De koloniale revolutiePeter Van der Biest2004
Ten geleide
In bijgaand opstel tracht ik de voornaamste inzichten uiteen te zetten dewelke de marxisten hebben gepuurd uit de ervaring van de revoluties in de wereldstreken die doorgaans worden aangeduid als de ‘Derde wereld’. De beschikbare ruimte schiet uiteraard te kort om alle bewegingen die zich gedurende de afgelopen eeuw hebben voorgedaan te overlopen in hun afzonderlijke details. Toch leek het mij interessant om voor belangstellenden en nieuwe leden de hoofdlijnen ervan te herhalen en nevenbij een aantal belangrijke gebeurtenissen aan te stippen in een proces waarvan een heldere analyse onmisbaar is voor een omvattend begrip van heden en verleden. Ik hoop vooral dat dit schrijven voorziet in een overzicht dat dienst kan doen als bruikbare inleiding tot de marxistische klassiekers die hetzelfde onderwerp met een onvergelijkelijk veel grotere diepgang hebben uitgespit – en natuurlijk ook tot de discussies en hedendaagse stellingnames waarmee de marxisten zich voorbereiden op de politieke taken die hen in de nabije toekomst op de schouders zullen vallen.
Over de koloniale revolutieHistorische schets als achtergrond bij de lotgevallen van de leer der permanente revolutie 1. De wereldmarkt en het ontstaan van het kapitaal Het woord ‘globalisering’ sluit zoveel afleidingsmanoeuvres in als de burgerlijke ideologie maar had kunnen bedenken. Op zichzelf beschouwd en in zijn onmiddellijke betekenis laat het slechts het ruimtelijke aspect der moderne vermaatschappelijking tot ons spreken, terwijl de tijd de dimensie bij uitstek vormt, waarin het levensproces van een maatschappelijk organisme zich voltrekt. De grote baanbrekers der klassieke natuurkunde stond geen betere werkwijze ter beschikking om ’s mensen greep op de natuurverschijnselen te verstrakken, dan het ontrafelen van hun wereld in zijn mechanische bestanddelen. Zodoende verscheen de tijd als grootheid die naar believen en willekeur buiten beschouwing gelaten of in rekening gebracht kon worden. Deze handgreep en de algemene aanvaarding ervan in de moderne voorstellingswereld hebben de burgerlijke ideologen sindsdien dankbaar benut om minder waarheidlievende drijfveren te ontplooien. De tijd is immers niet het enige dat hier buiten spel wordt gezet. De precieze inhoud van de verhoudingen die het woord ‘globalisering’ overkoepelt, weet zich evengoed als de tijd opgeslorpt in het lichtduister van het begrip. Men kan natuurlijk moeilijk verwachten dat een woord onmiddellijk in al zijn mogelijke betekenissen spreekt. De hier gewraakte term verhult er echter meer dan goed is om niet de achterdocht te wekken van een maatschappijkritiek die zich toch al een aantal generaties richt op hetzelfde aanzicht van de werkelijkheid als datgene waarover de trendy gebruikers van die term zich beweren te ontfermen. Er zijn meerdere redenen waarom de tijd in de burgerlijke sociale ‘wetenschap’ als ongenode gast te boek staat; waarom de burgerlijke sociologie door zulke grote moeiten gaat om haar werkwijze, begrippen en beeldvorming te onttrekken aan de historische analyse. Ten eerste verschaft zij zich zo de mogelijkheid om bestaande verhoudingen boven de historische verandering uit te heffen. In meer dan één op klassenonderscheid gestoelde samenleving hebben de heersende voorstellingen deze hang naar boven-tijdelijkheid betoond. Een ‘eeuwige orde der dingen’ wordt niet zo vlug bevraagd als een samenhang onderhevig aan de tand des tijd. Ten tweede kan een dergelijke voorstellingswijze, naar het voorbeeld van de fysica, voor een deel de historische volgorde buiten beschouwing laten. Wanneer men in gedachten een slingerbeweging omkeert, dan verschijnt, hoezeer men zich ook inspant om de omkering te ervaren, dezelfde beweging. En ook op dit vlak speelt het gebruik van het woord ‘globalisering’ zijn rol. Wanneer we in overweging nemen hoe het te pas en ten onpas op één lijn wordt gesteld met de huidige stand van zaken, dan zou men zich welhaast gaan inbeelden dat de wereldmarkt een uitvinding is van het kapitalisme of dat beide toch volledig historisch samenvallen. Kapitalisme en wereldwijde vermaatschappelijking van het economische leven vormen onbetwistbaar een hecht tweespan. Voorts behoort het tot de sociale verdiensten van het kapitaal de productiekrachten van de arbeid opgevoerd en samengesmeed te hebben tot een samenwerkend organisme dat de mensheid voorbereidt op het veroveren van haar eigen maatschappelijke bestaansvoorwaarden. In deze wereldhistorische reikwijdte van spreken mag de wereldmarkt niet zomaar [1]worden afgedaan als een product van het kapitaal. Vanuit het oogmerk der wereldgeschiedenis speelt het oorzakelijke verband veeleer in de tegenovergestelde richting: de wereldhandel[2] geldt als de prima causa (eerste oorzaak) van het kapitaal. Nader geschiedkundig onderzoek heeft namelijk geleerd dat de formatie dewelke aan de burgerlijke samenleving voorafgaat, het eerste netwerk heeft tot stand gebracht dat de naam van ‘wereldmarkt’ verdient. De kapitalistische bourgeois vormen de rechtstreekse nazaten der middeleeuwse kooplui die de oude barrières van de organisch gegroeide, plaatselijke economie doorpriemden en de over eeuwen gegroeide arbeidsdeling tussen stad en platteland uitbreidden tot een arbeidsdeling tussen de steden onderling. Tussenin bevond zich reeds het eerste regelmatige grens-overschrijdende verkeer van koopwaren en, naderhand, het ontstaan van de wereldomspannende handelsverbindingen. Het proces waarbij de wereldmarkt aanleiding heeft gegeven tot de arbeidsdeling tussen de steden, riep en effet ook de allereerste bruggenhoofden van kapitalistische productie in het leven. De Wallersteinianen hameren ad nauseam op de foeimechanische centrumperiferie verhouding als hun bevoorrechte geloofsartikel. Zij toveren de verhouding tussen regelmatige wereldhandel – met ongelijke ruilverhoudingen en al – en kapitalisme uit het schuim der zee als een formeel logische identiteit : historisch kapitalisme = wereldsysteem = centrumperiferie. In plaats daarvan zien we in de grote lijnen veeleer zoiets als: Verstedelijking – Wereldhandel – Arbeidsdeling tussen de steden – Vroeg kapitalisme. Iedere opeenvolgende fase consolideert de verworvenheden van de vorige en vormt de beginvoorwaarde voor de volgende. De geschiedenis beweegt zich voorwaar in dialectische kronkels die voor het academisch vernuft gesloten blijven als een boek met zeven zegels. Wellicht staat het dààrom in die kringen zo puik om te beweren dat ‘de’ geschiedenis niet bestaat: zoals eertijds bij een gepoederde pruik een tâche de beauté hoorde, zo kan, dezer dagen, een academische modegril niet zonder een vlekje postmodernisme. Internationale handel hadden ook de grote beschavingen van de Oudheid gekend. Doch het was pas weggelegd voor de sociale verhoudingen van het middeleeuwse Europa om een uitweg te bieden aan een ontwikkeling die steeds meer bedrijvigheden en producten op de markt bracht tot op het historische knikpunt dat ook de mensen hun vermogen tot arbeid als koopwaar gingen aanbieden. Kapitalisme vormt het hoogste en laatste stadium van wareneconomie – van productie, niet voor het onmiddellijk verbruik door de producent en diens onmiddellijke naasten, maar voor de verkoop. In alle vorige economische stelsels werd de algehele omzetting van de arbeid in productie van koopwaren weerhouden op het punt waarop de menselijke arbeidskracht zelf als koopwaar kon rondgaan. De slavernij kende wel de koop en verkoop van mensen en dus ook van hun arbeidskracht, maar de volledige mens ‘hing’ er als het ware nog aan ‘vast’. Het kapitaal ontstaat slechts daar waar de arbeider zijn eigen arbeidskracht gaat aanbieden tegen betaling. Daarom zijn beschrijvingen van het commerciële slavenbedrijf, de handelsspeculatie uit de middeleeuwen e.d. als kapitalistisch in wezen onjuist. Ze verduisteren eerder het ware fundament van de kapitalistische productiewijze. Precies daarom komen deze impressionistische definities de burgerij ook handig uit : zij vereeuwigen de kapitalistische uitbuiting tot een ‘natuurlijke gang van zaken’. Het ongeboren mensenkind heeft de overgangsvormen tussen de losse cellenkolonie, de vis, het amfibie, het reptiel etc. nodig om tot de ‘afleverbare’ baby te komen. In essentie steunt de geschiedenis van de maatschappij op geen andere natuurwetten dan deze die het gehele organische leven vorm en richting geven. De eerste groeifase van het kapitaal, zijn ware genesis, steunde in hoofdzaak nog op prekapitalistische verhoudingen. De oorspronkelijke of primitieve accumulatie, zoals Marx deze fase in het 24ste hoofdstuk van Het Kapitaal gedenkt en ontleedt, voltrok zich allerminst op de manier waarop de vulgair burgerlijke publieke opinie het voorstelt. De kapitalistenklasse