uitgebuite
meerderheid. Het bijzondere apparaat, de bijzondere onderdrukkingsmachine, de
‘staat’, is nog noodzakelijk, maar het is al een overgangsstaat, geen
staat meer in de eigenlijke zin van het woord, want het onder de duim houden
van de uitbuitende minderheid door de meerderheid van de loonslaven van gisteren
is naar verhouding zo iets gemakkelijks, eenvoudigs en natuurlijks, dat het
veel minder bloed zal kosten dan het onderdrukken van opstanden van slaven,
lijfeigenen en loonarbeiders en de mensheid dan ook veel goedkoper zal komen te
staan. En het is verenigbaar met de uitbreiding van de democratie tot zulk een
overweldigende meerderheid van de bevolking, dat de noodzakelijkheid van een bijzondere
machine ter onderdrukking begint te verdwijnen. De uitbuiters
zijn natuurlijk niet in staat het volk er onder te houden zonder een hoogst
gecompliceerde machinerie die deze taak moet uitvoeren, maar het volk kan met een
zeer eenvoudige ‘machine’ de uitbuiters er onder houden, zelfs nagenoeg zonder
‘machine’, zonder een bijzonder apparaat, alleen door organisatie van de
gewapende massa’s (zoals, om even vooruit te lopen, de sowjets van
arbeiders- en soldatenafgevaardigden).
Tenslotte maakt
alleen het communisme de staat geheel overbodig, want dan is er niemand meer die
onder de duim gehouden moet worden, ‘niemand’ in de zin van een klasse, van een stelselmatige
bestrijding van een bepaald deel van de bevolking. Wij zijn geen utopisten en
ontkennen volstrekt niet dat overtredingen door individuen mogelijk en
onvermijdelijk zijn en evenmin dat het noodzakelijk is zulke overtredingen
te onderdrukken. Maar in de eerste plaats heeft men daarvoor geen afzonderlijke
machinerie, geen afzonderlijk onderdrukkingsapparaat nodig; daarvoor zal het
gewapende volk zelf wel zorgen met dezelfde vanzelfsprekendheid en hetzelfde
gemak als waarmee de eerste de beste groep beschaafde mensen, zelfs in de
tegenwoordige maatschappij, een einde maakt aan een vechtpartij of een vrouw
beschermt tegen overlast. In de tweede plaats weten we dat de eigenlijke
maatschappelijke oorzaak van overtredingen van de maatschappelijke regels
tenslotte gezocht moet worden in de uitbuiting van de massa’s, in hun armoede
en ellende. Met het verwijderen van deze hoofdoorzaak zullen de overtredingen
onvermijdelijk beginnen ‘af te sterven’ . We weten niet hoe
snel en in welke volgorde dit zal gebeuren, maar we weten dat ze zullen
afsterven. En met het afsterven van de overtredingen zal ook de staat afsterven.
Zonder zich met
utopieën in te laten heeft Marx nader aangetoond wat zich nu met
betrekking tot de toekomst laat bepalen, nl. het onderscheid tussen de lagere
en de hogere fase (trap, etappe) van de communistische maatschappij.
3. De eerste fase
van de communistische maatschappij
In zijn ‘Kritiek op
het program van Gotha’ weerlegt Marx uitvoerig de gedachte van Lassalle, dat
de arbeider onder het socialisme de ‘onverkorte’ of ‘volledige opbrengst van de
arbeid’ zal ontvangen. Marx toont aan dat van het maatschappelijke produkt een
reservefonds afgetrokken moet worden, een fonds tot uitbreiding van de
produktie, voor het vervangen van de ‘versleten’ machines enz.; bovendien uit
de consumptiemiddelen een fonds voor de kosten van het bestuur, voor scholen,
ziekenhuizen, bejaardentehuizen enz.
In plaats van de
vage, onduidelijke, algemene frase van Lassalle (‘de volledige opbrengst van de
arbeid voor de arbeider’) geeft Marx een nuchtere berekening hoe de
socialistische maatschappij haar huishouding moet bestieren. Marx analyseert concreet
de levensvoorwaarden van zulk een maatschappij waarin geen kapitalisme is
en zegt:
‘Waarmee wij hier te maken hebben’ (bij het bespreken van het program van
de arbeiderspartij) ‘is een communistische maatschappij, niet zoals zij zich op
haar eigen grondslag heeft ontwikkeld, maar omgekeerd, zoals
zij juist uit de kapitalistische maatschappij voortkomt; die dus in
elk opzicht — economisch, zedelijk, geestelijk — nog behept is met de
moedervlekken van de oude maatschappij, uit welker schoot zij afkomstig is.’
Deze communistische
maatschappij die zojuist uit de schoot van het kapitalisme het licht van de
wereld heeft aanschouwd, die in elk opzicht nog de moedervlekken draagt van de
oude maatschappij, noemt Marx de ‘eerste’ of laagste fase van de communistische
maatschappij.
De produktiemiddelen
zijn al niet meer de private eigendom van enkelingen. De produktiemiddelen
behoren aan de gehele maatschappij. Elk lid van de maatschappij verricht een
bepaald deel van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid en ontvangt daarvoor
van de maatschappij een bewijs dat hij een zekere hoeveelheid arbeid heeft
geleverd. Op dit bewijs ontvangt hij een dienovereenkomstige hoeveelheid
produkten uit de maatschappelijke voorraden aan consumptiemiddelen. Na aftrek
van de hoeveelheid arbeid die voor het gemeenschappelijke fonds is bestemd
krijgt dus iedere arbeider van de maatschappij evenveel terug als hij haar
gegeven heeft.
Er heerst in zekere
zin ‘gelijkheid’.
Wanneer evenwel
Lassalle meent dat deze maatschappelijke orde (die gewoonlijk socialisme wordt
genoemd, maar bij Marx de naam draagt van eerste fase van het communisme) een
‘billijke verdeling’ en ‘gelijk recht van allen op het gelijke arbeidsprodukt’
betekent, dan is hij daarmee abuis. Marx toont dit abuis aan.
‘Gelijk recht’ hebben
we hier inderdaad, zegt Marx, maar het is nog het ‘burgerlijke
recht’ dat, zoals elk recht, ongelijkheid vooronderstelt. Elk recht is
de toepassing van eenzelfde maatstaf op ongelijke mensen die in
werkelijkheid niet aan elkaar gelijk zijn, van elkaar verschillen; en daarom is
het ‘gelijke recht’ een schending van de gelijkheid en een onrechtvaardigheid.
Inderdaad krijgt ieder die een gelijke hoeveelheid maatschappelijke arbeid
levert een gelijk aandeel in het maatschappelijke produkt (nadat eerdergenoemde
aftrek heeft plaatsgehad).
Intussen zijn de
mensen stuk voor stuk niet aan elkaar gelijk: de ene is sterker, de andere is
zwakker; de ene is getrouwd, de andere niet; de ene heeft meer kinderen dan de
andere enz.
‘Bij een
gelijke arbeidsprestatie’, concludeert Marx ‘en dus gelijk aandeel aan het
maatschappelijke verbruiksfonds ontvangt dus de ene in feite meer dan de
andere, is de ene rijker dan de andere enz. Om al deze misstanden te vermijden
zou het recht in plaats van gelijk ongelijk moeten zijn.’
Rechtvaardigheid en
gelijkheid kan de eerste fase van het communisme dus niet geven: verschillen
en wel onrechtvaardige verschillen in rijkdom blijven bestaan, maar de uitbuiting
van de ene mens door de andere wordt onmogelijk, want de produktiemiddelen,
de fabrieken, machines, grond enz. kunnen niet meer als private eigendom
toegeëigend worden. Marx vernietigt Lassalles kleinburgerlijke en onduidelijke
frase van ‘gelijkheid’ en ‘rechtvaardigheid’ in het algemeen en toont
daarbij de ontwikkelingsgang van die communistische maatschappij,
die gedwongen is eerst alleen de ‘onrechtvaardigheid’ uit de weg te
ruimen dat de produktiemiddelen door enkele personen toegeëigend zijn, en die
vooreerst niet in staat is met één slag ook de verdere onrechtvaardigheid
uit de weg te ruimen die in de verdeling van de consumptiemiddelen ‘volgens de
arbeidsprestatie’ (en niet volgens de behoefte) bestaat.
De vulgair-economen,
onder wie burgerlijke professoren met inbegrip van ‘onze’ Toegan, maken de
socialisten steeds het verwijt dat zij de ongelijkheid van de mensen vergeten
en van een opheffing van deze ongelijkheid ‘dromen’. Zulk een verwijt bewijst,
zoals wij zien, alleen de buitengewone onwetendheid van de heren burgerlijke
ideologen.
Marx houdt niet
alleen zo nauwkeurig mogelijk rekening met de onvermijdelijke ongelijkheid van
de mensen, maar is er zich ook van bewust dat de overgang alleen van de
produktiemiddelen in het gemeenschappelijke bezit van de gehele maatschappij
(‘socialisme’ in de gebruikelijke zin van het woord) de misstanden van de
verdeling en de ongelijkheid van het ‘burgerlijke recht’, dat blijft bestaan
zolang de produkten ‘volgens de arbeidsprestatie’ verdeeld worden, niet
doet verdwijnen.
‘Maar deze
misstanden’, zo gaat Marx voort, ‘zijn in de eerste fase van de communistische
maatschappij, zoals deze na langdurige barensweeën uit de kapitalistische maatschappij
is voortgekomen, niet te vermijden. Het recht kan nooit hoger zijn dan de
economische vorm en de daardoor bepaalde culturele ontwikkeling van de
maatschappij.’
