Leidt de overwinning van Bush tot een nieuwe wereldwanorde?CWI-analyseNovember 2004Het resultaat van de Amerikaanse presidentsverkiezingen is voor heel wat mensen, zowel in de VS als de rest van de wereld, een ontgoocheling nadat ze gehoopt hadden op een nederlaag van het gehate regime van Bush. In onderstaand document gaan we na wat het belang van de verkiezingen was en wat de impact van het resultaat zal zijn. Met een meerderheid in beide kamers van het parlement, heeft Bush al aangegeven dat hij daar volop gebruik van wil maken om een programma van verdere toegevingen aan de rijken door te voeren en tevens om zijn imperialistische buitenlandse agenda verder te zetten. “Ik heb nieuw politiek krediet verdiend en zal dit gebruiken voor hetgeen ik gezegd heb het te zullen gebruiken.” Terwijl het geen zin heeft om voorbij te gaan aan de complicaties van de overwinning van Bush, zowel in de VS als elders ter wereld, zou het tegelijk ook fout zijn om de schaal van de electorale “triomf” van Bush te overdrijven. Bush en de neo-conservatieven zijn zoals de oude leden van het koningshuis van Bourbon, ze vergeten niets en ze leren niets. Geen avontuur of verdere militaire interventie is hen teveel, zoals in Irak wordt aangetoond. Maar Irak toont ook aan dat ze moeten opboksen tegen enorme oppositiekrachten zowel in de VS als elders. De realiteit is dat de verkiezingen, zoals marxisten steevast uitleggen, een foto vormen van een bepaald specifiek historisch ogenblik. De omstandigheden die leiden tot een bepaald resultaat – zoals de overwinning van rechtse krachten – kan veranderen, en kan soms bijzonder snel veranderen. De oppositie tegen Bush, vooral in de VS, kan tijdelijk in het defensief geduwd zijn door de verkiezingsoverwinning van Bush, maar de schaal van de aanvallen die voorbereid worden voor deze tweede ambtstermijn zijn van die aard dat de oppositie onvermijdelijk zal terugkomen. Bovendien is er een minderheid van de meest bewuste lagen die niet aangetast is door de verkiezingen, zeker onder de frisse lagen van jongeren en arbeiders. Zij zullen op zoek gaan naar antwoorden op vragen over de aard van de samenleving en het VS-kapitalisme, waarbij een aantal van hen radicale conclusies zal trekken en zelfs komen tot socialistische en marxistische opvattingen. Iedere actie leidt tot een gelijke en tegengestelde reactie. De verkiezingen hebben niet op een beslissende wijze de krachtsverhoudingen in de VS veranderd, of de verhouding tussen de VS en de rest van de wereld veranderd. Kerry en de Democraten gaven voordien reeds aan dat hun kritiek op Bush vooral betrekking had op de stijl en niet zozeer op de inhoud. Dat is niet hoe het gezien werd door de massale oppositie tegen Bush. De geschatte toename in de opkomst, zo’n 10%, maakt dat de opkomst de hoogste was in 30 jaar tijd. Dat is een uitdrukking van de oppositie en de haat bij grote delen van de VS-samenleving, zeker onder delen van de jongeren en de meerderheid van de Afro-Amerikanen. Een nederlaag van Bush zou door hen gezien worden als een afwijzing van de militaire strategie van de neo-conservatieven – “preventieve aanvallen” – de oorlog en de semi-militarisering van de VS-samenleving. Dat zou zeker het geval geweest zijn bij de miljoenen deelnemers aan de nooit geziene anti-oorlogsbeweging van vorig jaar. Het zou gezien worden als een gedeeltelijke “compensatie” voor het feit dat de anti-oorlogsbeweging er niet slaagde om de oorlog tegen te houden. Deze groei van oppositie was echter niet voldoende om een tegengewicht te bieden voor de mobilisatie van miljoenen christelijke fundamentalisten die in 2000 niet stemden, maar nu gemobiliseerd werden om te stemmen voor een reactionair programma tegen abortus, holebi-rechten en steun voor de “oorlog tegen het terrorisme”. Bush en de neo-conservatieven rond hem, zullen de verkiezingsoverwinning ongetwijfeld aanzien als een instemming met een agressieve imperialistische opstelling. De overwinning van Bush zal door de bevolking van de VS, laat staan elders in de wereld, echter niet gezien worden als een goedkeuring van zijn beleid of een instemming met “meer van hetzelfde” in de komende vier jaar. In tegendeel, het falen van het VS-imperialisme in Irak en de catastrofale gevolgen voor haar positie zullen de mogelijkheden voor Bush sterk beperken. In plaats van een assertieve militaire politiek gericht op interventies, zal Bush verplicht zijn om een politiek te voeren zoals die ook door Kerry werd beloofd: het zoeken van een gewapende vrede met Syrië, Iran en Noord-Korea in plaats van een militaire tussenkomst om die regimes omver te werpen. Dat sluit niet uit dat er militaire interventies zullen zijn door de VS of dichte bondgenoten zoals Israël tegenover “schurkenstaten”. Israël bombardeerde reeds de nucleaire installaties van Irak onder het regime van Saddam, Reagan bombardeerde het Libië van Kadaffi en viel binnen in Granada. Het bombarderen van nucleaire installaties in Iran door Israël kan niet uitgesloten worden. Maar dat zal echter sterk afhankelijk zijn van de interne politieke situatie in Israël, een politieke situatie die veel onstabieler is dan in de periode toen het Irak bombardeerde. Met het falen in Irak vers in het geheugen, is een oorlog tegen Iran met een bezetting niet waarschijnlijk. Iran heeft drie keer meer inwoners dan Irak en, ondanks de illusies over de aantrekkelijkheid van Amerikaanse levensstandaarden, zou een aanval leiden tot een versterking van een Iraans nationalisme, een element dat sterk aanwezig was in de revolutie van 1979-80 en een essentieel kenmerk van het huidige regime vormt. Ondanks de massale oppositie tegen de Islamitische “hardliners”, zou de bevolking bij een Amerikaanse aanval ongetwijfeld met het regime meevechten. Geen rustige periode Dat betekent niet dat de VS en de wereld een “rustige” periode zullen kennen. Het feit dat Bush aan de macht blijft en omringd wordt door neo-conservatieven die zich ideologisch baseren op de joods-christelijke fundamentalistische rechterzijde, zal leiden tot een nieuwe periode van unilateralisme, Amerikaans nationalisme en imperialisme op wereldvlak. De enorme militaire macht van de VS kwam tot uiting bij het begin van de oorlog, maar in de oorlog tegen het verzet tegen de bezetting worden de beperkingen van de militaire macht duidelijk. Zelfs volgens Bush is de wil groter dan de macht. Met andere woorden: de wil is er wel om op te treden als “politieman van de wereld” in de “oorlog tegen het terrorisme”, maar dit wordt ondermijnd door de verzwakte economische situatie. De bedoelingen van de VS komen ook tot uiting in het moeras waarin Irak vandaag beland is. De steeds grotere militaire kosten, samen met de beperkingen op vlak van militaire mankracht, vormen een test voor de enige militaire supermacht van de wereld. Zoals Peter J. Petersen schreef in het magazine Foreign Affairs: “Gedurende het grootste deel van de geschiedenis van de VS, leek het voeren van een oorlog op het organiseren van een grootschalig nationaal programma op jobs te creëren, waarbij het meeste werk werd verricht door onervaren snel opgeleide rekruten. Vandaag lijkt het meer op de maanmissie van de NASA, waarbij er nood is aan een enorme logistieke ondersteunen met een professioneel geleid en soepel orgaan van hoogtechnologische krachten. Twee divisies één week inzetten voor ‘stabiliteitsoperaties’ in Irak kost 1 miljard dollar, hen een volledig jaar inzetten kost evenveel als het volledig BNP van Nieuw-Zeeland.” Voor de ontwikkeling en productie van wapens wordt nu voorzien in een budget dat zal stijgen tot meer dan 100 miljard dollar tegen 2010 – terwijl het na de koude oorlog in de jaren 1990 teruggevallen was op 50 miljard dollar. Dat budget is hoger dan de piek onder Reagan. De grote investeringen in defensie leiden er toe dat het totale defensiebudget veel hoger zou kunnen zijn dan de officiële vooruitzichten van de regering. Met de intrestkosten inbegrepen zou meer dan 1,1 triljoen dollar gespendeerd worden waardoor de begroting zwaar onder druk komt te staan. Tegelijk zien we dat de VS geconfronteerd wordt met een ernstige militaire overstretch. Zelfs met de hulp van de reservisten en de Nationale Garde kan dit niet vermijden dat er een overbelasting van het leger is. In december 2003 werden slechts 2 op de tien divisies van het leger niet ingezet of in hoge staat van paraatheid. (‘Foreign Affairs’) Bovendien zijn de militaire uitgaven niet zo sterk onderbouwd zoals dat in het verleden het geval was door de economische sterkte van het VS-imperialisme. De VS leent nu meer dan 540 miljard dollar per jaar van de rest van de wereld om de schulden te betalen die veroorzaakt worden door de Amerikaanse consumptie en diensten. Dit cijfer zal wellicht nog stijgen. Dit nooit geziene tekort wordt ofwel betaald door directe leningen, ofwel door de verkoop