ontstond niet uit een laag van broodeerlijke, hardwerkende spaarders. Evenmin als de loonarbeiders hun afhankelijkheid van eerstgenoemde, alleen maar aan zichzelf te danken zouden hebben: aan een spilzieke en liederlijke levenswandel. Dergelijke fabeltjes hebben als enige opgave de gedupeerden van de moderne samenleving te laten berusten in hun toestand. De vernietiging van het traditionele gemeenschapsbezit op het Europese platteland; de ontruiming en uitmoording van de middels de aardrijkskundige ontdekkingen ontsloten gebieden; het wegslepen van de voorraden aan edele metalen aldaar; het herinvoeren van de slavernij op grote schaal, de door zeegeschut en ander gebullebak ondersteunde handelspraktijken met Azië... Aanschouw de aanminnige geboortekreten van het kapitaal! Of liever: van een nieuwe ophoping van rijkdom die als kapitaal kon terug stromen naar de thuislanden van de veroveraars en kooplieden. In naam van God en het gewin kwam, zoals Marx het uitdrukte, het kapitaal ter wereld ‘druipend van vuil en bloed uit al zijn poriën’. Deze voorheen ongeziene roofbouw op de wereld en de mensen schiep de humusbodem waarop zich een nieuwe soort productie eenheid kon verheffen: de manufactuur, een nieuwe organisatie van werkplaats en handwerk waarin de verhouding tussen loonarbeider en koopman/kapitalist in de plaats trad van de traditionele, vaak door strenge voorschriften gereguleerde verbonden tussen de zelfstandige handwerkslieden. De manufactuur vormt de eerste herkenbare vorm van moderne, kapitalistische bedrijfsorganisatie, niet zozeer door de werktuigen die er werden aangewend, dan wel door de planmatige arbeidsdeling die er ontstond en de loonarbeid als kenmerkende arbeidsverhouding. Maar zolang nijverheid en landbouw nog volledig moesten vertrouwen op de oude preïndustriële productiekrachten van menselijke handigheid, menselijke en dierlijke spierkracht, van wind- en waterkracht, enz. vermocht zelfs de manufactuur geen grote economische omwenteling teweeg te brengen. De grote meerderheid van de mensen leefde nog op het platteland. Zelfs het leeuwendeel van het handwerk werd nog geleverd door kleine landlieden die zich in een soort van schemerzone bevonden tussen het boerenbestaan en het leven van de klassieke proletariër. Toch werden in deze eerste historische fase van het kapitaal reeds de grondslagen gelegd van de ongelijke ruilverhoudingen, niet slechts tussen arbeiders en kapitalisten, doch ook tussen hele streken en naties. In het stadium van de oorspronkelijke accumulatie werd in grote lijnen het eerste grondplan getekend voor de toekomstige betrekkingen tussen de metropoollanden en de koloniale wereld. 2. De overgang van de vrije concurrentie naar het imperialisme De overgang van leenroerige naar burgerlijke samenleving was allesbehalve wars van heftige sociale en politieke aardschokken. Maar vergeleken met de daaropvolgende Storm en Drang dewelke in luttele decennia meer aan het wankelen bracht en omver stootte dan in de drie eeuwen daarvoor, verbleekt de manufactuurperiode toch tot een doffe sluimer. Wij spreken natuurlijk over het tijdperk van de Industriële Revolutie. Omstreeks dezelfde tijd dat de Franse handelsburgerij het mes sleep voor de feodale uitzuigers, slepen de kooplieden aan de overzijde van het Kanaal de tandraderen waarmee zij de burgerlijke samenleving definitief zouden loswrikken uit de slakkengang van het voor-industriële tijdperk. In gelijke tred met het neerhalen van de handelsbeperkingen voltrok zich ook de ondergang van de kleine bezitters. Zodoende vermocht het opkomende industriekapitaal in een paar decennia wat het koopmanskapitaal niet had kunnen bewerkstelligen over eeuwen: de explosieve aanwas van het bezitsloze industrieproletariaat dat nog slechts zijn vege lichaamskracht in persoonlijke eigendom hield en verviel tot een staat van permanente afhankelijkheid ten overstaan van de industriëlen. Wat betreft de internationale verhoudingen veranderde er aanvankelijk niet zoveel vergeleken met de voorgaande periode. Tenzij men de toegenomen brutaliteit en arrogantie waarmee de handelspartners in de periferie werden geïntimideerd en afgeperst een radicale verandering zou noemen. De onwillige Chinezen mochten het verschil tussen het Europese zeegeschut uit de zestiende en de Engelse kartetsen van de negentiende eeuw vergelijken, toen zij hun grenzen sloten voor de Britse opiumhandelaren die hen ten gronde richtten. De Japanners hadden aan dit voorbeeld genoeg en besloten een decennium later hun twee eeuwen oude isolement op te geven bij het eerste verschijnen van de Amerikaanse marine. In feite niet veel nieuws onder de zon dus – althans op het eerste gezicht. Zelfs de slavernij in de Nieuwe Wereld nam ruimtelijke uitbreiding. Pas vanaf het eind der achttiende eeuw heeft zij in Noord Amerika hetzelfde massale karakter gekregen als in de Caraïben. In 1847 kreeg de anarchist Proudhon van de jonge Marx nog te horen dat de Amerikaanse negerslavernij het voetstuk vormde van de Britse textielhandel – ergo van de grootindustrie; nam men haar weg, zo betoogde Marx, dan zou het gehele bouwwerk van de wereldhandel als een kaartenhuisje in elkaar stuiken. Dit was ongetwijfeld een onomstotelijke waarheid in 1847, doch toen reeds een waarheid die op haar laatste benen liep. Bediende de grootnijverheid zich aanvankelijk nog van de oude methodes en verhoudingen uit het tijdperk der primitieve accumulatie, diezelfde grootnijverheid streefde deze met kranige zwier voorbij. Waar zij in de weg stonden van de vrijhandel en een sterke, verenigde burgerlijke staat, werden ze, als het niet anders kon, door burgeroorlog en revolutie weggevaagd. Ook al klopte, onder het abolitionistische franje, het hart van de grote menigte der Noordelijke burgerij, een stuk sneller voor de één gemaakte nationale markt dan voor de afschaffing van de slavernij, toch had de Amerikaanse burgeroorlog onmiskenbaar deze sociaal revolutionaire inhoud. De Noordelijke industriëlen waren allesbehalve gehaast om de negers te bevrijden – pas in 1863 deden zij dat met de slaven van de Confederatie en slechts vanaf 1865 werd de Vrijheidsproclamatie van kracht in slavenstaten die alsnog de kaart van de Unie hadden getrokken. De Noordelijken handelden onder een soortgelijke historische dwang als Napoleon die op zijn doortocht naar Rusland de Poolse feodaliteit moest afschaffen om de sociale voedingsbodem onder de voeten van zijn vijanden weg te maaien. De Secessieoorlog, die de Verenigde Staten tot hechtere eenheid kanonneerde, behelst trouwens wel meer illustraties van de algemene richting der dingen. Hoewel men misschien zou verwachten dat de Britse burgerij steun zou hebben geboden aan haar liberale spitsbroeders uit het Noorden, trok zij tot het bittere einde partij voor de historisch uitgeleefde Zuidelijke slavendrijvers. Het is trouwens aan de massale tegenstand van de Britse arbeiders te danken dat het Verenigd Koninkrijk zich niet languit in de strijd heeft geworpen. Nationale eenmaking en bevrijding behoorden zeer zeker tot de historische opgaven van de burgerij. Maar na 1848 werd dit proces door haar lafheid en besluiteloosheid, over lange tijd uitgerekt. Haar oude revolutionaire huid had de burgerij immers reeds in 1848 afgeschud, en dat heeft alles te maken met de nieuwe tegenmacht dewelke zij in de dampige stadswijken en tussen de stoomspuwende drukketels had uitgebroed: de moderne arbeidersklasse. In Italië kwam de volle eer van de burgerlijke revolutie toe aan de Che Guevara van de 19de eeuw, Guiseppe Garibaldi. Maar ook Garibaldi moest bakzeil halen voor de door de Westerse grootmachten geruggensteunde behoudsgezinde monarchie van Victor Emmanuel van Piemont. In Duitsland kwam de burgerij er in 1871 al helemaal niet meer aan te pas. Zij liet het initiatief voor de eenmaking over aan de reactionaire Krautjunkers van Bismarck. Toen de Meiji dynastie de tegenstribbelende samoerai van het paard had gesabeld, gaf zij hen onmiddellijk kwartier en verhief hen tot de vaandeldragers van de modernisering. Met haar revolutionaire jeugd sloot de bourgeoisie ook de nationale bevrijdingspretenties buiten haar eigen enge nationale belang af. Het was de tijd waarin de Wereldgeschiedenis scheen uit te roepen: ‘Rien ne va plus!’, waarin de laatste naties werden toegelaten tot het beperkte kransje van de wereldgrootmachten. De vereniging van Italië, van Duitsland, de industrialisering van Japan beëindigden het tijdvak waarin landen in de rand van het wereldgebeuren konden doordringen tot de rang van onafhankelijke burgerlijke natie. Toen de makke Duitse bourgeoisie zich geschikt had naar het autoritaire keizerrijk, de Franse haar Derde Republiek gedoopt had in het bloed van de Communestrijders en het radicale republikeinse verhaal van Garibaldi