Na een woelig 2007 naar een explosief 2008! Voorbereid zijn op snelle veranderingen is de boodschap.Tekst voorgesteld op de districtscongressen van 1 maart, na goedkeuring op het Nationaal Comité van 9 en 10 februarifebruari 2008In haar jongste congrestekst (eind 2006) erkende LSP/MAS dat de wereldeconomie zowel in 2004 (+5,2%), als in 2005 (+4,2%) een “relatief sterke groei” kende. We schreven “groei blijft mogelijk”, maar weigerden mee te stappen in het blinde economisch optimisme. “De gevaren zijn enorm”, stelden we. Die stelling was gebaseerd op de opeenstapeling van een reeks interne tegenstellingen, zeepbellen, die eerder vroeg dan laat gecorrigeerd moesten worden.(1) In essentie komt het erop neer dat de VS veel meer uitgeven dan ze zelf produceren en hun tekorten financieren met de overschotten van vooral de OPEC-landen en Zuid-Oost-Azie, een situatie die op termijn onhoudbaar is. Op de vraag of het evenwicht op een geordende manier hersteld kon worden, stelden we, dat de enig mogelijke remedie wellicht het uitkopen van de crisis door Europa, de olie-exporterende landen en China samen was, maar dat een dergelijk gecoördineerd optreden in het kapitalisme uitgesloten was. Deel 1 van de poging tot geordend herstel bestond erin de uitgaven in de VS in te tomen, maar dan wel zodanig dat de consumptie niet helemaal stil valt en een groeivertraging of recessie veroorzaakt. Een gevaarlijke, maar noodzakelijke evenwichtsoefening was dat. Door de prijs waartegen men geld kan lenen, de rentevoet, geleidelijk op te trekken, hoopte de Amerikaans Federale Bank (Fed) stilaan geld uit de VS economie te halen , een beetje zoals men geleidelijk de lucht uit een ballon laat wegvloeien. Tegelijk wou de Fed de inflatie, het verschijnsel van stijgende prijzen voor goederen en diensten, bestrijden door de geldhoeveelheid in te perken. Tussen juli 2004 en juli 2006 trok de Fed daartoe de rentevoeten liefst 17 keer op rij op, van 1% naar 5,25%.(2) Dat tarief werd vervolgens meer dan een jaar lang aangehouden. Begin augustus vorig jaar nog, noemde de Fed de oplopende inflatie het belangrijkste risico voor de Amerikaanse economie. Markt voor hypotheekleningen glijdt onderuit Het risico op inflatie is zeker niet verdwenen, maar werd weldra overschaduwd door een nog dringender gevaar, toen de beurzen in de zomer van 2007 zware klappen kregen ten gevolge van de instorting van de Amerikaanse subprime hypotheekmarkt. Subprime of risicovolle hypotheekleningen zijn bedoeld om mensen die normaal gezien niet in aanmerking zouden komen wegens een te laag inkomen, toch aan te zetten om een eigen woning aan te kopen. Men staat die mensen een hypotheeklening toe aan een lage aanvangsrente die echter na zo’n twee jaar scherp stijgt. Men gaat ervan uit, nog voor de rentesprong, op basis van de gestegen waarde van de woning, een nieuwe hypotheek te kunnen aangaan aan een gunstiger rente. Om een idee te geven van de omvang: de totale kapitalisatie van de wereldwijde aandelenmarkten bedraagt naar schatting 50.000 miljard $. In de VS staan voor maar liefst 8500 miljard $ aan hypotheken uit. Hiervan is ongeveer 1200 miljard $ subprime en 1150 miljard $ Alt-A/B, een stapje kredietwaardiger. Het subprime deel van nieuw afgesloten hypotheken is van minder dan 5% gestegen naar 18% in 2005 en 23% in 2006. Zolang de rente laag bleef en de huizenprijzen stegen was er geen vuiltje aan de lucht. Door de rentestijging en het feit dat de woningmarkt verzadigd was, slaagden echter steeds meer van die nieuwe “eigenaren” er niet meer in hun hypotheek af te betalen. Loan Performance (3) schatte in november 2006 het aantal wanbetalers op 13% met een verlies van 78 miljard $. In Januari dit jaar schatte Fed-voorzitter Bernanke het verlies door rommelhypotheken al op 100 miljard $ en hij voegde eraan toe dat het tot een veelvoud daarvan kan oplopen, intussen spreekt men van 133 miljard $ en schat men dat dit kan oplopen tot 250 of zelfs 500 miljard $. Naarmate de recessie zich verdiept, de werkloosheid toeneemt en de inkomens inkrimpen, loopt ook het percentage achterlopende betalers bij de betere hypotheken fors op. De opeenhoping van hypotheekschulden is een drama voor heel wat arbeidersgezinnen. Woningprijzen zijn eind januari 2008 al met 6% gedaald ten opzichte van hun piekprijs, met 10% als men rekening houdt met de inflatie, en verwacht wordt dat ze met 20 tot 30% kunnen zakken. Dat zou het vastgoedvermogen van de gezinnen met 4 tot 6.000 miljard $ doen krimpen. De daling van de woningprijzen is de eerste daling sinds de depressie van de jaren dertig. Vooral in de VS, met haar gebrekkige sociale bescherming, is een eigen woning dikwijls de enige zekerheid voor de toekomst. Al in september bleek dat zo’n 2 miljoen Amerikaanse huiseigenaars, 5% van het totaal, hun woning dreigden te verliezen. Intussen werden er naar verluid al 1 miljoen eigenaars uit hun woning gezet en bleven maar liefst 4 miljoen nieuwe huizen onverkocht. Minstens 200 Amerikaanse leningmaatschappijen gingen over kop en in september al waren 60.000 jobs verloren gegaan, waarvan 20.000 bouwvakkers. In december kende de werkloosheid in de VS haar sterkste stijging sinds september 2001 en bereikte het hoogste peil in 2 jaar een trend die zich in januari blef doorzetten. Van subprime naar veralgemeende kredietcrisis Talrijke fusies en overnames in het recente verleden gebeurden met geleend geld. Met de kredietproblemen op de huizenmarkt, nam bij beleggers ook de bereidheid af om dit te financieren. Zakenbanken bleven zitten met ongefinancierde leningen, onder meer voor de uitkoop van het Britse Boots en het Amerikaanse Chrysler. De fusie- en overnamemanie, een belangrijke motor van de beurzen, dreigde stil te vallen. Banken werden ook terughoudender om kredieten te verschaffen aan andere banken, waardoor een gebrek aan liquiditeiten (4) ontstond. De Europese Centrale Bank (ECB), gevolgd door de FED, Japan e.a. moesten hierdoor honderden miljarden aan goedkope kredieten ter beschikking stellen. Dat was geleden van na 11 september 2001. Toen bood de ECB 69 miljard € aan, tijdens de zomer van 2007 zo’n 230 miljard €. De ingrepen van de centrale banken gaven aan hoe erg ze de situatie inschatten, waardoor de onrust bij sommige beleggers nog groter werd. Uiteindelijk was de FED verplicht haar discontovoet (5) met 0,5% te verlagen. Deze kredietversoepeling deed de financiële markten even herademen. Op 18 september 2007 moest de FED echter ook haar zogeheten federal funds rate (6) verlagen om de kredietmarkten draaiende te houden. Dat was de eerste keer in 4 jaar. Hypotheekleningen werden verpakt in fondsen of effecten (7) en doorverhandeld. Men beweerde dat het risico op verlies door wanbetalers daardoor dusdanig verspreid was, dat er eigenlijk geen risico meer overbleef. In werkelijkheid heeft de crisis zich daardoor verspreid naar alle uithoeken van het financiële systeem.Wereldwijd zouden de banken in januari dit jaar al voor 109 miljard $ aan waardeverminderingen hebben geboekt. Zakenbank Merril Lynch alleen al voor 11,5 miljard $, waardoor de bank voor 6,6 miljard $ aan vers kapitaal moest ophalen bij investeerders uit Koeweit, Japan en Zuid-Korea! Eind januari bleken de zogenaamde obligatieverzekeraars (monolines) of kredietverbeteraars in de problemen te geraken en werd hun kredietwaardigheid naar beneden herzien.