|
> terug naar de inhoudstafel |
Drie decennia na Che's dood staat Cuba nogmaals voor een
tweesprong. In een wereld met een totaal andere internationale situatie ligt de
contrarevolutie en het herstel van het kapitalisme op de loer. Het
VS-imperialisme heeft nogmaals haar greep verstrakt, en staat klaar om Castro
omver te werpen en de markt open te gooien voor de zware jongens uit de
zakenwereld.
Door het verlies in '90-'91 van de gunstige
handelsvoorwaarden met de USSR tuimelde Cuba in een economische crisis. Dit was
niet de enige economische tegenslag. Het VS-imperialisme hield Cuba immers al
jaren geïsoleerd door het instellen van een handelsembargo.
Elke Amerikaanse president vanaf 1959 was van plan om
Castro te doen vallen, en het kapitalisme opnieuw in te voeren. Apart van
economische blokkades en het sponsoren van huurlingenlegers zijn andere
opmerkelijke pogingen van de CIA onder andere het zenden van exploderende
sigaren naar "El Jefe Maximo" in Havana. Castro, tot de irritatie van
de mensen in het Witte Huis, heeft al 9 VS-presidenten overleefd, die elk de
massale steun die bestaat in Cuba voor de revolutie onderschat hebben, hoewel
er geen arbeidersdemocratie bestaat.
En hoewel de vroegere verworvenheden van de Cubaanse
revolutie nu onder vuur liggen in het steeds groeiende vooruitzicht van
kapitallistische restauratie. Het regime, geconfronteerd met het verlies van de
economische steun van de USSR en isolatie, werd gedreven naar een nieuwe
economische politiek. Het heeft zich opengesteld voor buitenlandse
investeringen en bezit van delen van de economie, heeft de circulatie van de
VS-dollar gelegaliseerd, wat de centraal geplande economie begint te bedreigen.
Voor 1990-91 was de handel met vroegere regimes in de
USSR en Oost-Europa goed voor 85% van de Cubaanse export. De suikerexport viel
achteraf met 70%. Het verlies van deze handel en subsidies resulteerde in een
stokken van de economie. Het Cubaanse BNP nam een duikvlucht van 30% tijdens
1991. Ondanks het stabiliseren van de achteruitgang en het verhogen van de
productie de laatste 2 jaar, werd de terugval van tijdens de vroege jaren '90
nog niet goed gemaakt.
De levensstandaard viel dramatisch en rantsoenering van
brood en rijst werd ingevoerd. Rationalisering in de staatssector leidde tot
het ontslaan van 500.000 werknemers. Het regime heeft maatregelen genomen om te
garanderen dat gezondheidszorg en onderwijs verzekerd blijven, maar is niet in
staat geweest om de terugkeer te voorkomen van sommige van de slechtste
aspecten van onder het kapitalisme. Alhoewel niet op de schaal van voor de
revolutie, is prostitutie teruggekeerd in de straten van Havana.
In een wanhopige poging om de economische ineenstuiking
te stoppen, was het regime gedwongen om stappen te ondernemen om buitenlandse
investeringen aan te trekken en toegang te krijgen tot de internationale
markten. 100% buitenlands bezit van sommige industrieën werd gelegaliseerd.
Het imperialisme verdeeld
Deze verandering in politiek door Castro's regering heeft
een splitsing uitgelokt onder de imperialistische machten.
Europa (vooral Spanje), Canada en Japan hebben geprobeerd
om hun voordeel te halen uit deze situatie. Ze hebben investeringen in de
Cubaanse economie toegejuicht. Canada is nu Cuba's grootste handels- en
investeringspartner, gevolgd door Spanje. Tegen 1996 waren er een 650
buitenlandse bedrijven met investeringen in Cuba. Andere, meer machtige
Latijns-Amerikaanse kapitalistische landen zoals Mexico en Brazilië, volgden
met een standpunt om hun economische en politieke invloed in de regio te
verhogen.
Los van het nemen van economische profijten, hopen ze
door deze politiek druk te zetten op de bureaucratie om verder te gaan richting
kapitalisme en Cuba over te dragen aan een kapitalistische klasse, met ook
delen van de verbannen Cubaanse bevolking in Florida.
Deze politiek werd enorm bemoeilijkt door de houding van
de VS, die een meer agressieve en confronterende benadering heeft ontwikkeld.
Ze proberen het regime van Castro te doen verhongeren en hun loyale Cubanen van
Miami aan de macht te brengen.
Het is een kortetermijnpolitiek, maar het geeft goed de
verschillende soorten druk weer waar het VS-imperialisme zich onder bevindt.
Het is gevormd door historische overwegingen, door wraak voor het beschadigde
prestige van het VS-imperialisme, dat haar speeltuin verloor aan Castro in
1959. Het is ook nodig voor de VS-administraties om de steun van de 700.000
Cubanen in Florida te behouden. De Cubaans-Amerikaanse nationale stichting, 1
van de meest machtige lobbygroepen in Washington, had een beslissend effect in het
uitvaardigen van de Helms-Burton act, die het embargo rond Cuba verscherpte en
zelfs buitenlandse bedrijven die in Cuba investeerden strafte.
