De dynamiek van het Daensisme in de vorming van een christelijke arbeiderspartij

Geert Cool

2006

Recent behaalde priester Daens langs Nederlandstalige kant de 5de plaats in de verkiezing van de “Grootste Belg”. Daens werd daarbij voorgesteld door minister Inge Vervotte (CD&V). Bij dat programma werd volgens ons afbreuk gedaan aan wie Daens echt was en het belang van de vorming van een onafhankelijke christelijke arbeiderspartij.

Adolf Daens vormde een cruciale kracht in het opzetten van de eerste onafhankelijke christelijke arbeiderspartij in België. De conservatieve Katholieke Partij (de voorloper van de huidige CD&V) had enkel oog voor de belangen van de rijke kapitalisten, de adel, de kerkelijke autoriteiten en het koningshuis.

De erbarmelijke situatie van de arbeiders en de opkomst van het socialisme, waren verontrustend voor heel wat katholieken. Het establishment zag haar positie bedreigd en wilde daarop reageren om een revolte tegen te gaan.

Een aantal katholieken stelden echter dat het noodzakelijk was om zelf de sociale kwestie op te nemen en de arbeiders te organiseren. Zoniet zouden alle arbeiders verloren gaan aan het “heidense socialisme”.

Een jonge generatie van katholieken begon meer democratie te eisen zodat ook de arbeiders een politieke stem zouden krijgen. Ze moesten daarbij afrekenen met een sterke tegenstand bij de leiding van de Katholieke Partij. Vanaf de jaren 1890 kwamen er verschillende initiatieven om al dan niet buiten de Katholieke Partij een initiatief te nemen. Het organiseren van arbeiders op syndicaal vlak, doorheen de Volksbond, werd nog aanvaard. Maar toen er in 1892 een oproep verscheen voor een onafhankelijke katholieke arbeiderspartij, weerklonk heel wat protest. Hierdoor “zou de nieuwe arbeiderspartij onmerkbaar de leerstellige rechtgelovigheid verliezen”, aldus het katholieke blad Le Bien Public.

In de meeste regio’s probeerden de christen-democraten te werken binnen het kader van de oude conservatieve Katholieke Partij. Onder meer in Gent slaagden de zogenaamde “anti-socialisten” erin om een arbeidersvleugel te vormen binnen de partij. In 1890 begon deze groep met de publicatie van haar dagblad ‘Het Volk’.

Een aantal progressieve pastoors steunden de strijd voor eigen katholieke arbeidersorganisaties. Ze voelden zich gesterkt door de pauselijke encycliek Rerum Novarum. In Luik nam priester Pottier de belangen van de arbeiders op en stelde bij onder meer voorstander te zijn van algemeen stemrecht en onafhankelijke christelijke syndicaten.

In Aalst begon een groep christen-democraten zich te organiseren rond de drukker Pieter Daens. Die had steeds de Katholieke Partij gesteund, maar bleef tegelijk oog hebben voor de reële situatie onder de arbeiders. Zijn bladen “De Werkman” en “Het Land van Aalst” volgden een eigen koers en gaven geregeld kritiek op de katholieken, onder meer vanuit een anti-militaristisch standpunt.

Toen de conservatieve katholieke leider Charles Woeste naar Aalst verkaste om er de nieuwe sterke man te worden, protesteerde Pieter Daens niet. De Franstalige elitaire Woeste werd goed onthaald, “We zullen nu een man hebben... die onder al de ministeries een grote macht zal hebben”, aldus Pieter Daens in 1874.

Meer en meer begon het echter te knagen. Daens zag de opgang van het socialisme en hoe de katholieken terrein verloren in de sociale kwestie. De extreme armoede en de kloof tussen de arbeiders en de Franstalige elite, deden Pieter Daens concluderen dat er nood was aan een christelijk socialisme. “Is er geen christelijk socialisme, het heidens socialisme wordt meester.” (Het Land Van Aelst, 4 januari 1891). Daens vond medestanders in onder meer Ninove en stelde dat er nood was aan een eigen christelijke volkspartij.

Hij zag dit niet als een partij naast de Katholieke Partij en probeerde lange tijd om christen-democratische kandidaten op de katholieke lijsten te krijgen. De ontwikkeling van een eigen christelijke arbeiderspartij werd echter bespoedigd door de onverzettelijke haat van de Aalsterse conservatieven tegenover christen-democratische opvattingen. Alle mogelijke middelen werden ingezet, zo kwamen er tal van kerkelijke straffen voor priester Daens. Die bleef echter volhouden dat er een onderscheid moest worden gemaakt tussen religie enerzijds en het stoffelijke karakter van de politiek anderzijds.