(8) Blijkbaar verzekeren die voor zo’ n 2400 miljard $ aan obligaties. De twee grootste, Ambac en NBIA, zouden samen zo’n 8,5 miljard aan verliezen hebben opgestapeld. Uit vrees dat heel de sector onderuit gaat en de rest van het financiële systeem meesleept, probeert men bij een aantal grootbanken zo’n 15 miljard $ op te halen om hen te redden. Tot voor kort was de huizenmarkt de motor van de Amerikaanse economische groei: gezinnen werden via goedkope kredieten gestimuleerd de papieren waardetoename van hun huis in leningen om te zetten en op krediet te kopen. Zo groeide de interne markt ondanks een reële loondaling voor vele werknemers. Op het hoogtepunt van de woningzeepbel namen huiseigenaars in de VS op die manier jaarlijks voor 700 milard $ kredieten op, nu zou dit teruggelopen zijn tot minder dan 200 miljard $! Zelfs in de koopjesmaand december daalde de detailhandel in de VS met 0,4% tegenover november. Bovendien zorgde een van de grootste verstrekkers van kredietkaarten, American Express in januari ’08 voor paniek. Het aandeel verloor 10% nadat het bedrijf toegaf voor het vierde kwartaal van 2007 een voorziening van 440 miljoen dollar aagelegd te hebben om zich in te dekken tegen wanbetalers. Bovendien liet American Express uitschijnen dat de cijfers voor de eerste drie maanden van dit jaar onder de verwachtingen zullen vallen. Kan men een totale instorting vermijden? Alleen al de eerste 3 weken van 2008 ging voor 7300 miljard $ aan beurswaarde verloren, ruim meer dan het BBP van Japan, de tweede economie ter wereld. Veel beurzen verloren in 2008 al bij de 20%, de officiële definitie voor een berenmarkt. Beursmakelaars en andere “specialisten” vragen zich af wat zich afspeelt in hun wereldje. Het zijn de talloze speculatieve zeepbellen – inzake vastgoed, aandelen en obligaties, wisselkoersen en omzeggens iedere verhandelbare koopwaar – die een na een uiteen spatten. Het is het einde van de recente fase van globalisering, van hoofdzakelijk financiële speculatie bevorderd door goedkoop krediet. Dat vond zijn oorsprong in de overschotten van de olieproducerende landen en China met haar enorm handelsoverschot, en in de overdreven winsten van de grote ondernemingen op basis van het enorm opdrijven van de uitbuitingsgraad. In de na-oorlogse periode deed men in de VS per dollar groei in de economie, beroep op 1,50 $ krediet, in ’90 was dat al 3$ en vorig jaar zelfs 4,50$! Deze orgie van speculeren en profiteren heeft haar grenzen bereikt en leidt nu tot een gigantische kredietcrisis. De enorme schulden vormen voortaan een dood gewicht dat de wereldeconomie meesleurt in een recessie. In plaats van een geleidelijke correctie wijzen de gebeurtenissen van de voorbije weken in de richting van een totale instorting. Sinds de crisis vorige zomer uitbarstte, met de instorting van verschillende hefboomfondsen, heeft de opeenvolging van maatregelen door regeringen en nationale banken de stabiliteit op de markten niet kunnen herstellen. Er heerst een paniekstemming die zich uitdrukt in de aankondiging van een reeks maatregelen, waaronder een noodstimulans van 145 miljard $, 1% van het BBP van de VS, door de Bush-administratie, met een tegenvoorstel van de door de democraten gedomineerde senaat ten bedrage van 157 miljard $ (9). Een korting van 800 $ zouden Amerikaanse particulieren gemiddeld krijgen op hun belastingen. Er is zelfs een clausule voorzien voor wie geen belastingen betaalt, maar in het algemeen zullen vooral diegenen die al een mooi inkomen hebben het meest genieten van de maatregel. In mei of juni zouden de begunstigden een cheque in de bus krijgen, tenminste als men het eens geraakt. Hoewel dit meer is dan de gezamenlijke hulppaketten van het IMF voor Thailand, Zuid-Korea, Indonesië, Rusland en Brazilië samen tijdens de muntcrisis van ’97-’98, kon het de markten niet gerust stellen. Het was te weinig, te laat. Enkele dagen na de lancering van de noodstimulans, deed de Fed er een flinke schep bovenop door de richtinggevende rente met 0,75% te laten zakken tot 3,5%, de sterkste verlaging in maar liefst 23 jaar. Nog voor het einde van de maand januari ging daar nog eens 3% af, waardoor de VS opnieuw een negatieve reële rente hanteren (10). Op de financiële markten gaat het gerucht dat Amerika kiest voor de ‘Argentijnse’ oplossing voor zijn probleem. Niet enkel de Amerikaanse consument, maar ook de overheid stapelt de schulden op. De VS kampt immers nog steeds met een hardnekkig tekort op de betalingsbalans. Dat zijn allemaal dollars die op de wereldmarkt worden aangeboden. Het verklaart de daling van de dollar ten aanzien van andere munten, een daling die al sinds 2005 aan de gang is en haar laagst peil ooit bereikte ten aanzien van de euro. De historisch lage dollar levert de VS economie een concurrentieel exportvoordeel op. Vermoed wordt dat het daarop is dat de Fed zinspeelt. Een oplopende inflatie is een pijnlijke, maar relatief goedkope manier om uit de schulden te komen. Economen betwijfelen echter of de export de Amerikaanse economie uit een recessie kan tillen. De export staat echter voor slechts 12% van het Amerikaans BBP. Na drie decennia van desindustrialisatie zou het massale investeringen in nieuwe productielijnen en machines vergen om de export significant op te drijven. Dat is onwaarschijnlijk. Bovendien zou een vertraging van de economie in de rest van de wereld de afzetmarkt voor Amerikaanse export ondermijnen. Inflatie, recessie of beide? Intussen vertonen de producentenprijzen de sterkste stijging in 34 jaar. Volgens het Amerikaanse Labor Department staat de inflatie in de VS met 4,1% op haar hoogste peil in 17 jaar, volgens het Duitse bureau voor statistiek staat de inflatie daar het hoogst in 13 jaar en de Belgische inflatie bereikte volgens de Nationale Bank haar hoogste peil in 16 jaar. Stijgende voedselprijzen zijn één van de factoren achter de wereldwijde opstoot van inflatie. Tussen mei en september vorig jaar verdubbelde de prijs voor graan, steeg die van maïs met 50%, die van rijst en sojabonen met 20% en zelfs zuivelproducten in Europa werden 10% duurder. Dat is te wijten aan een reeks van factoren, gaande van het innemen van landbouwgrond voor de productie van biodiesel, over woestijnvorming, overstromingen en droogtes als gevolg van de klimaatcrisis, de stijging van de olieprijzen en de toenemende vraag in China en India. De voorbije decennia werden op basis van de toevloed van goedkope arbeidskrachten na de val van de stalinistische regimes recordwinsten gegenereerd die onder de vorm van goedkoop krediet, vooral in de VS, in de economie geinjecteerd werden. Zolang de consumptieboom op basis van particuliere schulden in vooral de VS aanhield, werd de enorme geldhoeveelheid opgeslorpt door een toevloed aan goederen, de prijs van aandelen en van vastgoed. Bovendien zorgde de import van goedkope producten uit Zuid-Oost-Azië en China in het bijzonder voor een deflatoir effect. Als die goederenstroom stilvalt, kan de inflatie fors opveren, hetgeen in combinatie met een recessie het doemscenario van stagflatie oproept. Een andere mogelijkheid is een lange periode van stagnatie vergelijkbaar met die waar Japan in de jaren ’90 door ging. De Fed zit met een enorm dilemma: banken en speculanten vragen een verlaging van de rente om de kost van hun leningen te drukken, maar net die renteverlaging kan leiden tot het doemscenario van een galopperende inflatie gecombineerd met recessie. Het scenario waarvoor vooral de ECB en de Bank of England beducht zijn. Voor de Fed is het gevaar voor recessie of slump op korte termijn groter dan een herleving van inflatie. Hoe dan ook de periode van ontkenning van de dreigende recessie loopt op haar einde. Steeds meer vertegenwoordigers van de burgerij geven toe dat een recessie in de VS waarschijnlijk is, voor zover we er al niet middenin zitten. Alan Greenspan, voormalig voorzitter van de Fed, stelt dat er (18.12.2007) 50% kans is op een recessie in de Verenigde Staten. Eerder schatte hij die op een derde in. Ook wat betreft de ernst van de neergang geeft men toe dat deze wel eens de ergste sinds 1945 kan zijn. Beursgoeroe George Soros beweert dat de huidige crisis de ergste wordt in 60 jaar en het einde inluidt van een tijdperk van kredietuitbreiding gebaseerd op de $ als internationale reservemunt. Toch zit de financiële crisis slechts in haar vroegste stadia. Het wordt bijna zeker erger. The economist vestigt er de aandacht op dat ook commerciële gebouwen, autoleningen, consumentenschuld en studieleningen met de dag onzekerder worden. De Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) schrijft