naar het rijk der fabelen verwezen was, kon de vrije concurrentie haar ware historische lotsbestemming openbaren. Eens de bajonetten hun werk hadden gedaan tegen de arbeiders, konden de kapitalisten zich nu zonder weerhouden overgeven aan de onderlinge strijd om het beheersen van de markt. De concentratiebeweging van het kapitaal die Marx reeds jaren als wezenlijke economische drijfkracht zag, kon zich nu voluit ontplooien. Grotere industriëlen vraten kleinere op en groeiden uit tot grootindustriëlen. De financiële bemiddelaars deden hetzelfde met elkaar; deze struggle for life broedde de moderne grootbankiers uit. Beide kapitaalvormen versmolten tot de gedaante die het kapitaal tot op de dag van vandaag heeft bewaard en die de eindvorm van zijn wereldhistorische regime uitmaakt: het financierskapitaal. Tegen het einde van de 19de eeuw groeiden de opstapeling en concentratie van het kapitaal de opslorpende krachten van de nationale markt boven het hoofd. Waar het internationale handelsverkeer in voorgaande eeuwen vooral de uitvoer van koopwaren had gekend, werd voor het nieuwe tijdvak de export van kapitaal kenmerkend. Deze internationale manoeuvres van het financierskapitaal hadden een bijna niet te overziene weerslag op de wereldwijde verhoudingen. Waar de warenexport zich veelal tevreden stelt met strategische havenplaatsen en doorvoerroutes, gedraagt het financierskapitaal zich een stuk gulziger in zijn wereldreizen. De oude kolonisatiepolitiek van het vroege kapitalisme kwam met vermenigvuldigde kracht terug. De gehele wereld werd nu verdeeld tussen de grootmachten. Afrika werd niet meer leeg getapt via handelsposten waar de slavenschepen aanmeerden; het werd nu gewoon in bezit genomen. De Verenigde Staten moeide zich nu niet meer in de bevrijdingsstrijd van de Zuid Amerikaanse volkeren; het ging hen gewoon onderwerpen. China zag zich niet meer gewoon gemuilkorfd en dwangmatig opengesteld door het Westen; het had nu volledig naar de pijpen van het imperialisme te dansen… Deze internationalisering van het kapitaalverkeer betekende echter niet dat de nationale burgerijen de nationale staat als dusdanig ontgroeiden. Integendeel. Meer dan ooit hadden de monopolieverbonden en kartels de nationale staat nodig om hun belangen internationaal te behartigen. Het kapitalisme heeft als bestaansvoorwaarde de internationale economie, maar zijn heersende klasse heeft slechts de nationale staat als laatste toevlucht. Er werd een begin gemaakt met de oprichting van miljoenenlegers. Internationaal gestook en gechicaneer moesten in de context van de nieuwe kapitalistische wereldrijken vroeg of laat wel uitlopen op krachtmetingen tussen de grootmachten waarbij nu de gehele wereldmacht op het spel stond. Dat de Duitse bourgeoisie tot tweemaal toe het voortouw genomen heeft in pogingen om de wereldwijde krachtsverhoudingen met geweld in haar voordeel te herschikken, is geen toeval. Duitsland behoorde tot de laatkomers in de vorming van de grootmachten en hun internationale machtssfeer. In 1885 had Bismarck – toen hij bemiddelde bij de verdeling van Afrika tussen Engeland en Frankrijk – kolonies voornamelijk nog beschouwd als een geldverslindende prestige zaak. Toen de jonge keizer Wilhelm II hem een paar jaar later wandelen stuurde, deed hij dat in de naam van een kapitalisme dat al voldoende uit de kluiten gewassen was om zelf een stuk van de wereldtaart op te eisen. Maar laten wij ons nu wenden tot de kwestie die wij bij het begin van deze uiteenzetting als ons hoofdonderwerp hebben aangeduid.
3. Het eerste tijdperk van de permanente revolutie Het kapitaal vormt bovenal een maatschappelijke verhouding. Het is de typerende productieverhouding van de burgerlijke samenleving. Wanneer men spreekt over het exporteren ervan, dan spreekt men onvermijdelijk over het internationaliseren der kapitalistische productieverhoudingen. De uitvoer van kapitaal kon dus niet anders dan gepaard gaan met het over de nationale grenzen heen uitvloeien van het stelsel van loonarbeid. Bezegelde de primitieve accumulatie de internationale arbeidsdeling en betekende de Industriële Revolutie de onafwendbaarheid van de internationale concurrentie, het imperialisme liet de loonarbeid uitwasemen van de Westerse moederlanden naar de kolonies. De oorspronkelijke accumulatie had reeds een eerste begin gemaakt met de onderwerping van de minder ontwikkelde naties ten overstaan van de meer ontwikkelde. Het industriële stelsel vaagde iedere mogelijke tegenwind van de traditionele nijverheid uit. Het imperialisme consolideerde de relatie van onderworpenheid, maakte haar onomkeerbaar, met dien verstande dat de grootmachten geen onafhankelijke nieuwkomers meer duldden op de wereldmarkt. Maar met het kapitaal exporteerde de burgerij eveneens de tegenstellingen dewelke in de loonarbeid vervat zitten. Meer nog, evenmin als de uitgevoerde investeringsgoederen opnieuw alle historische fasen van het kapitaal één voor één moesten doorlopen, was de aldaar opkomende arbeidersklasse verplicht een revolutie van 1830, van 1848, van 1871 door te maken, met alle bloedige lessen en ontgoochelingen die aan elk van deze jaartallen kleven. Hoewel er bijvoorbeeld in de geschiedenis van Rusland duidelijke herhalingen van de klassieke, zelfs voorbij gestreefde strijdvormen te bemerken vallen (van machinevernietiging naar stakingen, van economische naar politieke stakingen, van de politieke naar de algemene, revolutionaire staking), zien we dat het Russische proletariaat beduidend minder tijd nodig had – niet meer dan twee generaties – om zich de lessen eigen te maken dewelke hun Westerse broeders en zusters in bloed hadden uitgesmeerd over zeventig, tachtig jaar. Al deze ervaringen werden kant en klaar, in hun afgewerkte en theoretisch doorwrochte vorm overgeleverd door de intussen tot volwassenheid gekomen arbeidersbeweging van de metropool aan de zich vormende arbeidersbeweging van de kolonies. Men zou dus op het eerste zicht zeggen dat de strategische opgaven voor de koloniale arbeiders onmiddellijk dezelfde waren als deze van de Europese en Amerikaanse arbeiders. In de kolonies was de ontwikkeling van het kapitalisme echter geen eenvoudige herhaling van de industrialisering in het Westen, maar een uitloper ervan. De bourgeoisie van de kolonies kon, onder het regime van het imperialisme, nooit op dezelfde zelfstandige voortgang en opbloei hopen als de oude burgerij bij de dageraad van het Europese kapitalisme. Eén kenmerk nam deze onderontwikkelde en afhankelijke bourgeoisie wel over van haar broodheren: de angst voor iedere zelfstandige beweging van de arbeiders, ook al ware deze niet onmiddellijk tegen henzelf gericht. Politiek gezien erfde de inlandse burgerij de levenshouding over met dewelke de oude Europese kapitalisten de revolutiegolf van 1848-1849 hadden afgesloten: liever een compromis sluiten met de despotische restanten van de voorkapitalistische maatschappij, dan de bewegingen op de spits drijven en de arbeiders tot zelfstandig optreden brengen. De burgerlijke democratische revoluties van 1848 waren door de Franse en Duitse burgerij verraden omdat achter hen de dreigende gestalte van een steeds mondiger proletariaat begon op te doemen. Men zou nu kunnen opwerpen: maar wie had er nou nog behoefte aan een burgerlijk democratische revolutie met een proletariaat dat zich reeds alle historische lessen had eigen gemaakt die een modern proletariaat maar kon doorlopen? Het antwoord daarop laat zich volkomen afleiden uit de historische strekking van het imperialisme. Als hoogste en laatste stadium van het kapitalisme vertoont het imperialisme van bij zijn prille aanvang de eerste rottings-verschijnselen van de burgerlijke samenleving als dusdanig. Het laffe, behoudsgezinde en kortzichtige magnatenkapitaal had nu onherroepelijk de plaats ingenomen van het dynamische, bij wijlen visionaire en liberaalrevolutionaire kapitaal uit de vorige grote groeifase. Het internationale kapitaalverkeer had her en der in de koloniale en semi-koloniale wereld herkenbare kapitalistische enclaves gevormd. Maar waar de grootfinanciers het op een akkoordje konden gooien met de oude, prekapitalistische heersers, verdwenen haar herinneringen van revolutionaire haat tegen het aristocratische despotisme als sneeuw voor de zon. Ook al overrompelde het financierskapitaal in zekere zin de periferie, het ging er alsmaar minder baanbrekend en revolutionair tewerk dan in zijn moederland ten tijde van de grote politieke omwentelingen. Tussen het imperialisme en de achterhaalde formaties ontwikkelde zich een hechte entente cordiale – hartelijke verstandhouding. Wat dan met de inlandse bourgeoisie der koloniale landen? Kon deze dan geen vooruitstrevende en nationaal bevrijdende rol meer spelen ten overstaan van dit duivelspact? Aan