|
> terug naar de inhoudstafel |
Geen enkele
revolutionair ontwikkelt zijn ideeën in een sociaal vacuüm of in totale
isolatie. Daardoor zijn de ideeën die Che ontwikkelde en ondersteunde geen
uitzondering. Niemand die zichzelf bekijkt als revolutionair, als iemand die
vecht tegen uitbuiting en onderdrukking, twijfelt aan de heldhaftigheid,
vastberadenheid en zelfopoffering van Che. Toen hij op Cuba aankwam was hij
gehecht een de idee dat het socialisme moest worden uitgebouwd in Zuid-Amerika,
om de bevolking te bevrijden van de uitbuiting en om het continent te bevrijden
van de imperialistische overheersing.
Toch had
Che geen duidelijk zicht op hoe dit kon gebeuren en welke klasse de
belangrijkste rol zou spelen. Vanuit een marxistische invalshoek was het meest
belangrijke gebrek aan Che's ideeën het onderschatten van de rol van de
arbeidersklasse in het omverwerpen van het kapitalisme en het opbouwen van het
socialisme.
Door de
concrete situatie in Cuba kon dit gebrek toch niet voorkomen dat Batista
overwonnen werd door de kracht van de guerrilla. Omwille van internationale
factoren en het tijdstip van de revolutie kon ook de omverwerping van het
kapitalisme plaatsvinden (meer hierover in volgende hoofdstukken).
Deze
specifieke factoren gaven vorm aan het nieuwe regime dat werd geïnstalleerd na
de revolutie. Toen Che's ideeën werden toegepast in andere landen in
Zuid-Amerika, waar de objectieve situatie verschillend was, kon dit geen
geslaagde revolutie teweegbrengen. Veel heldhaftige en oprechte revolutionairen
verloren hun leven omdat ze deze onvolledige ideeën volgden.
Che heeft
niet de lessen getrokken uit de Russische revolutie en de permanente revolutie.
Hij zag het belang niet in van de arbeidersklasse, ook al was dit slechts een
minderheid van de bevolking.
Spijtig
genoeg werd na de machtsovername door de Russische arbeiders de revolutie niet
gevoerd in andere landen. De bolsjevistische overwinning bleef een geïsoleerd
geval. Een combinatie van burgeroorlog en buitenlandse aanvallen verzwakte de
Russische arbeidersstrijd. Het kapitalisme bleef een lange tijd verslagen in
Rusland, maar in 1989/1991 deed het opnieuw zijn intrede omdat de arbeiders
geen controle meer hadden over de maatschappij. Dit was het gevolg van de
machtsgreep van een geprivilegeerde, bureaucratische elite midden de jaren '20.
Che slaagde er niet in om lessen te trekken uit de oktoberrevolutie. Om deze
lessen toe te passen in Zuid-Amerika is het noodzakelijk om een grote stap
voorwaarts te zetten in het politieke denken. Che was geïsoleerd, en onder
invloed van gebeurtenissen en andere ideeën en daarom kon hij die stap
voorwaarts niet zetten. Onder het kapitalisme is het noodzakelijk dat de
arbeiders-klasse staakt, betoogt en fabrieken bezet om toegevingen af te
dwingen en om haar belangen te verdedigen. Het is ook noodzakelijk dat de
arbeidersklasse zich verdedigt tegen gewapende aanvallen.
De
doorslaggevende rol die de arbeidersklasse speelt in de revolutie komt voort
uit het collectieve klassebewustzijn dat zich ontwikkeld op de werkvloer, en
dat de arbeidersklasse in staat stelt om de basis voor een democratische
controle over de maatschappij voor te bereiden. Dit legt de fundamenten voor
een arbeidersdemocratie, die nodig is om het socialisme op te bouwen. Door de
belangen van andere onderdrukte groeperingen op te nemen in het socialistische programma
kan de arbeiders-klasse hun steun winnen voor de omverwerping van het
kapitalisme en het grootgrond-bezit. Zo blijkt dat het proletariaat de
belangrijkste, leidinggevende rol speelt in de revolutie en de opbouw van het
socialisme.
De
boerenstrijd en het marxisme
De armere
boeren, die een belangrijke revolutionaire rol kunnen spelen in de strijd,
hebben dit collectieve klassebewustzijn niet. Dit komt door hun geïsoleerde
positie op het platteland, en hun economische verhouding met het platteland. Boeren
zijn zeer individualistisch, en daarom kunnen ze niet dezelfde rol spelen in de
revolutie als de arbeiders in de steden.
Het
marxisme verdedigt de leidende rol van de arbeiders, maar het erkent ook het
belang van de strijd op het platteland, vooral bij de landbouwarbeiders en de
verarmde boeren.
Zelfs
vandaag zijn er, ondanks de verstedelijking van Zuid-Amerika, heel wat
belangrijke verbanden tussen de boerenbevolking en de verstedelijkte bevolking,
vooral het proletariaat. Dit is duidelijk het geval in Centraal-Amerika.