in haar rapport van januari 2008 dat er in 2007 door de aanzienlijke groei van 5,2% wereldwijd 45 miljoen nieuwe jobs bijkwamen, waarvan een derde in Zuid-Azië. De werkloosheid bleef min of meer stabiel op 6%, 189,9 miljoen werklozen tegenover 187 miljoen in 2006. Ondanks de wereldgroei moesten 43,5% van alle werkenden het stellen met minder dan 2$/dag, 16,4% met minder dan 1$. De helft van alle werkenden was bovendien “kwetsbaar”, dat wil zeggen dat ze voor eigen rekening werken of in familieverband en dus geen sociale bescherming genieten. Voor 2008 houdt de IAO het voorzichtig op een “tragere groei”, maar zelfs dat zou wereldwijd het aantal werklozen met 5 miljoen doen toenemen. Het IMF moest intussen haar groeicijfers naar beneden herzien en houdt het nu op een wereldgroei van 4,1%. Stephen Roach (Morgan Stanley) hied het in Davos op 3 tot 3,5%. Geen veilige vluchthaven Kunnen de groeilanden de rol van de VS overnemen? Stephen Roach: “de Amerikaanse gezinnen consumeren jaarlijks voor 9500 miljard $ tegen amper 1000 miljard in China en 600 miljard in India. De consumptie van de Amerikaanse gezinnen staat voor 72% van de economie van de VS. Dat is meer dan het gemiddelde van 67% voor de periode 1975-2000. Als die overconsumptie van 5 procentpunten wegvalt, krijgen we in de VS de moeder van alle recessies.” De New Yorkse hoogleraar Nouriel Roubini over China: “een terugval van de groei tot 6% als gevolg van de inzinking in de VS is mogelijk. Voor China is dat een harde landing.” De theorie van “ontkoppeling”, waarbij de wereld is ingedeeld in enkele grote economische zones die autonoom bestand zijn tegen de gebeurtenissen elders, blijkt niet te kloppen. Het zou trouwens niet stroken met wat men ons al jaren vertelt over globalisering. Roach voorspelt een terugval van de groei met 0,8% in Europa. Roubini geeft daar een aantal redenen voor: “Er is de impact van de VS, de euro is erg duur en er dreigt een vastgoedcrisis in Ierland, Spanje en het Verenigd Koninkrijk en in mindere mate in Italie en Frankrijk.” Het systeem is zodanig verweven onder de dictatuur van grote banken en financiële instellingen dat er geen vluchtwegen meer overblijven, tenzij een totale verandering van het economisch systeem. Sinds begin 2008 zijn de aandelen van BHP Billiton, de grootste mijnbouwer ter wereld net als die van Toyota, de grootste autobouwer ter wereld met 20% naar beneden gedonderd. Petrochina dat in november nog het grootste bedrijf ter wereld werd inzake beurswaarde, maar liefst 1000 miljard $ , is sindsdien al de helft van haar marktwaarde verloren. Citigroup, de grootste bank ter wereld inzake aandelen is sinds augustus 47% van haar marktwaarde kwijt. De Chinese aandelenmarkt verloor in januari op 6 dagen tijd maar liefst 17%. “De Chinese beleggers zijn onervaren inzake investeringen in financiële afgeleiden”, stelt een analist van Shangai en verder “eerlijk gezegd, het zijn gemakkelijke prooien voor internationale zakenbanken”. Voor China en India was de VS de afgelopen periode de spons die ervoor zorgde dat zowat alle producten die op de wereldmarkt gegooid werden, ook effectief gekocht werden. De enorme groei in die landen is gebaseerd op goedkope arbeid en export. Net door die lage lonen zijn dergelijke landen niet in staat een interne markt van betekenis te scheppen. In de hele wereld wordt een neoliberaal beleid van besparingen, loonmatigingen, etc. gevolgd, wat dus ook inhoudt dat de koopkracht van de bevolking daalt of zal dalen. Geen enkel land of regio is dus in staat de rol van de VS op economisch vlak over te nemen. Aziatische banken kochten massaal de dollars die op de wereldmarkt aangeboden worden op om de schulden van de VS economie, veelal hun belangrijkste exportmarkt, te financieren en om hun munt in functie van de dollar laag te houden wat een exportvoordeel oplevert. Door de daling van de dollar hebben deze banken al miljarden verloren en het is maar zeer de vraag hoe lang ze verder verliezen zullen tolereren als de dollar nog verder zakt. Eens deze dollars verkocht worden, dreigt de dollar compleet onderuit te gaan, wat tot een verdere inkrimping van de VS afzetmarkt zal leiden. De buitenlandse schuld van de VS bedraagt nu al 30% van het BBP. De obligaties in dollars die door buitenlandse financiële banken gekocht zijn, verliezen door een daling van de dollar aan waarde. Als de Aziatische banken (en sommige OPEC landen) hun dollars verkopen, zal dit tot zware verliezen voor deze financiële instellingen leiden. Machteloos of medeplichtig? Overal zullen regeringen beweren dat ze niet verantwoordelijk gesteld kunnen worden voor deze globale crisis. Net als Bush echter waren alle traditionele politici gewillige medeplichtigen die de speculanten vrij spel gaven om alle mogelijke ingewikkelde fiinanciële constructies op te zetten. Constructies die de voorbije maanden de balansen van wereldbanken als Citigroup, Merill Lynch en UBS onderuit haalden. Citigroup boekte haar grootste verlies in maar liefst 196 jaar. Die banken worden nu gedwongen tot verstandshuwelijken met de investeringsmaatschappijen van de Chinese, de Singaporese, de Saoudische en andere overheden die aanzienlijke handeloverschotten boeken. Het Zwitserse UBS wordt nu al schersend de “Union Bank of Singapore” genoemd. Ondanks de protectionistische opstootjes dat dit opwekt lijkt het erop dat er geen alternatief is, tenzij een binnenlandse overname via nationalisatie zoals in de jaren ’90 in Zweden, Japan en enkele andere Aziatische landen of recent nog in Groot-Brittanië met Northern Rock. Het ging hier echter telkens over de nationalisatie van de verliezen, terwijl die banken via aanzienlijk jobverlies en aanvallen op de arbeidscondities, voorbereid werden op de verkoop aan de speculanten. Van ons zal gevraagd worden de rekening te betalen om het systeem te redden als de regeringen banken en financiële instellingen ter hulp schieten. We moeten deze crisis aangrijpen om ons te verzetten tegen uitkoop door de overheid zonder democratische controle, om te pleiten voor nationalisatie van banken en financiële instellingen onder arbeiderscontrole en beheer. We moeten eveneens oproepen voor publieke pensioenkassen en ons verzetten tegen gespeculeer met onze pensioenen. Tenslotte moeten we oproepen voor democratische economische controle tegen privatisering, deregulering, speculanten en fraude en voor een socialistische maatschappij gebaseerd op publieke eigendom en democratische planning. Daar waar dit soort eisen in de voorbije jaren als onrealistisch en zelfs ongewenst zou worden afgedaan, beginnen nu zelfs de vertegenwoordigers van de burgerij te pleiten voor wat meer voorzichtigheid vanwege het patronaat Hier en daar waarschuwen de betere analisten ervoor dat deze crisis de legitimiteit van de vrije markt aantast. Vakbondsleiders en de leiders van de sociaal-democratie, inclusief de restanten van haar linkervleugel, die de voorbije jaren de ideologie van de vrije markt gewillig hebben overgenomen, zullen aan de basis, door de meest gepolitiseerde arbeiders in vraag gesteld worden. België niet immuun voor wereldwijde recessie Volgens het Zwitserse onderzoeksinstituut KOF dat sinds 2002 een Index of Globalization berekent, is België het meest geglobaliseerde land ter wereld. Inzake economische globalisering moet het enkel Singapore en Luxemburg laten voorafgaan. Het KOF stelt blijkbaar ook een index van “sociale globalisering” op, daarvoor staat België op de vierde plaats na Zwitserland, Oostenrijk en... Singapore. Tenslotte staat ons land inzake politieke Globalisering op de achtste plaats van een rangschikking die wordt aangevoerd door Frankrijk, de VS en... Rusland. Hoe dan ook, de Belgische economie is bijzonder open, we voeren bijna 85% van ons BBP uit, voor de helft naar onze drie belangrijkste handelspartners Duitsland, Frankrijk en Nederland, en ongeveer evenveel in. Kortom: België is uitermate gevoelig voor internationale trends. Aanvakelijk werd de