Op deze wijze wordt
het ‘burgerlijke recht’ in de eerste fase van de communistische maatschappij
(die men gewoonlijk socialisme noemt) niet geheel opgeheven,
maar slechts gedeeltelijk, naar gelang van de reeds voltrokken economische
omwenteling, dus alleen voor zover het de produktiemiddelen betreft. Het ‘burgerlijke
recht’ beschouwt ze als de private eigendom van enkelingen. Het socialisme
maakt ze tot gemeenschappelijke eigendom. In zoverre — en alleen
in zoverre — valt het ‘burgerlijke recht’ weg.
Maar toch blijft het
in zijn andere delen bestaan, nl. als regulator (bepalende faktor) bij de
verdeling van de produkten en van de arbeid onder de leden van de maatschappij.
‘Wie niet werkt zal ook niet eten’— dit socialistische beginsel is reeds verwezenlijkt;
‘voor gelijke hoeveelheid arbeid een gelijke hoeveelheid produkten’— ook dit socialistische
beginsel is reeds verwezenlijkt. Maar dit is nog geen
communisme en het maakt geen eind aan het ‘burgerlijke recht’ volgens hetwelk
ongelijke mensen voor ongelijke (in feite ongelijke) hoeveelheden arbeid een
gelijke hoeveelheid produkten ontvangen.
Dat is een
‘misstand’, zegt Marx, maar die is in de eerste fase van het communisme niet te
vermijden, want als men niet in utopieën wil vervallen, kan men niet aannemen
dat de mensen dadelijk na de omverwerping van het kapitalisme zullen leren zonder
enige rechtsnorm ten nutte van de gemeenschap te werken, daar immers door
de afschaffing van het kapitalisme de economische voorwaarden voor zulk een
verandering niet onmiddellijk gegeven zijn.
En andere normen dan
die van het ‘burgerlijke recht’ zijn er niet. En in zoverre blijft nog de
noodzakelijkheid bestaan van de staat die de maatschappelijke eigendom van de
produktiemiddelen beschermt en tevens over de gelijkheid van de arbeidsprestatie
en de gelijkheid bij het verdelen van de produkten moet waken.
De staat sterft af in
zoverre er geen kapitalisten, geen klassen meer zijn en men dan ook geen klasse
meer kan onderdrukken. Maar de staat is nog niet geheel afgestorven,
want nog blijft de bescherming van het ‘burgerlijke recht’ over, dat de feitelijke
ongelijkheid sanctioneert. Voor het volledig afsterven van de staat is het
volledige communisme nodig.
4. De hogere fase
van de communistische maatschappij
Marx vervolgt:
‘In een
hogere fase van de communistische maatschappij, nadat de knechtende
onderwerping van de individuen aan de arbeidsverdeling en daarmee ook de
tegenstelling tussen geestelijke en lichamelijke arbeid verdwenen is, nadat de
arbeid niet alleen middel tot leven maar zelfs de eerste levensbehoefte
geworden is, nadat met de alzijdige ontwikkeling van de individuen ook de
produktiekrachten zijn gegroeid en alle bronnen van de in samenwerking voortgebrachte
rijkdom rijker vloeien — eerst dan kan de enge burgerlijke rechtshorizon geheel
worden overschreden en kan de maatschappij in haar vaandels schrijven: Ieder
naar zijn bekwaamheden, aan ieder naar zijn behoeften!’
Nu eerst kunnen wij
de gehele juistheid van Engels’ woorden beoordelen, waarmee hij het verbinden
van de woorden ‘vrijheid’ en ‘staat’ onverbiddelijk als een onzinnigheid
hoonde. Zolang er een staat is, is er geen vrijheid. Wanneer er vrijheid zal
bestaan, zal er geen staat bestaan.
De economische
grondslag van het volledig afsterven van de staat is een zo hoge ontwikkeling
van het communisme dat de tegenstelling tussen geestelijke en lichamelijke
arbeid verdwijnt, dat daarmee dus een van de voornaamste bronnen van de tegenwoordige
maatschappelijke ongelijkheid verdwijnt, een bron die louter
door de overgang van de produktiemiddelen in handen van de maatschappij, louter
door de onteigening van de kapitalisten volstrekt nog niet uit de weg geruimd
kan worden.
Deze onteigening
geeft de mogelijkheid van een kolossale ontwikkeling van de
produktiekrachten. En wanneer wij zien hoe deze ontwikkeling reeds thans door
het kapitalisme ongelooflijk wordt tegengehouden, hoeveel vooruitgang
er geboekt zou kunnen worden op grond van de tegenwoordig reeds bereikte
techniek, dan mogen wij met het volste vertrouwen zeggen dat de onteigening
van de kapitalisten onontkoombaar een ontzaglijke ontwikkeling van de
produktiekrachten van de mensenmaatschappij ten gevolge zal hebben. Hoe snel
deze ontwikkeling zich zal ontplooien en hoe snel zij zal leiden tot opheffing
van de arbeidsverdeling, tot opheffing van de tegenstelling tussen geestelijke
en lichamelijke arbeid en tot het veranderen van de arbeid in een ‘eerste
levensbehoefte’, dat weten wij niet en dat kunnen wij niet weten.
Wij mogen dus slechts
spreken van het onvermijdelijk afsterven van de staat, waarbij wij er de nadruk
op leggen dat dit proces zeer langdurig is en afhangt van de snelheid waarmee
de hogere fase van het communisme zich ontwikkelt; de kwestie van de
tijdsduur of van de concrete vormen van dit afsterven laten we volstrekt open,
want er is geen materiaal voor het beantwoorden van zulke vragen.
De staat zal volledig
kunnen afsterven wanneer de maatschappij de regel zal hebben verwezenlijkt
‘ieder naar zijn bekwaamheden, aan ieder naar zijn behoeften’, d.w.z. wanneer
de mensen zo gewend zullen zijn aan het naleven van de grondregels van het
samenleven in de maatschappij en hun arbeid zo produktief zal zijn dat zij
vrijwillig naar hun bekwaamheden zullen werken. ‘De enge burgerlijke
rechtshorizon’ die iemand met de onbarmhartigheid van een Shylock doet
uitrekenen of hij soms niet een half uur langer gewerkt of iets minder betaald
gekregen heeft dan een ander — deze enge horizon zal dan overschreden zijn. Het
zal dan niet nodig zijn dat de maatschappij de produkten volgens vaste normen
onder de rechthebbenden verdeelt, want ieder zal nemen ‘naar zijn behoeften’.
Van burgerlijk
standpunt uit valt het gemakkelijk zulk een maatschappelijke structuur als
‘pure utopie’ voor te stellen en er over te spotten dat de socialisten iedereen
het recht garanderen, zonder enige controle op de arbeidsprestatie van elke
burger afzonderlijk, van de maatschappij zoveel truffels, automobielen, piano’s
enz. te ontvangen als hij maar wil. De meeste burgerlijke ‘geleerden’ bepalen
zich ook vandaag nog er toe zich over deze dingen alleen maar vrolijk te maken,
maar zij bewijzen daarmee zowel hun onwetendheid als hun eigen baatzuchtige
verdediging van het kapitalisme.
Onwetendheid, want
het is bij geen socialist ooit opgekomen te ‘garanderen’ dat de hogere
ontwikkelingsfase van het communisme er komt; de voorspelling van de grote
socialisten echter dat ze zal komen gaat niet uit van de tegenwoordige
arbeidsproduktiviteit en niet van de tegenwoordige kleinburger
die het, zoals de seminaristen bij Pomjalowski, klaarspeelt ‘nutteloos’ de
maatschappelijke rijkdommen te verknoeien en het onmogelijke te verlangen.
Tot de ‘hogere’ fase
van het communisme begonnen zal zijn eisen de socialisten de allerstrengste controle door
de gemeenschap en door de staat van de hoeveelheid arbeid en de
hoeveelheid verbruik, maar deze controle moet beginnen met de
onteigening van de kapitalisten, met de controle van de arbeiders op de kapitalisten,
en zij moet uitgevoerd worden niet met behulp van een ambtenarenstaat, maar van
de staat der gewapende arbeiders.
De baatzuchtige
verdediging van het kapitalisme door de burgerlijke ideologen (en hun
trawanten van het slag van Tsereteli, Tsjernow en Co.) bestaat juist daarin dat
zij de brandende en actuele kwestie van de politiek van vandaag op slinkse
wijze verwisselen voor discussies en praatjes over de verre toekomst, en wel
de kwestie van de onteigening der kapitalisten, van de verandering van alle burgers in
arbeiders en employés van één groot ‘syndicaat’, nl. van de hele
staat, en van de totale ondergeschiktheid van alle arbeid van dit algehele
syndicaat aan de werkelijk democratische staat, de staat van de sowjets van
arbeiders- en soldatenafgevaardigden.
Wanneer de geleerde
professor en na hem de kleinburger en daarna de heren Tsereteli en Tsjernow het
hebben over krankzinnige utopieën, over demagogische beloften van de bolsjewiki
of over de onmogelijkheid van het ‘invoeren’ van het socialisme, dan bedoelen
zij eigenlijk het hogere stadium of de hogere fase van het communisme die
niemand heeft beloofd ‘in te voeren’ en waaraan niemand zelfs gedacht heeft,
want ‘invoeren’ is er in het geheel niet bij.