Andere reactionaire, maar kleinere, groepen zoals Alpha
66 hebben geprobeerd met terroristische aanslagen en gewapende acties tegen het
Castro-regime. Terwijl er in de VS een groep is met een gematigde opinie die
een compromis met de Castro-regering zou steunen, is er ook een heel krachtige,
reactionaire groep van vroegere Cubaanse kapitalisten en hun aanhangers.
Deze krachten zijn in geen stemming om compromissen te
sluiten met de Castro-bureaucratie en proberen fabrieken en land te heroveren
dat ze verloren hebben tijdens de loop van de revolutie. Moesten ze terugkeren,
dan zouden velen dat doen met de bedoeling zich te wreken.
De positie van het VS-imperialisme, samen met de dreiging
van de Cubaanse bannelingen, creëert grote obstakels voor die delen van de
Cubaanse bureaucratie die voorstander zouden zijn van een herinvoering van het
kapitalisme en zichzelf om willen vormen tot een kapitalistische klasse. Dit is
een groot verschil met wat zich afspeelde in Oost-Europa en de ex-Sovjetunie.
De bureaucratische kaste in die landen had in meerderheid de bedoeling om
zichzelf om te vormen tot kapitalistische klasse.
Het enthousiasme voor de revolutie, en de haat tegen het
VS-imperialisme maakte het voor Castro mogelijk om aan de macht te blijven,
ondanks de economische crisis van 1990. De agressieve arrogantie van het
VS-imperialisme ketst af en resulteert in het behoud van de leiderspositie van
Castro.
Toch werd de Cubaanse regering gedwongen om
pro-kapitalistische maatregelen te treffen en nieuwe niet-Amerikaanse
investeerders aan te trekken. In 1993 en 1994 zagen we de ontwikkeling van het
toerisme en enkele andere sectoren. Zelfs de landbouw was aangetast. In 1992
was nog 75% van de landbouw in handen van staatsboerderijen. In 1995 was dat
percentage teruggedrongen tot 27%. De privé-boerderijen moeten wel een deel van
hun opbrengst aan de staat verkopen. Deze en andere maatregelen stonden een
kleine groei van de economie toe, maar van de sociale afbraken van de laatste
jaren werd er niets heropgebouwd. Deze maatregelen hebben er ook voor gezorgd
dat er een groeiende ongelijkheid ontstaat bij de bevolking. Arbeiders die in
vennootschappen werken krijgen meer loon omdat ze in dollars worden uitbetaald.
Dit is mogelijk sinds 1993. Er ontwikkelde zich onder deze omstandigheden ook
een zwarte markt.
Toen Castro deze maatregelen invoerde, beschouwde hij ze
als tijdelijke stappen. Ondertussen bleef hij in woorden het socialisme
verdedigen. Toen hij een deel van zijn economie openstelde, was de tactiek:
"Niet toegeven aan het neoliberalisme, noch aan een overgang naar het
kapitalisme. Het is een opening die noodzakelijk is om het socialisme te
verdedigen en te ontwikkelen. Dit wordt niet door de regering verborgen
gehouden."
De duidelijk zichtbare verdediging van Castro tegen het
VS-imperialisme heeft de laatste vijf jaar de steun van jongeren en arbeiders
op internationale basis aangescherpt. Velen zien Cuba als het enige land dat
zich nog verzet tegen het imperialisme en het kapitalisme, en de laatste
verdediger van het 'socialisme'. De internationale arbeidersbeweging moet haar
verantwoordelijkheid dragen en moet oppositie voeren tegen alle
imperialistische en kapitalistische aanvallen tegen Cuba. Anderzijds moeten we
inzien wat Castro en de Cubaanse bureaucratie bedoelen met het verdedigen van
het 'socialisme'.
Een deel van die bureaucratie verzet zich tegen de
maatregelen die het mogelijk maken dat kapitalisme wordt ingevoerd. Ze willen
de sociale rechten die verkregen waren door de revolutie niet opgeven, en ze
vrezen chaos en armoede indien het kapitalisme zich herstelt.
De bureaucratie werd gedwongen om de revolutie te verdedigen
en zich te verzetten tegen het kapitalisme en het imperialisme, als middel om
de massa in bedwang te houden. Dit zie je duidelijk in de verderzetting van een
éénpartijstaat. De Cubaanse Communistische partij is het instrument waarmee de
bureaucratie de samenleving onder controle houdt.
Vrienden van het socialisme?
Niettegenstaande Castro's verdediging van het
'socialisme' is de andere zijde van zijn politiek het aantrekken van
buitenlandse investeerders. Samen met hun geld, sijpelen ook kapitalistische politici
en ideeën binnen. De gehate pro-Thatcher ex-minister van Spanje, Solchaga, werd
uitgenodigd naar Havana als economisch raadgever. Castro verklaarde zijn
verlangen om Thatcher persoonlijk te ontmoeten, en hij heeft de paus reeds
ontmoet om meer openheid te creëren ten opzichte van de katholieke kerk.