van Amerikaanse bezittingen aan buitenlandse bedrijven, en dat van voorraden tot bedrijven en vastgoed. De VS voert dagelijks zowat 4 miljard dollar buitenlands kapitaal in, waarbij de helft daarvan nodig is om het tekort op te vullen en de andere helft dient voor buitenlandse investeringen. Dit tekort is groter dan onder Reagan in 1987, toen de dollar een derde van haar waarde verloor en de beursen in elkaar stortten op “Zwarte Maandag”. Bovendien zal het tekort blijven groeien. Zoals Petersen schreef in ‘Foreign Affairs’: “Als er niets verandert, zou het lenen blijven voortduren tot buitenlanders alles in de VS bezitten. Een stijging van de intrestvoeten (om investeringen te ontmoedigen) en een daling van de dollar (om import te ontmoedigen en export aan te trekken) zou geleidelijk het tekort kunnen dichten. Dat tekort zal niet volledig verdwijnen, maar het zal voldoende afnemen om het buitenlandse aandeel in de VS-economie te stabiliseren.” Fred Bergsten, directeur van het Instituut voor internationale economie, stelt: “We begrijpen eindelijk de echte betekenis van voorzieningseconomie. Buitenlanders voorzien de meeste goederen en al het geld.” Die situatie kan niet onbeperkt blijven duren. Economische basis ondermijnd De langdurige economische achteruitgang in de VS, in het bijzonder bij de nieuwe technologie en de industrie, bedreigt de positie van de VS als dominante wereldmacht. Het aantal patenten dat vandaag geclaimd wordt door wetenschappers in Azië, vooral in China, Singapore, Zuid-Korea en Taiwan, neemt toe. Indische bedrijven worden snel de tweede grootste producent van diensten waarbij zowel de ontwikkeling als het beheer van databanken en andere software voor hun rekening wordt genomen. Zuid-Korea vormt meer en meer een concurrent voor de VS op vlak van het produceren van computerchips en software voor telecommunicatie. China heeft indrukwekkende vooruitgang geboekt op vlak van technologie zoals lasers, biotechnologie en geavanceerd materiaal dat gebruikt wordt in semi-conductoren, de luchtvaart en andere terreinen. Het klopt dat de technische dominantie van de VS vrij stevig blijft. Maar de globalisering van onderzoek en ontwikkeling zet het Amerikaanse systeem onder druk. De VS leert dat globalisering een mes met twee kanten is. Het is zowel een katalysator voor de technologische vernieuwingen in de VS als een bedreiging voor haar vroegere dominantie. De VS spendeert twee keer zoveel als Japan voor onderzoek en ontwikkeling (Japan is de tweede grootste factor op dit gebied) en in 2002 werd meer uitgegeven dan in Canada, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan en Groot-Brittannië samen. Tegelijk werd op vlak van onderzoek en ontwikkeling meer uitgegeven dan het BNP van Finland, IJsland, Japan, Zuid-Korea en Zweden. De VS leidt nog steeds de globale technologiemarkt, zeker op vlak van informatie- en communicatietechnologie. Maar tegelijk vormen de stijgende begrotingstekorten en de toenemende druk van de intrestbetalingen ervoor dat dit een grotere hap uit het overheidsbudget voor onderzoek en ontwikkeling wegneemt. Bovendien staan private onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten onder druk omwille van de vertraging op economisch vlak. Dat heeft op zijn beurt een gevolg op de productiviteit van Amerikaanse wetenschappers en onderzoekers (38% van de Amerikaanse onderzoekers die doctoreren zijn buiten het land geboren, van de doctoraten op wetenschappelijk vlak die toegekend werden aan buitenlandse studenten waren er in de 15 jaar voor 2000 meer dan de helft voor studenten uit China, India, Zuid-Korea en Taiwan). De beperkingen op de toegang van vreemde studenten in de VS hebben nieuwe beperkingen ingebouwd, waardoor Chinese en Indische wetenschappers eerder in hun eigen land blijven. Er ontstaat heel wat nieuwe technologie in de regio rond Shanghai in China, Bangalore in India en Shinchu in Taiwan. Dit is deels gebaseerd op de aanwezigheid van een grote voorraad van goedkope arbeidskrachten, maar wetenschappers die in de VS opgeleid zijn hebben mee geholpen om deze centra te ontwikkelen waardoor ze vandaag, volgens een Amerikaanse commentator, in China “in staat zijn om gelijk welk project op vlak van software of management uit te voeren waar men in de VS toe in staat is.” In India zijn er hoog opgeleide software “architecten” die tewerk gesteld worden door VS-multinationals. De burgerlijke economische commentatoren vrezen dat de economische problemen in de VS zullen leiden tot een beperktere financiering van wetenschappers, wat “één van de steunpilaren van de toekomstige economie en technologische gezondheid van het land” zou verzwakken. Irak Deze economische tendensen zorgen ervoor dat er mogelijks een belangrijke machtsverschuiving zal zijn vanuit de VS. Op militair vlak blijft de VS echter overduidelijk de enige supermacht. Maar met de groeiende economische zwakte in de VS, betekent dit dat de rest van de wereld een “deel van de last” zal moeten dragen om deze militaire macht in stand te houden. Dat was het geval bij de Eerste Golfoorlog begin jaren 1990. Het Europese en vooral het Japanse imperialisme waren bereid om de militaire kost van die oorlog mee te dragen. Dat veranderde echter met de machtsovername door George W. Bush. De politieke en militaire doctrine die bepalend is voor het huidige beleid is er één van “militaire uitputting onder de naam preventie”. (‘Foreign Affairs’). Dat beleid heeft geleid tot het moeras in Irak en heeft geleid tot kritiek op Bush en de neo-conservatieven. Slechts 2% van de Irakezen steunt de VS-bezetting volgens recente peilingen. In plaats van één centrale dictator, Saddam, heeft de oorlog en de VS-bezetting de Irakese bevolking tientallen “kleine Saddams” opgeleverd, waaronder een aantal barbaarse Islamitische groepen zoals de groep van al-Zaqarwi die verbonden is met al-Qaeda. Deze terroristische groepen zijn het resultaat van een barbaarse oorlog en bezetting, waarbij geschat wordt dat het aantal burgerslachtoffers meer dan 100.000 bedraagt, en waarbij de armoede, ontvoeringen, werkloosheid,… verder toeneemt. Net zoals in Vietnam is er geen uitweg zichtbaar voor het VS-imperialisme. De belegering van Falluja werd zorgvuldig gepland om samen te vallen van de Amerikaanse verkiezingen en voor de voorgestelde Irakese verkiezingen van januari 2005. De schaal van de horror werd aangegeven door de “directeur van de nationale veiligheid” van Irak, die toegaf: “We kunnen de stad innemen, maar we zouden iedereen die er zich bevindt moeten vermoorden.” Het is niet enkel de VS die de gevolgen van de missie in Falluja moet dragen. Britse troepen moesten uit het zuiden teruggehaald worden om aan de rand van Bagdad de plaats in te nemen van Amerikaanse troepen die ingezet werden bij de belegering van Falluja. Zelfs indien de VS de stad “volledig” inneemt, zal het een Pyrrusoverwinning zijn, waarbij het Irakese verzet nog zal versterkt worden. Het CWI steunt het verzet van de Irakese bevolking, waaronder ook het gewapend verzet tegen de bezetting. Maar in tegenstelling tot opportunistische groepen – getypeerd door de Britse Socialist Workers Party en haar internationale stroming – geven wij geen “onvoorwaardelijke” steun aan iedere vorm van “verzet” door diegenen die beweren het “verzet” te zijn. We zijn geen pacifisten en hebben steeds het recht van de arbeiders en arme boeren op verzet tegen het kapitalisme en imperialisme, militair verzet indien nodig, verdedigd. Maar wij gaan steeds na of de gebruikte methoden het bewustzijn van de arbeidersklasse en de arme boeren versterken, of ze hun zelfvertrouwen en het massaal verzet versterken. Indien dat het geval is, moeten we het verzet steunen. Terroristische methoden van kleine onrepresentatieve groepen daarentegen, steunen wij niet. Die gebruiken barbaarse methoden zoals het onthoofden van gijzelaars, het willekeurig neerschieten of het plegen van bomaanslagen tegen de Irakese bevolking,… Die methoden zijn niet legitiem vanuit een arbeidersstandpunt en een socialistisch standpunt. Die methoden zijn anders dan specifieke militaire acties die deel uitmaken van een massale mobilisatie en bewapening van de arbeidersklasse. In september waren er 2.700 aanvallen op Amerikaanse troepen, maar slechts 6 ervan werden opgeëist door de groep van al-Zaqarwi. Die zijn niet representatief voor het verzet van de Irakese bevolking tegen de bezetting. De VS, met haar toenmalige consul Paul Bremer, stelde Allawi aan als premier. Het regime van Allawi wordt door de bevolking algemeen gezien als een regime geleid door “niet-Irakezen” aangezien de meeste leiders lange tijd in het buitenland verbleven, al dan niet in dienst van de CIA. De regering-Allawi keert zich scherp tegen de arbeidersklasse. Een oude wet van Saddam uit 1987 waardoor stakingen in de overheidssector werden verboden, werd opnieuw