Arbeiders uit de steden trekken geregeld naar het platteland om te werken of om
hun familie te helpen. Delen van de verstedelijkte armen leven bijna zoals
boeren in de verkrotte buitenwijken van industriële centra.
Deze delen
van de bevolking zijn nog sterk gebonden aan de plattelandsbewegingen, en
gebruiken vaak dezelfde strijdmethoden als de boeren. We denken vooral aan
landbezettingen, en het vormen van gewapende groeperingen om zich te verdedigen
tegen het leger, de politie of andere gewapende bendes die door de
grootgrondbezitters worden ingehuurd. Onder bepaalde omstandigheden kan het
gewapend verzet er vroeger uitbreken dan in de steden, en het vertrouwen van de
arbeidersklasse verhogen.
Dit proces
voltrok zich bij de opkomst van de Zapatisten (een radicale beweging van
hoofdzakelijk boeren) in Mexico en bij de organisatie van landloze boeren (MST
- Movimento Sem Tiera) in Brazilië.
Een
revolutionair marxistisch programma zou dergelijke strijdbewegingen
ondersteunen, en ze proberen te verbinden met de arbeidersbeweging in de
steden. Ze zullen echter vooral tot steun dienen voor de meer essentiële
beweging die plaatsvindt in de steden.
Che, die
beïnvloed was door verschillende factoren, trok andere conclusies, die de rol
van de arbeidersbeweging onder-schatten. Zijn conclusies evolueerden een
tijdje. Ze werden gevormd op basis van zijn observaties, discussies en zijn
deelname aan de Cubaanse beweging. Zijn ideeën werden het meest duidelijk
weergegeven in een aantal artikels en publicaties die plaatsvonden na de
machtsovername in 1959. Eén van de meest volledige verklaringen van zijn
strategie kan worden teruggevonden in zijn boek, "De
Guerrilla-oorlog", dat pas in 1960 werd uitgegeven.
Een
verschillend concept
Deels door
zijn eigen achtergrond, en deels omdat hij nooit lid was van een
arbeidersbeweging, heeft Che nooit actief deelgenomen aan de strijd van het
proletariaat. Los van enkele ervaringen in Guatemala, was de 26 juli-beweging
Che's enige actieve deelname aan de revolutie. Daarom slaagde hij er niet in om
de kracht te zien die de arbeidersklasse door haar eenheid bezit.
Andere
politieke gedachten en ervaringen hadden onvermijdelijk ook hun invloed op de
formulering van zijn hypothesen. Hij was beïnvloed door de sterke traditie van
strijdbewegingen in Zuid-Amerika. De strijd van Bolívar, die zelf probeerde
heel het continent te verenigen, de Sandinistische stijd in Nicaragua, de
strijd van Martí in Cuba en andere bewegingen tijdens de 19de eeuw, samen met de
Mexicaanse revolutie (1910-18) en de boerenlegers van Zapata en Pancho Villa
maken allemaal deel uit van die sterke traditie en hadden hun invloed op de
kijk van politieke activisten.
Deze
bewegingen behoorden tot een vorig stadium van de geschiedenis, toen het
proletariaat en de arbeidersbeweging nog in hun kinderschoenen stonden.
Sindsdien was de arbeidersklasse enorm ontwikkeld.
Volgens
Hugh Thomas was in 1953 slechts 42% van de Cubaanse bevolking werkzaam op het
platteland. Eind de jaren '50 waren er ongeveer 200.000 boerenfamilies en
600.000 landarbeiders. In de steden waren er ongeveer 400.000 families die
behoorden tot het proletariaat en 200.000 families die werkten als obers,
bedienden en straatventers. De arbeidersklasse in Cuba eind jaren '50 was veel
groter dan de arbeidersklasse in Rusland in 1917.
Naast de
historische traditie had ook de Peruviaanse dr. Pesce een enorme invloed op
Che. Pesce verkondigde theorieën die hij samen met Maríategui had ontwikkeld
begin de jaren '20. Ze herzagen de klassieke theorieën van Marx over de
arbeiders en de boerenstand. Ze beschreven een veel grotere rol voor de boeren
in de socialistische revolutie. Che werd ook sterk aangetrokken door de
overwinning van het boerenleger onder leiding van Mao Tse Tung in China in
1949, en de nationale vrijheidsstrijd in Vietnam, die op dat moment plaatsvond.
Hij werd ongetwijfeld beïnvloed door enkele van Mao's geschriften.
De
Latijns-Amerikaanse, communistische partijen, formeel verbonden met de
arbeiders-klasse, volgden liever een volksfrontpolitiek. Deze politiek eindigt
steevast in het beknotten van de arbeidersbeweging om de kapitalistische
belangen niet te schaden. Che verzette zich, zoals de meeste jongeren, tegen
deze politiek omdat ze dogmatisch was, en niet radicaal genoeg.
