Over de eenheid van theorie en praktijk: Enkele vuistregels voor de tussenkomst aan stakersposten

Peter Van der Biest

2005

Inleiding:
(wetenschap, kunst en ‘etiquette’)

In deze korte brochure worden een paar algemeenheden uiteen gezet, die naar het oordeel van de schrijver van pas kunnen komen bij onze tussenkomsten aan stakersposten en andere gele-genheden waarbij de arbeidersklasse het hoofd biedt aan de gevestigde orde.

De marxisten zijn ervan overtuigd dat hun opvattingen een grondslag hebben, die wel in zo’n mate geldt als wetenschappelijk dat deze grondslag als methode de algemene wetmatigheden insluit dewelke de gehele organische en anorganische wereld voortstuwen.

Volgens de op materialistische leest geschoeide dialectiek vallen algemene methodevoorschriften en natuurwetmatigheden tezamen. De grondbeweging van splitsing en verbinding onthult ons zowel het fundamentele proces binnen de natuur als de wezenlijke voortbeweging van haar hoogste gekende manifestatie: de menselijke rede. De moderne dialectiek behelst dus zowel de spelregels van het heelal als de grammatica van het denken.

Maar zoals de uitdrukking het zelf zegt, kunnen algemene wetmatigheden de wereld dan ook slechts bevatten in zijn meest algemene en eenvoudige articulaties. Zoveel wist zelfs ‘de meest idealistische onder de Duitse idealisten’: ‘Want de methode is niets anders dan de structuur van het geheel zoals die in zijn zuivere essentie wordt opgesteld.’ (zie: G.W.F.Hegel, Over het wetenschappelijk kennen, Boom, Meppel, 1988, p.85).

Hier bewegen we ons allesbehalve op een terrein dat zich zonder tegenstribbelen, zonder de veelzijdigheid van de ervaring geweld aan te doen, laat samenvatten in een handvol eenvoudige stelregels. Wisselende krachtsverhoudingen, snelle stemmings-wisselingen, nood aan tactische vingervlugheid enz. zijn er aan de orde van de dag. Hoeveel praktische ervaring de theoretische formule ook mag herbergen, deze laatste kan nooit geheel en al in de plaats treden van de ervaring. Nog los van de vraag of de schrijver zich al zo’n doctrinaire houding zou willen aanmeten, wil deze tekst dan ook geen strak evangelie wezen, doch veeleer een plooibaar richtsnoer. Net zoals de militaire strategie en de gewapende opstand, is de staking immers geen wetenschap. De staking is een kunst, een geheel aan vaardigheden waarvan het wetenschappelijk redeneren er slechts één vormt. De dialectiek behoudt zijn volle geldigheid, maar het is een dialectiek die voortdurend in de wereld moet graven in plaats van zich gezapig te wentelen in zijn verworven resultaten.

Waarom dan deze tekst met ‘vuistregels’?

Hij gaat vooral uit van de ingeving dat de realiteit waarin een groot deel van ons partijlidmaatschap zich totnogtoe heeft bewogen op meer dan één plaats afwijkt van de realiteit die de feitelijke klassenstrijd voor onze ogen ontvouwt. Andere om-gangsvormen, leiderspatronen, propaganda- en agitatiemethodes dringen zich op wanneer de jonge revolutionair zijn of haar vertrouwd element – de scholieren- of studentenactie verlaat om zich op het terrein van deze klassenstrijd te wagen.

Zoals tal van andere aangelegenheden in het georganiseerde samenleven kent ook de interventie in stakingsbewegingen haar eigen etiquette – om het kind een naam te geven – dewelke een volwaardig en onontbeerlijk onderdeel vormt van de strategie die gericht is op het winnen van de voorhoede. Deze etiquette – die evengoed of nog meer aan verandering blootstaat als de bekende tafelzeden naargelang wat de kok ons voorschotelt – maakt deel uit van de kunst van de staking. Tenslotte verschijnen de jongere, niet-werkende en op een andere plaats tewerkgestelde arbeider in een omgeving waar hij of zij zich voor alles aanvaard-baar zal moeten maken. Zijn of haar allereerste taak bestaat erin om voor zijn/haar politieke denkbeelden de nodige sociale ademruimte te veroveren. Met deze opgave voor ogen werd onder-havige uiteenzetting als hulpmiddel opgesteld.

