Inleiding tot de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging

2005


Het dossier dat we hier voorleggen aan onze lezers is voornamelijk een samenvatting van het uitstekende boek 'Wat zoudt gij zonder het werkvolk zijn' van prof. Jaak Brepoels. Aangezien deze handleiding thans soms moeilijk te vinden is, maar wel onmisbaar om een vollediger beeld te krijgen van de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging, hebben we o.a. op basis van dit boek een inleiding tot de geschiedenis van de Belgische arbeidersbeweging gemaakt. Dit is uiteraard verre van volledig, maar het kan een nuttige eerste kennismaking zijn.


1885-1914. Ontwikkeling van een massapartij: van hoop tot verraad.

De oprichting van een politieke organisatie van de arbeidersklasse verliep niet gemakkelijk. Er moest worden afgerekend met een wantrouwen tegenover politieke organisaties (wat zeker in Wallonië met de Proudhonistische invloeden het geval was) en met een gebrek aan strijdbaarheid bij een deel van de leiding die voortkwam uit het burgerlijk radicalisme, of er alleszins sterk door beïnvloed was.

1885: oprichting Belgische Werkliedenpartij

In de jaren 1870 waren er een aantal eerste pogingen om een partij op te zetten, vooral in Gent en Brussel. Zeker in Gent was er een sterke invloed van de Duitse sociaal-democratie en vond het “programma van Gotha” een echo. De in 1877 gestichte Vlaamse Socialistische Partij en de in 1878 gestichte Parti Socialiste Brabançon, vormden in 1879 samen de Belgische Socialistische Partij (BSP) onder leiding van onder meer Anseele.

Andere arbeidersleiders bleven in de liberale partij werken. Dit was onder meer het geval met César De Paepe, voorheen een aanhanger van Proudhon. De liberale regering van 1879-1884 voerde echter een omstreden beleid, onder meer op onderwijsvlak, waardoor de druk toenam om te komen tot een eigen partij van de arbeidersbeweging.

In april 1885 vond een vergadering van 112 arbeiders plaats in een lokaal van café ‘De Zwaan’ op de Grote Markt in Brussel, waar ook de Eerste Internationale bijeenkwam en Marx destijds het Communistisch Manifest had geschreven. Vanuit deze vergadering werd de Belgische Werklieden Partij (BWP) opgericht. 9 basisgroepen waren vertegenwoordigd op de vergadering, waaronder ook de BSP van Anseele. Er waren voornamelijk ambachtslieden en niet zoveel arbeiders uit industriële centra (met uitzondering van Gent). Er werd gevreesd dat een radicaal programma arbeiders zou afschrikken. Op die basis werd beslist om de term socialisme niet in de naam op te nemen, dat standpunt werd o.a. door De Paepe verdedigd.

In augustus 1885 vond in Antwerpen een congres plaats om een eisenplatform op te maken. In dat programma werd opgekomen voor algemeen stemrecht, verplicht en gratis neutraal onderwijs, afschaffing van kinderarbeid onder de 12 jaar, een stelsel van sociale zekerheid, nationalisaties,… Het programma was een reeks van democratische en radicale eisen, maar niet uitdrukkelijk socialistisch. Er werd geen beeld gegeven van een socialistisch alternatief op het kapitalisme.

Ten tijde van het congres in augustus 1885 waren er reeds 68 lokale groepen, eind 1886 waren dat er reeds 256. In Gent waren voornamelijk fabrieksarbeiders lid van de partij, elders kwamen de leden meer uit ambachtsmilieus (in Brussel en Antwerpen). Langs Waalse kant stond de partij vrij zwak, er waren wel groepen in Verviers en Charleroi maar de inplanting van de partij was er beperkt.