En daarmee zijn we
bij de kwestie beland van het wetenschappelijke onderscheid tussen socialisme
en communisme dat Engels in de eerder geciteerde opmerking over het onjuiste
van de naam ‘sociaal-democraat’ aanroert. In politiek opzicht zal het onderscheid
tussen de eerste of lagere en de hogere fase van het communisme mettertijd
waarschijnlijk zeer groot zijn, maar thans, onder het kapitalisme, is het een
dwaasheid op dit onderscheid de nadruk te leggen; hoogstens enkele anarchisten
zouden het op de voorgrond kunnen schuiven (wanneer er althans onder de
anarchisten nog mensen over zijn die niets hebben geleerd, nadat een Kropotkin,
Grave, Cornelissen en andere ‘lichten’ van het anarchisme zich ‘op z’n
Plechanows’ veranderd hebben in sociaal-chauvinisten of loopgraaf-anarchisten,
zoals Ge, een der weinige anarchisten die eer en geweten hebben bewaard, zich
uitdrukt). Het wetenschappelijke onderscheid tussen socialisme en communisme
is evenwel duidelijk. Wat gewoonlijk socialisme genoemd wordt, duidde Marx aan
als de ‘eerste’ of lagere fase van de communistische maatschappij. Het woord
‘communisme’ kan ook hier aangewend worden, in zoverre de produktiemiddelen eigendom
van de gemeenschap zijn; maar men moet hierbij niet vergeten
dat dit communisme niet volledig is. De grote waarde van de
uitlegging van Marx is daarin gelegen dat hij ook hier consequent de
materialistische dialektiek, de ontwikkelingsleer toepast en het communisme
opvat als iets dat zich uit het kapitalisme ontwikkelt. In plaats van
scholastisch geconstrueerde, ‘bedachte’ definities en onvruchtbare
haarkloverijen (wat is communisme, wat socialisme?) analyseert Marx wat men
trappen van economische rijpheid van het communisme kan noemen.
In zijn eerste fase,
op zijn eerste trap kan het communisme economisch nog niet geheel rijp
zijn, nog niet geheel vrij van de tradities en overblijfselen van het
kapitalisme. Vandaar een interessant verschijnsel als het voortbestaan van de
‘enge burgerlijke rechtshorizon’ in de eerste fase van het
communisme. Het burgerlijke recht vooronderstelt met betrekking tot de
verdeling van de consumptie middelen natuurlijk ook onvermijdelijk de burgerlijke
staat, want het recht is niets zonder een apparaat dat het in acht nemen van de
rechtsnormen kan afdwingen.
Hieruit volgt
dat onder het communisme niet alleen een tijdlang het burgerlijke recht blijft
bestaan, maar zelfs de burgerlijke staat — zonder de bourgeoisie!
Dat kan een paradox
of een dialektisch spiegelgevecht lijken, hetgeen immers aan het marxisme
dikwijls verweten wordt door mensen die nooit de geringste moeite hebben gedaan
om ook maar enigszins zijn ontzaglijk diepe inhoud te doorgronden.
In werkelijkheid
echter toont ons het leven bij elke stap, in de natuur zowel als in de
maatschappij, overblijfselen van het oude in het nieuwe. En Marx heeft het
communisme niet willekeurig een stukje ‘burgerlijk’ recht ondergeschoven, doch
alleen dat genomen wat economisch en politiek onvermijdelijk is in een
maatschappij die uit de schoot van het kapitalisme voortkomt.
De democratie is in
de bevrijdingsstrijd van de arbeidersklasse tegen de kapitalisten van grote
betekenis. Maar de democratie is volstrekt geen grenslijn die niet te
overschrijden is, doch vormt slechts een etappe op de weg van feodalisme naar
kapitalisme en van kapitalisme naar communisme.
Democratie betekent
gelijkheid. Men begrijpt de grote betekenis van de strijd van het proletariaat
voor gelijkheid en voor de leus van de gelijkheid, wanneer men ze althans in de
zin van afschaffing van de klassen opvat. Maar
democratie betekent slechts formele gelijkheid. En
terstond na de verwezenlijking van het gelijke recht van alle leden van de
maatschappij met betrekking tot de eigendom van de productiemiddelen,
d.w.z. de gelijkheid van de arbeid en van het arbeidsloon, zal onvermijdelijk
de vraag voor de mensheid opdoemen hoe nu de weg van de formele gelijkheid
verder gaat naar de daadwerkelijke gelijkheid of naar de verwezenlijking van de
regel ‘ieder naar zijn bekwaamheden, aan ieder naar zijn behoeften’. Via welke
etappes en door welke praktische maatregelen de mensheid dit hoogste doel zal
bereiken weten wij niet en kunnen wij niet weten. Maar het is van belang zich
te realiseren hoe volkomen leugenachtig de gebruikelijke burgerlijke
voorstelling is dat het socialisme iets doods, iets verstards, eens en voor
altijd gegeven is, terwijl in werkelijkheid eerst met het socialisme
een snelle, echte, waarachtige vooruitgang van de massa’s op alle gebieden van
het openbare en persoonlijke leven begint, aanvankelijk onder deelneming van de
meerderheid van de bevolking en dan van de gehele bevolking.
Democratie is een
staatsvorm, een van de varianten van de staat. Bijgevolg is zij, zoals iedere
staat, een georganiseerde systematische toepassing van geweld tegenover
mensen. Dit aan de ene kant. Aan de andere kant echter betekent zij een formele
erkenning van de gelijkheid van de burgers, het gelijke recht van allen op het
bepalen van de staatsinrichting en het besturen van de staat. Dat heeft weer
tot gevolg dat de democratie op een bepaalde trap van haar ontwikkeling de ten
opzichte van het kapitalisme revolutionaire klasse, het proletariaat,
aaneensluit en haar de mogelijkheid geeft de burgerlijke, zij het ook een
republikeinsburgerlijke, staatsmachine — staand leger, politie, ambtenarij —
te breken, in stukken te slaan, van het aangezicht van de aarde te laten
verdwijnen en te vervangen door een meer democratische
staatsmachine, maar toch altijd nog een staatsmachine, bestaande uit gewapende
arbeidersmassa’s die ertoe overgaan het gehele volk aan de militie te doen
deelnemen.
Hierbij ‘slaat de
kwantiteit om in de kwaliteit’: Een zodanige trap van democratie
gaat buiten het raam van de burgerlijke maatschappij en is het begin van haar
socialistische omvorming. Wanneer werkelijk allen aan het staatsbestuur
deelnemen kan het kapitalisme zich niet langer houden. De ontwikkeling van het
kapitalisme schept harerzijds de voorwaarden dat werkelijk ‘allen’
aan het staatsbestuur kunnen deelnemen. Tot deze voorwaarden behoort het
algemene onderwijs dat in de meest vooraanstaande kapitalistische landen al is
ingevoerd, voorts het ‘scholen en disciplineren’ van miljoenen arbeiders door
het grote, gecompliceerde, gesocialiseerde apparaat van de posterijen, de
spoorwegen, de grote bedrijven, de groothandel, het bankwezen enz. enz.
Onder zulke economische
voorwaarden is het volstrekt mogelijk onverwijld, van vandaag op morgen, er
toe over te gaan de kapitalisten en de ambtenaren, nadat zij ten val gebracht
zijn, te vervangen door de gewapende arbeiders, door het gehele gewapende volk
voor wat betreft de controle op de produktie en de verdeling en bij het
instellen van de verplichting tot het afleggen van rekening en
verantwoording t.a.v. de arbeid en de produkten. (Men verwissele de
kwestie van de controle en van de rekenplichtigheid niet met die van het
wetenschappelijk gevormde personeel, de ingenieurs, landbouwkundigen enz.;
deze heren werken nu als ondergeschikten van de kapitalisten en zullen morgen
nog beter werken als ondergeschikten van de gewapende arbeiders.)
Rekenplichtigheid en controle — dat is het belangrijkste wat voor het
‘op gang brengen’, voor het juiste functioneren van de communistische
maatschappij in haar eerste fase noodzakelijk is. Alle burgers
worden hier betaalde employés van de staat die gevormd wordt door de gewapende
arbeiders. Alle burgers worden employés en arbeiders van één het gehele
volk omvattend staats’syndicaat’. Het gaat er alleen om dat allen in gelijke
mate arbeiden, de maat van de arbeid juist in acht nemen en in gelijke mate
loon krijgen. De rekenplicht en de controle zijn door het kapitalisme uitermate
vereenvoudigd, teruggebracht tot uiterst eenvoudige, voor iedere mens
die kan lezen en schrijven toegankelijke werkzaamheden van toezicht en
boekhouding, het beheersen van de vier hoofdbewerkingen van de rekenkunde en
het uitschrijven van de nodige kwitanties.
[noot: Wanneer de
staat, wat liet belangrijkste deel van zijn functies betreft, tot zulk een
rekenplicht en controle door de arbeiders zelf is teruggebracht, dan houdt hij
op ‘politieke staat’ te zijn; dan veranderen de maatschappelijke functies van
politieke in eenvoudige administratieve. (Zie ook hiervoor: Hoofdstuk IV, deel
2, over de polemiek van Engels tegen de anarchisten.)
Wanneer de meerderheid
van het volk zelfstandig en overal zal beginnen met zulk een
rekenplichtigheid en zulk een controle op de kapitalisten (die dan employés
geworden zijn), zo goed als op de heren intellectuelen met hun kapitalistische
allures, dan wordt deze controle een werkelijk universele, algemene,
waarachtige volkscontrole, dan zal niemand zich meer daaraan kunnen onttrekken,
want nergens zal men zich ervoor ‘kunnen redden’.