ingevoerd. Dit kon niet verhinderen dat de arbeiders in de olie-industrie een succesvolle staking ondernomen hebben om de VS te doen afzien van haar bombardementen op Najaf. Ongetwijfeld zijn de Irakese arbeidersorganisaties vandaag nog beperkt. Maar het is de taak van alle socialisten en marxisten om op te komen voor de onafhankelijke ontwikkeling van de arbeidersklasse en haar organisaties, zelfs midden de brutaliteit van Irak. De burgerij, noch het imperialisme noch de zwakke en afhankelijke Irakese burgerij waaronder de leiders van de verschillende burgerlijke partijen, kan een uitweg aanbieden uit de catastrofe. De verkiezingen – als ze doorgaan – zullen niets oplossen. Het zou zelfs een versterking van etnische conflicten kunnen teweegbrengen, iets wat nu nog beperkt is door de aanwezigheid van de gezamenlijke vijand in de vorm van de VS en de bezettingstroepen. De voorwaarden voor een massaal sektair conflict zijn echter sterk aanwezig, zoals reeds duidelijk werd met de afslachting van 40 Irakese soldaten door troepen van al-Zaqarwi. Die laatste baseert zich op de Soennieten en buitenlandse Arabische strijders. Hun slachtoffers waren in dit geval allemaal Sjieten. Anderzijds werd door de kringen rond Ayatollah al-Sistani, die de meerderheid van de Sjieten vertegenwoordigt, aangekondigd dat er bij de verkiezingen een Sjietische eenheidslijst zal komen. Dat kan de weg voorbereiden voor een conservatief “parlement” dat gedomineerd wordt door religieuze Sjieten. Het zou voor het eerst sinds de creatie van Irak in 1920 zijn dat de Sjieten de “controle” zouden overnemen. De VS heeft goede redenen om op te komen voor een “consensus”-lijst samengesteld uit alle etnische en religieuze groepen. In juli nog werd Bush door militaire verantwoordelijken gewaarschuwd dat Irak wel eens zou kunnen “afglijden in een burgeroorlog”. Er wordt gespeculeerd dat de meerderheid van de kandidaten op de Sjietische lijst leden zouden zijn van de twee partijen die de coalitie steunen, de Islamitische Dawa partij en de Operraad voor Islamitische Revolutie in Irak (SCIRI). Al-Sadr en zijn Mehdi-leger hebben een tegenstrijdige positie ingenomen. Enerzijds hebben ze een aantal ouderwetse wapens overgeleverd aan de bezettingstroepen in ruil voor financiële compensatie (wat wellicht zal aangewend worden om moderne wapens te kopen). Al-Sadr gaf in oktober aan dat hij niet zou deelnemen aan de verkiezingen, wellicht rekent hij erop dat het beter is om zich niet te verbranden aan de Sjietische partijen die een regering zullen vormen en zullen samenwerken met de VS en de bezettingstroepen. Tegelijk hebben de “rijke” olieprovincies uit het zuiden van Irak aangegeven dat zij graag zouden afsplitsen, waardoor 80% van de oliereserves zouden afgescheiden worden. De Soennitische bevolking, in het bijzonder de geprivilegieerde lagen van deze bevolking, zal niet zomaar aanvaarden. De Koerden evenmin. Het opbreken van het land met een mogelijke Balkanisering van Irak zou zich dan stellen. Dat zou echter niet beperkt blijven tot de grenzen van Irak, maar zou ook gevolgen hebben voor de Soennieten en Sjieten in de buurlanden zoals Iran, Saoedi-Arabië (dat zou kunnen geconfronteerd worden met een burgeroorlog en afscheidingen), Turkije en Syrië. Het hoeft geen verwondering te wekken dat een Britse burgerlijke commentator stelde: “De coalitietroepen zijn een deel van het probleem. Hoe sneller ze weggaan, hoe beter – alleen is er geen haalbaar alternatief.” Dat is ongetwijfeld correct op burgerlijke basis. Socialisten eisen de onmiddellijke terugtrekking van alle bezettingstroepen zodat de Irakese bevolking over haar eigen lot kan beslissen. Die eis heeft nog steeds veel steun in de anti-oorlogsbeweging. Maar met de latente aanwezigheid van sectaire conflicten, zal die eis niet voldoende zijn om te antwoorden op wat het kamp van de verdedigers van de oorlog zal stellen. Zij zullen zeggen dat als de troepen teruggetrokken worden, de chaos zal versterkt worden in Irak waarbij we daar “allemaal de prijs voor moeten betalen” met een nieuwe golf van terreuraanslagen. Irak vertoont kenmerken van de situatie in Noord-Ierland en de Balkan, maar dan op een veel grotere schaal. De nationale en etnische tegenstellingen kunnen niet opgelost worden op kapitalistische basis. Een onafhankelijk arbeidersstandpunt, gericht op de eenheid van de arbeidersklasse over de verschillende etnische achtergronden heen, zal de enige weg vooruit zijn voor de bevolking van Irak. "Internationale wetten" De gevolgen van de situatie in Irak op de VS, het Midden-Oosten en de wereld zullen de komende periode blijven duren. Zelfs Kerry gaf voor de verkiezingen aan dat er minstens 40.000 extra Amerikaanse militairen zouden nodig zijn om de “opstand” neer te slaan. Zelfs met de steun van de “coalitie” zal dit niet genoeg zijn om zelfs tijdelijk de situatie te stabiliseren. Het regime van Bush heeft reeds nagegaan in hoeverre andere militaire krachten bereid zijn om “de lasten mee te dragen”, met de mogelijkheid van een deelname in een “VN-macht”. Maar het afbrokkelen van de autoriteit van de VS door de oorlog in Irak heeft enorme gevolgen en zorgt ervoor dat er nog geen steun is voor de voorstellen van Bush. De Europese burgerij beroept zich op het feit dat de VS de “internationale wetgeving” heeft gebroken. Dat wordt ondersteund door een gamma aan burgerlijke professoren die het verschil tussen Bush en de formele aanpak van de VS na WO2 willen “bewijzen”. De bedreiging van een ander sociaal systeem, het stalinistische Rusland, dwong het VS-imperialisme om ondanks haar militaire macht rekening te houden met de belangen van haar medestanders. Dat was het uitgangspunt van het Charter van de Verenigde Naties dat een sterke VS-invloed kende. In tegenstelling tot de standpunten van kapitalistische machten voor WO 2 – zo verklaarde de Duitse kanselier tijdens WO1 dat een verdrag dat de neutraliteit van België vastlegde een “vod papier” was – werd door het VN-Charter opgelegd dat landen zich onthouden van het inzetten van troepen die de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van andere landen bedreigen. Er waren wel uitzonderingen mogelijk, waarbij ofwel op individuele basis ofwel door een collectieve tussenkomst werd gekozen voor een gewapende strategie. Dit concept van “internationale wetgeving” is natuurlijk doordrongen met hypocrisie en tegenstellingen. Voor marxisten is wetgeving in laatste instantie altijd bepaald door een klassenbasis. De burgerij probeerde de steun van de bevolking en de “publieke opinie” te winnen door grote morele principes naar te voor te schuiven. Maar in werkelijkheid waren het niet de internationale wetgeving en instellingen, maar de omstandigheden van de Koude Oorlog en de specifieke rol van Washington daarbij die aan de basis lagen van aanpak na WO2. “In tegenstelling tot de mythologie aan beide kanten van de Atlantische Oceaan, werd de legitimeit van de VS tijdens de Koude Oorlog niet zozeer bepaald door het feit dat VS mee aan de wieg van de VN stond of trouw de regels van de internationale wetgeving nakwam. Washington had het recht om ‘gelijk waar en wanneer’ tussen te komen, zoals duidelijk werd gemaakt met de oorlog in Vietnam, een oorlog die niet gesteund werd door de VN, of met de recente oorlog in Irak. In beide gevallen leidde dit tot een ernstige ondermijning van de autoriteit van de VS”, aldus de commentator Robert Kagan. De neo-conservatieven stelden het anders. John Bolton, een functionaris in de regering-Bush, stelde voor Bush aan de macht kwam: “Het is een grote fout als wij enige waarde zouden hechten aan internationale wetgeving, zelfs indien dit op korte termijn in ons belang zou zijn, aangezien het op langere termijn de bedoeling is van diegenen die denken dat internationale wetgeving iets betekent, om de macht van de Verenigde Staten te beperken.” Deze brutale omschrijving van een Amerikaans unilateralisme is in de praktijk gebracht door het regime van Bush en dit met enorm schadelijke gevolgen. De VS wordt vandaag algemeen aanzien als de belangrijkste ‘schurkenstaat’ ter wereld. Recente opiniepeilingen hebben de enorme onpopulariteit van de VS op wereldvlak aangetoond. Enkel in Israël en Rusland was een meerderheid VS-gezind. Het afkeuren was het sterkst aanwezig in Europa waar 76% zich uitsprak tegen het buitenlands beleid van de VS, een stijging met 20% op 2 jaar tijd. Zelfs 60% van de Britten, de enige belangrijke macht die een belangrijk aantal troepen ontplooide in de oorlog in Irak, spraken zich uit tegen Bush. Deze oppositie stijgt tot 77% bij jongeren onder de 25. Zelfs een peiling in de VS gaf aan dat 67% van de Amerikanen de indruk had dat de VS minder gerespecteerd wordt in de rest van de wereld en 43% dacht dat de oorlog een belangrijk probleem was. De onverschilligheid van Bush, zowel op historisch vlak als