hypotheekcrisis in de VS voorgesteld als een typisch Amerikaans probleem. Het klopt dat Belgische hypotheekverschaffers strengere eisen stellen dan die in de VS, maar de prijsstijgingen waren er de afgelopen 10 jaar wel vergelijkbaar met die in België: 134% tegenover 131%. In landen als Spanje, Groot-Brittannië en Ierland namen de prijzen overigens heel wat sterker toe, daar waren er prijsstijgingen met 180-250% op 10 jaar tijd. Slechts de helft van de Belgische gezinnen kan een eigen huis kopen tegenover 66% in 2003, onder alleenstaanden is er sinds 2003 een daling van 14,2% naar 6,3%. Voor een gemiddeld huis (van 160.000 euro) betaal je met een lening op 25 jaar zo’n 850 euro per maand (na een eigen inbreng van 25.000 euro bij aankoop). Dat stelde een onderzoeker van Immotheker in Het Nieuwsblad. Volgens Immotheker is daar al snel een netto-inkomen van 2.500 euro per maand voor nodig. Een villa van 290.000 euro is volgens Immotheker slechts toegankelijk voor 5,9% van de echtparen en 0,4% van de alleenstaanden. Eind 2007 noteerde de kredietcentrale van de Nationale Bank ruim 7,5 miljoen kredietovereenkomsten. Vooral het aantal aankopen op afbetaling van kleine bedragen stijgt. Bijna 4,7 miljoen mensen deden beroep op krediet. Anderhalf miljoen mensen hebben drie of meer kredieten lopen, een stijging van 6 procent. Leningen bij niet-banken, zoals warenhuizen, winnen aan belang. Vooral de kredietopeningen en aankopen op afbetaling namen fors toe, over de laatste vijf jaar met 75%. Het aantal wanbetalers stijgt licht, een vijfde van alle wanbetalers of bijna 65.000 Belgen zit in een procedure van collectieve schuldenregeling, een stijging met 12,5 procent. Drie op de tien personen zijn echter met geen enkele achterstallige kredietovereenkomst in de kredietcentrale geregistreerd. Dit toont aan dat de oorzaken van overmatige schuldenlast zich niet beperken tot het krediet: consumenten kampen vaak met schulden met betrekking tot energie- en telefoonfacturen, huur of fiscale schulden. De jongste weken is een polemiek ontstaan over de koopkracht. Volgens de patroonsorganisaties zou het koopkrachtverlies gevoelsmatig zijn, maar niet in overeenstemming met de werkelijkheid. Volgens de nationale bank zou de consumptieprijsindex in 2007 “slechts” met 1,8% zijn toegenomen.(11) Dat komt doordat de prijzen tussen mei en september vorig jaar slechts zeer matig toenamen, de energieprijzen namen zelfs af in vergelijking met het hoogtepunt van 2005. Vanaf oktober is dat beginnen keren en nog niet lichtjes. De prijzen voor energiedragers lagen aan het jaareinde maar liefst 8,7% hoger dan een jaar eerder, die voor bewerkte levensmiddelen, het voedsel dus dat we aankopen in de supermarkt 7,6%. Resultaat: de gemiddelde prijzen voor heel 2007 lagen inderdaad slechts 1,8% boven de gemiddelde prijzen voor heel 2006, maar de prijzen van december 2007 lagen wel al gemiddeld 3,1% hoger dan die van december 2006. Binnen die prijzen zijn huisvesting, voedingswaren en energie dan nog eens de sterktse stijgers, net die goederen die een belangrijk aandeel van het maandbudget van arbeidersgezinnen opslorpen. In Januari zijn de prijzen op maandbasis met nog eens 0,41% toegenomen, de sterkste stijging in 17 jaar waardoor de prijzen nu 3,46% hoger liggen dan in januari 2007. Onder de stijgers: aardgas, electriciteit, waterdistributie en benzine, brood, granen, melk, kaas en eieren. Onder de dalers: reizen naar het buitenland, kleurentelevisies en PC’s. Ook de Belgische beurs is niet immuun voor de internationale crisis. In de eerste 23 dagen van het jaar verloor de Bel 20 16% van zijn waarde en sinds de piek in mei 2007 zelfs 27%. In januari alleen al ging voor 24 miljard € aan beurswaarde verloren, dat is te vergelijken met 7,5% van het BBP! Volgens de Nationale Bank bestond eind juni 41,8% van het financieel vermogen van de gezinnen uit aandelen, goed voor 360 miljard euro. Men schat dat sinds juni zo'n 70 miljard euro of 8,1% van het financieel vermogen van de gezinnen verloren ging. De Belgische grootbanken hebben zich naarstig mee bezondigd aan het beleggen in Amerikaanse rommelhypotheken. Fortis heeft zo'n 5 miljard euro gestoken in papieren die worden gedekt door huizen met een zogenoemde subprime-hypotheek. Dat is ongeveer 10 procent van haar totale kredietbeleggingen. Geruchten over een nieuwe kapitaalverhoging en een afboeking van 1 tot 2 miljard euro deden in januari het Fortisaandeel kelderen. De waarde van Fortis zakte daardoor 6,9 miljard €. Die van KBC werd 4 miljard € minder waard en die van Dexia 1,2 miljard €. Op 7 maart maakt Fortis haar jaarresultaten bekend. Koopkrachthysterie of hebzucht? Dat is de financiële context waarin interim-begrotingsminister Leterme tussen het opstarten van het Octopusoverleg door ook nog eens 4,2 miljard euro moet vinden om de begroting dit jaar dicht te rijden. 800 miljoen € is al gevonden, nl. het overschot op de begroting van de sociale zekerheid dat traditiegetrouw zal afgeroomd worden. Rest 3,5 miljard euro, en dat terwijl de tegenvallers zich blijven opstapelen. Zo moest het planbureau haar groeiprognose herzien van 2,1% in oktober naar 1,9%, een cijfer dat in geval van een VS-recessie, allicht nog verder naar beneden bijgesteld moet worden. Bovendien zal door de stijgende inflatie de spilindex dit jaar twee keer overschreden worden, de daaruit volgende stijging van de sociale uitkeringen en van de lonen van de ambtenaren kost zo’n 50 miljoen €/maand of een 600 miljoen euro op jaarbasis. Tenslotte hebben de spontane stakingen voor koopkrachtverhoging aangetoont dat de druk op de ketel stilaan onhoudbaar is geworden. Die spanning weerspiegelt zich onvermijdelijk in de interimregering. Verklaringen over “koopkrachthysterie” en “onwettige stakingen” vanwege de patroonsorganisaties maken het de vakbondsleiders niet gemakkelijker. Er zit een stevig haar in de boter als zelf professor De Grauwe, ooit één van de pleitbezorgers van het neo-liberale marktdenken, in de Tijd verklaart: “ik kan de stakingen en de looneisen van de vakbonden begrijpen. We komen uit een periode van hoge bedrijfswinsten. De lonen zijn daarop achtergebleven - het loonaandeel in het nationaal inkomen is gedaald. Daaruit is het begrijpelijke gevoel ontstaan dat de goede conjunctuur vooral ten goede gekomen is aan de ondernemingen. Ik heb dan ook gen sympathie voor het patronaat: wat ze nu oogsten hebben ze zelf gezaaid. Bovendien is de hebzucht van veel topmanagers hemeltergend.” Bij de PS hebben ze de bui alvast voelen hangen en richten ze de pijlen op de notionele intrest waarvan de kostprijs destijds door Reynders liefst met 80% onderschat werd. Maar ook bij de CD&V hebben ze begrepen dat het tij keert, vandaar hun plotse “draai naar links”. Sindsdien is de CD&V tot het inzicht gekomen dat de lastenverlagingen onder paars, vooral voor werkgevers, de reden zijn waarom de federale overheid financieel aan de grond zit. Het probleem, zowel voor de CD&V als voor de PS, is dat ze beiden, elk op hun niveau destijds mee het neo-liberale casino in bedrijf hebben gezet. Stuipen van een systeem in crisis – de massa’s betalen de prijs De economische crisis zal een enorm effect hebben op het bewustzijn van de massa’s en aanzetten tot strijd en tot toenemende vragen over het systeem zelf, zeker bij de meest bewuste lagen in de arbeidersbeweging, zelfs indien in een aantal landen de eerste reactie op een diepe recessie er één is van verlamming. De burgerijen overal ter wereld zullen er immers alles aan doen om de massa’s de prijs voor de crisis te laten betalen. En dat terwijl de daling in het aandeel van de lonen in de nationale rijkdom – wat zich heeft voorgedaan in de meeste ontwikkelde kapitalistische landen – begint door te zinken in het bewustzijn van bredere lagen en er woede doet ontstaan over het feit dat de werkenden niets hebben binnengehaald van de enorme superwinsten die de laatste jaren zijn geboekt. In de Financial Times schrijft columnist Martin Wolf