De gehele
maatschappij zal dan een enkele fabriek en een enkel kantoor met gelijkheid van
arbeid en van beloning geworden zijn.
Maar deze
‘fabrieks’discipline, die het proletariaat na de overwinning op de
kapitalisten en de omverwerping van de uitbuiters tot de gehele maatschappij
zal uitstrekken, is beslist niet ons ideaal of ons einddoel; ze betekent
slechts een stap die noodzakelijk is voor het radikaal
zuiveren van de maatschappij van alle laagheden en gemeenheden van de
kapitalistische uitbuiting, een stap om verder voorwaarts te kunnen
gaan.
Van het ogenblik af
dat alle leden van de maatschappij of althans hun overgrote meerderheid geleerd
hebben zelf de staat te besturen en zelf de
staatsregering in handen hebben genomen, alsmede de controle op een uiterst
kleine minderheid van de kapitalisten, op de heertjes die zo graag hun
kapitalistische allures zouden willen behouden en op die arbeiders die door het
kapitalisme grondig gedemoraliseerd zijn — van dat ogenblik af zal de noodzakelijkheid
van elk regeren in het algemeen beginnen te verdwijnen. Hoe volkomener de
democratie is, des te meer nabij is het tijdstip waarop zij overbodig wordt.
Hoe democratischer de ‘staat’ is die uit gewapende arbeiders bestaat en die reeds
geen ‘staat in de eigenlijke betekenis van het woord’ meer is, des te eerder
zal iedere staat beginnen af te sterven.
Want als allen het besturen
zullen hebben geleerd en inderdaad zelfstandig de maatschappelijke produktie
zullen leiden, zelfstandig de rekenplicht en de controle op de nietsdoeners,
de herenzoontjes, de zwendelaars en dergelijke ‘bewaarders van de traditie van
het kapitalisme’ zullen uitoefenen, zal het ontduiken van deze door het hele
volk uitgeoefende rekenplicht en controle wel zo uitermate moeilijk worden, een
zo zeldzame uitzondering vormen en waarschijnlijk een zo snelle en ernstige
bestraffing ten gevolge hebben (want de gewapende arbeiders zijn mensen van het
praktische leven, geen sentimentele intellectuelen, en ze zullen wel nauwelijks
met zich laten spotten), dat de noodzakelijkheid van het in acht nemen
der eenvoudige grondregels van het menselijke samenleven zeer spoedig gewoonte
zal worden.
En dan zal de deur
wijd openstaan voor de overgang van de eerste fase van de communistische
maatschappij naar haar hogere fase en daarmee ook naar het volledig afsterven
van de staat.
Hoofdstuk VI: Het vervlakken van het marxisme door de opportunisten
Het vraagstuk van de
verhouding van de staat tot de sociale revolutie en van de sociale revolutie
tot de staat heeft de voornaamste theoretici en publicisten van de Tweede
Internationale (1889— 1914) zeer weinig beziggehouden, zomin als het vraagstuk
van de revolutie in het algemeen. De meest karakteristieke trek van het proces van
het geleidelijk toenemende opportunisme, dat in 1914 tot de ineenstorting van
de Tweede Internationale heeft geleid, is evenwel dat men, al werd men met de
neus op het vraagstuk gedrukt, altijd trachtte het te omzeilen of het niet
bemerkte.
In het algemeen kan
men zeggen dat het ontwijken van de kwestie van de verhouding van de
proletarische revolutie tot de staat, een ontwijken dat het opportunisme heeft
begunstigd en gevoed, geleid heeft tot een verminking van het
marxisme en tot zijn volkomen vervlakking.
Ten einde dit
droevige proces, zij het ook in het kort, te karakteriseren, wenden wij ons
tot de voornaamste theoretici van het marxisme, Plechanow en Kautsky.
1. Plechanows
polemiek tegen de anarchisten
Plechanow heeft aan
de kwestie van de verhouding tussen anarchisme en socialisme een afzonderlijke
brochure gewijd, ‘Anarchisme en socialisme’, die in 1894 in het Duits is
verschenen.
Plechanow speelde het
klaar bij de behandeling van dit onderwerp het meest actuele, meest brandende,
in politiek opzicht meest belangrijke punt van de bestrijding van het
anarchisme, nl. de verhouding van de revolutie tot de staat en het vraagstuk
van de staat in het algemeen volledig uit de weg te gaan. In zijn brochure zijn
twee gedeelten te onderscheiden: een historisch-literair deel met waardevol
materiaal over de geschiedenis van de ideeën van Stirner, Proudhon e.a., en een
tweede, filisterachtig deel met platvloerse beschouwingen, volgens welke een
anarchist nauwelijks van een bandiet te onderscheiden is.
De verbinding van
deze onderwerpen is zeer curieus en uiterst karakteristiek voor de gehele
werkzaamheid van Plechanow aan de vooravond van de revolutie en in de loop van
de revolutionaire periode in Rusland; Plechanow ontpopte zich dan ook in de
jaren van 1905 tot 1917 half als een doctrinair en half als een filister die op
politiek gebied achter de bourgeoisie aandraafde.
We hebben gezien hoe
Marx en Engels in hun polemiek tegen de anarchisten hun opvattingen over de
verhouding van de revolutie tot de staat met de meeste zorgvuldigheid naar
voren brachten. Bij de uitgave van de ‘Kritiek op het program van Gotha’ van
Marx schreef Engels in 1891: ‘Wij’ (d.w.z. Marx en Engels) ‘waren toen,
nauwelijks twee jaar na het congres van de’ (Eerste) ‘Internationale in Den
Haag,, in de heftigste strijd gewikkeld met Bakoenin en diens anarchisten.’
De anarchisten
probeerden uitgerekend de Commune van Parijs zogezegd voor zichzelf en als een
bevestiging van hun leer ‘te claimen’; daarbij begrepen zij absoluut niets van
haar lessen, noch van de analyse van die lessen door Marx. Het anarchisme beeft
niets opgeleverd dat het juiste antwoord op de concrete politieke vragen: Moet
de oude staatsmachine verbrijzeld worden en waardoor moet zij
vervangen worden? ook maar benadert.
Maar van ‘anarchisme
en socialisme’ spreken en het hele vraagstuk van de staat omzeilen, de hele
ontwikkeling van het marxisme voor en na de Commune niet opmerken, dat betekende
onvermijdelijk afglijden naar het opportunisme. Want juist het opportunisme
vaart er wel bij wanneer de beide zoëven door ons aangeroerde vraagstukken in
het geheel niet worden aangesneden. Dat is reeds een
overwinning van het opportunisme.
2. Kautsky’s
polemiek tegen de opportunisten
Van Kautsky’s werken
zijn er ongetwijfeld meer in het Russisch vertaald dan in enige andere taal.
Niet ten onrechte beweren sommige Duitse sociaal-democraten schertsend dat
Kautsky in Rusland meer gelezen wordt dan in Duitsland. (Tussen haakjes: deze
scherts heeft een veel diepere historische betekenis dan hun geestelijke vaders
vermoeden; namelijk de Russische arbeiders die in 1905 een buitengewoon
sterke, ongekende leeshonger voor de beste werken van de beste
sociaal-democratische wereldliteratuur aan de dag legden en aan wie een in
andere landen ongekende menigte vertalingen en uitgaven van deze werken werd
aangeboden, hebben daarmee om zo te zeggen in versneld tempo de reusachtige
ervaring van het meer ontwikkelde buurland op de jonge bodem van onze
proletarische beweging overgeplant.)
Bijzonder bekend is
Kautsky bij ons, behalve door zijn populaire uiteenzetting van het marxisme,
door zijn polemiek tegen de door Bernstein geleide opportunisten. Stelt men
zich echter tot taak na te gaan hoe Kautsky in de tijd van de zware crisis van
1914— 1915 tot zijn ongehoord schandalige hersenloosheid en tot zijn
verdediging van het sociaal-chauvinisme is afgezakt, dan mag men een feit dat
bijna geheel onbekend is niet uit het oog verliezen. Het feit namelijk dat
Kautsky voor hij tegen de voornaamste vertegenwoordigers van het opportunisme
in Frankrijk (Millerand en Jaurès) en in Duitsland (Bernstein) optrad, zeer
wankelmoedig was. De marxistische ‘Zarja’, die in 1901—1902 in Stuttgart
verscheen en revolutionair-proletarische opvattingen verdedigde, zag zich
gedwongen tegen Kautsky te polemiseren en zijn uit halfheden
bestaande, ontwijkende en ten opzichte van de opportunisten verzoenende
resolutie op het Parijse Internationale Socialistencongres van 1900 als
‘gummi-achtig’ te karakteriseren. In de Duitse literatuur werden brieven van
Kautsky gepubliceerd die aantoonden dat hij voor zijn veldtocht tegen Bernstein
niet minder weifelde.
Van veel grotere
betekenis is echter de omstandigheid dat wij thans bij het onderzoek van de geschiedenis
van Kautsky’s jongste verraad aan het marxisme kunnen vaststellen hoe hij
in zijn polemiek tegen de opportunisten, in de wijze waarop hij)het vraagstuk
aan de orde stelde en behandelde, systematisch naar het opportunisme neigde
juist in het vraagstuk van de staat. Nemen wij het eerste grote werk van
Kautsky tegen het opportunisme, zijn boek ‘Bernstein en het
sociaal-democratische program’. Bernstein wordt uitvoerig door Kautsky
weerlegd. Karakteristiek is echter het volgende.