op vlak van zijn imago in Europa en de rest van de wereld, komt tot uiting in zijn vergelijking tussen WO2 en 11 september: “Zoals de Tweede Wereldoorlog, begon de oorlog die we vandaag vechten met een verrassingsaanval op de VS”. Zoals een onwaardige Europese journalist schreef: “Vertel dat maar eens aan de Polen.” Midden-Oosten: het conflict tussen Palestina en Israël De haat tegenover de VS is wellicht het sterkst in de Arabische wereld en onder de 1,3 miljard moslims. De burgerlijke commentatoren zijn gealarmeerd en wijzen erop dat de vijandigheid tegenover de VS verder gaat dan de religieuze radicalen, maar een onderdeel van de populaire cultuur geworden is. Een leraar Engels aan een duurdere school in Caïro zei aan de Financial Times: “Ik heb altijd al geweten dat de Amerikanen klootzakken zijn.” De aanval op Afghanistan en het verschrikkelijke lot van de Palestijnen en de Irakezen heeft dit versterkt. Terwijl Israël al gehaat werd voor Bush aan de macht kwam, slaagde de VS er voorheen niet in om een gelijkaardige graad van afkeer op te wekken in de Arabische samenleving. Die afkeer is natuurlijk vooral intens onder de arbeidersklasse en de arme boeren. Het komt bovendien openlijk naar voor in de media en vaak wordt door de bevolking het verband gelegd met de corrupte Arabische regimes die mee verantwoordelijk zijn voor de vernedering van de Arabische bevolking door de VS-bezetting in Irak. De dubbelzinnige houding van veel Arabische regimes werd duidelijk gemaakt bij de moord op een Palestijnse Hamas-leider in Damascus. Een Arabische krant die in Londen gebaseerd is, stelde dat een niet nader genoemd Arabisch regime “informatie over Hamasleiders doorgaf aan de Mossad, de Israëlische staatsveiligheid”, nadat de Mossad daar een verzoek toe had gedaan. In Israël zelf wordt de Likoed-regering van Sharon geconfronteerd met een dubbele crisis naar aanleiding van de voorgestelde terugtrekking van Israël uit de Gaza-strook en de harde neo-liberale begroting dat het wil doorvoeren omwille van de catastrofale economische positie van het land. Het terugtrekkingsplan omvat de terugtrekking van 8.000 kolonisten en werd onthaald door verwijten van Likoed-leden als zou Sharon een “verrader” zijn. Sharon zelf ziet de noodzaak van “toegevingen” om het vredesproces te bevriezen. Dit werd toegegeven door een adviseur van Sharon, Weisglass, die in een interview met de Israëlische krant Ha’aretz stelde dat het plan ertoe zou leiden dat “van de 240.000 kolonisten, er 190.000 ter plekke zouden blijven.” Desondanks werd Sharon door zijn eigen aanhangers bedreigd met de mogelijkheid van een “burgeroorlog” en zelfs een moordaanslag, hetzelfde lot dat Rabin eerder onderging. Likoed is zelf enorm verdeeld waardoor Sharon afhankelijk wordt van de stemmen van Shimon Peres en de “Arbeiders”-partij om het plan door de Knesset te krijgen. Dat kan leiden tot een coalitie-regering van delen van Likoed rond Sharon en Labour. Dit kan echter moeilijker worden door het besparingsplan dat kan verworpen worden indien zowel de Arbeiderspartij als de tegenstanders van het terugtrekkingsplan tegen de regering stemmen. Tegen deze achtergrond wordt door de Israëlische burgerij sterk aangedrongen om toch besparingsmaatregelen door te voeren. Anderzijds is de Israëlische arbeidersklasse overgegaan tot een algemene staking tegen de maatregelen. De burgerij is zo wanhopig dat het ieder uitstel van haar offensief tegen de arbeiders wil vermijden door druk te zetten op Netanyahu, de neo-liberale minister van financies, die eerder dreigde de regering te zullen verlaten. De burgerij herhaalt de argumenten van Sharon dat een terugtrekking uit Gaza – met enorme compensaties voor de kolonisten – noodzakelijk is voor de economie. Dat is deels zo omwille van de druk voor een verder internationaal isolement van Israël gecombineerd met de dreiging van economische sancties, in het bijzonder vanuit Europa. Ondanks al die elementen is het mogelijk dat de regering zal vallen en dat er nieuwe verkiezingen komen waarbij de uitslag compleet onvoorspelbaar is. Dit alles vormt de achtergrond voor de versterking van de tegenstellingen tussen Israëli en Palestijnen. Dat komt ook tot uiting in de bouw van een muur naar het Berlijnse voorbeeld, de voorstellen voor afgescheiden wegen en de creatie van aparte scholen voor de Arabische bevolking in Israël. Deze apartheidsmaatregelen zullen geen garantie bieden voor de vraag naar “veiligheid” in Israël. Integendeel, het vooruitzicht van een aparte Palestijnse staat wordt minder waarschijnlijk waardoor delen van de Palestijnse burgerij en ook delen van de massa’s willen opkomen voor gelijke rechten van Palestijnen en Israëli in Israël. Aangezien de Palestijnen een demografisch voordeel hebben, er zijn meer Palestijnen en er worden bovendien meer Palestijnen geboren dan Israëli, zou dit binnen de 10 jaar kunnen leiden tot een Palestijns-Arabische meerderheid binnen de huidige Israëlische staat, iets wat de heersende klasse niet zal toelaten. Dit “nachtmerrie”-scenario heeft ertoe geleid dat op een haastige wijze geprobeerd wordt om een vorm van haalbare Palestijnse entiteit te creëren, wat niet mogelijk is op basis van het kapitalisme. Als de geplande terugtrekking van 8.000 kolonisten uit Gaza leidt tot een dreigement van een “burgeroorlog”, zou een vertrek van 200.000 kolonisten uit de Westelijke Jordaanoever die dreiging in realiteit omzetten. Anderzijds zijn de Palestijnen sterk verdeeld en met het wegvallen van Arafat kan dit leiden tot een openlijk conflict over zijn opvolging. De Palestijnen hebben een zware tol betaald voor de Intifida, met minstens 3.334 doden tot september 2004 (1.017 Israëli zijn omgekomen), het vernietigen van de basisinfrastructuur door het Israëlische leger (IDF), en ook honger en miserie op het niveau van Afrikaanse landen in de sub-Sahara regio zijn nu een realiteit voor een aantal Palestijnen. Tegelijk zijn veel illusies in de corrupte Palestijnse Autoriteit (PA) verdwenen, en heerst er een gevoel dat al de opofferingen voor het verzet tegen de bezetting niet geleid hebben tot een stap vooruit maar integendeel de situatie van de Palestijnse bevolking enkel verslechterd hebben. Een voormalige militant sprak met de Financial Times en stelde: “De Intifida was een ramp – ieder gezin heeft wel iemand die vermoord is of in de gevangenis zit. Hierdoor beschouwt de bevolking zowel Israël en de PA als vijanden. Israël omdat het hun kinderen vermoordt, en de PA omdat het hen niet verdedigt.” Voor Arafats ziekte en evacuatie naar Parijs, was er speculatie dat bij verkiezingen voor de PA noch Fatah noch de Islamitische groepen zoals Hamas belangrijke vooruitgang zouden boeken, maar dat “partijen die zich baseren op een niet gewelddadige aanpak” sterk naar voor zouden komen. Met de aanhoudende brutale repressie tegenover de Palestijnen, is dat problematisch. Maar het idee kan groeien dat een gevecht tussen gewapende groepen die zich niet baseren op massa-organisaties en massale betrokkenheid, heeft afgedaan. Samen met de gebeurtenissen op internationaal vlak, vooral de radicalisatie van de arbeidersklasse in Israël, kan het idee van een massaal socialistisch verzet een belangrijke factor worden onder de Palestijnse bevolking. Op korte termijn is een machtsstrijd binnen Fatah mogelijk. Figuren als Dahlan, die de voorkeur geniet van de Israëli, en voormalig premier Abbas, zullen er wellicht niet in slagen om op langere termijn een leidinggevende rol te spelen. Het is mogelijk dat Barghouti, die momenteel gevangen zit in Israël en nog steeds steun krijgt omwille van zijn vroegere rol in de al-Aqsa brigades, zich opwerpt als de nieuwe Palestijnse “sterke man”. Maar het web van corruptie rond het regime van Arafat – wat reeds leidde tot een gedeeltelijke opstand in Gaza toen hij probeerde zijn neef aan te stellen als politieverantwoordelijke – kan in de komende periode een groter verzet op gang brengen. Vanuit het standpunt van het VS-imperialisme zou een verkiezingsoverwinning van Kerry weinig verschil gemaakt hebben, behalve dat de toon lichtjes anders zou geweest zijn. Bush zal nu wellicht proberen om een nieuw “stappenplan” op te zetten, maar zal Israël blijven steunen. Bush leverde voor de verkiezingen nog 500 bommen tegen bunkers. Tegelijk zal Israël onder druk gezet worden om op papier een aantal toegevingen te doen aan de Palestijnen. Omwille van de enorme energie die in de Intifada aangewend werd en de schijnbare onoplosbaarheid van het conflict, kunnen er toe leiden dat er periodes van relatieve rust ontwikkelen. Maar het onderliggend conflict tussen Israël en de Palestijnen kan niet opgelost worden op kapitalistische basis. Wij komen op voor het recht van de Palestijnen op een eigen staat en komen op voor eenzelfde recht voor de Israëli, maar dan wel op een socialistische basis en binnen het