deze compradoreburgerij, niet meer dan het afhankelijke en slaafse verlengstuk van het internationale kapitaal, was ieder eigen-machtig optreden ontzegd dat haar ook maar enigszins in de buurt kon brengen van de Engelse en Franse bourgeoisie uit voorgaande eeuwen. Van zodra haar onafhankelijkheidsstreven op het njet der oude machten stuitte, had zij geen andere keuze dan zonder slag of stoot terug te krabbelen. Van zodra de arbeiders zich in de strijd zouden werpen, zou de inlandse burgerij het voorbeeld van de Europese bourgeoisie in 1848 volgen, en bevreesd onder de kapmantel van de oude heersers vluchten. Zoals de arbeidersbeweging van de koloniale wereld zich zonder noemenswaardige tussenstappen verhief tot het niveau van na 1848, zo liet de inlandse bourgeoisie zich zonder omwegen zakken tot het voorbeeld van de Franse en Duitse liberalen in hetzelfde jaar. En de boeren? De liberale burgerij heeft nooit volledig op eigen kracht een revolutie kunnen bewerkstelligen. Een burgerij die vooralsnog niet bij machte was geweest om dezelfde historische opgaven te vervullen als de Europese, moet toch wel een grote plattelandsbevolking rond zich hebben gekend? Feodale of Oosterse staats- en maatschappijvormen konden toch maar overleven op het sociale voetstuk van een uitgebreide boerenstand? En werd Lodewijk XVI per slot van rekening niet ten val gebracht door een gemeenschappelijk front van de stedelijke bourgeoisie en volksmensen met de grote massa van het Franse platteland? Ja…ja…en ja. Maar… De bourgeoisie van de 17de , 18de en vroege 19de eeuw had zich nooit aan handen en voeten gebonden geweten door zo’n octopus als het internationale financierskapitaal. Onder de gegeven omstandigheden kon een gemene zaak van de boeren met de inlandse burgerij niets anders inhouden dan een faustiaans contract. Waarover vooral de boeren zich zouden beklagen. Konden de boeren, tenslotte de verpletterende meerderheid van ‘s lands bevolking, dan niet op eigen houtje afrekenen met het despotisme en het financierskapitaal? Daarop is het antwoord categoriek…en gaan ook de wegen van de marxisten met de stalinisten uiteen. Laatstgenoemden verwijten het marxisme (dat zij weliswaar omwille van hun eigen marxistische pretenties ‘trotskisme’ noemen) ‘een gebrek aan vertrouwen in het revolutionair potentieel van de boeren’. Zelf gelaagd in een onoverzichtelijk canapé van klassen en subklassen, vormt de grootste gemene deler van de boerenstand zoiets als de beek van gemiddeld één meter diepte waarin de statisticus verdronk. De sociale belangen van deze heterogene massa lopen gewoon te ver uiteen opdat zij uit zichzelf tot een duurzame gemeenschappelijke bewustwording en organisatie zou kunnen komen. Doorgaans wordt deze bewustwording ook nog eens gehinderd door de achtergebleven en geïsoleerde leefwijze, het lage cultuurpeil en het voortdurende streven om de eigen klasse te ontstijgen De arbeider werkt in de eerste plaats om te overleven en de hoop rijk te worden bestaat, maar is supplementair. Bij de kleine boer zitten overlevings- en verrijkingsdrang in gelijke mate verankerd in zijn materiële levenswijze. De dagloner droomt ervan zelfstandige pachter te worden, de pachter een kleine boer en een kleine boer een grootgrondbezitter. De arbeider fantaseert van het renteniersbestaan met het loterijbiljet in de hand… en laat zijn dromen voor een tijdje varen van zodra de uitslag bekend raakt. De boer daarentegen droomt van het herenboerenleven met de schoffel in de hand en begint harder te wroeten wanneer hij een tik krijgt van de rentmeester. Hard Labeur betekent voor de arbeider in de eerste plaats meer toegang tot de consumptiemarkt, kapitalist worden een gelukstreffer. De kleine boer zweeft ten allen tijde de uitbreiding van zijn erf voor de geest. Opstanden van de boeren komen in de regel dan ook voor als weinig georganiseerde woede-uitbarstingen waaraan geen echt uitgewerkt gemeenschappelijk project of programma, laat staan strategie, ten grondslag ligt. Wanneer de Russische beer zich opricht, is hij beangstigend in zijn toorn, zo sprak Trotski over de moezjiek, maar het is de beer niet vergund om een bewuste uitdrukking te geven aan zijn woede. Onder de leiding van de bourgeoisie wordt de kleine boer in de zak gezet en aan de heersende machten overgeleverd. Onder de leiding van de geïsoleerde revolutionaire intelligentsia komt hij hoogstens tot klassenstrijd in zakformaat: de guerrillaoorlog. Slechts een overeenkomst tussen de arbeiders en de kleine boeren biedt uitweg. Met andere woorden: het is bijgevolg een gemeenschappelijk front tussen de arbeiders en de boeren dat onder de gestelde voorwaarden de burgerlijk democratische revolutie kan volvoeren, een revolutie die dus, zoals Lenin het formuleerde, burgerlijk is naar de inhoud, doch proletarisch naar de vorm. Wat moeten wij ons daar nu bij voorstellen? Niets anders dan een gecombineerde beweging van de klassieke strijdvormen der arbeidersbeweging ( vooral boycots, politieke en gewapende massastakingen) en de boerenrevolte moeten de bestaande regeringen ten val brengen en dit front aanhouden in een basisdemocratische regeringsvorm die door middel van een energieke heerschappij de jaren 1792-1794 dunnetjes overdoet, zij het dan aangepast aan de bestaande sociale condities. Maar wie zal in een dergelijke democratische heerschappij de leiding hebben? Kunnen arbeiders en boeren op gelijke voet de democratische heerschappij volhouden? Hier gingen de respectieve meningen van Lenin en Trotski, naar aanleiding van de revolutie van 1905, uit elkaar. Pas in 1917 zouden beiden elkaar terugvinden. Onder de Russische socialisten, inmiddels verdeeld in een minderheids- (mensjinstwo) en een meerderheidsfractie(bolsjinstwo), tekenden zich in de jaren 1904-1906 drie grote stromingen af ten aanzien van dit strategisch vraagstuk. De twist tussen beide was ontstaan op het Brussels-Londens congres rond voornamelijk organisatorische kwesties. Maar al gauw zou blijken dat de werkelijke zweer veel dieper zat dan de omschrijving van het lidmaatschap en de samenstelling van het redactiebestuur. 1.De mensjewieken zwoeren bij de achterhaalde formule uit de 19de eeuw, waarbij de arbeiders hun aanspraken hadden te beperken tot deze van een uiterst linkse vleugel van een revolutionaire beweging onder leiding van de liberalen. Maar deze politieke volgweg was gelogenstraft door het verloop van de 19de eeuwse revoluties zelf. Naarmate de democratische revoluties op een hoger peil van de kapitalistische ontwikkeling plaatsgrepen, verhoogde de voorhoederol van het proletariaat. Daarom hadden de liberale bourgeois trouwens de bewegingen verraden in de eerste plaats! En het zag er, zoals gezegd, niet naar uit dat de Russische liberalen zich eerder gingen spiegelen aan 1789-1792 dan aan 1848. 2.Lenin daarentegen, vertrouwde de liberalen voor geen haar. De Russische revolutie kon niet de rechtlijnige herhaling zijn van de West Europese, waarin de burgerlijke revolutie zich slechts geleidelijk, in gelijke tred met de modernisering, omzette in de socialistische. Stond het proletariaat in zijn ogen nog niet in de positie om de politieke macht volledig naar zich toe te trekken, de bourgeoisie was daar al niet meer toe in staat. Voor Lenin lag het lot van de democratische revolutie in de handen van de revolutionair democratische heerschappij van arbeiders en boeren. Deze gedeelde macht zou de taken van de democratische revolutie in Rusland voltooien, tegelijkertijd de agitatiedrempel in het Westen verlagen en tenslotte zouden de socialistische revoluties in de Europa de overgang van Rusland naar het socialisme bekorten. Deze tegensprekelijke discussies waren geen vrijblijvende zandbakmanoeuvres van speelgoedgeneraals zonder troepen. De revolutie van 1905 legde beide formules de lakmoesproef op. Zoals Lenin had voorzien, bonden de Russische liberalen in bij de eerste gelegenheid die zich voordeed: de toegift van de tsaar zich te laten adviseren door een verkozen parlement. De arbeiders daarentegen, die de beweging in januari 1905 (de zgn. Bloedige Zondag) aan gang hadden gezet, legden zich niet neer bij deze ‘Doema verpakt in kozakkenzwepen’. 