Bernstein beschuldigt
in zijn herostratisch beroemd geworden ‘Voorwaarden van het socialisme’ het
marxisme van ‘blanquisme’ (een beschuldiging die sindsdien door de
opportunisten en liberale bourgeois in Rusland duizendmaal tegen de
vertegenwoordigers van het revolutionaire marxisme, de bolsjewiki, is
herhaald). Daarbij staat Bernstein speciaal stil bij ‘De burgeroorlog in
Frankrijk’ van Marx en tracht hij — zoals wij zagen zonder succes — de
opvattingen van Marx over de lessen van de Commune te identificeren met de
opvattingen van Proudhon. Bernstein schenkt vooral aandacht aan de conclusie
van Marx die deze in het voorwoord van 1872 voor ‘Het Communistisch Manifest’
onderstreepte en die luidde dat ‘de arbeidersklasse de bestaande staatsmachine
niet meer eenvoudig in bezit kan nemen en ze voor haar eigen doeleinden in
beweging zetten’.
Bernstein vindt zulk
een ‘behagen’ in deze uitspraak dat hij haar in zijn boek wel drie maal
herhaalt en in een volkomen verdraaide, opportunistische zin uitlegt.
Marx wil, zoals wij
gezien hebben, zeggen dat de arbeidersklasse de gehele staatsmachine moet verbrijzelen,
breken, opblazen (opblazen — Sprengung — is de uitdrukking die Engels
gebruikt). Volgens Bernstein echter schijnt het alsof Marx met deze woorden de
arbeidersklasse heeft willen waarschuwen voor een al te ijverig
revolutionair optreden bij het grijpen van de macht.
Een grovere en
afschuwelijkere verdraaiing van Marx’ gedachte kan men zich nauwelijks
voorstellen.
Wat deed Kautsky nu
in zijn zeer uitvoerige weerlegging van Bernsteins tirade?
Hij vermeed het de
opportunistische verdraaiing van het marxisme op dit punt in heel haar diepte
te analyseren. Hij haalde de eerder geciteerde passage van het voorwoord van
Engels bij ‘De burgeroorlog’ van Marx aan en beperkte zich er toe te zeggen dat
volgens Marx de arbeidersklasse de kant en klare staatsmachine niet eenvoudig
in bezit kan nemen, maar ze toch in het algemeen in bezit kan nemen, en dat
was alles. Dat Bernstein aan Marx juist het tegendeel van diens
werkelijke uitspraak in de mond legde, dat Marx sinds 1852 als de taak van de
proletarische revolutie het ‘breken’ van de staatsmachine op de voorgrond
stelde, daarover is bij Kautsky geen woord te vinden. Op die manier werd het
meest wezenlijke onderscheid tussen marxisme en opportunisme ten aanzien van de
taken van de proletarische revolutie bij Kautsky weggemoffeld.
‘De beslissing over het probleem van de proletarische diktatuur’, schreef
Kautsky ‘tegen’ Bernstein, ‘kunnen we wel rustig aan de toekomst
overlaten.’ (Blz. 172 van de Duitse uitgave.)
Dit is geen polemiek tegen,
maar in de grond van de zaak een concessie aan Bernstein, een
capitulatie voor het opportunisme, want voorlopig willen de opportunisten
immers niet meer bereiken dan dat alle principiële vraagstukken over de taken
van de proletarische revolutie ‘rustig aan de toekomst overgelaten’ worden.
Van 1852 tot 1891,
veertig jaar lang, hebben Marx en Engels het proletariaat geleerd dat het de
staatsmachine in stukken moet slaan. Maar met het volledige verraad voor ogen
dat de opportunisten op dit punt ten opzichte van het marxisme hebben
gepleegd, weet Kautsky het in 1899 klaar te spelen de vraag of men deze machine
moet stukslaan om te wisselen voor de vraag wat de concrete vormen
van dit stukslaan zijn, en hij zoekt dan zijn toevlucht bij de ‘onbetwistbare’
(en nutteloze) filisterachtige waarheid dat men die concrete vormen van te
voren niet kan weten! Er gaapt een afgrond tussen Marx en Kautsky in hun
verhouding tot de taak die de proletarische partij heeft, nl. de arbeidersklasse
voor te bereiden op de revolutie.
Nemen we een later,
rijper werk van Kautsky, dat eveneens in hoge mate aan het weerleggen van de
opportunistische dwalingen is gewijd. Het is zijn brochure ‘De sociale
revolutie’. De schrijver nam hier als zijn onderwerp de ‘proletarische
revolutie’ en het ‘proletarische regiem’. De auteur geeft zeer veel wat grote
waarde heeft, maar juist het vraagstuk van de staat ontwijkt hij. In de
brochure is overal sprake van de verovering van de staatsmacht, verder niets,
d.w.z. er wordt een formulering gekozen die de opportunisten tegemoetkomt
voorzover zij een verovering van de macht zonder een vernietiging van
de staatsmachine toelaat. Juist dat wat Marx in 1872 in het program van
‘Het Communistisch Manifest’ ‘verouderd’ noemt, wordt door Kautsky in 1902 weer
opgewarmd.
In de brochure is een
speciaal hoofdstuk gewijd aan de ‘vormen en wapens van de sociale revolutie’.
Hier wordt gesproken over de politieke massastaking en over de ‘machtsmiddelen
van de moderne grote staat, zijn bureaucratie en leger’, maar over dat wat de
Commune de arbeiders reeds geleerd heeft, daarover geen woord. Blijkbaar heeft
Engels de socialisten, in het bijzonder de Duitse, niet voor niets gewaarschuwd
tegen de ‘bijgelovige verering’ van de staat.
Kautsky formuleert de
zaak aldus: Het overwinnende proletariaat zal ‘het democratische program
verwezenlijken’ en hij zet dan de punten daarvan uiteen. Over het nieuwe dat
het jaar 1871 in de kwestie van de vervanging van de burgerlijke democratie
door de proletarische democratie heeft opgeleverd geen woord. Kautsky maakt
zich van de zaak af door zo ‘solide’ klinkende banaliteiten als:
‘En toch
spreekt het vanzelf dat wij onder de tegenwoordige verhoudingen niet tot de
macht komen. De revolutie zelf veronderstelt een langdurige en diepgaande
strijd die reeds onze huidige politieke en sociale structuur zal veranderen.’
Zeker spreekt dat
‘vanzelf’, net zo goed als de waarheid dat paarden haver eten en dat de Wolga
in de Kaspische Zee stroomt. Het is alleen jammer dat met behulp van de
zinledige en opgeblazen frase van de ‘diepgaande’ strijd de voor het
revolutionaire proletariaat beslissende vraag ontweken wordt waarin
de ‘diepte’ van zijn revolutie ten opzichte van de staat en ten
opzichte van de democratie zich dan wel onderscheidt van de vroegere
niet-proletarische revoluties.
Doordat Kautsky deze
vraag uit de weg gaat doet hij in werkelijkheid op dit zeer
belangrijke punt een concessie aan het opportunisme, ofschoon hij het in
woorden een verbitterde oorlog verklaart, de betekenis ‘van de
idee der revolutie’ onderstreept (hoeveel is deze ‘idee’ waard wanneer men er
voor terugschrikt onder de arbeiders de concrete lessen van de revolutie te
propageren?) of zegt: ‘het revolutionaire idealisme voor alles’ of verklaart
dat de Engelse arbeiders ‘heden ternauwernood nog iets anders zijn dan kleine
bourgeois’.
‘In een socialistische maatschappij’, schrijft Kautsky, ‘kunnen de
meest verschillende vormen van bedrijf-bureaucratische (??), vakverenigings-,
coöperatieve en eenmansbedrijven naast elkaar bestaan... Er bestaan b.v.
bedrijven die het zonder een bureaucratische (??) organisatie niet kunnen
stellen, met name de spoorwegen. De democratische organisatie kan daar een
zodanige vorm aannemen dat de arbeiders afgevaardigden kiezen, die een soort
parlement vormen dat de arbeidsreglementen vaststelt en over het bestuur van
het bureaucratische apparaat waakt. Andere bedrijven kan men aan
vakverenigingen in beheer geven, weer andere kunnen op coöperatieve grondslag
geleid worden.’ (Blz. 148 en 115 van de Russische editie, Genève, 1903.)
Deze beschouwing is
foutief en betekent een stap terug in vergelijking met wat Marx en Engels in
de zeventiger jaren aan de hand van de lessen der Commune hebben aangetoond.