Peter Van der Biest
Brussel, 25 november 2005


1.
(Sektarisme en marxisme)

Ook hier geldt de zegswijze: goed begonnen is half gewonnen. Het vroege uur (niet zelden voor 5 uur ’s morgens) waarop het ochtendpiket zich verzamelt, zal sommigen onder ons die niet zo’n vroege vogels zijn misschien een beetje zwaar vallen. De ervaring leert echter dat het een bijzondere vertrouwensband met de arbeiders in de hand werkt, indien je er van de eerste slag bij bent.

Als eerste slagorde verkeert het piket vaak nog in onzekerheid over de mate waarin de stakingsoproep opvolging krijgt. (In het geval van een massastaking:) De eerste nieuwsberichten ontbreken nog. Er hebben nog geen confrontaties plaatsgevonden met werkwilligen – een goede graadmeter voor de krachtsverhoudingen. Vaak weet men zelfs de eerste ogenblikken nog niet met grote precisie hoeveel actievoerders er aan de stakerspost zullen verschijnen. In deze, soms vrij spannende, context zal je vroege aanwezigheid makkelijker op prijs worden gesteld. Je verlaagt er alleszins een paar sociale drempels mee en laat, nog voor je de eerste discussie hebt gehad, in de praktijk al voelen dat het je menens is met je streven om tot de strijdbare voorhoede van de beweging te behoren i.p.v. tot de passievere achterhoede.

De arbeiders hebben overschot van gelijk indien zij zich min of meer kritisch opstellen tegenover wie zij aanvankelijk moeilijk anders kunnen beschouwen dan als buitenstaanders. Zou het ook voor ons trouwens niet meer onrustwekkend moeten zijn, indien zij onmiddellijk gehoor zouden geven aan de eerste de beste mooiprater, die voor de rest niet bereid blijkt om in hun concrete ervaringen te delen? We onthouden alvast één ding: de mensen die een stakerspost oprichten of komen versterken, steken hoe dan ook – ‘beschermde’ werknemer of niet – hun nek verder uit dan hun collega’s die thuisblijven. Zij maken de strijdbare voorhoede van de beweging uit. Met dit gegeven in het achterhoofd moet je omgang met hen ten allen tijde doordrenkt zijn van het gepaste respect.

Laten we misschien eerst eens van onze concullega’s leren hoe het alvast niet moet. Sektarisme betekent in essentie partij-subjectivisme. Het is een houding die haar opvattingen en taken niet afleidt uit een eerlijke oriëntatie naar het bewustzijn van de arbeiders, maar zich vooral enggeestig en eenzijdig op het eigen partijwezen richt. De sektariër ziet het klassenbewustzijn van de arbeiders niet als een hoofdzakelijk objectieve factor, als een ontwikkelingsproces dat heel lang een grote onafhankelijkheid vertoont ten opzichte van de partij, als een historische beweging waarop de revolutionaire partij, alvorens zijzelf een objectieve kracht is, hoogstens een versnellende (of vertragende) invloed kan uitoefenen. De misvatting dat de arbeiders niet uit zichzelf tot politiek klassenbewustzijn kunnen komen, maar dat dit er van buitenaf moet worden in gelepeld, vormt daar een sprekende uitdrukking van. Het is waar dat ook de ‘vroege’ Lenin zich (in Wat te doen? – 1902) aan deze dwaling bezondigd heeft. Maar ten eerste is hij daar nooit zover in gegaan als de echte sektariërs (in Wat te doen? vind je ook uitspraken als: ‘…in de ganse wereld en ook in Rusland begint de politie dikwijls zelf aan de economische strijd een politiek karakter te verlenen en leren de arbeiders zelf begrijpen aan welke kant de regering staat’ – Pegasus, Amsterdam, 1976, p.96 – mijn cursief). Ten tweede richtte Lenin zich vooral tegen een verwaterde, reformistische intelligentsia die zich wou nestelen in de staart van de beweging (door de arbeiders aan te raden het bij zuiver economische eisen te houden en het politieke werk maar zo te laten) in plaats van zich aan de spits ervan te plaatsen. Ten derde heeft hij deze opvatting naar aanleiding van de revolutie van 1905 volledig laten varen en wel met zo’n beslistheid dat hij er zijn eigen kaders mee overviel (deze gingen zelfs zover Lenin tegen hemzelf te citeren).