De beweging van 1886

Op 18 maart 1886 vonden in Luik twee betogingen plaats die samenkwamen. Er was een betoging van mijnwerkers uit Jemeppe en daarnaast was er ook een herdenking van de Commune van Parijs. De betoging verliep bijzonder woelig en de mijnstaking kende een snelle uitbreiding. Op 24 maart 1886 stonden 10.000 stakende mijnwerkers oog in oog met 6.000 ordetroepen. Het resultaat was erg bloedig: 3 doden en 67 gewonden. Hierop sloeg de staking over naar de Borinage en het Centrum. Op 26 maart ging Charleroi volledig plat en lieten woedende arbeiders een spoor van vernieling achter in de fabrieken en bij de huizen van de patroons. De regering stuurde een massale ordekracht en er vielen honderden gewonden naast 24 doden. Op 1 april waren er reeds meer dan 100.000 stakers.

Deze beweging was een uitbarsting van collectieve woede. Er was echter geen actieplan of richting voor de strijdbeweging. De acties waren massaal, maar ook bijzonder gewelddadig waardoor de deur voor repressie openstond. Geschrokken door de omvang van de beweging, besliste het parlement toch om een Commissie op te zetten die de leef- en werkomstandigheden van de arbeiders zou onderzoeken. De conclusies van die commissie vormden de aanleiding voor de eerste (bijzonder beperkte) sociale wetten.

De BWP was niet rechtstreeks betrokken bij de beweging, onder meer door haar zwakke aanwezigheid langs Waalse kant. Toch werd de partij mee getroffen door de repressie. Anseele kreeg 6 maanden gevangenisstraf en ook de populaire arbeidersleider Alfred Defuisseaux werd veroordeeld. De BWP-leiding zag de beweging van 1886 als een verspilling van energie en een rem op de mogelijke ontwikkeling van een brede alliantie in de strijd voor algemeen stemrecht. Voor de BWP stond de strijd voor algemeen stemrecht voorop. Zo organiseerde de partij in augustus 1886 een betoging met 30.000 deelnemers rond deze eis.

Het feit dat de partij geen leidinggevende rol had gespeeld in de beweging van 1886 en een negatief standpunt over die beweging had ingenomen, opende de weg voor een aantal tijdelijke afsplitsingen ter linkerzijde van de partij. Zo ontstond in 1887 de Parti Socialististe Républicain (PSR) onder leiding van Alfred Defuisseaux waarin heel wat mijnwerkers uit Henegouwen actief waren. De PSR combineerde een radicale retoriek met quasi clandestiene methoden van organisatie. Hierdoor kon deze organisatie gemakkelijk ten prooi vallen aan infiltraties en provocaties. Dat leidde zelfs tot het uiteenvallen van de partij, waarna de meeste PSR-leden terug aansloten bij de BWP.

Ontwikkeling van vakbonden

De ontwikkeling van vakbonden verliep aanvankelijk erg moeizaam. Er werd vertrokken vanuit de traditie van organisaties in de ambachten die teruggingen op het middeleeuws corporatisme. Vanaf de jaren 1880 ontwikkelen zich echter een aantal vakbondsorganisaties. Zo organiseerden de glasblazers in Charleroi (waar er zo’n 6.000 arbeiders in deze sector werkten) zich in de Union Verrière in 1882. Deze vakbond trad in 1884 toe tot de Nationale Orde van de Ridders van de Arbeid, een organisatie met geheimzinnige loge-achtige elementen maar ook met een strijdbare traditie in de Verenigde Staten.

Tussen 1869 en 1890 waren er in de Borinage zo’n 170 stakingen van mijnwerkers. Dit waren voornamelijk spontane stakingen op lokaal vlak en niet goed georganiseerd. Ook onder de mijnwerkers was er een invloed van de ‘Knights of Labor’ (Ridders van de Arbeid).

Er waren wel kleine vakbonden die meestal erg tijdelijk waren aangezien ze veelal een staking niet overleefden door de beperkte omvang van de stakerskas, maar grotere vakbonden lieten op zich wachten. Eén uitzondering werd gevormd door de Gentse spinners en wevers onder leiding van figuren als Anseele en Van Beveren. Die vormden een grote vakbond die eind jaren 1890 reeds 5.600 leden telde.