Wat de zogenaamd
noodzakelijke ‘bureaucratische’ organisatie betreft, daarin verschillen de
spoorwegen beslist in niets van alle bedrijven van de machinale grote industrie
in het algemeen, van iedere fabriek, warenhuis of groot kapitalistisch
landbouwbedrijf. In al deze bedrijven schrijft de techniek onvoorwaardelijk de
strengste discipline voor, de grootste nauwkeurigheid bij het uitvoeren van de
aan ieder toegewezen deeltaak, op straffe van stremming van het hele bedrijf of
van benadeling van de installaties of produkten. In al deze ondernemingen
zullen natuurlijk de arbeiders ‘afgevaardigden kiezen die een soort
parlement vormen’. Maar daar gaat het nu juist om, dat dit ‘soort
parlement’ geen parlement in de zin van een burgerlijke parlementaire
instelling zal zijn. Het gaat er juist om dat dit ‘soort parlement’ niet alleen ‘de
arbeidsreglementen vaststelt en over het bestuur van het bureaucratische
apparaat waakt’, zoals Kautsky zich dat voorstelt wiens gedachtegang niet
buiten het raam van het burgerlijke parlementarisme komt. In de socialistische
maatschappij zal natuurlijk ‘een soort parlement’ van arbeidersafgevaardigden
‘arbeidsreglementen vaststellen’ en over ‘het bestuur van het apparaat waken’, maar
dit apparaat zal niet ‘bureaucratisch’ zijn. Nadat de arbeiders de
politieke macht veroverd zullen hebben, zullen zij het oude bureaucratische
apparaat in stukken slaan, het tot op zijn grondvesten vernietigen, er geen
steen van op de andere laten. Zij zullen het vervangen door een nieuw apparaat,
dat uit de arbeiders en employés zelf bestaat tegen wier
verandering in bureaucraten terstond de maatregelen genomen zullen worden die
Marx en Engels uitvoerig hebben onderzocht: 1. niet slechts verkiesbaarheid,
maar ook afzetbaarheid te allen tijde; 2. een loon niet hoger dan het loon van
een arbeider; 3. ogenblikkelijke overgang tot de toestand, waarbij allen functies van
toezicht en controle vervullen, allen gedurende enige tijd
‘bureaucraten’ worden, waardoor dus niemand ‘bureaucraat’ kan
worden.
Kautsky heeft de
woorden van Marx ‘De Commune moest geen parlementair, maar een werkend lichaam
zijn, uitvoerend en wetgevend tegelijkertijd’ in het geheel niet doordacht.
Kautsky heeft
absoluut niet het verschil begrepen tussen het burgerlijke parlementarisme, dat
democratie (niet voor het volk) verbindt met bureaucratie (tegen
het volk), en de proletarische democratie, die terstond de
maatregelen zal nemen om de bureaucratie uit te roeien en die in staat zal zijn
deze maatregelen door te zetten tot aan de volledige vernietiging van de
bureaucratie en de invoering van de volledige democratie voor het volk.
Kautsky openbaart
hier nog altijd dezelfde ‘bijgelovige verering’ van de staat en hetzelfde
‘bijgelovige vertrouwen’ in de bureaucratie.
Wij zullen nu
overgaan tot het laatste en beste werk van Kautsky tegen de opportunisten, zijn
brochure ‘De weg naar de macht’ (naar ik meen niet in het Russisch uitgegeven,
want zij verscheen in 1909, juist tijdens de zwartste Russische reactie). Deze
brochure betekent een belangrijke stap vooruit, voorzover daarin niet sprake is
van het revolutionaire program in het algemeen, zoals in de brochure van 1899
tegen Bernstein, en niet van de taken van de sociale revolutie onafhankelijk
van het tijdstip van haar uitbreken, zoals in de brochure van 1902 ‘De sociale
revolutie’, maar van de concrete voorwaarden die ons dwingen te erkennen dat
het ‘tijdperk van de revolutie’ aanbreekt.
De schrijver
wijst met beslistheid op de verscherping van de klassentegenstellingen in het
algemeen en op het imperialisme dat hierbij een bijzonder grote rol speelt. Na
het ‘revolutionaire tijdperk van 1789—1871’ in West-Europa begint met het jaar
1905 een daarmee overeenkomstige periode in het oosten van Europa. Met
dreigende snelheid nadert de wereldoorlog. ‘Het’ (proletariaat) ‘kan niet meer
spreken van een te vroege revolutie’. Wij zijn het revolutionaire tijdperk
binnengetreden.’ De ‘revolutionaire periode breekt aan’.
Deze verklaringen
zijn volkomen duidelijk. Deze brochure van Kautsky kan als maatstaf dienen van
wat de Duitse sociaal-democratie voor de imperialistische oorlog beloofde te
zijn en hoe diep zij (en met haar ook Kautsky zelf) bij het uitbreken van de
oorlog gezonken is. ‘De tegenwoordige situatie’, schreef Kautsky in deze
brochure, ‘brengt evenwel het gevaar met zich dat wij’ (d.w.z. de Duitse
sociaal-democratie) ‘licht voor “gematigder” gehouden worden dan wij in
werkelijkheid zijn.’ Het is echter gebleken dat de Duitse sociaal-democratische
partij onvergelijkelijk gematigder en opportunistischer was dan zij scheen!
Des te kenmerkender
is het dat Kautsky, ondanks de beslistheid waarmee hij over het reeds begonnen
tijdperk van revoluties spreekt, ook in deze brochure, die volgens zijn eigen
woorden juist aan het vraagstuk van de ‘politieke revolutie’ gewijd is,
het probleem van de staat wederom volkomen omzeilt.
Als onvermijdelijk
resultaat van dit ontwijken, omzeilen en verzwijgen van het vraagstuk kwam dan
ook de totale overgang naar het opportunisme, waarover wij thans zullen spreken.
De Duitse
sociaal-democratie heeft als het ware in de persoon van Kautsky verklaard: Ik
blijf bij de revolutionaire opvattingen (1899). Ik erken in het bijzonder de
onvermijdelijkheid van de sociale revolutie van het proletariaat (1902). Ik
erken het aanbreken van een nieuw tijdperk van revoluties (1909). Maar zodra
het gaat om de taken van de proletarische revolutie met betrekking tot de
staat doe ik een stap terug ten opzichte van dat wat Marx reeds in 1852 heeft
gezegd (1912).
Aldus werd het vraagstuk
ondubbelzinnig geformuleerd in Kautsky’s polemiek tegen Pannekoek.
3. De polemiek van
Kautsky tegen Pannekoek
Pannekoek trad tegen
Kautsky op als een vertegenwoordiger van die ‘links-radikale’ stroming, waartoe
ook Rosa Luxemburg, Karl Radek en anderen behoorden en die bij het verdedigen
van de revolutionaire taktiek unaniem ervan overtuigd was dat Kautsky op het
standpunt stond van het ‘centrum’, dat beginselloos tussen marxisme en
opportunisme heen en weer zwalkt. De juistheid van deze opvatting werd volkomen
bevestigd door de oorlog, toen het ‘centrum’ (ten onrechte marxistisch genoemd)
of het ‘kautskyanisme’ zich in heel zijn afschrikwekkende erbarmelijkheid
openbaarde.
In het artikel
‘Massa-actie en revolutie’, dat het vraagstuk van de staat aanroert (‘Neue
Zeit’, 1912, XXX, II), tekende Pannekoek Kautsky’s standpunt als dat van het
‘passieve radikalisme’, als ‘de theorie van het dadenloos afwachten’. ‘Kautsky
ziet het proces van de revolutie over het hoofd’ (blz. 616). Door het vraagstuk
zo te stellen kwam Pannekoek te spreken over het ons interesserende onderwerp,
nl. de taken van de proletarische revolutie met betrekking tot de staat.
‘De strijd van het proletariaat’, schreef hij, ‘is niet eenvoudig een
strijd tegen de bourgeoisie om de staatsmacht als zodanig, maar een
strijd tegen de staatsmacht... de inhoud van deze revolutie is de
vernietiging en ontbinding (Auflösung) van de machtsmiddelen van de staat door
de machtsmiddelen van het proletariaat... De strijd eindigt pas wanneer als eindresultaat
de volkomen vernietiging van de organisatie van de staat bereikt is. De
organisatie van de meerderheid heeft dan haar overwicht bewezen doordat zij de
organisatie van de heersende minderheid heeft vernietigd.’ (Blz. 548.)
De formulering waarin
Pannekoek zijn gedachten kleedt gaat mank aan grote gebreken. Maar zijn
gedachte is toch duidelijk en het is interessant hoe Kautsky hem
weerlegde.
‘Tot nu
toe’, schreef Kautsky, ‘bestond het verschil tussen sociaal-democraten en
anarchisten daarin, dat eerstgenoemden de staatsmacht wilden veroveren,
laatstgenoemden ze wilden vernietigen. Pannekoek wil allebei.’ (Blz. 724.)
Ook al is Pannekoeks
uiteenzetting niet duidelijk en concreet genoeg (afgezien van andere gebreken
in zijn artikel die het hier behandelde onderwerp niet raken), Kautsky wist
toch precies de door Pannekoek aangeduide principiële kant van de
zaak te pakken, en voor wat deze fundamentele principekwestie betreft
verlaat Kautsky geheel en al de bodem van het marxisme en gaat hij over naar
het opportunisme. Het onderscheid dat hij tussen sociaal-democraten en
anarchisten maakt is volstrekt fout; het marxisme is bij hem definitief
verminkt en vervlakt.
