|
> terug naar de inhoudstafel |
De
internationalistische geest van Che had een grote impact op jonge Cubanen.
Delegaties van de jeugd arriveerden om hem te zien en zonden brieven smekende
om mee te mogen gaan vechten in Nicaragua, Guatemala, de Dominicaanse
Republiek, Venezuela en andere landen. Een speciale regeringsafdeling werd
opgericht, Liberacion, met als verantwoordelijkheid "voor de
Latijns-Amerikaanse revolutie te ijveren".
Zoals de
CDR's, hadden de internationale departementen van de Cubaans regering 2 kanten.
Om te beginnen waren de betrokkenen meestal gemotiveerd met het vooruitzicht de
revolutie te verspreiden en hulp te verlenen aan strijders in andere landen.
Onderdak werd aangeboden aan diegenen doorheen de regio die werden vervolgd en
geen andere plaats hadden om te gaan.
De steun
die Liberacion aanbood was bijna volledig gericht op guerrilla organisaties en
niet georiënteerd op de arbeidersklasse. Guerrilla groepen werden getraind en
middelen werden gekanaliseerd naar hen. Che was betrokken in het assisteren van
groepen van Guatemala, Peru, Venezuela en Nicaragua. Vele leiders van de
Nicagaruaanse FSLN, zoals Tomas Borge en Rodolfo Romero, die lid waren van de
Sandinistische leiding dewelke de macht greep in 1979, waren doorheen een
training in Cuba geweest.
Deze steun,
die de rol van het Castro regime, werd later het instrument om controle uit te
oefenen en om Havana's gewilde politiek over verscheidene guerrilla en linkse
groepen op te dringen. Dit werd hoe langer hoe meer gedaan om in de noden van
Moskou te voldoen.
Dit werd
later geïllustreerd wanneer de Sandinisten de macht grepen in een vergelijkbaar
proces als dat in Cuba. Nochtans gingen ze niet over tot het nationaliseren van
belangrijke sectoren van de economie en het omverwerpen van het kapitalisme.
Tijdens
1985, onder de dreiging van de contra-revolutie gesteund door de VS, dachten de
Sandinisten aan "een Cuba te doen". In april, bracht de
Sandinistische leider Daniel Ortega een bezoek aan Moskou om de eventuele steun
van de Sovjetbureaucratie te be-discussiëren. Niet willende om verwikkeld te
geraken in een oorlog in Centraal-Amerika en met andere belangen en een
veranderde internationale situatie dan diegene die bestond in 1959/60 weigerde
Moskou zijn steun.
Castro
volgende plichtsgetrouw zijn loonmeesters en zette druk op de FSLN leiders. Een
klein aantal Sovjet MIGs bestemd voor Nicaragua werden tegengehouden in Havana.
Hij had Managua bezocht in Januari 1985 om de FSLN te overtuigen een gemengde
economie te handhaven door hen te zeggen: "Je kan een kapitalistische
economie hebben" en Ortega te prijzen voor zijn "serieuze en
verantwoordelijke benadering".
Che was in
de vroege jaren '60 van plan om de revolutie te ontwikkelen door toepassing van
zijn guerrillamethoden doorheen het Zuidamerikaanse continent. In het bijzonder
hoopte hij voor een revolutionaire opstand in zijn vaderland Argentinië. Castro
wou zijn regime versterken en de steun van Kroetsjov winnen. Na zijn terugkeer
uit Moskou in 1963 met grote economische hulp van de USSR, was hij minder
bezorgd met het idee de revolutie te verspreiden achter Cuba's kusten en
verklaarde dat hij "klaar was om wat dan ook te doen om goede relaties te
ontwikkelen met de VS, gebaseerd op het principe van coëxistentie".