kader van een socialistische federatie van de regio. Het is noodzakelijk om die eis naar voor te brengen, zelfs op een ogenblik dat er bredere steun is voor een “twee-staten” oplossing. De aanhoudende militaire dominantie over de Palestijnse gebieden kan niet in stand gehouden worden op langere termijn. De Zionistische droom wordt zelf aangetast naarmate de jongeren meer en meer weigeren om de rol te spelen van agenten van de “dubieuze miljonairs” bij de militaire onderdrukking van de Palestijnen. De enorme verdeeldheid in de Israëlische samenleving komt tot uiting in het leger en bij de families van militairen. Dat zijn ook aanwijzingen van het feit dat een controle op basis van militaire macht niet haalbaar blijft op langere termijn. Enkel een klassenbenadering en een socialistisch programma kunnen de massa’s aan beide zijden mobiliseren om een fundamentele verandering te brengen en een einde te maken aan de cyclus van geweld. Het Midden-Oosten en Afghanistan In de hele regio van het Midden-Oosten was er voor de verkiezingen angst voor de dreiging dat Bush zijn militaire avontuur van Irak zou herhalen met bijvoorbeeld een aanval op Syrië. Zelfs de door de VS gesteunde Syrische bannelingen hebben dat idee opgegeven. “Tot aan de zomer van 2003 geloofden we dat de militaire optie een goede keuze was en kon gebruikt worden in Syrië. Vandaag geloof ik dat een militaire interventie niet aan de orde is. De internationale opinie zou het niet aanvaarden. De Syrische bevolking zou zich verzetten en de Amerikanen zouden het niet aanvaarden.” (Fared Gaghadry, stichter van de Reform Party of Syria, een partij gebaseerd in de VS, Gaghadry hoopt een zelfde rol te spelen als Chalabi in Irak). Met andere woorden, het falen van de VS in Irak brengt het VS-imperialisme en haar acolieten ertoe om haar perspectieven voor Syrië te herzien. Het beweerde “succes” van de verkiezingen in Afghanistan wordt door Bush en Blair echter aangehaald als een voorbeeld voor wat mogelijk is in Irak, en bij uitbreiding voor de hele regio. Het interessante materiaal van de Pakistaanse kameraden op onze website (zie: Afghanistan: Taliban, krijgsheren en onstabiliteit. Door de VS georganiseerde verkiezingen worden aanzien als een klucht) weerlegt die stelling. Karzai, de door het VS-imperialisme uitverkoren “president”, werd verkozen in een oefening die omschreven werd als een “model” en een triomf voor de “democratie”. Met de slogan “stem vroeg en stem veel”, slaagden de krijgsheren die 80% van Afghanistan controleren erin om ervoor te zorgen dat er meer “geregistreerde kiezers” waren dan inwoners, met in een aantal regio’s tot 30% meer uitgebrachte stemmen dan stemgerechtigden! De oude problemen van armoede, etnische conflicten of de drugsplaag zijn absoluut niet opgelost maar integendeel nog scherper geworden sinds het omverwerpen van de Taliban. De meerderheid van de Taliban riep op voor een boycot van de verkiezingen, terwijl de krijgsheren die de regering steunen in een aantal regio’s de mensen dwongen om te gaan stemmen. Een aantal Afghanen heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om voor het eerst te stemmen. Maar in het algemeen werden de stemmers geconfronteerd met bajonetten en geweren aan beide kanten, met de regering die meer “druk” kon uitoefenen dan de Taliban. De Taliban heeft sinds de verkiezingen evenwel aangetoond dat ze nog niet verslagen zijn, een aantal belangrijke Pashtun regio’s werden bezet door de Taliban terwijl de Afghaanse bevolking - met de ervaring van het Taliban-regime vers in het geheugen - niet bereid is om hen terug aan de macht te laten. Het land is sterk verdeeld langs etnische lijnen. Het verwijderen van Ismail Khan uit zijn positie van gouverneur van Herat met de belofte dat hij federale minister mocht worden, heeft geleid tot een conflict tussen de troepen van Khan en regeringstroepen. Khan dreigde om aansluiting te zoeken bij de troepen van de Taliban. De regering van Karzai wordt gedomineerd door niet-Pashtuns, maar Karzai heeft beloofd dat er een grotere vertegenwoordiging zou komen voor deze etnische groep. Dat kan echter op zijn beurt leiden tot confrontaties. Zijn regering heeft een smalle basis met een beperkt leger van slechts 14.000 manschappen waarbij er bovendien veel desertie uit het leger is. De regering heeft weinig impact buiten Kabul. Deze regering wordt ondersteund door 18.000 Amerikaanse troepen (in vergelijking met 140.000 militairen in Irak). Daarnaast zijn er nog eens 10.000 NAVO-troepen (waaronder Duitse militairen) die deel uitmaken van het een “internationale veiligheidsmacht” (ISAF). In het geval van een nieuwe burgeroorlog tussen de krijgsheren of een band tussen de Taliban en een aantal krijgsheren, zal zo’n beperkte macht niet in staat zijn om een garantie te bieden op vrede. Bovendien is een tussenkomst van gelijk welk buurland – en zeker van Iran en Pakistan – een garantie voor nog sterkere onstabiliteit waarbij de problemen van de Afghaanse bevolking nog verscherpt worden. De enige oplossing is een einde van het kapitalisme en de overblijfselen van het feodalisme, waarbij een socialistisch Afghanistan wordt gevormd als deel van een socialistische federatie van de regio. De vestiging van een militaire aanwezigheid met permanente basis in Afghanistan heeft de mullahs van het Iraanse regime ongetwijfeld gealarmeerd. Dat is een onderdeel van wat een commentator correct omschreef als de “grootste verschuiving van VS-macht in een halve eeuw”. Een deel van die verschuiving bestaat uit de opening van een tweede front in Azië. De VS heeft niet langer sterke militaire bases in de regio van de Stille Zuidzee, en probeert binnen te dringen in het hart van Azië door een netwerk van kleinere militaire bases in centraal-Azië. De schijnbare reden hiervoor is de oorlog tegen het terrorisme. In werkelijkheid is het een excuus om de economische en strategisch-militaire macht van het VS-imperialisme te versterken waarbij de VS de beslissende controle en invloed wil over de olievoorraden en pijpleidingen in de regio. Iran Het Iraanse regime ziet in de huidige situatie de voorbereiding van door de VS gesteunde pogingen om haar omver te werpen. De echte reden voor de druk die uitgeoefend wordt, is het nucleair programma van Iran. De VS heeft Iran unilateraal uitgeroepen tot een onderdeel van de “as van het kwaad” en heeft gesteld dat het nucleair programma van Iran, zelfs indien het gericht is op vreedzame energie-doeleinden, onmiddellijk moet gestopt worden. De VS heeft daarbij de mogelijkheid van een militaire interventie open gelaten, maar omwille van de redenen die eerder aangehaald werden, is zoiets nu uitgesloten. Maar de dreiging van een herhaling van de bombardementen op de nucleaire installaties in Irak in 1991 door Israël, blijft reëel. Zelfs het nucleair non-proliferatieverdrag zelf bepaalt dat Iran het recht heeft om verrijkt uranium te bezitten met het oog op “vreedzame doeleinden”. Het probleem is echter dat hetzelfde proces van verrijken van uranium kan aangewend worden voor de productie van nucleaire wapens. Dat betekent dat de mogelijkheid van de ontwikkeling van kernwapens reëel is en dat er bijgevolg massavernietigingswapens kunnen geproduceerd worden. Hans Blix, de voormalige VN wapeninspecteur in Irak, verklaarde over de eisen van de VS: “Er wordt geëist dat gestopt wordt met iets dat toegelaten is. In dat geval moet aanvaard worden dat zij ook eisen zullen stellen.” De moeilijkheden waarmee de VS in Irak geconfronteerd wordt, samen met de nederlagen die de “hervormingsgezinden” rond Khatami in Iran geleden hebben, versterken de positie van de dominante rechtse mullahs in Teheran tegenover de VS-druk. De Europese burgerij is bezorgd dat Iran mogelijks het non-proliferatieverdrag zou opzeggen. Het zou daarop kunnen werken aan de ontwikkeling van kernwapens – wat wellicht door het regime in Teheran zou gezien worden als een noodzakelijk gegeven tegenover de achtergrond van de nucleaire macht van Israël. Hierdoor zou Iran een gelijkaardige positie innemen als Noord-Korea. Ook het verarmde Noord-Korea bezit kernwapens en heeft reeds gedreigd om die in te zetten tegenover Zuid-Korea en Japan. Deze onstabiele, en zelfs explosieve situatie, benadrukt opnieuw de neo-conservatieve strategie van Bush. In plaats van het verslaan van het “kwaad”, heeft deze strategie eerder geleid tot het versterken van de mogelijkheid van een nucleaire veldslag in een aantal verschillende regio’s. Kerry gaf aan dat hij een meer “pragmatische” aanpak zou verkiezen en stelde bereid te zijn om met Teheran te onderhandelen teneinde “normale relaties” aan te knopen met het regime. Hij bood zelfs aan dat indien Iran haar nucleaire faciliteiten zou sluiten, de VS “hen zou voorzien van nucleaire energie en het nucleaire afval dat geproduceerd wordt, voor haar rekening zou nemen.” Hij stelde dat