3.De ontknoping van de revolutie gaf aanleiding tot de derde stellingname: deze van Leon Trotski, een jonge socialist die zich op het einde van het Brussels Londens congres aan de zijde der mensjewieken had geschaard. Zodra Trotski hoorde van de mensjewistische strategie, brak hij onmiddellijk met hun leiders en ging hij zijn eigen weg. Het mensjewisme dat hem door de stalinisten wordt aangewreven beperkt zich tot twee jaar, waarin weinig meer te beleven viel dan de klassieke emigrantenruzies, waarvan Stalin zich trouwens volledig afzijdig had gehouden. In de nabijheid van Stalin helemaal geen eigen mening hebben is sedertdien wel eens vaker van een grotere overlevingswaarde gebleken dan er een afwijkende mening op nahouden. In de laatste weken van de revolutie, voordat de tsaar ‘de rust herstelde’, had Trotski aan het hoofd gestaan van de Petersburgse Sovjet. Voortgekomen uit de algemene staking van oktober 1905, tot dan toe de grootste massastaking uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging, bevatten de vijftig dagen dat de Sovjet over St.Petersburg heerste, alle kenmerken van de oude Parijse Commune met verdubbelde kracht. Het was een basisdemocratische heerschappij van de arbeiders. Het puikje van de Russische arbeiders, in de grootste stad van het land, had dus in een paar maand tijd de gehele weg afgelegd tussen 1830 (waarin de arbeiders nog slechts als slaafs voetvolk de kogels voor de burgerij opvingen), 1848 (waarin de arbeiders voor het eerst hun eigen eisen naar voor brachten) en 1871 (waarin de arbeiders voor het eerst de politieke macht grepen). De boeren spelen een belangrijke rol in het bestormen en platbranden van de grote landgoederen en kunnen zelfs her en der de grond op eigen initiatief in bezit nemen. Maar het enige richtinggevende element in de nationale revolutie zijn de arbeiders. De klassenstrijd verfijnt uit zichzelf de formule van Lenin – de democratische heerschappij van arbeiders en boeren – tot: de democratische heerschappij van het volk onder leiding van de arbeiders. Maar dat is de proletarische revolutie. Een revolutie ‘proletarisch naar de vorm maar burgerlijk naar de inhoud’…hoe gaat men zoiets uitleggen aan de arbeiders die zo-even de macht hebben gegrepen? Gaat hun socialistische leiding hen vragen om hun eigen eisen te laten vallen en maar te berusten in de economische politiek van de eigen bourgeoisie? Of gaan de socialisten vriendelijk aan de arbeiders vragen of het hen belieft de macht opnieuw af te staan aan de liberalen die zo-even de revolutie hebben verraden? Misschien zou men de arbeiders kunnen verzoeken om een democratische regering te ondersteunen die van plan is enkel het belang van de inlandse burgerij ter harte te nemen. Die dan door de arbeiders en boeren zou moeten worden verdedigd tegen iedere aanval van buitenaf (het internationale financierskapitaal) of poging tot contrarevolutie van binnenuit (de aristocratie). Ach ja: want had Marx niet gezegd dat een voldragen kapitalisme de onmisbare voorwaarde is vooraleer er nog maar gedacht kan worden aan een proletarische heerschappij? De opties van een revolutionair democratische heerschappij van arbeiders en boeren, raken zo stilaan uitgeput. En allemaal dragen ze in zich rechtstreekse aanleiding tot heftige botsingen tussen de klassen. Het wordt tijd om de zaken onder ogen te zien. Revolutie onder leiding van de arbeiders betekent proletarische revolutie. Een geslaagde proletarische revolutie betekent een politieke machtsgreep door de arbeiders. De politieke macht in handen van de arbeiders betekent de omvorming van de maatschappij in het voordeel van de arbeiders. Om de macht van het financierskapitaal en de uitgeleefde voorkapitalistische vormen te breken, schieten er dus maar twee mogelijkheden meer over: de socialistische revolutie of een revolutie onder leiding van de liberale bourgeoisie die de zaak verpietert tot de oude machten opnieuw worden hersteld. Samengevat: zelfs de nationale bevrijdingsstrijd van de koloniale volkeren moet o n o n d e r b r o k e n worden doorgetrokken tot de socialistische revolutie. Dit is de strategie van de permanente revolutie, zoals Trotski die voor het eerst uitstippelde in zijn Resultaten en vooruitzichten(1906). Voorzag Lenin het scenario van 1905, Trotski was elf jaar voor op het werkelijke verloop van de revolutie in 1917. De Eerste Wereldoorlog legde een bruuske onderbreking op aan een nieuwe periode van radicalisering – 1912-1914. In haar eerste dagen grondvestte de februarirevolutie van 1917 de dubbele macht waarvoor de revolutie van 1905 bijna tien maand had behoefd. Lenin gaf zich, hoewel meer dan duizend mijl van het toneel der revolutie verwijderd, onmiddellijk rekenschap van de situatie, liet in zijn Brieven van Verre ieder restant van onderbreking tussen de burgerlijke en de socialistische revolutie varen en spande zich in om de bolsjewistische leiding ter plekke van de nieuwe strategie te overtuigen. Tot het bittere einde, tot aan de vooravond van de machtsgreep der arbeidersraden op 25 oktober oude stijl, had hij af te rekenen met de dogmatische nasputteringen van de oude opvatting. Dat Kamenew het zelfs presteerde om de datum van de gewapende acties door te spelen aan de pers, toont aan hoe stevig de oude koers zich had vastgewroet in de hoofden van het bolsjewistische topkader. Maar tussen Lenin en Trotski waren thans alle fundamentele geschillen, voor zover deze de toetreding van Trotski tot de bolsjewistische partij in de weg stonden, van de baan. Hoewel de eerlijke partijpolemiek beide strijdmakkers nog een aantal keer tegenover elkaar zou plaatsen, heeft Lenin nooit een woord teruggenomen van zijn uitspraak dat ‘er vanaf dat ogenblik geen betere bolsjewiek te vinden was dan Lev Davidovitsj’. Jammer genoeg herbergt de geschiedenis meer voorbeelden van de rampzalige gevolgen verbonden aan het niet naleven van de strategie der permanente revolutie, dan de ene geslaagde arbeidersrevolutie in Rusland. Dit heeft alles van doen met de machtswissel die zich in de tweede helft van de jaren twintig heeft voltrokken ten gevolge van het isolement der Sovjetunie. Door de nederlagen van de Europese revoluties op zichzelf teruggeworpen en sterk gehinderd door de algemene achterstand van hun land, ontglipte de politieke macht aan de arbeiders ten voordele van de bureaucratie die zich als een parasiet op de nieuwe samenleving begon te enten. De stalinistische bureaucratie vertoonde alsmaar minder belangstelling voor het exporteren van de revolutie dan in het veiligstellen van haar machtspositie en sociale voorrechten in eigen land. De verschillende fasen van dit ontaardingsproces laten zich aflezen aan de hand van de vreselijkste nederlagen uit de geschiedenis van de arbeidersbeweging. De stalinistische twee stadiënleer – de formele negatie van de permanente revolutie – herkauwde het vergane mensjewistische dogma en kluisterde de Chinese communisten vast aan de bourgeois en militairen van de Kwo Min Tang… die zich zonder aarzelen op de arbeiders stortten van zodra zij zich weigerden te schikken. In 1925-1927 werd de Chinese arbeidersbeweging herhaaldelijk tot zwijgen gebracht in massaslachtingen die de vergelijking met de junidagen van 1848 en de verdelging van de Parijse Commune met glans doorstaan. De splitsingspolitiek van de Komintern ten overstaan van de Duitse arbeidersbeweging – ondersteund door de mallotige theorie van het sociaalfascisme – leverde het Duitse proletariaat zonder slag of stoot over aan de Hitler benden. In Spanje werkte de stalinistische invloed voor het eerst als openlijke en bewuste contrarevolutionaire kracht, toen deze iedere zelfstandige activiteit van de arbeiders de kop indrukte ten gunste van de zogenoemde Volksfrontregering – dit met inbegrip van het oprollen hunner organisaties en het vermoorden van hun leiders. Het revolutionair élan dat de arbeiders bij ontelbare gelegenheden in het interbellum aan de dag hadden gelegd, had nu niet alleen meer op te tornen tegen de verraderlijke politiek van de oude sociaal democratie. Vanuit het Kremlin werd nu eveneens het doek geworpen over de internationalistische tradities van de Oktoberrevolutie. De Spaanse revolutie van de jaren 1931-1937 was de laatste grote revolutionaire heropleving alvorens het imperialisme de mensheid opnieuw aan een wereldbrand kon prijsgeven. De Tweede Wereldoorlog slaat het eerste tijdvak van de permanente revolutie dicht. 