In
Argentinië was er een guerrillaoperatie begonnen tijdens 1962 door de Ejército Guerrillero
de Pueblo (Guerrillaleger van het volk). Met zijn immense stedelijke bevolking
was het het minst geschikte land om een guerrilla oorlog te ontketenen. Het
offensief was gelanceerd om samen te vallen met de tweede verjaardag van de
machts-overname door het leger. Het was een ramp en de groep werd geslacht,
inclusief 2 van zijn grootste collabaorateurs, Hermes en Masetti.
De episode
had een verwoestend effect op Che "...Hier zie je me achter mijn bureau,
ver-neukt,terwijl mijn mensen sterven op missies waarop ik hen heb
gestuurd.", antwoordde hij, wanneer gevraagd waarom hij zo depressief
leek.
Een
combinatie van dit en andere nederlagen voor de guerrilla internationaal,
gecombineerd met frustratie over de groeiende bureaucratisering van de Cubaanse
regering zorgden ervoor dat besloot terug naar het strijdtoneel te gaan. Hij
verliet Cuba in 1965 en ging naar Afrika en vocht in Kongo. Vanaf het
omverwerpen van Lumumba's regering en zijn moord was Kongo het centrum van
imperialistische conflicten.
Het
Kongo-fiasco
Che liet
een brief achter aan Castro, prees zijn kwaliteiten als "revolutionair
leider" en liet Cuba met rust in zijn volgende acties. Typisch schreef
hij: "...het spijt mij dat ik geen materieel nalaat voor mijn vrouw en
kinderen. Ik ben blij dat het zo is. Ik vraag niets voor hen aangezien de staat
hun met voldoende zal bevoorraden om te leven en om onderwijs te
verkrijgen..."
Hij
eindigde de tekst met zijn bekende zin die later een oorlogskreet van de
jongeren doorheen Latijns-Amerika zou worden in hun strijd tegen dictaturen die
het continent in hun greep hadden tijdens 1970s/80s, "Hasta la victoria
siempre" (Altijd tot de overwinning).
De hoop en
aspiraties waarmee hij vertrok naar Kongo met een groep Cubanen werden vlug
vernield. De missie werd een ramp en resulteerde in een nederlaag. Het was
slecht voorbereid en bijna ondernomen als een act van wanhoop. Het was een
missie van buitenaf. Zoals Che later toegaf kenden de Kongolezen er weinig van
tot hij arriveerde.
Toen zijn
troepen Dar-Es-Salaam, Tanzania, bereikten, waar de rebellenleiders waren
gebaseerd kon geen enkele worden gevonden. Ze waren in Cairo. Onder hun was
Laurent Kabila die na meer dan 30 jaar de macht zou grijpen. De Cubaanse
troepen waren geschokt door wat ze vonden in het rebellenleger. Niet alleen had
het gebrek aan enige coherente politieke richting maar het was in Che's woorden
een "parasitisch leger". De lokale boeren hadden er doodsangst voor.
Soldaten plunderen hun en randden hun vrouwen aan. In de conflicten gezien door
Che vluchtten de strijders meestal van het slagveld. Kabila werd gezien door
Cubanen rondreidend in een Mercedes Benz en was nooit present als gevechten
imminent waren.
Dit stond
in schril contrast met wat de Cubaanse troepen gewoon waren en verwachtten.
Uiteindelijk zijn ze overhaald om terug te trekken en de nederlaag te erkennen
gevolgd door een aanval van de regeringstroepen op de rebellen. Che vond
onderdak in de Cubaanse ambassade in Tanzania en kwam via Oost-Europa
clandestien Cuba opnieuw binnen. Doordat zijn reputatie steunde op vechten tot
het einde kon hij niet terugkeren naar Havana met lege handen.
Naar
Bolivia en de dood
Che's doel
was om terug te keren naar zijn thuisland Argentinië en de strijd daar voort te
zetten maar dit bleek onmogelijk. In 1967 vertrok hij naar Bolivia met het
standpunt een revolutionaire beweging aan te wakkeren door een
guerrillacampagne. Van daar hoopte een aanwakkering van de revoluties in de
omliggende landen. Het was een heroïsche geste, zoals veel van Che's politieke
strijd. Zoals Kongo bleek het een volgend avontuur te worden, nu met fatale
consequenties voor hem.