Het verschil tussen
marxisten en anarchisten bestaat hierin: 1. De marxisten streven naar de
volledige afschaffing van de staat, maar achten dit doel pas bereikbaar na het
afschaffen van de klassen door de socialistische revolutie, dus als resultaat
van de invoering van het socialisme dat tot het afsterven van de staat leidt;
de anarchisten willen de volledige afschaffing van de staat van vandaag op
morgen, zonder de voorwaarden te begrijpen die een dergelijke afschaffing
uitvoerbaar maken. 2. De marxisten achten het noodzakelijk dat het proletariaat
na de verovering van de politieke macht de oude staatsmachine volkomen vernietigt
en een nieuwe daarvoor in de plaats stelt die bestaat uit de organisatie van de
gewapende arbeiders, naar het voorbeeld van de Commune; de anarchisten, die
zweren bij het vernietigen van de staatsmachine, hebben maar een zeer vage
voorstelling van wat het proletariaat in haar plaats zal stellen
en hoe het de revolutionaire macht zal gebruiken; de
anarchisten verwerpen zelfs de gedachte dat het revolutionaire proletariaat,
zijn revolutionaire diktatuur, gebruik maakt van de staatsmacht. 3. De
marxisten eisen dat het proletariaat wordt voorbereid op de revolutie, waarbij
gebruik gemaakt wordt van de tegenwoordige staat; de anarchisten wijzen dit van
de hand.
Tegenover Kautsky nu
is het Pannekoek die in deze controverse het marxisme vertegenwoordigt, want
Marx leerde juist dat het proletariaat de staatsmachine niet eenvoudig kan
veroveren, in die zin dat de oude staatsmachine in nieuwe handen overgaat, maar
dat het dit apparaat moet vernietigen, breken en door een. nieuw vervangen.
Kautsky gaat van het
marxisme tot het opportunisme over, want juist de voor opportunisten volstrekt
onaanvaardbare vernietiging van de staatsmachine verdwijnt bij hem volledig,
maar hij laat een achterdeurtje open door het zo uit te leggen dat de ‘verovering’
niet meer is dan een eenvoudig behalen van de meerderheid.
Om zijn verminking
van het marxisme te bemantelen gaat Kautsky te werk als een schriftgeleerde:
hij komt aandragen met ‘een citaat’ van Marx zelf. In 1850 schreef Marx over de
noodzakelijkheid van ‘een besliste centralisatie van de macht in handen» van
de staatsmacht’. En Kautsky vraagt triomfantelijk: Wil Pannekoek soms het
‘centralisme’ vernietigen?
Dit is al niet meer
dan een goocheltruc die veel weg heeft van Bernsteins identificatie van het
marxisme met het proudhonisme met betrekking tot de kwestie federalisme of
centralisme.
Het ‘citaat’ van
Kautsky slaat als een tang op een varken: Centralisme is zowel bij de oude als
bij de nieuwe staatsmachine mogelijk. Als de arbeiders vrijwillig hun
gewapende krachten verenigen, dan betekent dat centralisme; deze zal dan
echter op een ‘volledige vernietiging’ van het centralistische staatsapparaat,
van het staande leger, de politie en de bureaucratie berusten. Kautsky pleegt
hier regelrecht bedrog, wanneer hij de hem welbekende beschouwingen van Marx
en Engels over de Commune omzeilt en een citaat voor de dag haalt dat met de
kwestie niets te maken heeft.
‘Wil hij’ (Pannekoek) ‘misschien de staatsfuncties van de ambtenaren opheffen?’,
gaat Kautsky voort. ‘Maar wij kunnen het in partij en vakvereniging niet
zonder beambten stellen, laat staan in het bestuur van de staat. Ons program
eist dan ook niet afschaffing van de staatsbeambten, maar de verkiezing van de
overheden door het volk... Het gaat er bij deze bespreking niet om hoe het
bestuursapparaat van de “toekomststaat” gevormd zal worden, maar of onze
politieke strijd de staatsmacht ontbindt (auflöst) nog voordat wij haar
veroverd hebben (cursief van Kautsky). ‘Welk ministerie met zijn
ambtenaren zou kunnen worden opgeheven?’ Er volgt dan een opsomming van het
ministerie van onderwijs, van justitie, van financiën, van oorlog. ‘Neen, geen
der tegenwoordige ministeries zal door onze politieke strijd tegen de
regeringen opgedoekt worden... Ik herhaal om misverstand te voorkomen: er is
hier geen sprake van de vorming van de “toekomststaat” door de zegevierende
sociaal-democratie, maar van die van de tegenwoordige staat door onze
oppositie.’ (Blz. 725.)
Dit is duidelijk de zaak
verdraaien. Pannekoek wierp juist de kwestie van de revolutie op. Dat komt
duidelijk tot uitdrukking zowel in het opschrift van diens artikel als in de
aangehaalde passages. Door op de kwestie van de ‘oppositie’ over te springen
verwisselt Kautsky op slinkse wijze het revolutionaire voor het
opportunistische standpunt. Bij hem komt het hierop neer: Nu maken wij
oppositie en na het veroveren van de macht zullen we wel verder zien. De
revolutie verdwijnt! Dat is precies wat de opportunisten willen.
Het gaat niet om de
oppositie, noch om de politieke strijd in het algemeen, maar juist om de revolutie.
De revolutie bestaat daarin dat het proletariaat het ‘bestuursapparaat’,
sterker nog, het gehele staatsapparaat vernietigt en dit
vervangt door een nieuw apparaat bestaande uit gewapende arbeiders. Kautsky
toont een ‘bijgelovige verering’ van de ‘ministeries’, maar waaróm zouden die
niet vervangen kunnen worden door, laat ons zeggen, commissies van deskundigen
bij de sowjets van arbeiders- en soldatenafgevaardigden, die de gehele macht,
met niemand verder gedeeld, in handen hebben?
De kern van de vraag
is beslist niet of er ‘ministeries’ blijven bestaan of dat er ‘commissies van
deskundigen’ of een andere soort van instellingen zullen zijn, dat is tenslotte
bijzaak. Van belang is slechts de vraag of de oude staatsmachine (die met
duizend draden verbonden is met de bourgeoisie en geheel doortrokken is van
verstarde gewoonten en conservatisme) behouden blijft of dat zij vernietigd en door een nieuwe
vervangen wordt. De revolutie mag niet daarin bestaan dat de nieuwe klasse
met behulp van de oude staatsmachine beveelt en regeert, maar dat
zij deze machine breekt en met behulp van een nieuwe machine
beveelt en regeert — deze grondgedachte van het marxisme moffelt Kautsky weg of
hij heeft er helemaal niets van begrepen.
Zijn vraag ten
aanzien van de ambtenaren toont op aanschouwelijke wijze dat hij de lessen van
de Commune en de leer van Marx niet heeft begrepen. ‘Wij kunnen het in partij
en vakverenigingen niet zonder beambten stellen...’
Wij kunnen het onder
het kapitalisme, onder de heerschappij van de bourgeoisie niet zonder
ambtenaren stellen. Het proletariaat is geknecht, de werkende massa’s zijn door
het kapitalisme tot slaven gemaakt. Onder het kapitalisme is de democratie
beperkt, ingesnoerd, besnoeid en verminkt als gevolg van de algemene
loonslavernij, de nood en ellende van de massa’s. Daarom en daarom alleen
worden in onze politieke en vakverenigingorganisaties de beambten door het
kapitalistische milieu gedemoraliseerd (of, juister gezegd, vertonen zij de
tendens gedemoraliseerd te worden) en hebben zij de neiging in bureaucraten te
veranderen, d.w.z. in van de massa’s vervreemde, en boven de massa’s
staande bevoorrechte personen.
Dat is het wezen van de
bureaucratie en zolang de kapitalisten niet onteigend zijn, zolang de
bourgeoisie niet omvergeworpen is, zolang is ook een zekere ‘bureaucratisering’
zelfs van de proletarische functionarissen onvermijdelijk.
Volgens Kautsky is
het zo: Aangezien men gekozen functionarissen houdt, houdt men ook onder het
socialisme beambten, houdt men ook de bureaucratie. Maar juist dat klopt niet.
Juist aan het voorbeeld van de Commune heeft Marx aangetoond dat onder het
socialisme de functionarissen ophouden ‘bureaucraten’ en ‘ambtenaren’ te zijn
en wel in die mate waarin naast de verkiesbaarheid ook nog de
afzetbaarheid te allen tijde ingevoerd wordt, daarbij nog het loon tot
op het gemiddelde arbeidersloon wordt teruggebracht en bovendien de
parlementaire lichamen vervangen worden door ‘werkende... uitvoerend en
wetgevend tegelijkertijd’.
In de grond van de
zaak is de hele argumentatie van Kautsky tegen Pannekoek en in het bijzonder
zijn prachtige tegenwerping dat wij het ook in partij en vakvereniging niet
zonder beambten kunnen stellen een herhaling van de oude ‘argumenten’ van
Bernstein tegen het marxisme in hét algemeen. In zijn renegatenboek ‘De
voorwaarden van het socialisme’ bestrijdt Bernstein de ideeën van de
‘primitieve’ democratie en dat wat hij ‘doctrinair democratisme’ noemt:
bindende mandaten, onbezoldigde beambten, een machteloze centrale
vertegenwoordiging enz. Als bewijs van de onhoudbaarheid van deze ‘primitieve’
democratie beroept Bernstein zich op de ervaringen van de Engelse vakbonden
(trade-unions), zoals die door de beide Webbs uitgelegd worden. In de loop van
de zeventig jaren van hun ontwikkeling hebben de trade-unions, die zich
zogenaamd ‘in volkomen vrijheid’ ontwikkelden (blz. 137 van de Duitse
uitgave), zich volgens hem overtuigd van de onbruikbaarheid van de ‘primitieve’
democratie en deze door de gebruikelijke democratie, het met bureaucratie
verbonden parlementarisme, vervangen.