Ondanks de afwezigheid van een goed georganiseerde vakbeweging, waren er wel heel wat acties. Tussen 1906 en 1910 waren er 765 stakingen waarvan er 18% succes had, 60% mislukte en 22% leidde tot een compromis. Toch waren er op dit ogenblik geen nationaal georganiseerde vakbonden met een interprofessionele structuur.

De eerste aanzet om daartoe te komen, werd genomen vanuit de BWP. Terwijl bijvoorbeeld in Engeland de ontwikkeling van een arbeiderspartij er kwam toen vanuit de vakbondsbeweging daartoe een initiatief genomen werd, zagen we in België een omgekeerde ontwikkeling. Het initiatief voor de oprichting van sterkere vakbonden, kwam vanuit het politiek orgaan, de BWP.

In 1898 deed de BWP een poging om meer eenheid te verkrijgen onder de diverse kleinere vakbonden. Dit gebeurde door de oprichting van een Syndicale Commissie binnen de partij. In 1906 werd dit opengegooid tot “Syndicale Commissie van de BWP en Onafhankelijke Vakbonden.”

De eenmaking van de vakbeweging werd versterkt door het enorme protest van arbeiders tegen de patronale politiek van lock-outs waarbij alle bedrijven in een sector gesloten werden om de arbeiders onder druk te zetten om slechte loons- en arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Dit gebeurde in 1906 in de textielsector van Verviers. 153 van de 154 fabrieken sloten de deuren waardoor 20.000 arbeiders zonder werk vielen. Hierop kwam een solidariteitsbeweging op gang waarbij arbeiders uit heel het land kinderen van de Vervierse textielarbeiders opvingen en steun opstuurden naar de arbeiders. Onder druk van de enorme solidariteit moest het patronaat inbinden. Eenzelfde beweging kwam er in 1907 in de Antwerpse haven toen zowat 10.000 dokwerkers in actie kwamen tegen een lock-out. Deze beweging duurde van juni tot september 1907.

Geleidelijk aan werd de eenmaking van de vakbeweging realiteit. In 1914 waren er in de Syndicale Commissie 19 nationale centrales, 4 nationale federaties en 6 regionale federaties verenigd. Alles samen waren er 130.000 leden en telde de vakbeweging in 1913 reeds 101 vrijgestelden.

De coöperatieve beweging
Een overblijfsel waaruit de kracht van socialistische beweging van de 19e eeuw blijkt: het imposante gebouw 'Ons huis' van het ABVV op de Gentse Vrijdagmarkt

Een overblijfsel van het Proudhonisme in de socialistische beweging, was de aandacht voor coöperatieven. De ontwikkeling van coöperaties kreeg een eigen dynamiek, onder meer door het succes van initiatieven als de Vooruit in Gent. Terwijl die coöperatieve van start ging met een startkapitaal bijeengespaard door 300 arbeiders die 0,5 frank per week opzij zetten, omvatte de coöperatie tegen 1883 naast een bakkerij ook een winkel. Vanaf 1885 kwamen er volksapotheken bij. Tegen 1914 omvatte de Vooruit 2 grote gebouwen, een grootwarenhuis met 4 bijhuizen, een schoenfabriek, 23 kruidenierswinkels, 7 apotheken, een brouwerij, een spinnerij, een weverij, een chicoreifabriek,…

In heel het land omvatte de coöperatieve beweging in 1914 172 volkshuizen, 96 bakkerijen, 9 drukkerijen, 397 winkels, 18 brouwerijen,… De grote nadruk op deze coöperaties leidde er toe dat er meer aandacht was voor de ontwikkeling van een “zuil” voor de arbeiders die apolitiek ingesteld was, en niet op strijd gericht werd.