Zoals zijn religieuze evenknie ziet de politieke sektariër de wereld in de laatste instantie als een werktuig van zijn ideeën en de arbeidersklasse als een werktuig van zijn eigen partijbelang. Hoezeer hij zichzelf ook luidkeels mag uitroepen tot orthodox aanhanger van het marxisme, dit gaat eigenlijk al flagrant in tegen de letter van het Communistisch Manifest, laat staan tegen de geest van anderhalve eeuw marxistische traditie. ‘De communisten,‘ zo verklaren Marx en Engels, ‘zijn geen bijzondere partij tegenover de andere arbeiderspartijen. Ze hebben geen belangen die gescheiden zijn van de belangen van het gehele proletariaat. Zij stellen geen bijzondere beginselen op waarnaar zij de proletarische beweging willen modelleren.’ (Het Communistisch Manifest, Pegasus, Amsterdam, 1998, p. 60)

En de sektariër betaalt een zware prijs voor deze theoretische inconsistentie. Zoals bij ieder subjectivisme leidt ook het zijne ertoe dat denken en praktijk zich ontbinden in mechanische tegenstellingen die niet meer tot organische eenheid terugkeren. In mensentaal: zijn optreden laat zich steevast kenmerken door het duizelingwekkend en ongemotiveerd heen en weer schommelen tussen hovaardig ultralinksisme en beginselloos opportunisme.

Naar de praktijk en het onderwerp van deze brochure toe vertaald, kunnen we hierover het volgende zeggen.

Een voorbeeld van het eerste uiterste. Op een onbewaakt moment strijkt een roedel P.v.d.A–ers neer bij een stakerspost. Er worden een paar beleefde woorden van ‘solidariteit’ geuit, ze trachten hun blad aan de man of de vrouw te brengen en klaar is kees. Poppetje gezien, kastje toe. Zoiets wordt door stakers doorgaans ervaren als wat het in de feiten ook is: een verwaande interventie door wezens die vreemd zijn aan de beweging maar de arbeiders de zaak toch willen voorkauwen. Dit op een ogenblik dat de eerste en voornaamste bekommernis er bij de arbeiders vooral in bestaat om de stakerspost zo efficiënt mogelijk op te zetten en in stand te houden. Tegenover deze werkwijze van de P.v.d.A. stellen wij een heel andere houding: wij zien het als onze eerste taak om met de mensen mee te strijden. Voor we aan onszelf denken, zetten we ons beste beentje voor om de beweging te versterken. We kauwen de arbeiders niets voor, we sluiten er ons bij aan. Ons partijstreven naar groei en invloed beweegt zich in harmonie en samenspraak met de voorwaartse strevingen van de gehele arbeidersbeweging.

We maken ook niet de fout om luidruchtig te protesteren en in de discussie te gaan met de P.v.d.A. Dit zou bij de arbeiders overkomen als het zoveelste afstotelijk potje bakkeleien tussen extreemlinkse splintergroepen, die elkaar het licht in de ogen niet gunnen. Slechts wanneer de sektarische tussenkomst een ontwrichtende uitwerking zou hebben op het stakerspiket of wanneer de actievoerders er zelf hun beklag over maken, zullen we aan de arbeiders beleefd en geduldig uitleggen, dat zulks onze aanpak niet is en ook nooit zal zijn; dat wij er in de eerste plaats zijn om de mensen mee te helpen, hun rangen te versterken. Voor de rest laten wij onze concullega’s zichzelf maar ontmaskeren.

Het opportunisme van de sekten uit zich aan het piket dan weer vaak op de volgende manier: als een valse, manipulatieve duikbootpolitiek die bij de arbeiders in het gevlij tracht te komen door de eigen politieke identiteit te verzwijgen, zich op die manier toegang te verschaffen tot de stakerspost en de mensen door pluimstrijkerij en kruiperig ja–knikken voor de kar trachten te spannen. Duikbootpolitiek valt vroeg of laat toch door de mand en wordt in de regel door de actievoerders zelden op prijs gesteld. Je mag je politieke identiteit gerust op een kalme en beleefde toon bekend maken. Ook wanneer dat aanvankelijk een beetje vreemd of zelfs vijandig onthaald wordt – de sektariërs hebben op heel veel plaatsen een doordringende stank nagelaten – hoef je niet onmiddellijk spijt te hebben van je eerlijkheid. Ook dit is misschien het gedroomde moment om op geduldige wijze het verschil tussen de marxistische benadering en deze van de sekten aan te kaarten. Wij trekken er overigens onze neus niet voor op om van de arbeiders te leren. Uit hun kritieken kan je als jongere (en ook meer ervaren kameraad) trouwens veel oprapen hoe het wel moet.