dan ook: “Ik vrees nu dat de combinatie van de fragiliteit van het financiële systeem met de hoge winsten die het genereerde voor de insiders iets nog veel belangrijkers zal vernietigen: de politieke legitimiteit van de markteconomie zelf”. In België wordt hij gevolgd door Paul De Grauwe (professor internationale economie en ex-VLD-senator), die men nochtans niet van linkse tendenzen kan beschuldigen, die in De Tijd van 26/01/’08 stelt “geen sympathie voor het patronaat” te hebben en begrip voor de huidige stakingsgolf in Vlaanderen. “De mensen voelen de jaren van economische groei niet in hun loonzakje, integendeel. Terzelfder tijd zagen ze de winsten van de bedrijven toenemen, en zagen ze hoe managers zich fantastisch verrijkten, zelfs als hun bedrijven het slecht deden. Die hebzucht leidt tot de onrust van vandaag.” Maar reeds voor een crisis zich inzet op wereldvlak, volgend op de financiële crisis en een recessie in de VS, zien we een systeem waarin de tegenstellingen zich opstapelen en steeds minder onder controle kunnen worden gehouden. Je kunt de krant niet openslaan of een nieuwe brandhaard vervoegt de “onstabiele” regio’s. Zo werd rond de jaarwissel 2007-2008 de wereld opgeschrikt door de moord op Benazir Bhutto, waarna grootscheepse rellen volgden. In Kenia braken rellen uit nadat de zittende president op frauduleuze wijze de verkiezingen won, reeds honderden verloren hierin het leven. Ook in dit “modelland” voor wat betreft het Afrikaanse continent deden de middelpuntvliedende krachten van een systeem in crisis hun werk door het opdrijven van etnische tegenstellingen. Eerder in 2007 was in Birma de “saffraanrevolutie” uitgebroken, maar deze beweging reed zich uiteindelijk vast in het gebrek aan een arbeidersorganisatie met wortels in en autoriteit bij de massa, die een strategie had kunnen uitwerken voor het omverwerpen van de militaire heerschappij. In Congo ging de burgeroorlog opnieuw in een hogere versnelling, het aantal burgerslachtoffers in dit conflict wordt in miljoenen gerekend, idem dito voor de verkrachtingsslachtoffers van zowel regeringstroepen als rebellen. Een nieuw akkoord werd bereikt, maar niemand kan ook maar enige hoop hebben dat dit nu het echte einde zou betekenen van de verwoestende strijd. In de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in Servië eindigde de pro-westerse zittende president Boris Tadic tweede na de ultranationalistische en pro-Russische Tomislav Nikolic, die in mei 2007 tot parlementsvoorzitter werd verkozen, wat toen de Servische munt 3,5% van haar waarde deed verliezen. Beide spreken zich uit tegen de onafhankelijkheid van Kosovo (slecht één kleine kandidaat deed dat niet), dat verwacht wordt na de tweede ronde van de Servische presidentsverkiezingen haar onafhankelijkheid uit te roepen, maar Tadic zweerde het gebruik van geweld af als mogelijke reactie daarop. Tadic betaalde in deze ronde ook de prijs voor zijn verkoop van staatsbedrijven, terwijl Nikolic zich daartegen verzet. Dat de nu snel komende onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo tot toenemende spanningen zal leiden, is zeker, hoewel we niet meteen een gewelddadige escalatie verwachten. Die kan er wel komen volgend op bijvoorbeeld provocaties tegenover de Servische minderheid in Kosovo. In Irak ging de slachtpartij gewoon verder, zonder enig uitzicht op een einde eraan. Ondertussen liep de kost voor de VS op tot meer dan 600 miljard $, de uiteindelijke prijs zal waarschijnlijk boven de 1 biljoen $ uitkomen. Volgens het medische tijdschrift The Lancet liep het aantal burgerslachtoffers in Irak in oktober 2006 reeds op tot 654.965, indien men niet enkel de rechtstreeks door geweld getroffen slachtoffers telt, maar ook die doden ten gevolge van het ineenstorten van de infrastructuur na de Amerikaanse inval. Met die methode van tellen, moeten we nu reeds over het miljoen burgerslachtoffers zitten. Maar ook in de ontwikkelde kapitalistische landen ontsnapten de massa’s niet aan de gevolgen van de crisis. Vorig jaar werden 1 miljoen gezinnen in de VS uit hun huis gezet, de slachtoffers van de subprime hypotheekramp, en het zullen er nog veel meer worden. De presidentsverkiezingen, waarvoor nu de primaries gebeuren, komen dan ook meer en meer in het licht van de sociaaleconomische binnenlandse situatie te staan en minder in dat van Irak. Ook in Groot-Brittannië en een aantal andere Europese landen beginnen de eerste slachtoffers te vallen van het uiteenbarsten van de immo-zeepbel. Overal in de westerse landen bleven ondertussen de multinationals doorgaan met hun politiek van herstructureringen en sluitingen – met massale ontslagen - om het personeel volop te laten opdraaien voor een nieuw jaar van superwinsten. Door het opstapelen van tekorten breekt strijd los in alle mogelijke vormen Sommigen conflicten kunnen cynisch onder “lopende zaken” worden geklasseerd, omdat de ontwikkeling van hun nationale, religieuze en/of etnische tegenstellingen reeds lang de internationale pers haalde, zoals Israël/Palestina, waar de bevolking in Gaza vandaag op een mensonterende wijze onder druk wordt gezet en geïntimideerd, terwijl de leiding van Fatah verder blijft onderhandelen met het Israëlische regime. Zo wordt vandaag ook binnen de Palestijnse gebieden een brutale burgeroorlog uitgevochten tussen de krachten rond de door corruptie gediscrediteerde Fatah en die rond Hamas. Of zoals Sri Lanka, waar de regering op 3 januari heeft aangekondigd dat ze zich volledig terugtrekt uit het vredesbestand dat in 2002 werd afgesloten met de Tamil tijgers. Een aantal van die “lopende zaken” zijn in de afgelopen periode, soms na een lange of minder lange periode van relatieve rust, opnieuw tot uitbarsting gekomen. Libanon is daar een goed voorbeeld van. Hoewel ieder van die conflicten bekeken moet worden in zijn specifieke context, kan in het algemeen gesteld worden dat de burgerlijke “oplossing” van conflicten tussen verschillende groepen binnen dezelfde staat – machtsdeling - geen blijvend resultaat kan boeken omwille van de weigering en de onmogelijkheid van het kapitalisme om grote investeringen te doen zonder het vooruitzicht op onmiddellijke winsten. In een kapitalistisch kader moet machtsdeling onvermijdelijk leiden tot een institutionalisering en verdere uitdieping van de tegenstellingen. Tegelijkertijd worden staten die op die basis werken geregeld geconfronteerd met periodes van verlamming, waarin geen enkel besluit nog genomen kan worden. De jarenlange impasse in Noord-Ierland vooraleer een DUP/Sinn Fein-regering kon worden samengesteld, is daar een voorbeeld van. Eveneens in het algemeen kan gesteld worden dat een oplossing slechts bereikt kan worden door een verdere ontwikkeling van de klassenstrijd, een klassenstrijd die moet leiden tot de ontwikkeling van massale arbeidersorganisaties indien de arbeidersklasse opnieuw haar stempel op de realiteit wil kunnen drukken. Enkel arbeiderseenheid kan ingaan tegen de middelpuntvliedende krachten van het kapitalisme in crisis. Indien die klassenstrijd niet leidt tot de machtsovername door de arbeidersklasse zullen alle tegenstellingen steeds opnieuw losbreken, zij het vaak in nieuwe constellaties. In een aantal landen en regio’s waar de nationale kwestie een ding van het verleden leek, is een heropleving ervan aan de orde vandaag. In Schotland wil de regionale regeringspartij SNP een referendum over Schotse onafhankelijkheid. In China komt de nationale kwestie weer volop bovendrijven in het kader van de zeer ongelijkmatige ontwikkeling van het laatste decennium. Irak dreigt na de Amerikaanse inval meer dan ooit uiteen te vallen. En er is natuurlijk België en haar formatiecrisis, waarop journalisten uit de hele wereld zich gedurende maanden hebben blindgestaard. Bye bye Belgium of business as usual? Het is duidelijk dat de Belgische politiek een hevige crisis ondergaat. Met de lengte van de formatiecrisis (192 dagen) is ruimschoots het vorige Belgische record verbroken (148 