de VS onder zijn bewind zou proberen om op gezamenlijke basis komaf te maken met zowel al-Qaeda als de Mujaheddin (MKO – de voormalige Iraanse guerrilla groepering die nauw verbonden was met Saddam Hoessein in Irak). Bush stelde anderzijds dat die organisatie wel een “terroristische” groep is, maar hij gaf leden ervan toch bescherming in het kader van het Verdrag van Genève en dat gebeurde niet onder het statuut van “strijders”. Met andere woorden, Bush is bereid om alle vijanden van het Iraanse regime te gebruiken, hoe smerig hun rol ook geweest is in het verleden. Zoals eerder gezegd zou een militaire interventie in Iran niet enkel het verzet van de ayatollahs opwekken, maar ook van de Iraanse massa’s. De Iraanse arbeidersklasse die vandaag meer en meer in conflict komt met het conservatieve regime, zou op de voorgrond treden. Intussen hoopt de zoon van de voormalige Sjah van Iran dat hij vanuit de marginaliteit zou kunnen terugkeren in een leidinggevende positie in een nieuw “seculier” regime. Noord-Korea Behalve Iran zijn er nog een aantal mogelijke conflicten. Eén daarvan is Kasjmir dat het voorwerp vormt van spanningen tussen India en Pakistan, twee kernmachten. Sinds 1989 zijn er zo’n 100.000 slachtoffers gevallen in Kasjmir. Recent werd een zachtere houding ingenomen door India en Pakistan, dat was zeker het geval na de verrassende verkiezingsoverwinning van de Congress partij in India. Maar ondanks de druk van het VS-imperialisme, zijn beide landen tot nu toe niet bereid om een ernstig akkoord te sluiten om het conflict op te lossen. Tegelijk biedt de politieke onstabiliteit in Pakistan de mogelijkheid voor een escalatie wat zou kunnen leiden tot een nieuw ernstig conflict. Een andere “hot spot” is Noord-Korea dat aanvankelijk door Bush bedreigd werd met de mogelijkheid van “preventieve acties”. Die dreigementen zijn afgezwakt door het falen van de VS in Irak en door het feit dat Noord-Korea over kernwapens beschikt. Een commentator beschreef Noord-Korea als “wellicht de meest gevaarlijke plaats ter wereld.” De moeilijkheden met Noord-Korea zijn mee een gevolg van de onderhandelingen met de VS over haar nucleair potentieel. In 1994 kwam er een raamakkoord waarbij Noord-Korea aankondigde haar reactoren te zullen ontmantelen, in ruil voor het beëindigen van het economisch embargo dat reeds 50 jaar van toepassing was, alsook het normaliseren van de relaties. Noord-Korea eiste ook dat de VS zich er formeel toe zou verbinden om geen nucleaire wapens in te zetten tegen Noord-Korea, zou voorzien in de levering van nucleaire reactoren die aanvaardbaar zijn binnen het non-proliferatieverdrag en ook zou voorzien in het leveren van olie. Het regime van Bush verbrak dit akkoord en eiste eenzijdig dat Noord-Korea zou ontwapenen. De hypocrisie van de houding van de VS werd recent duidelijk toen bleek dat Zuid-Korea, met medeweten van de VS, een geheim nucleair programma had opgezet dat vergelijkbaar is met dat van Noord-Korea! Daarenboven heeft Zuid-Korea een militair budget dat vier keer zo groot is als dat van Noord-Korea. Zuid-Korea spendeert ieder jaar meer aan defensie dan het volledige BNP van het Noorden. De val van het stalinisme in Rusland en Oost-Europa, samen met de ontwikkeling naar kapitalisme in China, hebben geleid tot een economische crisis in Noord-Korea. Volgens bepaalde rapporten zouden er in de jaren 1990 tot drie miljoen Noord-Koreanen aan een hongersdood gestorven zijn, dat is één op de acht inwoners! Het Wereldvoedselprogramma schat dat 250.000 kinderen onder de zes jaar leiden aan een chronische ondervoeding, terwijl één miljoen leidt onder slechte voeding. Er is een tekort van minstens één miljoen ton graan. Deze catastrofale situatie verplichtte Noord-Korea ertoe om marktelementen in te voeren en de central planning te beperken. Heel wat maatregelen die in de laatste jaren van het stalinisme ingevoerd werden in Rusland en Oost-Europa, worden nu doorgevoerd in Noord-Korea. Een aantal bedrijven moeten zichzelf financieren en worden gecontroleerd door lokale managers die hun werknemers naar eigen goeddunken kunnen aanwerven en ontslaan en ook kunnen produceren wat ze willen. Ondanks deze maatregelen verdienen vijf miljoen mensen nog steeds niet genoeg om zichzelf te voeden. Het probleem is bijzonder acuut in de sterk geïndustrialiseerde steden in het noord-oosten waar weinig fabrieken effectief draaien en de voedselvoorziening mank loopt. Deze situatie betekent een belangrijke omwenteling aangezien het land ooit een ontwikkeld land was met 70% van de arbeidskrachten tewerkgesteld in fabrieken. Vandaag is er een tendens dat de landbouw terug aan belang wint. Bedrijfsmanagers ontslaan arbeiders die dan terugkeren naar de landbouw. Dit zorgt ervoor dat er een bijzonder onstabiele situatie is in Korea, wat nog eens versterkt wordt door de houding van het neo-conservatieve regime van Bush. Zelfs de Chinezen, die tot nu toe steeds een grote invloed hadden op de Noord-Koreaanse leider Kim Jong-Il, slagen er niet in om hem te overtuigen om af te zien van het nucleair programma van het land in ruil voor veiligheidsgaranties en economische hulp. De Amerikaanse vice-president Dick Cheney verklaarde bij een bezoek aan de regio in april 2004: “De mogelijkheden voor een onderhandelde oplossing voor de crisis worden beperkter naarmate de tijd verstrijkt”. Een gewapende tussenkomst is uitgesloten omwille van de redenen die hierboven aangehaald werden. Economische sancties zijn mogelijk en zowat de enige optie voor de neo-conservatieven. Dat is echter gevaarlijk in het kader van de huidige economische situatie in Noord-Korea. Een ineenstorting van het regime zou leiden tot een massale vlucht van arme Noord-Koreanen naar het zuiden dat op zijn beurt zou delen in de economische problemen. De onverantwoordelijke bende (ook vanuit het standpunt van het imperialisme…) die heerst in het Witte Huis, riskeert een dergelijke situatie in de hand te werken. De ex-stalinistische kliek die het Noorden controleert, is in staat tot onvoorspelbare avontuurlijke acties. Ze bedreigden Japan reeds door een raket af te vuren over het belangrijkste eiland van Japan, Honshu, en verder in de Stille Zuidzee. Noord-Korea biedt de explosieve ingrediënten voor het Aziatisch “theater” waarin de VS verstikt raakt en waarbij de VS in conflict komt met de belangen van groeiende reuzen zoals China, India en Japan. China werpt zich steeds meer op, maar ook India en andere Aziatische landen kunnen opscheppen met groeicijfers die veel hoger zijn dan in Europa en de VS. Het volstaat om er op te wijzen dat de Chinese economie tegen 2010 dubbel zo groot zou kunnen worden als de Duitse economie, het zou tegen 2020 zelfs groter kunnen worden dan Japan dat vandaag de tweede grootste economie vormt op wereldvlak. We moeten echter voorzichtig zijn. Over Japan werd in de jaren 1970 ook gesproken op een gelijkaardige wijze als nu over China wordt gesproken. Net zoals Japan eind jaren 1980, vertoont China nu reeds alle kenmerken van een “oververhitting”, met een enorme overcapaciteit, slechte leningen,… Dat zou kunnen leiden tot een crisis van de schaal van de Zuidoost-Aziatische crisis van 1997. Los van deze economische bemerkingen, zal China een belangrijke rol blijven spelen in de wereldverhoudingen en in het bijzonder in Azië. De rol van China en Taiwan De economische groei in China was essentieel om Japan gedeeltelijk en tijdelijk uit haar jarenlange economische malaise te halen. De Japanse boot is voortgestuwd op de Chinese golf, maar zal wellicht ook zware averij oplopen als de Chinese groei sputtert. India heeft zich ook opgeworpen als belangrijke speler, de economische ontwikkeling daar werd gesteund op de sterk ontwikkelende software industrie en de dienstverlenende bedrijven die verbonden zijn aan de VS of andere ontwikkelde economieën. De Zuidoostaziatische landen zijn bezig met het integreren van hun economie in een uitgebreid netwerk van handels- en investeringsakkoorden. De leden van de Vereniging van Zuidoostaziatische Naties (ASEAN) stelt “ernstig te overwegen” om over te gaan tot het opzetten van een monetaire unie. Dat zou kunnen leiden tot de vorming van een enorm handelsblok dat in staat voor het grootste deel van de economische groei in Azië en in heel de wereld. Maar dit scenario wordt bedreigd door de mogelijkheid van en nieuwe economische crisis. China staat daarbij centraal, meer dan Japan of de VS (dat de komende periode nochtans de belangrijkste economische speler zal blijven). De opkomst van China, en in mindere mate ook India, heeft enorme gevolgen in de regio. Historisch gezien zijn China en Japan rivalen en ze zijn nooit in staat geweest om tegelijk in beide landen machtige regimes te vestigen. In het verleden was China sterk terwijl Japan moest afrekenen met armoede, maar de voorbije 200 jaar is Japan uitgegroeid