2.

Je zal je eerlijke intenties natuurlijk ook in de praktijk moeten bewijzen en dat is eigenlijk niet zo moeilijk. Stel je actief en hulpvaardig op en bied je bijvoorbeeld als eerste vrijwilliger aan wanneer de actievoerders hulp vragen om een bepaalde praktische klus te klaren. In het geval dat er meerdere kameraden aanwezig zijn, maakt het door de band genomen een heel goede en professionele indruk, indien jullie daar als groep op reageren. De interesse in jullie activiteiten en ideeën kan er des te sneller door groeien. Onthoud misschien dit: aan een piket is er voldoende tijd om te praten en doorgaans zijn er meer rustige momenten dan spannende; de mensen zullen je gauw genoeg benaderen om wat meer over je te weten te komen of om met je in discussie te treden. Vroeg of laat dient zich dan wel de gelegenheid aan om je materiaal uit te pakken en ter inzage aan te bieden. (Voor pamfletten ligt de drempel doorgaans lager dan voor het blad en brochures, maar dat zie je dan zelf maar). Vaak genoeg komt daar trouwens vanzelf vraag naar.


3.
(Respect tonen voor en rekening houden met de specifieke verhoudingen tussen de arbeiders onderling)

Zoals reeds opgemerkt: als schoolgaande of nietwerkende jongere kom je in een heel andere realiteit terecht dan deze die je het meest gewend bent. Wat vooral telt is het feit dat er heel andere leiderspatronen heersen op de werkvloer dan bijvoorbeeld op je school. Op de school wordt de oudere nogal eens gezien als ‘de vijand’: autoritaire leerkrachten, prefecten, studieleraars die bij het minste vergrijp staan te zwaaien met strafstudies en andere sancties. Op het bedrijf heerst een dergelijke generatie kloof veel minder. De oudere arbeider is vaak de persoon die de jongere arbeider wegwijs heeft gemaakt op de werkplaats, die hem of haar de technische aspecten van het werk heeft bijgebracht, die hem of haar heeft getoond hoe bepaalde manoeuvres van de bazen te ontwijken of van antwoord te dienen. De jongere arbeider leert van de oudere, meer ervaren collega een heel scala aan vaardigheden: van vakkundig en doelmatig werk tot en met waar en wanneer men kan wegglippen om een sigaret op te steken. De vaak oudere, ervaren vakbondsman of –vrouw brengt de jongere militant de knepen van het vak bij.

Deze verhoudingen hebben een verregaande invloed op het leiderspatroon bij de confrontaties tussen de arbeiders en de bazen. Het blijft waar dat de schoolgaande jeugd en de jeugd in het algemeen ‘de lichte cavalerie’ van de klassenstrijd vormen. Maar wanneer de zwaardere bataljons zich op het strijdperk aandienen, ‘vervalt’ de lichte cavalerie algauw tot de status van hulptroepen. Een al te hanige en eigenwijze houding vanwege de jongeren wordt in deze context nogal eens aanzien voor een snotaapachtige attitude. Te vermijden dus. Dat hoeft niets af te doen aan je zin voor initiatief. Je moet gewoon rekening houden met het feit dat de arbeiders zich op hun eigen terrein bevinden en hen in die hoedanigheid respecteren. Tenslotte kennen zij hun omgeving veel beter dan jij.

Maar jongeren blijven natuurlijk jongeren en de arbeiders weten dat ook. Een foutje uit jeugdige overmoed is gauw gebeurd. Je hoeft je niet teveel muizenissen te maken, wanneer je al eens een steekje laat vallen; je bevindt je niet onder competitieve kleinburgers of betweterige studenten die je met je geringste fout blijven achtervolgen. Hier gaat het om mensen van de praktijk die bezig zijn een sterk gemeenschapsgevoel te ontwikkelen. In vernoemd geval laat je je gewoon welwillend door de arbeiders zelf corrigeren en het is vlugger vergeten dan je denkt. Tenslotte zijn ze heel vaak blij dat je er bent om hun rangen te versterken en mee te werken aan hun strijd en in die context zal het enthousiasmerend effect van jongerenaanwezigheid heel sterk en lang doorwegen. De bottomline blijft: zij hebben de leiding op het piket. Inspraak zal je gauw genoeg gegeven worden als gebleken is dat ze in de praktijk wel wat aan je hebben.