De strijd voor algemeen stemrecht

De strijd voor algemeen stemrecht was het centrale actiepunt van de pas opgerichte BWP. Er waren verschillende betogingen met 30.000 deelnemers in 1886 en zelfs 70.000 in 1890. De leiding van de partij was echter niet bereid om rond dit thema een algemene staking uit te roepen.

Op 1 mei 1891 legden de mijnwerkers van Henegouwen het werk neer rond economische eisen en voor het algemeen stemrecht. De traditie van 1 mei als internationale strijddag voor de 8-urendag werd overgenomen door de mijnwerkers. Hun stakingsoproep werd al snel overgenomen in Brussel en Gent. Tegen de leiding in, werd 1 mei hierdoor een bijzonder strijdbare actiedag in België.

In 1893 werd door de BWP dan toch opgeroepen tot een algemene staking. Het resultaat was enorm: 250.000 arbeiders gingen in staking. Dit leidde in Henegouwen tot verschillende confrontaties met ordetroepen en er vielen heel wat doden. De BWP-leiding stemde al snel in met een compromis dat bestond uit de invoering van algemeen meervoudig stemrecht: er kwam algemeen stemrecht, maar wie veel verdiende, kreeg meer stemmen.

De invoering van het algemeen meervoudig stemrecht opende de weg voor een parlementaire aanwezigheid van de BWP. In 1894 haalde de partij 19% van de stemmen, goed voor 28 verkozenen (allen in Waalse districten). De socialistische fractie in het parlement omvatte heel wat arbeiders: 4 mijnwerkers, 3 textielarbeiders,… De parlementaire aanwezigheid leidde echter ook tot illusies in een parlementaire weg naar het socialisme. Emile Vandervelde, één van de 28 verkozenen, verklaarde: “Onze wens is dat wij handelen en zullen overwinnen door de wettelijke weg.”

De burgerij was bereid om het kiesstelsel aan te passen om zo de liberalen te stimuleren. Die hadden na de liberale meerderheidsregering van 1879-1884 zware klappen gekregen en dreigden van het politieke toneel te verdwijnen. De burgerij had de liberalen echter nodig, onder meer omwille van hun matigend effect op de BWP-leiding die deels voortkwam uit de liberale partij. Bovendien was een sterke liberale partij nuttig voor de burgerij om de BWP in een anti-klerikaal kamp te dwingen waardoor de toegang tot katholieke arbeidersmilieus moeilijker werd voor de partij.

Het algemeen meervoudig stemrecht was geen eindpunt voor de BWP. De partij bleef campagne voeren voor algemeen enkelvoudig stemrecht: één stem per persoon. In 1902 was er een algemene staking daartoe die vrij spontaan ontwikkelde. De staking van 1902 had een enorme steun, zelfs onder delen van het leger. In Gent trokken legereenheden de straat op terwijl ze de “Marseillaise” zongen. Het spontane karakter zorgde ervoor dat de autoriteiten in paniek reageerden en overgingen tot een sterke repressie waar dat mogelijk was. Zo vielen er op 18 april 1902 5 doden bij confrontaties in Leuven. Hierop riep de BWP op om de acties te stoppen om bloedvergieten te vermijden. Deze oproep kwam er ook deels onder liberale druk.

Terwijl de staking van 1902 de BWP een radicaal imago opleverde, was het echter ook bijzonder duidelijk dat de partijleiding bang was van radicale acties en sterk de nadruk legde op het parlementaire werk. Dat leidde onder meer tot kritiek bij leidinggevende figuren in de Tweede Internationale, zoals de Duitse socialiste Rosa Luxemburg.

De algemene staking van 1913 was geen spontane staking zoals in 1902. Nu werd de staking tot in de puntjes voorbereid door een versterkte BWP. De partij was echter niet enkel organisatorisch versterkt, inhoudelijk had de partij aangetoond bereid te zijn tot heel wat toegevingen. Zo stemde het partijcongres van 1910 met 202 tegen 77 dat de partij bereid was in een regeringscoalitie met de liberalen te stappen indien dit zou leiden tot de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht.