4. Het tweede tijdperk van de permanente revolutie: de naoorlogse periode tot de val van het stalinisme Trotski richtte de Vierde Internationale op in de herfsttij van de revolutiegolf na de Eerste Wereldoorlog, toen de wereld op de drempel stond van een tweede. Hij begreep maar al te goed dat zijn eigen taak erin bestond om gedurende de periode dat de massa’s zich teruggeslagen wisten, de kaders op te voeden voor een nieuwe tijd van revolutionaire beroering die zou volgen op de oorlog. Maar ook dit louter voorbereidende werk loopt in een periode van triomferende reactie zelden of nooit van een leien dakje. In de jaren 1939-1940 moest Trotski zich teweerstellen tegen de kleine burgerij en allerhande academische avonturiers die in dat soort tijdsgewrichten nogal eens de plaats komen innemen van de politiek geschoolde arbeiders. In Defense of Marxism verzamelt een reeks van polemieken waarin Trotski zich voor het laatst opwerpt als een vinnig verdediger van het revolutionaire marxisme tegenover de mechanische staketsels der kleinburgerlijke sektariërs. Slechts omdat een afgezant van Stalin een gewelddadig einde stelde aan zijn leven, heeft Trotski dit laatste gevecht verloren. Op basis van de voorafgaande historische ervaring kon Trotski een nieuwe periode van grondige instabiliteit voorzien, volgend op de Tweede Wereldoorlog. Maar hij kon onmogelijk voorspellen onder welke specifieke wereldkrachtsverhoudingen deze nieuwe golf van sociaal oproer en revolutie zich zou voordoen. De Vierde Internationale zou nu zonder haar voornaamste en meest door de wol geverfde strateeg in het reine moeten komen met de naoorlogse situatie om zodoende het fundament te kunnen leggen voor een nieuwe marxistische massastroming. Daar wrong nou net het schoentje. De sektarische leiding van de Vierde, voornamelijk samengesteld uit wereldvreemde middenklasse intellectuelen, maakte keer op keer de fout waar de grondleggers van het marxisme, van Marx, over Engels, tot Lenin en Trotski op gestoten zijn bij een kader dat niet in staat bleek de marxistische methode zelfstandig toe te passen: het dogmatisch en onnadenkend herhalen van een denkschema dat door nieuwe feiten is achterhaald. Het is niet omdat men zichzelf marxist noemt dat men automatisch de marxistische methode van dialectisch en spitsvondig redeneren, van het zich aanpassen aan een concrete historische wending, onder de knie heeft. De straf voor deze onvolkomenheid is het onstandvastig schipperen tussen star dogmatisme en beginselloos zoeken van ‘korte binnenwegjes’ naar de bestaande bewegingen. Onder welk politiek gesternte had de Vierde Internationale zich nu te oriënteren? De revolutiegolf onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog was gestrand op het verraad van de sociaal democratische leiders en het gebrek aan een bekwaam alternatief dat de vergelijking met de bolsjewistische partij doorstond. In de periode vlak na de Tweede Wereldoorlog hadden de massa’s niet slechts op te boksen tegen de gebundelde krachten van bourgeoisie en sociaal democratie. Thans werd het reactionaire genootschap vervoegd door de plaatselijke stalinistische leiders, die hun aanhang van de machtsovername wegleidden naar de volle medewerking aan de kapitalistische heropbouw. In Italië traden ze toe tot de regering die de arbeiders en boeren ontwapende. In België geschiedde hetzelfde en in Frankrijk blokletterde de communistische propaganda in kranten en bioscopen het laconieke ‘Produire!’ –gezwoegd moest er worden voor het herstel van het zakenleven. Gespekt door het Marshallplan en ondersteund door de arbeidersleiding werd dit proces van democratische contrarevolutie bestendigd door de economische heropleving van de jaren 1950-1975. Niet overal verliep deze contrarevolutie in parlementair gewaad even vreedzaam. De vreselijke Griekse burgeroorlog van 1944-1949 onderstreepte het klassenverraad van het Kremlin met gevoelig meer nadruk dan in West Europa. Te meer daar Stalin er zijn Griekse getrouwen voor op de offerbank spreidde. De Britse ‘bevrijders’ walsten over een communistisch verzet dat hele heuvels had afgegraven en genaast tot landingsbanen …voor luchtsteun uit Moskou die nooit zou komen. Week de burgeroorlog in Griekenland dan al in een paar opzichten af van de Spaanse, het was dan toch niet in de wreedheid waarmee hij gevoerd werd. Met hypocriete verbazing reageerde de internationale burgerlijke opinie op de ware doodsverachting waarmee de Griekse vrouwen de bajonet richtten op Britten en nationalisten. De verwondering was maar op zijn plaats omdat de Britse oorlogscensuur naliet om te vermelden dat het Empire een wapen inzette dat tijdens de balkanoorlogen van het einde der twintigste eeuw gevolgrijk zou worden opgefrist: stelselmatige verkrachting van krijgsgevangen vrouwen. Vrijgevige Britse handen boden één dollar per afgehakt partizanenhoofd. Uiteindelijk konden de moderne koppensnellers ook het hoofd van Ares, de Griekse verzetsleider die de Duitsers voor zich uit had gejaagd, als trofee voor de camera’s uitstallen. Dit handjeklap tussen Stalin en het imperialisme uitbreiden tot het Joegoslavië van Tito was waarschijnlijk een brug te ver geweest. Daar hadden de partizanen Hitler nagenoeg alleen verjaagd en dat gaf te denken over de krijgskansen van een Britse interventie. Daar waar de verzetsbewegingen de Asmogendheden eigenhandig hadden buiten gewerkt, verhief het proletarisch bonapartisme zich op de gewapende kliek van de machthebbers zelf. In landen als Albanië, Roemenië en Joegoslavië werd de eerste hand gelegd aan stalinistische regimes die naderhand hun broek zouden vegen aan de ordewoorden van Moskou. Voor de rest werden overal in Oost Europa de burgerlijke regeringen één voor één uit het zadel gelicht en vervangen door Moskou gezinde regimes die niet zozeer steunden op de massa’s (die bijv. in Tsjechoslovakije de revolutie hadden doorgevoerd) dan wel op de aanwezigheid van het Rode Leger. Geen van beide soorten regimes waren minder stalinistisch dan dat van Stalin: de tegenstellingen binnen het Oostblok waren allerminst ingegeven door één of ander ‘democratisch verzet’ tegen de bureaucratisering. Veeleer belichaamden ze hun geblokkeerde overgangsnatuur tussen kapitalisme en socialisme waarbij de heersers nog steeds een nationale machtsbasis zochten en zich daarbij, zoals Stalin hen dat had voorgedaan tijdens het interbellum, de socialistische internationalistische beslommeringen aan hun linkervoet lieten roesten. Vandaar de periodiek opduikende ruzies tussen de verschillende nationale bureaucratieën, met als hoogtepunten: de Chinees-Russische grensoorlog bij het begin van de jaren zestig; de schermutselingen tussen het Vietnamese en het Chinese leger bij het einde van de zeventiger jaren; en de bezetting van Cambodja door Vietnam in 1979. De steun van de Sovjetunie aan het kapitalistische India tijdens het Chinees-Indische geschil van 1962 om de Longju en Kongka pas, volgde dezelfde logica. In welke verhouding stonden deze gebeurtenissen nu tot het vraagstuk van de koloniale revolutie? De oordeelsfouten van de leiding der Vierde Internationale met betrekking tot de revoluties in de koloniale wereld laten zich terugleiden tot een verkeerde inschatting van de natuur der nieuwe zogenaamd socialistische regimes. In plaats van zich rekenschap te geven van de enorme weerslag van het zegevierende stalinisme op de wereldkrachtsverhoudingen, bleven de leiders van de Vierde haperen in het oude perspectief van Trotski dat een socialistische revolutie verwachtte in het Westen en een democratische in Rusland – een vooruitzicht dat Trotski zonder twijfel zelf had bijgestuurd indien hij de uitkomst van de oorlog had mogen meemaken. In plaats van uit de nieuwe situatie nieuwe perspectieven af te leiden hielden de leiders van de Vierde eraan de oude als uitwendige dwang aan de feiten op te dringen. De gevolgen waren er ook naar. Stalinistische regimes werden geherinterpreteerd als zuiver socialistische en het minste tegenstribbelen tegen Moskou leverde de onverlaat van het ogenblik de eretitel van ‘onbewuste trotskist’ op. Op die manier passeerden Tito, Mao Tse Toeng (sic!), Che Guevara et alii elk om beurten de revue. Alleen Enver Hoxha van Albanië, die naar verluid persoonlijk de telefoon, de radio en de televisie heeft uitgevonden, ontbreekt nog in het rijtje. En waarom de naam van Kim Il Sung, ‘de Zon der Mensheid’, nooit gevallen is in deze context, zal voor eeuwig een raadsel blijven. Nochtans had het aanvaarden van het bipolair wereldmodel waarin tegenover het kapitalisme niet het socialisme maar het stalinisme stond – met al zijn inwendige tegenstellingen – een verhelderend licht geworpen op de weinig vastomlijnde ontknoping van de revoluties in de koloniale landen. Vooreerst zou men er klaar in gezien hebben, waarom deze bewegingen noch regimes hebben opgeleverd van hetzelfde allooi als de burgerlijke revolutionaire regimes uit de 17de en de 18de eeuw, noch een regime van dezelfde aard als de Russische arbeidersdemocratie uit de jaren 1917-1924. Men zou begrepen hebben dat bewegingen dewelke onder vooroorlogse omstandigheden nooit tot succes hadden geleid, onder de naoorlogse krachtsverhoudingen zelfs tot een betrekkelijk stabiel regime konden komen. Men zou begrepen hebben dat de patstelling tussen stalinisme en kapitalisme een voorheen onverhoopte uitweg bood aan de meest ‘historisch tegennatuurlijke’ bewindsvormen, zoals een muntje stand kan houden op de rand van een glas, indien het evenwicht krijgt van twee vorken. Voor de meerderheid van de wereldbevolking bestond er geen Marshallplan. Beperkte sociale hervormingen onder burgerlijke voogdij konden slechts het rijk der wensdromen beroeren. In de koloniale landen zette de wereldoorlog zich