4.
(Crisismomenten)

Eens je deze tafelmanieren onder de knie hebt, is er in veel gevallen al een solide basis gelegd voor een succesrijke tussenkomst.

Ik heb met opzet tal van andere zaken buiten beschouwing gelaten. Wat te doen bij crisismomenten bijvoorbeeld: confrontaties met werkwilligen – de werkwillige van vandaag kan de militante staker van morgen zijn; directie- of kaderleden, meestergasten en dergelijke meer die zich op een provocerende of intimiderende manier aandienen; vals gestook of zelfs gewelddadige interventies van de fascisten; politie-interventies; maar ook verraderlijke en demoraliserende tussenkomsten van de bureaucratie?

Hier wil ik me beperken tot één enkele observatie. Crisismomenten vormen door de band genomen machtige hefbomen voor bewustzijnsverruiming bij de actievoerders en dus misschien wel de beste gelegenheden om jezelf en dus de degelijkheid van je partij te bewijzen, je aanwezigheid nog meer aanvaardbaar te maken en zelfs een zekere autoriteit (in de betekenis van gewichtige geloofwaardigheid) te verwerven.

Wanneer je ook hier de juiste balans weet te bewaren tussen moed, strijdbaarheid en zin voor initiatief enerzijds en een verantwoordelijke, doordachte houding, hulpvaardigheid anderzijds, kan dat niet anders dan je band met de andere actievoerders versterken. Als je tot op dat ogenblik nog beschouwd werd als een vreemde, uitwendige aanwezigheid zullen alle, heel begrijpelijke reserves van de arbeiders smelten als sneeuw voor de zon. Dan kan het cafégesprek volgend op het piket algauw uitgroeien tot een kleine meeting waarop je bij de mensen veel luisterbereidheid zal aantreffen. Je moet kunnen luisteren om zelf beluisterd te worden.


5.
(Na het piket)

Ik suggereerde het hierboven al: wat er na de actie gebeurd, is al bijna net zo belangrijk als het piket zelf. Dikwijls blijven op zijn minst de harde kernen van de stakersposten nog een tijdje in elkaars gezelschap in een publieke gelegenheid: een café, een volkshuis, of welke plaats zich daar ook toe leent. Het gevoel ‘een geslaagde klus te hebben volbracht’, verhoogt in regel eveneens het bewustzijn. Het is dus bijna een must dat je ook op deze plaatsen aanwezig bent en je dialoog met de mensen verder zet. Beschouw het als de gedroomde kans om wat dieper op de zaken in te gaan, het hoe en waarom van alles beter te leren kennen, je inplanting in het bedrijf of de industriezone te verzekeren of uit te breiden, je materiaal te verspreiden en – waarom ook niet? – in deze meer ontspannen omgeving wat los te praten over de diepere, theoretische kant van je optreden: tenslotte bevind je je in het gezelschap van de meest strijdbare en bewuste lagen in de beweging.

Heb je op de stakerspost een goede beurt gemaakt, dan kan dit ook je toegang vergemakkelijken tot vakbondsdelegaties, groepen van strijdbare arbeiders of sympathiserende nieuwsgierigen die komen afgezakt van strijdhaarden waar je niet aanwezig kon zijn. Je nieuwe vrienden zullen je graag voorstellen aan delegaties of strijdbare individuen van andere bedrijven. Op basis van deze kennismakingen en discussies kan je je verslag verrijken, alsook je doorzicht in de beweging en de stemming onder de arbeiders en last but not least: partijcontacten leggen.


6.
(In het geval er een stakingscomité wordt opgericht)

Doorgaans wordt er met de massale en openlijke oproep tot de oprichting van een stakerscomité gewacht tot het voor een belangrijk gedeelte van de actievoerders duidelijk geworden is dat hun vakbondsleiding niet echt voldoet om de strijd tot een goed einde te brengen. Anderzijds is het je taak om ieder initiatief van de arbeiders tot een dergelijke vorm van zelforganisatie te ondersteunen en, waar dat gepast is, zelf voor te stellen. Zeer zeker hebben heel wat militanten en afgevaardigden het er op hun vormingsdagen of meetings van bovenaf ingepompt gekregen, ‘dat zij hiertoe beter niet overgaan zonder de toestemming van hun secretarissen’. Maar onze loyauteit ligt in de eerste plaats bij de arbeiders en niet bij hun hogere leiding. Hoe links deze laatste zich soms ook mag voordoen, de angst om de controle over de beweging kwijt te spelen, drukt de vakbondsleiding voortdurend op de hersenen. Je zal dus in de hogere regionen niet gauw veel steun ondervinden voor je oproep of het initiatief van de arbeiders.