De staking van 1913 toonde de organisatorische kracht van de socialistische beweging in België. Verschillende coöperatieven hadden grote voorraden aangelegd, er waren reservefondsen, de staking werd zodanig voorbereid dat er geen acties zouden zijn om iedere vorm van repressie te vermijden,… In april 1913 waren er 400.000 stakers! Zelfs de BWP-leiding schrok van haar mogelijkheden en stemde snel in met een nietszeggend compromis om alleszins niets met haar macht te moeten aanvangen. Het compromis bestond erin dat er een commissie zou opgericht worden om onderzoek te doen naar een eventuele grondwetsherziening die algemeen enkelvoudig stemrecht zou mogelijk maken.

Ideologische verwarring bij de BWP

Na het opmaken van een aantal eisen in 1885, werd pas in 1894 een ideologisch programma uitgewerkt voor de BWP. Toen kwam het ‘Charter van Quaregnon’ tot stand waarin het BWP-programma verder ontwikkeld werd. De tekst van dit charter omvatte elementen van progressief liberalisme (democratische eisen), marxisme (klassenstrijd), proudhonisme (nadruk op de ontwikkeling van ‘vrije verenigingen’),… Het was een samenraapsel van eisen en invloeden.

Dit was een uitdrukking van het gebrek aan nadruk op ideologische discussies, wat onder meer een gevolg was van het succes van de coöperatieven. In die coöperatieven werden bovendien honderden partijleden tewerkgesteld, wat de mogelijkheid van interne kritiek op de leiding beperkte. Teveel kritiek op de partijleiding, tevens de werkgevers, zou immers een bedreiging vormen voor het behoud van een job in de coöperatieve.

Terwijl het Charter van Quaregnon de eis stelde dat iedereen het recht had om in de eigen taal bestuurd te worden, bleek er toch verdeeldheid te bestaan rond het nationale vraagstuk. In Wallonië was er een grote invloed van het Waals nationalisme (onder meer bij Jules Destrée) dat versterkt werd door de angst voor het conservatieve katholieke Vlaanderen. In Vlaanderen bleef de BWP in gebreke om de nationale kwestie (onder meer de taalrechten) aan te kaarten om het socialisme dieper in te planten.

Een ander twistpunt was het vrouwenstemrecht. In 1901 stemde de Algemene Raad van de BWP met 134 voorstemmen, 1 tegenstem en 3 onthoudingen, om de eis van het vrouwenstemrecht op te geven teneinde samen met de liberalen campagne te kunnen voeren voor algemeen enkelvoudig stemrecht (voor mannen). Dit leidde echter tot discussie met de vrouwen in de partij.

De BWP speelde een belangrijke rol in de Tweede Internationale die in 1889 in Parijs werd opgericht. Zo was Emile Vandervelde tot 1938 voorzitter van de Tweede Internationale en was Camille Huysmans vanaf 1905 secretaris. In de Tweede Internationale was er in de praktijk een opgang van reformistische ideeën, wat onder meer tot uiting kwam in de discussies over eventuele regeringsdeelnames.

De etterbuil in de Tweede Internationale kwam tot uitbarsten toen de leiding van de sociaal-democratische partij bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog de eigen burgerij steunde. Jaurès stelde dan wel: “Het kapitalisme baart oorlog, zoals een donderwolk het onweer”, maar Jaurès werd vermoord en ook het internationalisme in de Tweede Internationale was op sterven na dood in 1914. De BWP was daar zeker geen uitzondering op. De partij steunde de Belgische burgerij, Vandervelde werd minister van staat en uiteindelijk trad de partij zonder veel discussie toe tot een burgerlijke regering van nationale eenheid.