In 1968, toen het Mexicaanse leger honderden studenten
afslachtte, bleven de Cubaanse regering en de communistische partij opvallend
stil over de opstand van de inheemse bevolking in Chiapas. De geschiedenis
herhaalt zich blijkbaar, want er werd ook geen enkele steun verleend aan de
heldhaftige strijd van de Mexicaanse busbestuurders en petroleumarbeiders tegen
de privatisering.
De internationale politiek weerspiegelt nog steeds de
binnenlandse politiek en de belangen van het Cubaanse regime. Het kan geen
toeval zijn dat de Cubaanse regering niets deed voor de petroleumarbeiders van
Mexico op hetzelfde moment dat de Mexicaanse kapitalisten de grootste
investeerders waren in Cuba. Er werd ongeveer 1,5 miljoen dollar geïnvesteerd
in telecommunicatie door de Mexicaanse Grupo Domos.
Een deel van de Cubaanse bureaucratie is bereid om het
kapitalisme te ondersteunen indien er een overeenkomst met het imperialisme
mogelijk blijkt. De druk neemt toe om meer kapitalistische maatregelen te
treffen. Cuba kan niet blijven overleven in een internationaal isolement, en
het zal gedwongen worden om meer buitenlandse investeringen en handel aan te
trekken.
Castro en een deel van de bureaucratie zouden eerder
tevreden zijn met een mengeling van socialisme en kapitalisme indien dit
mogelijk zou zijn. Er zou meer vrije markt komen, maar een deel zou in handen
van de staat blijven, en het staatsapparaat zou intact blijven.
De delen van de bureaucratie die een volledige terugkeer
van het kapitalisme willen, zouden zelfbewuster worden door Castro's dood, die
op 71-jarige leeftijd (1997) te kampen heeft met een zwakke gezondheid.
Door de verandering in de Cubaanse regering na Castro's
dood, kan zelfs het VS-imperialisme haar beleid veranderen, en samen met de
verbannen Cubaanse kapitalisten proberen om een jongere generatie van de
bureaucratie voor zich te winnen. Delen van de heersende klasse van de VS
hebben zelfs al investeringsplannen voor Cuba uitgewerkt.
In de aanloop naar de presidentsverkiezingen heeft
Clinton het embargo nog verscherpt, om zo de Cubaanse stemmen in Florida te
winnen. Toch kan een dergelijke beleid niets veranderen aan de haat, tegen het
imperialisme en de reactionaire, Cubaanse kapitalisten uit Florida, die leeft
bij de Cubaanse bevolking. Het zal door de tegengestelde belangen niet
eenvoudig zijn om Cuba op de knieën te krijgen.
Voor een socialistisch alternatief
Het ontbreken van een socialistisch alternatief en de
isolatie van Cuba zal het proces van kapitalistisch herstel versterken. Dit kan
enkel worden tegengehouden door het oprichten van een echte
arbeidersdemocratie, met als doel het vestigen van het socialisme in heel
Zuid-Amerika.
Het oprichten van echte arbeidersraden, op lokaal en
nationaal vlak, die de controle van de economie in handen hebben, is
essentieel. Alle ambtenaren en vertegenwoordigers moeten verkozen worden,
onderworpen worden aan permanente afzetbaarheid door diegenen die hen verkozen
hebben, en mogen niet meer verdienen dan het gemiddelde loon van een geschoolde
arbeider. Er moet een einde komen aan het éénpartijstelsel dat momenteel
bestaat. Men probeert dit stelsel goed te praten door te wijzen op de
bedreiging van de revolutie door imperialisten en reactionaire rechtse
groeperingen uit Miami, die zich in een meerpartijenstelsel ook zouden kunnen
organiseren. Dit is echter onwaar, want in een meerpartijenstelsel in een land
als Cuba zouden, volgens ons, enkel groeperingen die het kapitalisme verwerpen
en de planeconomie verdedigen, mogen deelnemen aan de verkiezingen. Er moeten
ook onafhankelijke vakbonden opgericht worden.
De bedreiging door imperialisme en kapitalisme kan enkel
vermeden worden door de overwinning van het socialisme in Zuid-Amerika. Daarom
moeten we de steun van de Zuidamerikaanse arbeidersklasse winnen en er een
socialistische federatie oprichten. Dit had moeten gebeuren in 1959, toen de
Cubaanse revolutie slaagde. Het was Che's ambitie om dit te verwezenlijken.
Ondanks zijn heldhaftigheid en zelfopoffering, zag hij niet hoe hij de
revolutie in Zuid-Amerika kon volbrengen. Dertig jaar na zijn dood is deze
strijd meer dan ooit noodzakelijk. Als we als socialisten lessen trekken uit
Che's erfenis, zal die strijd gewonnen worden.