Bij andere gelegenheden zijn de krachtsverhoudingen dan weer dusdanig dat bepaalde secretarissen er niet onderuit kunnen om zo’n stakerscomité in het leven te roepen of op zijn minst te gedogen. Er zijn gevallen bekend waarbij kameraden, zoals tijdens de septemberstaking in 1983, ermee wegkwamen dergelijke voorstellen langs de leiding te formuleren. Met het gevolg dat er toen, bijvoorbeeld te Geraardsbergen, een heel gezagvol en breed vertegenwoordigd comité kon ontstaan.

Eens het stakerscomité een feit is – en indien jij als één van de initiatiefnemers ervan geldt, word je er doorgaans ook in opgenomen – zou je misschien kunnen denken dat de hierboven uiteen gezette etiquetteregels een beetje ‘ouwe koek’ geworden zijn, die onder de voorwaarden van je nieuwe positie meer of minder gerekt kunnen worden. Niets is minder waar. Eerder het omgekeerde is van kracht: je draagt nu immers een zwaardere verantwoordelijkheid dan voordien. Je bent nu immers niet meer hoofdzakelijk verantwoordelijk voor de tussenkomst en het imago van je partij; je bent verantwoordelijk voor het gehele gevecht in kwestie. De gepaste houding van de marxist – binnen of buiten het comité – is er één die belangrijke overeenkomsten vertoont met het partijregime dat hij of zij gewend is: het partijregime van het democratisch centralisme. Eens er een stakerscomité bestaat, is ‘hyperkinetisch en eigengereid blokbustertje spelen’ al helemaal uit den boze. Daarmee wil ik niets neerbuigends of laatdunkends over jongeren gezegd hebben. Integendeel. Het volgende wordt hier bedoeld. Je zal slechts aan geloofwaardigheid en respect vanwege de arbeiders winnen door de ordewoorden van het comité als meest bereidwillig en gedisciplineerd element mee ten uitvoer te leggen.

Nu staat er immers een georganiseerde tegenmacht tegen alle gemeenschappelijke vijanden op poten en iedere avonturistische uitschuiver die buiten de beslissingen van het comité valt, zal doorgaans niet gezien worden als een daad die ‘de zaak vooruit helpt’; veeleer als een uiting van amateurisme en gebrek aan discipline; of erger nog: als een daadwerkelijke belemmering voor het georganiseerd verloop van de strijd en alle initiatieven die van het comité uitgaan.

Als je het met een bepaald ordewoord niet eens bent, hou dan in eerste instantie best je kritiek binnen het comité zelf, en toon je vooral als iemand die het democratische leiderschap van het comité wil versterken. Indien de arbeiders die niet in het comité zetelen, zich oneens verklaren met de ordewoorden, zullen ze je dat wel laten weten. Dan kan je de discussie met hen aangaan en met hun bekommernissen naar het stakerscomité terugkeren.

* * *

Ik zou willen besluiten met de herhaling dat ik hier allerminst het laatste woord heb willen of kunnen spreken over de praktische opgaven van de marxisten ten aanzien van deze belangrijke en veelzijdige kwestie. De tekst is onder de druk der omstandigheden vlug tot stand moeten komen. Omstandigheden die de nood aan literaire afwerking op het tweede plan hebben verdrongen, betekenen echter nog geen excuus voor theoretische onnauwkeurigheid. Wanneer de categorieke toon van sommige verwoordingen de inhoud her en der zou doen afwijken van de concrete ervaringen die de kameraden elders hebben vergaard, hoeft dat dan nog altijd niet te wijzen op een fundamenteel meningsverschil over de te volgen tactiek. Indien dat toch het geval zou zijn, meen ik mijzelf niettemin in een rechtmatige positie te hebben geplaatst om af te sluiten met de woorden waarmee ook Marx een speld gestoken heeft aan zijn Kritiek op het program van Gotha :

Dixi et salvavi animam meam
(‘Ik heb gesproken en mijn ziel gered’)