tot een belangrijke macht die er in slaagde China voorbij te steken. Tegelijk waren er recent nog spanningen tussen beide landen, o.a. omwille van een aanhoudend grensgeschil dat al 42 jaar oud is. Beide regimes wantrouwen elkaar en er is een concurrentie op economisch vlak en op vlak van controle in de regio met pogingen om de toegang tot grondstoffen te verwerven, zeeroutes veilig te stellen en de controle te verkrijgen over de eilanden in het zuidelijke deel van de Chinese Zee. Er zijn heel wat potentieel explosieve territoriale conflicten in de regio. Taiwan is daarvan het meest gevaarlijke voorbeeld. Er dreigt een “destabiliserende” wapenwedloop tussen China en Taiwan. De Taiwanese regering heeft het conflict versterkt toen het probeerde om een wapenprogramma op te zetten waarbij het voor 18 miljard dollar wapens zou kopen van de VS. De Taiwanese premier riep op voor de ontwikkeling van een offensief rakettensysteem en waarschuwde China daarbij: “Als jullie 100 raketten afvuren op ons, dan stuur ik er 50 terug. Als jullie Taipei en Kao-hsiung raken, zal ik minstens Shanghai raken.” Deze verklaring zorgde voor verontwaardiging bij de Chinese elite. Het Chinese leger werd door de Chinese president Hu Jin Tao aangemoedigd om “van de gelegenheid gebruik te maken om zich goed voor te bereiden op een militaire strijd.” China heeft naar schatting 610 raketten die op Taiwan gericht staan, dat is een toename met 100 op één jaar. Het zou genoeg zijn om op 10 uur zowat de volledige defensie van Taiwan uit te schakelen, dus vooraleer een “bondgenoot” van Taiwan zou kunnen reageren. Taiwan heeft de spanningen opnieuw verscherpt nadat gesuggereerd werd door de president dat er mogelijks een referendum zou komen over Taiwanese onafhankelijkheid. Dat standpunt kwam er na een periode van een zachtere houding tegenover China. De toegenomen spanning kwam tot uiting toen de Taiwanese minister van buitenlandse zaken zwaar uitviel naar de regering van Singapore. Na een zachte kritiek van Singapore op de houding van Taiwan, verklaarde die minister dat Singapore “aan het gat van China likt” en “een land is dat maar een snottebel groot is”. De houding van de VS over deze kwestie en in verband met China is tegenstrijdig. Gedurende 30 jaar stelden de VS-regeringen dat de erkenning van een ééngemaakt China moest gekoppeld worden aan de oproep voor een vreedzame oplossing voor de kwestie van Taiwan. Maar de kwestie werd niet geregeld, waarop de VS zich ertoe verbond om in te staan voor de veiligheid van Taiwan en het land gesofistikeerd militair materieel bezorgde. Er wordt gevreesd dat indien Taiwan verder gaat dan de huidige “provisionele autonomie” en kiest voor onafhankelijk, of indien China het geduld zou verliezen, dat de regio wel eens in een gewapend conflict zou kunnen terechtkomen. De houding van de VS tegenover de opkomst van China is daarbij belangrijk. Door de heersende klasse wordt gediscussieerd over de vraag of de reus een “strategische concurrent” is of een “mogelijke toekomstige partner”. Gedurende 50 jaar na het einde van WO2 was de VS de belangrijkste stabiliserende factor in de regio van de Stille Zuidzee en dat onder meer op basis van haar sterke militaire aanwezigheid en allianties met Japan en Zuid-Korea. De heersende klasse in de VS vreest dat die dominantie mogelijk zou overgaan naar bijvoorbeeld een nieuwe strategische alliantie tussen China en Japan. Japan wordt anderzijds geconfronteerd met een opkomend China, Noord-Korea dat over nucleaire wapens bezit waarmee geregeld tegenover Japan gedreigd wordt, en toegenomen spanningen inzake Taiwan. Japan wil daarom een nieuw rakettensysteem uitbouwen met hulp van de VS. Daarnaast wil de Japanese burgerij een einde maken aan de grondwettelijke beperkingen inzake de ontwikkeling en het inzetten van haar militaire krachten. Het Amerikaans beleid lijkt er anderzijds op gericht te zijn om een “zachtere houding” in te nemen tegenover China terwijl het tegelijk een intensievere samenwerking, inclusief militaire samenwerking, aangaat met India als mogelijk tegengewicht tegenover China. China wil haar militaire krachten moderniseren met een nieuwe militaire doctrine gericht op het counteren van de VS, vooral op vlak van hoogtechnologische apparatuur, luchtmacht, afweergeschut, precisiebommen,… De VS staat wantrouwig tegenover de beslissing van China om het militaire budget op te drijven, en ziet dat als een poging van Peking om te raken aan de invloed van de VS in Oost-Azië. Zolang de economie groeit, wat ten goede komt aan zowel China, de VS als India, is een samenwerking tussen die landen mogelijk. Maar de mogelijkheid van (ernstige) militaire conflicten is gebaseerd op de situatie die ontwikkelt in Azië. We zullen op de economische en politieke perspectieven voor China ingaan in een afzonderlijke tekst. Rusland Rusland is onder Poetin ook een meer assertieve rol gaan spelen bij het verdedigen van haar belangen, en dat voornamelijk in de landen nabij Rusland, de vroegere satellieten van het Sovjet “imperium”. Haar belangrijkste economische troef is olie, zeker nu de voorbije vijf jaar de olieprijs zowat verdriedubbeld is. Dit heeft het regime van Poetin toegelaten om illusies te creëren op vlak van “welvaart”, maar in werkelijkheid is de stijgende olieprijs vooral een klein groepje gangsterkapitalisten ten goede gekomen in een aantal stedelijke gebieden zoals Moskou waar tegenwoordig meer miljardairs wonen dan in New York. Terwijl een aantal geprivilegieerde lagen een deel van de koek heeft kunnen krijgen, leeft de grote meerderheid van de bevolking in Rusland en het GOS (Gemenebest van Onafhankelijke Staten, de vroegere Sovjetunie) in diepe armoede. Het plunderen van de overheidsbezittingen door de gangsterkapitalisten leidt echter tot problemen en doet wat denken aan de dief die bij het dragen van gestolen juwelen tot de vaststelling komt dat die juwelen zijn huid aantasten. De Russische burgerij wordt zenuwachtig en wil een “sterke man” die bereid is om dictatoriale methoden te gebruiken om de “orde” te herstellen na de chaos en de desintegratie die plaats vond na de val van de Sovjetunie en nog versterkt werd onder het beleid van president Jeltsin. Bij gebrek aan een massale revolutionaire socialistische organisatie, heeft de illusie dat Poetin zou kunnen optreden als “redder” versterkt. Die illusie krijgt een zekere echo onder de massa’s. Poetin heeft zichzelf goed voorbereid op deze rol en komt zelf vanuit de KGB (geheime dienst). In feite hebben Jeltsin en vooral Poetin gebruik gemaakt van de overblijfselen van het oude stalinistische dictatoriale staatsapparaat om het in te zetten onder een zwak kapitalisme. Poetins regime is slechts een parodie van regimes als dat van Bismarck in het 19e eeuwse Duitsland dat door de socialistische leider Liebknecht omschreven werd als een autocratie verborgen onder het schaamlapje van de Reichstag (parlement). De Russische Doema (parlement) heeft nog minder invloed nu Poetin meer en meer macht naar zich toe trekt. Hij maakt zelfs gebruik van de Tsjetsjeense tragedie om kleinere partijen te verbieden, waardoor er “aanvaardbare” parlementaire blokken zijn die grotendeels afhankelijk zijn van Poetin. De “liberale” burgerlijke critici en hun Westerse tegenhangers bekritiseren Poetin niet omwille van het feit dat hij een meer “normaal” kapitalisme wil vestigen met een “rechtstaat”. Nochtans zijn dat illusies tegenover de onderliggende fragiele economische situatie samen met de toegenomen nationale problemen die ook tot uiting kwamen bij de gijzelingsactie in Beslan en de daaropvolgende slachtpartij waarbij veel onschuldige slachtoffers vielen. Dit was een gevolg van de incompetentie van de Russische veiligheidsdiensten en het gestoord karakter van de islamitische terroristen geleid door Shamil Basayev. Beslan was een hel met kinderen die gebruikt werden als gijzelaars en waarbij door beide kanten een brutale slachtpartij werd aangericht. Wij hebben de verantwoordelijken hiervoor ten stelligste veroordeeld, maar de bron voor dit alles waren de twee brutale beestachtige oorlogen die door Rusland gevoerd werden tegen Tsjetsjenië gedurende de afgelopen 15 jaar. We hebben elders reeds uitgelegd hoe het Tsjetsjeense volk het slachtoffer is van brutaliteiten, zelfs in ergere mate dan de Irakezen vandaag. Woordvoerders van het imperialisme en kapitalisme lieten enkel krokodillentranen voor de kinderen van Beslan. In Tsjetsjenië zijn er reeds minstens 40.000 kinderen omgekomen en we moeten er ook aan herinneren dat Madeleine Albright, minister in de regering-Clinton, de dood van een half miljoen Irakese kinderen goedpraatte omdat het nu eenmaal “de prijs was die we moeten betalen.” De westerse regimes blijven blind voor de situatie in Tsjetsjenië omdat ze afhankelijk zijn van Russische olie. Het regime van Poetin regeert met