bijgevolg zonder omhaal om in een verbitterde strijd tussen de arme massa’s en de oude kolonisatoren. In Azië had men alvast geen reden om te twijfelen aan de mogelijkheid van een overwinning. Niet alleen hadden de Aziatische boeren zich jarenlang een bezetter van het lijf gehouden die hun oude Europese overheersers met gemak had overrompeld. Het bestaan van een machtig stalinistisch blok verleende bovendien zowel aan de aldaar aanzwellende communistische partijen als aan de plaatselijke burgerlijke intelligentsia het zelfvertrouwen, alsook soms logistieke steun, om de gespreide guerrillamanoeuvres op tijd en stond om te zetten in volwaardige veldslagen tussen geregelde legers. Enerzijds nodigde het guerrillakarakter van de opstanden uit tot een meedogenloze repressie. Anderzijds kan men de massieve krachtmetingen tussen bijvoorbeeld de Viet Minh van generaal Giap en de Fransen, waarbij tienduizenden strijders aan beide zijden elkaar te lijf gingen, bezwaarlijk nog een kleinschalige guerrillaoorlog noemen. Her en der, zoals door de Britten in Maleisië, konden de opstanden nog worden verpletterd. Maar Nederlands Indië bijvoorbeeld was Maleisië niet, en de Hollanders waren nog minder de Britten. Geen van de kolonies was China en het leger van Chiang Kai Chek geen een der oorlogsmachines der grootmachten. De uitslag van de Chinese burgeroorlog betekende een scharnierpunt in de vooruitzichten van de koloniale revoluties. Zich vastklampend aan de nagedachtenis van het oude opportunisme bij de Chinese stalinisten en de gebrekkige mogelijkheden van de guerrillatactiek, voorspelden de leiders van de Vierde Mao Tse Toengs overgave tot op het ogenblik dat Chiang Kai Chek er zelf al geen gat meer in zag. Een correctere inschatting van de krachtsverhoudingen had hen kunnen leren dat Mao op geen enkel ogenblik van plan was om zich aan Chiangs genade over te leveren. Hoewel de Chinese communisten zich reeds twintig jaar hadden teruggetrokken uit de steden, de mortuaria van Chiangs onderdrukkingspolitiek tegen de Chinese arbeiders, zal hen wel duidelijk voor de geest hebben gestaan hoeveel mededogen zij van de nationalisten te verwachten hadden. Maar dat was niet de voornaamste verklaring waarom Mao doorstootte naar de totale overwinning. Chiang, toen nog maar een schaduw van ‘de held van de orde’ die in 1927 op de Shanghaise arbeiders was neergedaald, bevond zich niet bepaald in een positie dat hij wiens overgave dan ook kon verwachten. Zijn door interne corruptie uitgemergelde leger, dat slechts voor volledige uitroeiing door de Japanners behoed was gebleven door Amerikaanse en communistische steun, weerspiegelde zowel het levenseinde van het Chinese feodalisme als het onvermogen van de Chinese bourgeoisie om nog een vooruitstrevende rol te vervullen. Stonden achter Chiang de afgeleefde krachten van de Chinese samenleving, achter Mao stonden het stalinisme op het hoogtepunt van zijn wereldmacht plus de boeren ten gunste van wie hij één der fundamentele taken der nationale revolutie had verwezenlijkt: de verdeling van het grondbezit. Onder deze omstandigheden had Mao nog ‘gegokt’ op een overwinning al was hij de leider geweest van een dansgroep op rolschaatsen – laat staan van het meest doorwinterde en gemotiveerde boerenleger ter wereld. Onder alle toonaangevende figuren van de Vierde, slaagde slechts de theoretische leider van de Britse sectie erin tot de nieuwe samenhang door te dringen. In zijn Reply to David James (lente 1949) behandelde Edward Grant, een voormalig postbode uit Zuid Afrika, de kwestie van de stalinistische oorlogszege en de juiste duiding van de nieuwe Oost Europese regimes als het doorslaggevende moment voor het begrijpen van wat er zich op dat ogenblik aan het afspelen was in China. Terwijl de overige theoretici al op hun buik gingen liggen voor de ‘leninist’ Mao, wees hij hen terecht met een vooruitzicht dat zijn gelijke maar vindt in Trotski’s voorspelling van de Oktoberrevolutie: ‘Mao’s regime zal het patroon volgen van de overige stalinistische regimes. Nadat het zichzelf heeft geconsolideerd, zal het de vorm aannemen van een militaire politiedictatuur met alle kwaadaardige aanzichten van het Russische bewind.’ (Grant, Reply to David James, in: The Unbroken Thread, Fortress Books, Londen, 1989, p.303) Na vijftien jaar redetwisten zouden de discussies van Grant met de internationale leiding van de Vierde aanleiding geven tot zijn afscheuring en de vorming van de enige stroming die de internationalistische tradities van Lenin en Trotski over de kiel van de naoorlogse bloeiperiode en de val van het stalinisme heeft kunnen heffen. Maar keren wij nu terug tot onze zaak, waarin we Grants lering van de feiten getrouw zullen volgen, zodat de lezer die zich op voldoende afstand bevindt van de historische feiten deze analyse kan toetsen aan de wijze waarop de gebeurtenissen zichzelf hebben uitgewezen. Waar het imperialisme voor Wereldoorlog II de kwestie had vereenvoudigd tot de keuze tussen een overwinning van de koloniale revolutie onder leiding van de arbeidersbeweging of van de burgerlijk-feodale contrarevolutie indien het proletariaat zich de leiding liet ontfutselen, compliceerde het machtsevenwicht tussen imperialisme en stalinisme het verloop van de bewegingen in een caleidoscoop van regimes die zich wel ergens bevonden tussen de oude revolutionaire republiek der Jacobijnen en de arbeiders- republiek die Lenin en Trotski mee hadden helpen grondvesten. Dit dan nog zonder ooit graatzuiver de vorm aan te nemen van één van beide. Zelfs de contrarevoluties dewelke de heerschappij van het imperialisme herstelden, moesten verzaken aan de gedaante van rechtstreekse koloniale overheersing naar het voorbeeld van de jaren 1880-1945. In het geval van Mao Tse Toeng viel het allemaal nog betrekkelijk eenvoudig in kaart te brengen: de uit de steden verdreven stalinistische partij verschafte zich een massabasis onder de boeren door hen het land te schenken, keerde na het verslaan van de reactie naar de steden terug en vestigde daar een proletarisch bonapartisme zoals men dat in Rusland had gekend vanaf de jaren dertig. Maar zelfs deze formule, dewelke her en der navolging vond in Oost Azië (al moest bijvoorbeeld de van oorsprong burgerlijke Viet Minh zich transformeren tot een stalinistische partij), werd nooit het universele schema volgens hetwelk alle omwentelingen in de zogenoemde Derde Wereld zich voltrokken. De opportunistische wereldpolitiek van de Sovjetunie zocht in het internationale halfrond slechts steunpunten voor het behouden van de maatschappelijke voorrechten der Russische bureaucratie in eigen land. Of de nieuwe machthebbers in de oud-kolonies overgingen tot de volledige nationalisatie van de staathuishouding en een regime naar Russisch en Chinees model invoerden of slechts overgingen tot gedeeltelijke nationalisaties, dat raakte de kouwe kleren van het Kremlin niet, waar het ging om het toekennen van steun. In Moskou was men er slechts voor beducht dat de koloniale revoluties gezonde arbeidersstaten zouden opleveren, die het eigen model zouden ontmaskeren als een perversie van het socialisme. Tussen het proletarisch bonapartisme en de dwang van het buitenlands kapitaal ontstond er aldus een brede waaier van regeringsvormen, waarin de inlandse burgerij, anders dan in de oude koloniale situatie, onverhoopte zelfstandigheid genoot van het imperialisme door te gaan leunen op de wereldmacht van het stalinisme. Noch het bewind van Khadaffi in Libië, noch dat van de Sandinisten in Nicaragua, noch het Nasser regime in Egypte , een aantal regimes in Zwart Afrika etc. etc. konden onder de noemer van het stalinisme worden geschaard, alhoewel de macht van het buitenlands kapitaal er zorgvuldig buiten de deur werd gehouden. Door het stalinisme gestuit in haar volledige ontplooiing, behield de leer der permanente revolutie echter haar volle geldingskracht. In weinig van deze regimes kon de zwakke bourgeoisie in eigen naam heersen. De staatsvorm waarin de burgerij haar meest comfortabele en verzekerde hegemonie uitoefent, het parlementarisme, moest men in deze landen dan ook met een vergrootglas gaan zoeken. En dat brengt ons meteen bij een ander belangrijk gegeven. De rol van het leger in de koloniale revolutie vertoont veel gelijkenissen met deze van de tritagonist in de klassieke dramakunst. Het staat de toneelschrijver min of meer vrij om de bemiddelaar tussen de hoofdpersonages op te voeren als valsaardig, edel, schrander of dwaas. Maar in het spanningsveld tussen de hoofdpersonen groeit hij deze laatsten niet zelden boven het hoofd. Jago is een niemendal, een leugenachtig en lafhartig onderkruipsel. Doch hij beheerst de wisselwerking tussen Othello en Desdemona tot hun beider ondergang, en pas dan legt hij ook zelf het bijltje. Een