Hoewel
Bolivia een grotere plattelandsbevolking had als Argentinië had het een sterke
arbeidersklasse voortgetrokken door de revolutionaire tradities van de
mijnwerkers. Dit werd genegeerd door Che hoewel hij getuige was van de
revolutionaire massaopstand in 1953. Een groot programma van landhervorming is
doorgevoerd tijdens de Bolivische revolutie in de 1950s. Dit maakte de boeren
minder bereid om gewapende strijd te voeren en een guerrillaleger te
ondersteunen. Toen zijn plannen getoond werden faalde Che in het winnen van
actieve steun van de Bolivische Communistische Partij (PCB). Die althans in het
begin een neutrale stand innam en enkele van haar leden toeliet te helpen bij
de voorbereidingen van de campagne.
Gedeeltelijk
was dit om hun leiderschap meer revolutionair te doen lijken omdat ze vreesden
dat ze gingen uitgestoten worden aan de linkerzijde. Ze hadden vooral schrik
van de Trotskistische partij,de POR (Revolutionaire Arbeiderspartij), die een
sterke traditie en een semi-massa invloed, vooral onder de mijnwerkers. In de
realiteit faalde de PCB om steun te organiseren voor de guerrillatroepen en
haar leiders waren erg sceptisch over het steunen van zulke methoden. Monje en
de andere leiders wilden zeker niet dat er een guerrillacampagne gevochten zou
worden in hun achtertuin. De partij was nog altijd gefixeerd op het idee van
coalitie met de "progressieve" sectoren van de nationale bourgeoisie.
Castro was
overeengekomen met Monje en andere PCB leiders dat zij het monopolie zouden
hebben op politieke en materiële steun. In realiteit gaf de PCB leiding slechts
weinig om Che's troepen te ondersteunen. Dit was gedeeltelijk door de situatie
in Bolivia.
Er waren
ook internationale factoren die invloed hadden op Monje en de PCB leiding. De
Moskou-bureaucratie wilde de guerrillabewegingen die de instabiliteit vergroten
van Zuid-Amerika stoppen. Het Cuba regime ondersteunde hen en haar activiteiten
moesten "gecontroleerd" worden. Che werd bekeken als een
onverantwoordelijke avonturier in het Kremlin. Hij was omschreven als een
"Trotskist" en een "maoist" in kringen in het Kremlin.
Dit werd
gemanifesteerd op een internationale conferentie die plaatsvond in januari
1966, de zogenaamde tri-continentale conferentie. Deze gebeurtenis vond plaats
in Havana en werd bijgewoond door delegaties van Azië, Afrika en
Latijns-Amerika zowel als China en Rusland. Behalve de regeringsafgevaardigden
waren er ook guerrillagroepen present, vooral van Latijns-Amerika. Hier trok
Castro de aandacht van de Chinese bureaucratie wier belangen in conflict waren
met die van de USSR. Op hetzelfde moment verkreeg Castro een resolutie ter
ondersteuning van de guerrillagroepen, sterk tegen de zin van Moskou. Monje
maakte een snel bezoek aan Moskou achter de conferentie. Na de discussies die
hij had met de CPSU beambten concludeerde hij dat zij, net als hem, Che zagen
als de drijvende kracht achter deze politiek - hoewel hij niet aanwezig was op
de conferentie.
Volgens
Monje was hij aangespoord, door CPSU beambten, om op te staan tegen de Cubanen
en niet door hen bespeeld te worden. Monje was zeker aangespoord door de
bureaucratie om de Boliviaanse Communistische Partij niet te mobiliseren ter
ondersteuning van Che's guerrilla operatie.