dagen). Niet het Nederlandse record (208 dagen in 1977), zoals Dehaene blijft herhalen, maar in Nederland kwam na die lange formatie wel een echte regering aan de macht, niet een interimregering. De verkiezingsuitslag van 10 juni 2007 en haar gevolgen is al kapot geanalyseerd, maar de recent naar buiten gebrachte Dimarso-studie (Knack, 03/01/’08) - gedaan vlak na de verkiezingen, maar op verzoek van de Vlaamse partijen pas in 2008 gepubliceerd – bevestigt op verschillende vlakken onze analyse. Zo toont het feit dat slechts 19% van de Vlamingen het communautaire opnoemen als doorslaggevende reden voor hun partijkeuze (met 34% die stelt het het heeft meegespeeld en 47% voor wie het geen invloed had) dat de organisatie een correcte inschatting heeft gemaakt van het bewustzijn onder de Vlaamse massa’s. De Dimarso-studie toont ook aan dat het moeilijk is om van een “verrechtsing” in Vlaanderen te spreken. Het gedurende langere tijd ontbreken van een arbeiderspartij op het politieke landschap heeft eerder een totale verwarring veroorzaakt over wat nu “links” en “rechts is”: “slechts 21% van de Vlamingen noemt zich rechts, 17% is trots links te zijn. In 2004 waren er nog 2% meer zelfverklaarde ‘rechtsen’”… “28,8% kent zijn plaats niet en antwoordt “weet niet”. De reacties van enkele CD&V-topfiguren zoals huidig voorzitter Schouppe of Minister van Overheidsbedrijven Vervotte op het uitkomen van de studie moest niemand verwonderen – maar het moet ons ook niet misleiden. Zo stelde CD&V-voorzitter E. Schouppe op de nieuwjaarsbijeenkomst van zijn partij dat de CD&V “linkser” moet zijn, in het ledenblad Ampersand noemt hij de CD&V “het sociale geweten van de regering”. Of in de Knack, als antwoord op de Dimarso-studie: “De nadruk die onze kiezer legt op sociaaleconomische thema’s viel mij op. We hadden onze ACW-vleugel nog sterker naar voren moeten schuiven in de campagne. In de toekomst zullen we onze inspanningen voor pensioenen, uitkeringen en de sociale zekerheid harder benadrukken.” De Standaard (21/01/’08) stelde: “Bij top-CD&V'ers was later te horen 'dat er veel budgettaire ruimte gaat naar de notionele intrestaftrek, en dat daar gesnoeid kan worden.'” Inge Vervotte ligt dan weer onder vuur van de liberalen omdat ze over de verdere afbouwen van het overheidsbelang in Belgacom stelde: “het draagt zeker mijn voorkeur niet weg”. En over de vrijmaking van de postmarkt in 2011: “Concurrentie mag ook niet als enige gevolg hebben dat de arbeids- en loonvoorwaarden achteruit gaan. Ik wil daarom één paritair comité waarin afspraken worden gemaakt over minimum loon- en arbeidsvoorwaarden voor de hele sector. Daarnaast wil ik ook dat die nieuwe postbedrijven een minimum aan dienstverlening bieden.” … “…die minima zullen wel hoger liggen dan wat Europa vraagt.” Zoals ook de de huidige campagne van de PS tegen de notionele intrest, die ze nochtans samen met MR heeft beslist in de paarse regering, ons niet moet misleiden. Het is niet een echte verlinksing, zelfs in de retoriek, maar eerder een terugkeer naar een in België klassieke retoriek van klassencollaboratie en “algemeen belang” na jaren van zuiver neoliberale retoriek. Met het intreden van de crisis – en zelfs zonder zitten we voor dit jaar al aan 3,5 miljard besparingen - zal aan de werkenden een enorme inspanning worden gevraagd en CD&V en PS zijn het erover eens dat je dan ook aan het kapitaal “een inspanning” moet vragen. In realiteit zal een eventuele aanpassing van de notionele intrest echter miniem zijn in vergelijking met de inspanningen die aan de werkenden zullen worden gevraagd. De politieke crisis vindt ultiem haar basis in de sociaal-economische politiek die bijna 30 jaar over ons hoofd raast, veel meer dan in de nationale kwestie op zich. De naoorlogse verworvenheden, verkregen toen het mes op de keel van de burgerij stond en verder uitgebouwd, akkoord na akkoord, door opeenvolgende strijdbewegingen van de arbeidersklasse, hebben die hele periode onder steeds toenemende druk gestaan. De sociale zekerheid, de openbare diensten, de index,… zijn reeds teruggebracht tot een schijntje van wat ze ooit zijn geweest. Zo is de index volledig ondermijnd. Over de hoge loonkosten en de patronale eisen voor lastenverlagingen stelt Gilbert De Swert (voormalig hoofd van de ACV-studiedienst en vandaag tewerkzaam als kabinetschef van CDH-minister Josly Piette) in De Standaard van 26/01/’08: “de koopkracht wordt tegenwoordig op peil gehouden door lastenverlagingen. Een deel van de loonsverhogingen en zelfs van de indexeringen van de voorbije jaren is via lastenverlagingen van de bedrijven afgewenteld op de gemeenschap. Het model is al anders geworden.” Het aandeel van de lonen en uitkeringen in het nationaal inkomen daalt dan ook sinds 1981 ten voordele van enorm toenemende bedrijfswinsten. Toen bedroeg het nog 59,2%, in 2006 was het voor het eerst onder de 50%. Of de sociale zekerheid: het land dat zich beroemde op het “beste sociaal systeem in Europa” behoort vandaag tot die landen die de laagste pensioenen en uitkeringen uitbetalen. Een vijfde van de Belgische gepensioneerden – een vierde in Brussel – in vandaag officieel arm. Over de hele bevolking genomen is de armoede gestegen tot 15%, 17% van de kinderen in België leeft in armoede (12% in Vlaanderen, 21% in Wallonië) (cijfers: www.armoede.be, gebaseerd op onderzoek uit 2002). De sociale zekerheid verglijdt ook steeds meer in de richting van een liefdadigheidssysteem, waarbij enkel “zij die het echt nodig hebben” recht hebben. Zo hebben samenwonenden recht op slechts een zeer kleine uitkering of zelfs helemaal geen. Voor gezondheidszorg betaal je tegenwoordig meer dan een derde uit eigen zak. Dit is de achtergrond tegen dewelke de CVP steeds meer erodeerde tot een partij, die een kartel met een minipartijtje als de NVA nodig heeft om zich op overtuigende wijze “de grootste” te kunnen noemen. Het politieke landschap in Vlaanderen is ernstig veranderd sinds de laatste keer dat de christendemocratie zich nog op een absolute meerderheid kon beroepen. Waar de stabiliteit van het politieke regime in België in het verleden verzekerd was door de continuïteit van de CVP die dan eens met de liberalen, dan weer met de sociaaldemocraten in coalitie ging, is het politieke landschap vandaag ernstig versnipperd. De CD&V is geenszins zeker haar verkiezingsresultaat bij volgende verkiezingen opnieuw te kunnen behalen. Anderzijds heeft 10 juni – en vooral de enorme afkalving van de VLD na slechts 8 jaar regeringsverantwoordelijkheid, waarin overigens een economische groei werd geboekt - wel aangetoond dat er niets overblijft van de “concurrentie” die de VLD wou voeren met CD&V over wie dé volkspartij van Vlaanderen zou zijn. De CD&V heeft veel aanhang verloren – een eerste neergang werd ingezet met het opzetten van de VU, die op haar hoogtepunt groeide tot 20% van de stemmen – maar heeft nog steeds een unieke positie in Vlaanderen. Ze is nog steeds verbonden met het ACV, de grootste vakbond, en met haar ziekenfonds; ze heeft een ferme vinger in de pap met de dominante katholieke instellingen in onderwijs en gezondheidszorg;... De CD&V is een verzwakt instrument van de burgerij dat echter niet zomaar vervangen kan worden. We hebben gedurende de hele crisis vastgehouden aan de analyse dat er in Vlaanderen geen meerderheid bestaat die een splitsing van België wil. Uitspraken van Voka in de aanloop naar de verkiezingen – waarin ze de regionalisering van de arbeidsmarktpolitiek en de sociale zekerheid eisen – werden door veel flaminganten én door de burgerlijke pers aangegrepen om te wijzen op de “eenheid” in Vlaanderen rond de eis voor meer autonomie. Nochtans heeft Voka zich reeds in augustus, toen de formatiecrisis nog in haar kinderschoenen stond, openlijk akkoord verklaard met de voorstellen van Bea Cantillon (12). Ondertussen heeft zowat alle academische economisten in Vlaanderen en in Franstalig België zich achter een soortgelijk idee geschaard (wat ze “modern sociaal