Che
probeerde een marxistische benadering te vinden met betrekking tot de
specifieke situatie in Latijns-Amerika. Hij slaagde er niet in om een ander
alternatief te formuleren op de lafhartige communistische partijen, dan de
guerrilla als drijvende kracht achter de revolutie in Zuid-Amerika.
Als gevolg
daarvan werd de "boerenklasse met een proletarisch karakter" de
leidende klasse in de revolutie. Hij zei in een toespraak uit 1960 met als
titel "de verantwoordelijkheden van het proletariaat in onze revolutie"
dat: "...het duidelijk is dat de kracht van de revolutionaire beweging
voor-namelijk bij de boeren lag, en in de tweede plaats bij de
arbeidersklasse... Cuba heeft, zoals andere onderontwikkelde landen, geen sterk
proletariaat." Hij ging verder met de volgende woorden: "De arbeiders
waren bevoordeelde individuen."
In
werkelijkheid drong die "primaire" rol van de boeren de
arbeidersklasse op de tweede plaats. Dit is net het tegenovergestelde van wat
Marx zei over de leidende klasse in de revolutie en de opbouw van het
socialisme.
Het is waar
dat de arbeiders in de Cubaanse steden een hogere levensstandaard kenden dan de
boeren. Achter de gedachte van een "bevoordeelde arbeiders-klasse"
lag de idee dat het revolutionaire potentieel van een klasse enkel bepaald
wordt door de graad van armoede. Che zag de potentiële rol van een klasse niet
als gevolg van haar maatschappelijke positie als klasse.
Een
bijkomende factor waarom Che deze conclusies trok, was de zwakke houding van de
communistische leiders. In zijn boek, "De Guerrilla-oorlog",
bagatelliseerde Che opnieuw de potentiële rol die de arbeidersklasse kan
spelen. Hij verwijst naar de drie "bijdragen" die Cuba heeft geleverd
in de revolutionaire strategie. Hij zegt: "De derde bijdrage is er één van
strategische aard. Het is een berisping aan het adres van diegenen die nog
steeds dogmatisch beweren dat de massastrijd geconcentreerd is bij de
verstedelijkte bevolking. Ze vergeten immers de gigantische deelname van de
boeren uit de onderontwikkelde landen van Zuid-Amerika." Hij gaat verder
met te zeggen dat de onderdrukte levens-omstandigheden van de stadsbevolking
het moeilijker maken om een arbeiders-beweging te organiseren. Het is veel
eenvoudiger om de boerenbevolking te organiseren, want die kan bijgestaan
worden door gewapende guerrillastrijders.
Che mist
hier opnieuw het cruciale punt van de rol van de arbeiders als klasse bij de
opbouw van het socialisme en hij ziet de revolutie enkel als een troepenmacht.
De kern van de zaak is hoe je de problemen die zich stellen in de stedelijke
beweging kan overwinnen. Che vlucht spijtig genoeg weg van de hoofdzaak, in de
richting van de bergen waar je met guerrillastrijders de lokale bevolking kan
"ondersteunen".
Foco-theorie
In het
zelfde boek argumenteert hij dat "...de arena voor de gewapende strijd
vooral het platteland moet zijn." De guerrillabolwerken zouden steunen op
de boerenbevolking en een beweging doen opflakkeren die het bestaande regime
omverwerpt de zogenaamde "foco"-theorie. Che verdedigde zijn theorie,
en Regis Debray, een Franse intellectueel, maakte er een afgewerkte theorie van
die gold voor het hele continent en omstreken. Che citeerde Debray in 1963 in
een artikel, getiteld "Bouwen aan een arbeiderspartij": "We
trokken van het platteland naar de stad, van klein naar groot, bouwend aan een
revolutie die haar hoogtepunt bereikte in Havana."
De
guerrillastrijders bouwden eigenlijk geen revolutie, ze stapten in een politiek
vacuüm en namen initiatieven. Dit was slechts mogelijk door de concrete,
objectieve situtuatie die bestond in Cuba. Toen Che zijn ideeën in andere
Zuid-Amerikaanse landen probeerde toe te passen, slaagde hij hier niet in.
Marxisten
erkennen dat onder bepaalde specifieke omstandigheden een guerrilla-strijd op
het platteland, waar de arbeiders-klasse niet de leidende rol heeft, kan slagen
en een bestaand regime kan omverwerpen. Toch is het onmogelijk om zonder het
leiderschap van de arbeidersklasse een nieuw bestuur op te richten dat
gebaseerd is op arbeidersdemocratie en dus het begin betekent van de opbouw van
het socialisme.
Ondanks
Che's verkeerde benadering van deze zaken, zal zijn ondersteuning van
socialistische gedachten een belangrijke invloed hebben gehad op de
ontwikkelingen binnen de 26 juli-beweging en op de verdere ontwikkeling van het
revolutionaire proces in Cuba.