Op 15 april 1893 vond in Okegem een bijeenkomst plaats van Pieter Daens en enkele medestanders van de Ninoofse “Roelanders”-beweging. Eind april werd opnieuw samengekomen om de Christene Volkspartij op te richten. Op die bijeenkomst was ook priester Daens aanwezig. Priester Daens stelde het programma van de nieuwe beweging op.

In 1894 reeds namen de Daensisten deel aan de verkiezingen. Nadat een poging om tot een gezamenlijke lijst met de Katholieken mislukte, kwam er een afzonderlijke christelijke arbeiderslijst. Ondanks de corruptie en de verkiezingsfraude, kwam het tot een tweede ronde en werd Daens verkozen met een stemmenaantal dat vergelijkbaar was met dat van de Katholieken. Wellicht haalde Daens in werkelijkheid heel wat meer.

Het verkiezingsresultaat van 1894 was een uitdrukking van de snelle ontwikkeling van de Christene Volkspartij. De strijd voor een christelijk socialisme kon op heel wat steun rekenen onder de arbeiders. Er kwamen vakbonden die zich aansloten bij de beweging, onder meer de steenbewerkers van Boom en Brussel (in 1897 had deze vakbond 2.000 leden). In Aalst zelf kon de nieuwe christelijke arbeiderspartij rekenen op de actieve steun van honderden arbeiders, en dat ondanks het feit dat het om een erg nieuwe beweging ging die op programmatorisch vlak nog niet eensgezind was. Er kwamen ook groepen in andere steden, onder meer in Antwerpen, Kortrijk, Brugge, Dendermonde,...Geleidelijk aan werd gebouwd aan een partij met structuren en lokale afdelingen.

Zowel in het parlement als op de werkvloer ervaarden de Daensisten dat ze aan dezelfde kant stonden als de socialisten. Er was een scheiding door hun godsdienst, maar veel socialisten hadden sympathie voor Daens en heel wat Daensisten zagen in de socialisten een bondgenoot. Op 1 mei 1897 trok een groep Daensisten met groene vlaggen mee op met de Aalsterse socialisten.

Onder druk van de kerk kwam priester Daens in 1898 niet op in Aalst, maar in Brussel. Hij kwam pas in 1902 terug in het parlement. De enorme tegenkantingen van het politieke establishment en de kerk dwongen het Daensisme naar links. Er was aandacht voor de kwestie van het algemeen stemrecht, de taaleisen van de Vlaamse arbeiders, eisen rond loons- en arbeidsvoorwaarden,... Anderzijds betekende de breuk met de Katholieke Partij ook dat gebroken werd met de kerkelijke autoriteiten, wat een enorme druk zette op de jonge arbeiderspartij. Het gebrek aan middelen en de erg snelle ontwikkeling van de partij, zorgden ervoor dat heel wat meningsverschillen aanwezig bleven en dat er een zekere frustratie kon ontwikkelen in de Daensistische rangen.

In 1907 overleed Adolf Daens nadat hij zich uit het publieke leven had teruggetrokken. De Christene Volkspartij takelde af, raakte verdeeld en uiteindelijk sloten de meeste leden zich aan bij de socialisten. Anderen kwamen terecht in de Vlaamse beweging. Vandervelde stelde bij het overlijden van Daens over de christelijke arbeiderspartij: “Onvermijdelijk moest zij haar aanhangers naar het socialisme drijven. ’t Is hetgeen gebeurd is.”

Het opzetten van een christelijke arbeiderspartij was een enorme stap vooruit. De nood aan een eigen politiek instrument voor de christelijke arbeiders was dermate groot, dat de Daensisten bij hun eerste verkiezingsdeelname – een jaar na het oprichten van de partij – onmiddellijk bijzonder sterk scoorden. Die enorme ontwikkeling van het Daensisme was mee mogelijk gemaakt door de anti-klerikale houding van de socialisten. De Kerk was een machtsinstelling en verdedigde de belangen van het kapitalisme, maar veel arbeiders wilden daarom nog niet breken met hun geloof. Een anti-klerikale opstelling werd veelal gezien als een anti-godsdienstige opstelling, waardoor brede lagen van de arbeiders werden afgeschrikt.

Ook na de ontwikkeling van het Daensisme trokken de socialisten daar onvoldoende lessen uit. Er was sympathie voor het “christelijke socialisme” van Daens, maar het kwam niet tot een structurele samenwerking met voldoende ruimte voor de eigen specifieke klemtonen en gevoeligheden. Hierdoor werd een kans gemist om het rode en het groene socialisme te verenigen, waardoor beiden zwakker stonden.

Vandaag zien we onder zowel groene als rode vakbondsleden discussies over een politiek alternatief. Het Daensisme toont aan dat de ontwikkeling van een groene arbeiderspartij bijzonder snel kan gebeuren, maar dat eenheid tussen rode en groene socialisten noodzakelijk is om het potentieel te benutten en te bouwen aan een sterke gezamenlijke nieuwe arbeiderspartij.