federalisme” noemen): niet regionaliseren, maar responsabiliseren. Ook de UWE (de Waalse patroonsfederatie, tegenhanger van Voka) steunt deze stelling. We zien de crisis van de laatste maanden dus niet als een zoveelste grote aanloop naar een onafhankelijk Vlaanderen. Wel als een duidelijk symptoom van de verzwakking van de politieke instrumenten van de burgerij, die bovendien door steeds opeenvolgende verkiezingen worden opgejut in electorale concurrentie – en dat binnen het kader van een verburgerlijkte sociaaldemocratie en dus het min of meer verdwijnen van de klassenstrijd van de politieke agenda en binnen het kader van een systeem van machtsdeling tussen de bevolkingsgroepen die de nationale tegenstellingen steeds verder opdrijft: communautair opbod zit ingebakken in het Belgische systeem. We denken dat op kapitalistische basis op langere termijn een splitsing van België mogelijk is, misschien zelfs onvermijdelijk. Op korte termijn echter zien we geen enkele kracht in de samenleving die zoiets nu teweeg zou willen en kunnen brengen, geen enkele bepalende kracht in de samenleving die daar een onmiddellijk belang zou kunnen bij hebben; niet de arbeidersklasse, niet de burgerij en misschien zelfs niet eens een meerderheid van de middenklasse. Het idee dat Vlaanderen economisch te winnen zou hebben bij een splitsing, is reeds door verschillende bronnen weerlegd. Het feit dat het VBO zich in de aanloopperiode naar de verkiezingen verzette tegen het idee van regionalisering van de arbeidsmarktpolitiek, waarvoor ze stelden geen vragende partij te zijn, zou voldoende voor zich moeten spreken. De aanpassing van het standpunt van Voka na de verkiezingen, is ook veelzeggend. De reacties van de buitenlandse pers, binnen Europese instellingen, van buitenlandse politici,… tonen aanschouwelijk hoe de Vlaamsnationalisten daar op geen enkele steun kunnen rekenen, terwijl de ontwikkeling van de EU ironisch genoeg wel de achtergrond is tegen dewelke Bart Dewever droomt van de “verdamping van België”. Zonder hier diepgaand op de ontwikkeling van de EU in te kunnen gaan, lijkt de droom van een “Verenigde Staten van Europa”, waarbinnen de Europese instellingen een soort superstaat worden – de enige manier waarop een “Europa van de regio’s zou kunnen ontwikkelen - verder weg dan ooit. Niet alleen binnen België zal de komende groeivertraging en/of recessie de tegenstellingen verder doen oplopen, ook binnen Europa zal dat het geval zijn. De laatste jaren zien we daar trouwens ook meer en meer tekenen van, o.a. in het niet navolgen van het stabiliteitspact door grote landen als Frankrijk, Duitsland en Italië of in de moeizame Europese eenheid op vlak van buitenlandse politiek, of dat nu over Kosovo, Turkije of Irak gaat. Dit betekent niet dat we op korte termijn de EU zien uiteenvallen, maar het idee dat de EU verder zou gaan in de ontwikkeling van een echte Europese staat, is op kapitalistische basis ondenkbaar. Op korte termijn zal de reële macht van de Europese structuren onder druk van de groeivertraging/crisis eerder worden teruggeschroefd dan verder uitgebreid, naarmate elke nationale burgerij geconfronteerd zal worden met haar “eigen” arbeidersbeweging. We beschouwen bovendien elke “fluwelen” scheiding van België als zeer weinig waarschijnlijk. Een fluwelen scheiding van een staat, het instrument waarmee de burgerij haar macht uitvoert, kan enkel in zeer uitzonderlijke omstandigheden voorkomen. De splitsing van Tchechoslowakije was daar een voorbeeld van. Een heel aantal voorwaarden kwamen daar samen en zijn in België absoluut niet aanwezig: er was geen hoofdstad die door beide bevolkingsgroepen werd gedeeld, er was geen meningsverschil over de territoriale grenzen van de nieuwe onafhankelijke staten, er was geen torenhoge overheidsschuld die verdeeld moest worden,… Er was vooral ook geen historisch gevormde burgerij die de oude staat als de “hare” zag, maar een nieuwe burgerij die nog moest beslissen welke structuren hen het beste uitkwamen. België is een gans ander verhaal. Het is correct om te stellen dat het Belgisch nationalisme een vreemd beestje is. Wie tijdens de formatiecrisis overtuigd is gebleven dat het simpelweg niet bestaat, moet echter wel enorme oogkleppen op hebben gehad. En niet alleen in Brussel, waar het tegen het einde vol hing met Belgische vlaggen. Het regende letterlijk oproepen tot eenheid van het land, van hooggeplaatste figuren uit de Belgische burgerij, over vakbonden en allerlei instellingen, tot Helmut Lotti en huisvrouwen uit Luik toe. Wie vond dat er voor de betoging voor de eenheid van België “weinig volk” was, moet dringend eens gaan zien hoeveel mensen bereid zijn de straat op te trekken voor Vlaams-nationalistische eisen. Zelfs traditionele Vlaams-nationale hoogmissen als de IJzerbedevaart lokken steeds minder volk: op de laatste bedevaart had men met 3000 aanwezigen (het cijfer dat het IJzerbedevaartcomité zelf hanteert) zelfs de laagste opkomst ooit. Maar hiermee willen we de nationale kwestie niet ontkennen, noch het feit dat het steeds moeilijker wordt om compromissen te vinden, noch het feit dat de compromissen uit het verleden tot situaties hebben geleid die steeds nieuwe tegenstellingen en bijhorende eisen veroorzaken, noch het feit dat het regelmatig de besluitvorming blokkeert. Een nieuwe institutionele spitsvondigheid zal trouwens geen enkele fundamentele oplossing vinden: het probleem kan enkel verschoven worden en eventueel uitgesteld. Een federale kieskring bijvoorbeeld zou eerder het communautaire opbod naar het ganse land uitbreiden dan het af te zwakken. De voornaamste reden waarom de Belgische burgerij de nationale kwestie in België altijd relatief onder controle heeft kunnen houden, was niet zozeer haar constitutionele spitsvondigheid (staatshervormingen hebben weinig te maken met geïnspireerde politiek, maar met ambtsmatig gecijfer en retorische kunst om formuleringen te vinden die voldoende vaag zijn), maar de enorme rijkdom die de Belgische arbeidersklasse genereerde, waarmee de nationale kwestie steeds kon worden afgekocht, waarmee overigens de Belgische samenhang tot nog toe werd versterkt. België is een klein, maar zeer rijk land en de burgerij heeft de globalisering aangegrepen om ook zelf haar klauwen in nieuwe buit te slaan. De Belgische burgerij is in Europa zeker één van die burgerijen die het meeste belang heeft bij de EU, juist omwille van de openheid van onze economie. Maar is de Belgische burgerij daarom “gedenationaliseerd”? Dat stellen, komt neer op zeggen dat de Belgische burgerij geen staat nodig heeft, het is illusoir. Natuurlijk zal de Franse staat de belangen van Frère, hoofdaandeelhouder van Suez, verdedigen, maar daarmee heeft het grondgebied België nog geen staat. Bovendien zou de Franse burgerij, door de Belgische kapitalisten gezien als “familie”, binnen Europa een van de hevigste tegenstanders zijn van een splitsing van België uit angst dat het hun rumoerige regio’s (Bretagne, Corsica,...) op “foute gedachten” zou brengen. Of zou het grondgebied België de burgerij niet meer interesseren? Een land dat per capita de grootste exportateur van de wereld is? “België is met zijn oppervlakte van 30.500 vierkante kilometer en zijn 10.446.000 inwoners een van de kleinere lidstaten van de Europese Unie. Het heeft nochtans een BBP van 288,09 miljard euro (in 2004) en is een van de tien grootste handelsnaties van de wereld. Het dankt zijn in verhouding grote economische gewicht vooral aan zijn centrale ligging en de hoge productiviteit van zijn werkkrachten.”, stelt de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op haar site. Bovendien haalt België, ondanks de vermeende hoge loonkosten, meer buitenlandse investeringen binnen dan China met haar enorme grondgebied, haar snelle economische groei van het laatste decennium en haar bevolking van meer dan 1 miljard! Niet interessant? Vandaag is het moeilijk om een compromis te vinden omdat, zoals Verhofstadt het stelt “het geld