Dit, en de
spanningen die er bestonden tussen Che en de PCB leiders, was geweten in Havana
wanneer Castro akkoord ging om de PCB het monopolie te geven op politieke en
praktische steun aan Che en zijn guerrillas.
Che
lanceerde zijn kruistocht in 1 van de meest geïsoleerde delen van Bolivia, in
het zuidoosten van het land, 250 kilometer zuid van Santa Cruz. Zijn
guerrillatroepen werden het ELN (nationaal bevrijdingsleger) genaamd. Op zijn
hoogtepunt telde zijn troepen 29 Bolivianen en 18 Cubanen. Het gebied gekozen
om het offensief te lanceren was 1 van minst bevolkte met geen traditie van
strijd onder de lokale boeren. Niet verrassend faalde Che's expeditie om lokale
steun te verwerven. Het falen van Che's troepen om enige echte lokale basis te
winnen kwam ook doordat na de landhervorming van 1953 de boeren niet bereid
waren om de weg op te gaan van gewapend verzet.
Na maanden
van vechten werd de guerrillagroep geïsoleerd en leed ze nederlaag na
nederlaag. Che's gezondheid begon te verminderen en hij was verplicht van op
een paard te rijden, niet in staat te lopen om zijn astma-aanvallen. Geen steun
was komende van Havana en communicaties met het ELN braken af.
Het is
veilig om aan te nemen dat de Moskou bureaucratie Che uit de weg wilde. Castro
bleef passief terwijl een van de hoofdleiders van de Cubaanse revolutie zijn
laatste maanden en weken tegemoet ging. Regis Debray, die in Bolivia was met
Che is sindsdien bewogen naar politiek rechts en was adviseur van Francois
Mitterand, de ex-president van Frankrijk. Tijdens 1996 viel hij Castro en
Havana aan met de beschuldigingen van het in de steek laten van Che en zijn
troepen.
Che's
kleine groep was in gevecht met 1,500 soldaten van het Boliviaanse leger. In
samenwerking met de CIA konden ze zijn troepen opsporen. Na een hopeloos
treffen op 8 oktober werden hij en zijn guerrilla's gevangen genomen bij het
dorp La Higuera, ten oosten van Sucre.
De volgende
dag werd hij geïnterviewd voor 45 min door luitenant-kolonel Andres Selich,
waarna zijn moord werd bevolen door de in Cuba geboren CIA agent Felix
Rodriquez. Hij lag gebonden aan handen en voeten naast de lijken van 2 dode
guerrilla strijders. Wanneer gevraagd: "Ben je Cubaan of Argentijn?",
antwoordde Che, "Ik ben Cubaan, Argentijn, Boliviaan, Peruviaan,
Ecuadoriaan,etc... je begrijpt me wel."
Hij werd
geëxecuteerd op de leeftijd van 39 jaar en begraven in een geheim graf dat
recent is ontdekt. Zijn lichaam is nu teruggekeerd naar Cuba. Zijn beulen
sneden zijn handen af en zonden ze op naar Havana als bewijs voor zijn dood.
Geschilderd
op een muur bij zijn graf in Bolivia is een simpele slogan: "Che - Levend
zoals ze je nooit wilden laten zijn". De geest van een heroïsch engagement
voor strijd tegen repressie is nu doorgegeven op nieuwe generaties. Zijn
voorbeeld inspireert nog steeds velen om te strijden voor een omverwerping van
het kapitalisme en te vechten voor een socialistisch alternatief. Drie decennia
na zijn dood kunnen Marxisten Che zien als een eerlijk en heroïsch
revolutionair.
De tragedie
van Che was dat zijn heroïsme niet gelinkt was met een volledig programma en
ideeën die het doel dat hij wou - de internationale revolutie - zou kunnen doen
bereiken.De noodzaak om dit te verwerven is meer dringend dan ooit. Het zal
worden bereikt als de revolutionairen van vandaag leren van de ervaring van Che
Guevara's strijd en zijn zelfopoffering overnemen in de strijd voor een
socialistische maatschappij.