In werkelijkheid
ontwikkelden de trade-unions zich niet ‘in volkomen vrijheid’, maar in
volkomen kapitalistische slavernij waarin men het natuurlijk ‘niet kon
stellen’ zonder een reeks van concessies aan het bestaande kwaad, aan het
geweld, de leugen en de uitsluiting van de armen van de ‘hogere’
bestuurslichamen. Onder het socialisme zal veel van de ‘primitieve’ democratie
zonder twijfel weer opleven, want voor de eerste maal in de geschiedenis van de
beschaafde maatschappijen zal dan de massa van de bevolking zich
verheffen tot het zelfstandig deelnemen niet alleen aan het stemmen
en aan verkiezingen, maar ook aan het dagelijkse bestuurswerk. Onder het
socialisme zullen allen om de beurt regeren en er zich snel aan
wennen dat niemand regeert.
Marx heeft met zijn
geniaal kritisch-analytisch verstand in de praktische maatregelen van de
Commune deze kentering gezien die de opportunisten vrezen en uit
louter lafheid niet willen erkennen, omdat zij er niets voor voelen
onherroepelijk te breken met de bourgeoisie, en die de anarchisten niet willen
zien, hetzij uit overhaasting, hetzij doordat zij de voorwaarden van sociale
veranderingen op massale schaal in het geheel niet kunnen bevatten. ‘Er valt
niet te denken aan een vernietiging van de oude staatsmachine; hoe zouden we
het zonder ministeries en beambten kunnen stellen’, redeneert de opportunist,
de filister in merg en been die in werkelijkheid niet alleen niet gelooft in de
revolutie, in de scheppende kracht van de revolutie, maar er zelfs doodsbang
voor is (zoals onze mensjewiki en sociaalrevolutionairen).
‘Het is alleen zaak de oude
staatsmachine te vernietigen, men behoeft zich niet te verdiepen in de concrete
lessen van vroegere proletarische revoluties en te analyseren waardoor en hoe het
vernietigde vervangen moet worden’, redeneert de anarchist (natuurlijk de beste
onder de anarchisten en niet b.v. een die in het gevolg van de heren Kropotkin
en Co. achter de bourgeoisie aandraaft). De anarchist komt dan ook terecht bij
een taktiek van vertwijfeling in plaats van bij revolutionaire
arbeid aan concrete taken, een arbeid die onverbiddelijk stoutmoedig moet
zijn, maar tegelijkertijd rekening moet houden met de praktische voorwaarden
van de massabeweging.
Marx leert ons beide
fouten te vermijden: hij leert ons heel de oude staatsmachine met onbegrensde
moed te vernietigen en tegelijk de kwestie concreet te stellen: De Commune
bracht het voor elkaar in enkele weken tijd de bouw van een nieuwe, proletarische
staatsmachine ter hand te nemen door langs die en die weg de passende
maatregelen tot grotere democratie en uitroeiing van de bureaucratie ten
uitvoer te leggen. Wij moeten dus van de communards leren; wij moeten in hun
praktische maatregelen een schets zien voor de dringend noodzakelijke en
onverwijld uit te voeren praktische maatregelen en zo zullen wij, deze weg
volgend, tot de volkomen vernietiging van de bureaucratie komen.
De mogelijkheid van
een dergelijke vernietiging wordt verzekerd doordat het socialisme de
arbeidsdag zal verkorten, de volksmassa’s tot nieuw leven zal
verheffen en voor de meerderheid van de bevolking omstandigheden zal
scheppen die allen zonder uitzondering zullen toestaan
‘staatsfuncties’ te vervullen. Dat zal tot een volkomen afsterven van elke
soort staat leiden.
‘Het kan haar taak’ (van de massastaking) ‘niet zijn’, gaat Kautsky verder,
‘de staatsmacht te vernietigen, maar alleen een regering op een
bepaald punt tot toegeven te brengen of een het proletariaat vijandig gezinde
regering te vervangen door een het proletariaat tegemoetkomende
(entgegenkommende)... Nooit ofte nimmer echter kan dit’ (de overwinning van het
proletariaat op een vijandige regering) ‘tot een vernietiging van de
staatsmacht leiden, maar altijd slechts tot een verschuiving (Verschiebung)
van de machtsverhoudingen binnen de staatsmacht... En het doel
van onze politieke strijd blijft daarbij hetzelfde als het tot nu toe was:
verovering van de staatsmacht door het behalen van de meerderheid in het
parlement en het verheffen van het parlement tot meester van de regering.’
(Blz. 726, 727, 732.)
Dit is reeds je
reinste en banaalste opportunisme, het metterdaad prijsgeven van de revolutie
bij gelijktijdige aanvaarding van de revolutie met de mond. Kautsky’s gedachten
reiken niet verder dan ‘een het proletariaat tegemoetkomende regering’— een
stap terug naar het filisterdom in vergelijking met het jaar 1847, toen ‘Het
Communistisch Manifest’ ‘de organisatie van het proletariaat tot heersende
klasse’ proclameerde.
Er zal voor Kautsky
niets anders overblijven dan het verwezenlijken van de door hem beminde
‘eenheid’ met een Scheidemann, een Plechanow en een Vandervelde, die allen
bereid zijn voor een regering te strijden die ‘het proletariaat tegemoetkomt’.
Maar wij zullen met deze verraders van het socialisme breken en voor de
vernietiging van de gehele oude staatsmachinerie strijden, opdat het gewapende
proletariaat zelf de regering wordt. En dat zijn twee
volkomen verschillende dingen.
Kautsky zal het
aangename gezelschap moeten delen van een Legien en een David, een Plechanow,
Potresow, Tsereteli en Tsjernow, die allen volstrekt bereid zijn voor een
‘verschuiving van de machtsverhoudingen binnen de staatsmacht’ te strijden en
voor ‘het behalen van de meerderheid in het parlement en het verheffen van het
parlement tot meester van de regering’ — een heel edel doel dat in alle
opzichten aanvaardbaar is voor de opportunisten en waarbij alles binnen het
raam van de burgerlijk-parlementaire republiek blijft.
Maar wij zullen met
de opportunisten breken; en het gehele klassebewuste proletariaat zal aan onze
zijde staan in de strijd niet voor een ‘verschuiving van de
machtsverhoudingen’, maar voor het omverwerpen van de bourgeoisie, voor het vernietigen
van het burgerlijke parlementarisme, voor de democratische republiek naar
het voorbeeld van de Commune of de republiek van de sowjets van arbeiders- en
soldatenafgevaardigden, voor de revolutionaire diktatuur van het proletariaat.
# # #
Nog verder rechts dan
Kautsky bevinden zich in het internationale socialisme richtingen als die van
de ‘Sozialistische Monatshefte’ in Duitsland (Legien, David, Kolb en vele
anderen, waartoe ook de Skandinaviërs Stauning en Branting behoren), de aanhangers
van Jaurès en Vandervelde in Frankrijk en België, Turati, Treves en andere
vertegenwoordigers van de rechtervleugel der Italiaanse partij, de Fabiërs en
de ‘Onafhankelijken’ (‘Onafhankelijke Arbeiderspartij’, die in werkelijkheid
altijd van de liberalen afhankelijk is geweest) in Engeland en dergelijke
meer. Al deze heren, die in het parlementaire werk en in partijpublicaties een
ontzaglijke, zeer dikwijls zelfs overheersende rol spelen, wijzen de diktatuur
van het proletariaat ronduit af en voeren een onverbloemd opportunistische
politiek. Voor deze heren is de ‘diktatuur’ van het proletariaat ‘in strijd
met’ de democratie!! In de grond van de zaak bestaat er tussen hen en de kleinburgerlijke
democraten geen wezenlijk verschil.
Neemt men deze
omstandigheid in aanmerking, dan mag men met recht de conclusie trekken dat de
Tweede Internationale in de persoon van de overgrote meerderheid van haar
officiële vertegenwoordigers geheel en al in het opportunisme is afgegleden.
De ervaringen van de Commune werden niet alleen vergeten, maar ook verdraaid.
De arbeidersmassa’s werd niet alleen niet voorgehouden dat het ogenblik nadert
waarop zij in actie moeten komen om de oude staatsmachine stuk te breken en
door een nieuwe te vervangen, ten einde op die manier hun politieke
heerschappij tot grondslag van de socialistische maatschappij te maken — de
massa’s werd juist het tegendeel ingeprent en de ‘verovering van de macht’ werd
zo voorgesteld dat voor het opportunisme duizenden achterdeurtjes open bleven.
Dit verdraaien en
verzwijgen van het vraagstuk van de verhouding van de proletarische revolutie
tot de staat moest noodzakelijkerwijs een grote rol spelen in een tijd toen de
staten met hun ingevolge de imperialistische concurrentie versterkte militaire
apparaat in oorlogsmonsters veranderden, die miljoenen mensen vernietigen om
uit te maken of Engeland dan wel Duitsland, of dit dan wel dat
financierskapitaal de wereld zal beheersen.
[noot: In
het manuskript volgt dan nog: ‘Hoofdstuk VII - DE
ERVARINGEN VAN DE RUSSISCHE REVOLUTIE VAN 1905 EN 1917 - Het in dit opschrift
genoemde onderwerp is zo uitgebreid en veelomvattend dat men daarover vele
boekdelen zou kunnen en moeten schrijven. In het onderhavige geschrift zal ik
mij natuurlijk moeten beperken tot de allerbelangrijkste lessen van deze
ervaring, voor zover ze direct betrekking hebben op de taken van het
proletariaat ten opzichte van de staatsmacht tijdens de revolutie.’ (Hier
breekt de tekst af.) ]