harde hand, deels omwille van haar instinct om te onderdrukken in plaats van te onderhandelen, de methode die veelal gebruikt wordt door de meer gesofisticeerde Westerse machten. De methoden van het huidige regime zijn in zekere zin overgeërfd van het vorige stalinistische bewind. Poetin gaf reeds aan dat de eis van Tsjetsjenië voor onafhankelijkheid moet onderdrukt worden omdat er minstens “2.000 gelijkaardige situaties” bestaan binnen het GOS. Er is wellicht geen enkele andere plaats ter wereld waar het nationale probleem – de onderdrukking van legitieme nationale aspiraties van verschillende volkeren of etnische groepen – zo groot is als vandaag in Rusland. Vandaag is een correcte houding tegenover het nationale vraagstuk voor marxisten en socialisten nog belangrijker dan ten tijde van Lenin en Trotski. Zo’n houding is noodzakelijk om het vertrouwen van onderdrukte nationaliteiten te winnen en een alliantie te kunnen vormen van de arbeidersklasse over de nationale grenzen heen. Het enige antwoord van het Russische kapitalisme bestaat uit onderdrukking wat leidt tot bloedbaden. In een poging om Israël te kopiëren met een echo van de “preventieve aanvallen” van Bush, beloofde Poetin in de nasleep van Beslan om alle Tsjetsjeense “terroristen” in heel de wereld “op te zoeken en uit te roeien”. Maar meer nog dan het geval is in de VS – dat economisch onmetelijk sterker is dan Rusland vandaag – brengt het grotere militaire budget het regime van Poetin al snel in de problemen. Een opstand tegen de hernieuwde opkomst van het Russische imperialisme, kan enorme gevolgen hebben in heel de regio van het GOS. Zelfs indien de olieprijs stand houdt of zelfs nog stijgt, zal dit slechts ten goede komen van een kleine laag van de bevolking. De Russische massa’s zullen tot het besef komen dat de “redder” niets aan te bieden heeft naast verdere oproepen voor “orde”. Poetin zal geconfronteerd worden met een sterker wordende oppositie. Het regime van Poetin is meer nog dan dat van Jeltsin een uitdrukking van de imperialistische belangen en doelstellingen van de nieuwe Russische burgerij. Een nieuwe “koude oorlog” wordt voorbereid, zo is het aantal spionnen van de FSB (de voormalige KGB) verdubbeld waardoor er nu in een aantal landen dubbel zoveel spionnen actief zijn als onder het stalinisme. Poetin heeft ook Ruslands recht op een aanwezigheid in het “naburige buitenland” bevestigd met de bouw van militaire bases in Centraal-Azië en de Kaukasus. Daarmee wil hij een tegengewicht bieden voor de aanwezige bases van het VS-imperialisme. Poetins beleid blijft een mengeling van goede relaties met de VS – hij prees Bush en stelde dat hij hoopte dat Bush in 2004 zou herverkozen worden – terwijl hij tegelijk probeert in te gaan tegen de pogingen van de VS om voet aan grond te krijgen in regio’s zoals Georgië of elders. Het is mogelijk dat het Tsjetsjeense conflict, samen met de nationale conflicten in de Kaukasus, leiden tot een oorlog, bvb. tussen Georgië en Ossetië wat op zijn beurt kan leiden tot een verdere escalatie. De politieke islam We zitten vandaag in een compleet nieuwe wereldsituatie met een groeiend verzet tegen het kapitalisme en het imperialisme, eerst in de vorm van de antiglobaliseringsbeweging en dan met de grote wereldwijde anti-oorlogsbeweging. Alhoewel er ook belangrijk industriële bewegingen plaatsvinden, zeker in Europa, is de arbeidersbeweging nog niet op de voorgrond getreden met een duidelijke en openlijke kracht. In een aantal regio’s wordt de situatie bovendien bemoeilijkt door het bestaan van de rechtse politieke islam, die vaak gebruik maakt van terrorisme. In de nasleep van 11 september werd dit aangegrepen om de rol te vervullen die het stalinisme in het verleden speelde voor het kapitalisme en imperialisme. Het gevaar van de terroristische aanslagen en incidenten wordt sterk overschat door het imperialisme en dat voor haar eigen belang. Het heeft nood aan een “onmiddellijke bedreiging” van aanvallen door een vreemde “duivel” om zo de toename van de uitgaven voor militaire doeleinden goed te praten alsook de maatregelen die ingaan tegen de democratische rechten en tegen de belangen van de arbeidersklasse. Al-Qaeda is echter geen equivalent van het stalinisme. Al Qaeda heeft geen beschikking over een stevig internationaal netwerk met een groot aantal “terroristen”. Al-Qaeda is meer een vorm van “moederhuis” dat haar autoriteit doorgeeft aan dochterondernemingen zoals het kleine groepje van al-Saqqwat in Irak. In zekere zin kunnen de methoden van al-Qaeda vergeleken worden met die van anarcho-terroristen in het verleden, ook al komt Bin Laden en zijn groep van een andere roots (de geprivilegieerde lagen van de Arabische samenleving). De anarcho-terroristen geloofden dat spectaculaire acties de massa’s zouden schokken, wat zou leiden tot het omverwerpen van dictatoriale regimes. De Egyptische ideoloog van Bin Laden, Ayman al-Zawahari, aanziet Al-Qaeda en haar medestanders als een “voorhoede van de jihad” die erop gericht is om de Arabische massa’s te mobiliseren voor het vestigen van islamitische staten waarbij de islamitische wetten wereldwijd zouden opgelegd worden. Deze poging om een nieuw wereldwijd ‘kalifaat’ te vestigen is volledig utopisch. Deze methoden werden zonder succes toegepast in Egypte en ook in Algerije en elders in de moslimwereld. De pro-jihad methoden hebben vaak geleid tot afkeer bij diegenen die ze net wilden overtuigen. De slachting van buitenlandse toeristen in Luxor (Egypte) door Islamitische groepen, leidde tot een ineenstorting van de lokale economie en het totale diskrediet van de islamisten. Hetzelfde zagen we, op een grotere en meer bloedige schaal, in Algerije waar de moslimbevolking gekneld zaten tussen de gevechten van het leger en de steeds meer geïsoleerde terroristische groepen die uiteindelijk elkaar gingen aanvallen. Dat betekent niet dat de rechtse politieke islam reeds volledig gediscrediteerd is. Het verslechteren van de sociale condities, samen met de nationale vernedering van de Arabieren door het imperialisme en haar handlangers in het Midden-Oosten, vormen een vruchtbare grond voor de politieke islam. Dat is zeker het geval in Saoedi-Arabië waar het koningshuis van Saoed wel eens zou kunnen vervangen worden door een nieuwe islamistische staat waarbij een aantal opvattingen van Al-Qaeda een echo krijgt. In de oostelijke tak van de islam, in Azië, hebben terroristische opvattingen en methoden nog geen ingang gevonden. Maar ook daar kan een verslechterende situatie van de massa’s leiden tot de vorming van een nieuw front voor het islamistische terrorisme in de regio. Een regime onder leiding van Kerry zou wellicht geprobeerd hebben om de sociale basis van de terroristen en de rechtse politieke islam te ondermijnen door alles in te zetten op de meer “gematigde” vleugel. Bush zal wellicht proberen het Amerikaanse prestige opnieuw te vestigen door het gebruik van gelijkaardige methoden, terwijl hij tegelijk verder gaat met zijn “oorlog tegen het terrorisme”. Hij zal wellicht ook proberen om de verschillende vormen van islam – sjieten, soennieten, soefieten – tegen elkaar op te zetten met de aloude methode van verdeel-en-heers. Maar een factor die van enorm belang zal zijn om het succes of het verzwakken van de islamistische ideeën te bepalen, zal de arbeidersbeweging zijn en de heropleving van socialistische en marxistische opvattingen. Gedurende een periode zal de rechtse politieke islam in concurrentie zijn met de krachten van het marxisme, zeker in delen van de neo-koloniale wereld. Tegelijk kan er een klassenonderscheid ontwikkelen binnen islamitische partijen en formaties zoals dit ook het geval was tijdens de Iraanse revolutie. Marxisten moeten in zo’n situatie zien hoe ze fronten kunnen aangaan op basis van een duidelijk revolutionair programma. Nieuwe wereldsituatie 11 september was een belangrijk keerpunt. De presidentsverkiezingen in de VS zijn opnieuw een belangrijk keerpunt. Maar het is de onderliggende objectieve situatie die zal beslissend zijn bij de ontwikkeling van het bewustzijn van bredere lagen van de bevolking en de arbeidersklasse in het bijzonder. Er zullen de komende periode belangrijke ontwikkelingen zijn op economisch, sociaal en politiek vlak. Vanuit de antiglobaliseringsbeweging en de anti-oorlogsbeweging is reeds een nieuw bewustzijn ontwikkeld. Dit heeft echter nog geen socialistische karakter. Een belangrijke laag van arbeiders en jongeren begint socialistische en revolutionaire conclusies te trekken. Zelfs bij de Amerikaanse verkiezingen zagen we een polarisatie die in de komende periode een veel bewustere vorm kan aannemen. Het socialisme en het marxisme zullen nu met de stroom van de geschiedenis meegaan na de moeilijke periode van de jaren 1990 toen het belangrijk was om een revolutionair aantrekkingspunt in stand te houden. |