op is”, of beter gezegd: België heeft zeer rijke inwoners (het gezamenlijke vermogen van de Belgen bedraagt 360 miljard euro), maar de federale staat zelf is leeggemolken. Het wordt moeilijk om de nationale kwestie af te kopen met dure akkoorden. Nu is ook dat relatief en afhankelijk van keuzes, maar binnen het kader van een neoliberale politiek is dat een correcte stelling. Het idee dat de federale staat nog meer geld naar de regio’s kan doen stromen zonder harde besparingen op hetgeen federaal nog wordt geregeld - vooral de sociale zekerheid – is ondenkbaar indien men het project van schuldafbouw en lastenverlagingen wil verderzetten. De Vlaamse partijen stellen allen bereid te zijn tot extra bevoegdheden zonder extra middelen, maar de Vlaamse overheid boekt dan ook jaar na jaar overschotten, is nu “schuldvrij”, kan cadeau’s uitdelen aan de gemeenten,… Maar ook dat is relatief: de Vlaamse overheid boekt die overschotten ook omdat op elke van haar sociale bevoegdheden enorme wachtlijsten bestaan. Er is een absoluut tekort aan betaalbare rusthuizen en andere vormen van ouderenzorg, gehandicaptenzorg,... idem dito voor de jeugdinstellingen (in Antwerpen alleen al staan 1.000 jongeren die zich in “problematische opvoedingssituaties” bevinden op een wachtlijst), honderden schoolgebouwen staan al jaren op een wachtlijst om “dringende renovatiewerken” door te voeren,… Het is dit neoliberale beleid waarbij steeds meer geld doorstroomt naar de bazen en de rijken en steeds minder overblijft voor het inkomen en de sociale noden van de meerderheid van de bevolking, dat men “voorbeeldig” noemt voor Wallonië en Brussel die in veel slechtere economische papieren zitten. Zo verzet de CDH zich tegen het overhevelen van bevoegdheden zonder overheveling van de budgetten en ook de PS zal zich ertegen verzetten. Het voorstel van Bea Cantillon is het enige voorstel die deze klip vermijdt en maakt dus de meeste kans het te halen. Ultiem hangt het van de arbeidersbeweging af Wat de burgerij wil, weten we: ze wil de naoorlogse verworvenheden zo ver mogelijk terugdringen. Hoe ze het zal proberen, is nog niet zeker en hangt af van de onderhandelingen. Als er een mogelijkheid is tot een akkoord over staatshervorming, maakt het idee van Reynders – de PS terug uit de regering op 23 maart – geen enkele kans. Het idee van een hard sociaal-economisch beleid dat het offensief voert op federaal vlak – op een moment dat minstens een deel van de arbeiderklasse zich klaarmaakt om haar deel van de jarenlang geboekte recordwinsten op te eisen – is alleen dan denkbaar als men erin slaagt een stabiele regering op te bouwen. En met 2009 heel dicht in het vizier lijkt dat vandaag ondenkbaar. Gelijk welke regering zal van in het begin met een verkiezingscampagne en dus profileringsdrang te maken krijgen. De strategie van regionalisering – of van “responsabilisering van de regio’s”, een soort van enveloppe-financiering – lijkt al met al meer kans te maken. En dat gebeurt mét de PS. Gehoopt wordt dan dat de operatie “afbouw van het onderwijs” op vlak van sociale zekerheid kan herhaald worden. Het is zeer waarschijnlijk dat de interimregering het moet uitzingen tot de verkiezingen van 2009, in welke vorm en samenstelling staat niet vast, waarschijnlijker dan dat na 23 maar alsnog een regering zonder PS zou aantreden (de wens van Reynders). Of het tot een groot aanvalsplan komt voor 2009 is niet zeker, maar de cijfers (3,5 miljard besparingen) duwen wel in die richting. Het inzetten van een economische recessie zal volop als argument gebruikt worden om de arbeidersbeweging een inlevering te doen aanvaarden. Als het er komt, is een massale reactie van de arbeidersbeweging op dit moment waarschijnlijk, reden waarom CD&V met een meer sociale retoriek naar voor komt, reden waarom de PS in de regering moest worden opgenomen. Reynders is te laat met zijn neoliberaal voorstel van een rechtse sociaal-economische regering – de stemming onder de arbeidersbeweging begint steeds meer om te slaan, in België, maar ook in andere Europese landen en internationaal, volgend op de voorlopers op de trend in Latijns-Amerika. Maar ook indien de regering er niet in slaagt zich te vormen en indien we tot 2009 met een “interimregering” opgescheept zitten en indien zo’n aanvalsplan er niet zou kunnen komen (hoewel met de aankomende crisis en de huidige begrotingscijfers een besparingsplan onvermijdelijk is), blijft strijd waarschijnlijk. Hoezeer Unizo ook kan spreken over “koopkrachthysterie” of over “de mythe van de koopkrachtdaling” – in het kader van de slechtste soldenperiode in vijf jaar en een kwart minder bezoekers en 10% minder kopers op het Autosalon - voelen de meeste arbeiders dagdagelijks aan hun bestedingen dat wat ze kunnen krijgen voor hun centen verminderd is. Indien ze hun levensstandaard willen behouden, moeten ze de strijd voeren voor loonsverhoging, zeker in die sectoren waar lage lonen worden betaald en waar mensen dus buitenproportioneel met de gevolgen van de dalende koopkracht worden geconfronteerd. De strijd voor loonsverhogingen is ingezet, niet alleen in België (momenteel vooral in Vlaanderen, waar de hoera-berichten over een krapte op de arbeidsmarkt, overschotten op de Vlaamse begroting,… de werkenden meer vertrouwen geven om eisen te stellen, terwijl in grote delen van Wallonië de werkloosheid nog steeds dramatische vormen aanneemt), maar ook in Duitsland en Frankrijk bijvoorbeeld. De stakingen bij Ford en de onderaannemers werden in de burgerlijke pers, De Standaard op kop, onmiddellijk neergesabeld. “Onverantwoordelijke stakingen” worden ze genoemd, ze zouden het indexsysteem in gevaar brengen, evenals het collectief overleg. Marc De Vos, directeur van de denktank Itinera Institute, ziet vooral de sectoriële oorzaak voor de acties, het aantal “goede jaren” die autobedrijven na zware herstructureringen hebben gehad (alle citaten in deze paragraaf: De Standaard Weekend, 26/01/’08). Maar de werkgevers vrezen voor meer, “Unizo zei eergisteren over indicaties te beschikken dat de stakingsgolf dreigt over te slaan naar andere sectoren en regio’s. Dat zou best eens kunnen, zegt Gilbert De Swert (voormalig hoofd van de ACV-studiedienst en nu kabinetschef van Josly Piette), ‘en het zou terecht zijn’”. De Swert ziet naast de dalende koopkracht ook de frustratie “dat het verschil tussen hoge en lage inkomens ontspoort” en ziet het feit dat het aandeel van de lonen voor het eerst onder de 50% is gedaald als het overschrijden van “een psychologische grens”. Voor de vakbondsleiding is het, met de sociale verkiezingen dit jaar, niet evident om zo’n beweging te stoppen, eens die vanuit de basis vertrokken is. De mogelijkheid voor een verdere ontwikkeling van deze strijd in dit voorjaar is er zeker, maar ook indien er een zekere pauze zou volgen doordat de vakbondsleiding hard op de rem gaat staan, staat het najaar hoedanook opnieuw in het kader van lonen en koopkracht, met de onderhandelingen voor een nieuw IPA. De sociale verkiezingen liggen dan achter ons, monsterverkiezingen (regionaal, Europa en hoogstwaarschijnlijk ook federaal) vlak voor ons. Zeker is dat het communautaire thema op de voorpagina’s zal blijven tot die verkiezingen. Binnen dit kader – economische groeivertraging of/en recessie, sociale spanningen, politieke crisis en communautair opbod – zal de organisatie zich de komende periode moeten bewegen. We zullen vooral klaar moeten staan om snel in te springen op veranderingen in de situatie en moeten een oog houden op de verschillende factoren die van doorslaggevend belang zijn in de objectieve situatie en in het bewustzijn van de arbeidersbeweging. Studie van het verleden leert ons dat perioden van omslag, van verandering van de objectieve situatie, perioden zijn waarin het bewustzijn snel kan ontwikkelen. Vandaag staan we voor zo’n omslag van een opgaande naar een neergaande economie, op een moment dat de arbeidersbeweging nog haar deel van de koek van gisteren wil.
Voetnoten
|