dergelijke shakespeariaanse afwikkeling vormde ook een vast onderdeel in het draaiboek van de koloniale omwentelingen. De gewapende macht is de laatste toevlucht van iedere klassenheerschappij. Veel meer dan in de sterke staatsordeningen van de metropool waar de burgerij haar heerschappij door lange periodes van betrekkelijke stabiliteit kan loodsen, moeten de heersende klassen in de koloniale wereld zich toevertrouwen aan de ‘onbeschaamde heerschappij van de sabel’. Deze voortdurende noodzaak om het staatsgeweld kort bij de hand te houden, beantwoordt volledig aan hun zwakte, hun gebrekkige zelfstandige ontwikkeling. In een wankel machtsevenwicht tussen de klassen kan het leger uitgroeien tot een naar verhouding groot zelfstandig optreden. In De achttiende Brumaire van Louis Bonaparte (1852) heeft Marx beschreven hoe de militaire politiedictatuur van het Tweede Keizerrijk in Frankrijk zich oprichtte op de nederlagen van het Parijse proletariaat in de revolutie van 1848 enerzijds en de onbekwaamheid van de liberale burgerij om het land te voorzien van een stabiele regering anderzijds. Dit met de behoudsgezinde plattelandsbevolking als passief voetstuk. Wanneer de elkaar bestrijdende klassen op actieve of passieve wijze – door het wederzijds uitdelen van klappen of door wederzijdse inertie – elkaar in evenwicht houden, wordt de gewapende macht het evenwichtspunt waarop de staatsmacht begint te schommelen. Het ene moment kan zo’n legermacht baat vinden bij een onbeschroomd rechts regime, het andere moment kan het steunen op de bevolking om zich te ontworstelen aan de rechtstreekse zeggenschap van de burgerij. Louis Bonapartes staatsgreep werd door de internationale burgerlijke opinie eenstemmig verwelkomd als de regering van ‘de orde’. Maar dat verhinderde zijn dronken soldateska allerminst zich er op tijd en stond mee te amuseren de burgerlijke politici van hun balkon te schieten en uit hun bed te lichten. De ene keer torste Bonaparte het keizerlijk purper als wapenkleed van rust en orde, de andere keer paaide hij de arbeiders door zich het St.Simonisme aan te meten – een voorwetenschappelijke vorm van socialisme. Voegen wij deze vaste kenmerken van het bonapartisme bij de specifieke wereldkrachtsverhoudingen die vorm gaven aan de koloniale revolutie, dan zien we de regeringsvormen zich over een nog veelkleuriger spectrum uitsmeren. Kolonel Desiré Mobutu verjoeg Patrice Lumumba op aanvraag van het imperialisme, wat hem geenszins tegenhield om op termijn de kopermijnen te ‘nationaliseren’ en zijn familieclan zowel ten nadele van de Congolese bevolking als ten nadele van de aldus ontriefde Westerse belangen vet te mesten. Mobutu’s regime was een onvervalst burgerlijk bonapartisme. Maar het behoorde nu een keer tot de mogelijkheden van die tijd om zowel de werkende bevolking als de inlandse bourgeoisie een dwingelandij op te leggen als zijn buitenlandse broodheren geregeld te ringeloren. Ook aan de overzijde van de links rechtstegenstelling gaf dit soms opmerkelijke resultaten. Het Moskoubevriende rechtse republikeinse politiebewind(!) van ex-prins(!?) Daoud in Afghanistan werd in april 1978 aan de dijk gezet door een leger onder leiding van een stalinistische (!!)partij die uiteenviel in twee rivaliserende vleugels, wiens onderlinge wrevel en respectieve sociale samenstelling meer herinnert aan de strijd tussen de Parijse sansculotterie en de rechtse Jacobijnen dan aan wat anders. Sic. De Parcham fractie van de Peoples Democratic Party of Afghanistan verzamelde in hoofdzaak het beetje inheemse burgerij, de stedelijke kaders en de hoge militairen van het land. De radicalere Khalq sprak dan weer in naam van de kleine winkeliers, de lage ambtenaren, de gewone soldaten en lagere officieren, de kleine ambachtslieden en de radicale studenten van Kaboel. Maar ook deze ‘tegennatuurlijke’ drijfkrachten achter de Saur revolutie onttrokken zich niet aan de wetmatigheden van de permanente revolutie. De zwak ontwikkelde arbeidersklasse van Afghanistan had nauwelijks deel aan de gebeurtenissen. Maar wat het Afghaanse stalinisme écht de das heeft omgedaan, dat was de rol van passieve toeschouwer waartoe de putsch de verpletterende meerderheid van het land had veroordeeld. De kleine, met feodale verplichtingen bezwaarde boeren bekeken de zaak van op een afstand en vroegen zich af waar het heen moest met de zoveelste staatsgreep uit hun geschiedenis. In ‘kleine boerentaal’ betekent dat zoveel als: ‘Wie verhelpt er aan het landbouwvraagstuk – wie gaat mij grond geven?’ Nu is de moslimbevolking van het Afghaanse platteland iets waarmee men als regering bijzonder behoedzaam moet omspringen. Tot op de dag van vandaag zullen Afghaanse stamlieden fier de Lee Enfield geweren tonen die het Britse imperialisme in 1928 heeft uitgestrooid samen met duizenden foto’s waarop te zien was hoe de echtgenote van koning Amanoellah zich ongesluierd vertoonde aan een gezelschap van buitenlandse staatshoofden. Exit Amanoellah… Anderzijds blijven de kleine landlieden van Afghanistan niet meer of niet minder dan elders in de wereld kleine boeren, mensen waarop het bezit van een eigen lapje grond ten allen tijde een grotere toverkracht uitoefent dan alle religieuze dogma’s bij elkaar. De landbouwhervormingen van de regering Taraki kwamen too little too late. Had de regering onmiddellijk na de machtsovername het grootgrondbezit vervallen verklaard en in dezelfde moeite de boeren het recht gegeven zich de grond van hun leenheren toe te eigenen, dan had zij ongetwijfeld niet alleen de machtsbasis van haar gevaarlijkste vijanden van onder de voeten gesleurd. Ook voor sociale en culturele hervormingen die door het achtergebleven platteland onthaald zouden worden als ‘godslasterlijke modegrillen van de stadsmensen’ zou er op zijn minst kostbaar geduld en nog meer kostbare tijd zijn afgekocht. (Modegrillen zoals daar zijn: de gelijkschakeling in rechten van mannen en vrouwen). Niet alleen wachtte Taraki een paar maand met zogenaamd ‘zorgvuldig voorbereide’ landhervormingen; waar hij mee over de brug kwam, was in de ogen van de boeren op zijn zachtst gezegd een dooie mus: geen confiscatie en verdeling van de grond, maar een geleidelijke schuldherschikking. De tijd die de regering in Kaboel gaf aan de reactionaire mullahs om haar zwart te maken in de ogen van de boeren en de lauwe ontvangst van de hervormingen lieten de balans doorslaan in het voordeel van de religieuze ergernis over de ontvoogdende maatregelen. Opgesloten in Kaboel en omsingeld door een onaangeroerd feodalisme, begon de regeringspartij open te splijten in haar oude twisten tussen de Khalq en de Parcham. Enkele onderlinge staatsgrepen nadien stuurde Brezjnev zijn Rode leger om orde te scheppen in deze politieke zwijnenstal. Ondertussen waren de milities van de feodale krijgsheren uitgegroeid tot een macht die zelfs de confrontatie met de Sovjets niet meer uit de weg ging. Het débacle van de Afghaanse revolutie toont aan dat, ondanks de historische vervormingen en zijwegen eigen aan de naoorlogse krachtsverhoudingen, de fundamentele wetten van de leer der permanente revolutie hun geldingskracht hebben behouden. Onder leiding van andere klassen en lagen dan de loonarbeiders kwam de koloniale bevolking slechts tot halfslachtige bevrijding en moest zij zich tevredenstellen met de eigenaardigste afkooksels van regimes die in het beste geval een bescheiden vooruitgang brachten, maar in het minst gunstige geval nog meer ellende en bloedvergieten dan voorheen het geval was geweest. Vergeten wij niet dat de koloniale wereld niet alleen het salsa-stalinisme van Castro heeft moeten doorstaan…maar ook de knekelvelden van Pol Pot. Dan zwijgen we nog over de voorbeelden van geslaagde contrarevoluties waarin het imperialisme te vuur en te zwaard, en aan een nog grotere menselijke kostprijs, de wurggreep van het buitenlandse financierskapitaal in ere heeft hersteld. Niet anders dan in Cambodja blijven de ploegen van de Indonesische boeren nog regelmatig haperen aan de verbleekte resten van het half miljoen communisten die hun goedgelovigheid ten aanzien van Soekarno’s ‘progressieve burgerij’ na Soeharto’s staatsgreep in 1965 met de dood hebben bekocht. De ‘dwaze moeders’ van de Plaza de Mayo wegen het verlies van hun kinderen af tegen de gedachte dat hun offer de hedendaagse radicale fabrieks- en wijkcomités in Argentinië tot voorbeeld strekt. Zal Augusto Pinochet zijn levensavond ongestraft kunnen voortzetten voordat zijn gebeente dat van Victor Jara, Salvador Allende en duizenden anderen vervoegt? En hoelang nog zullen de beenprothesen van artsen zonder grenzen als enige verlichting brengen in de nacht van de Afghaanse Middeleeuwen? Ook het meest berooide deel van de mensheid heeft onder de naoorlogse krachtsverhoudingen betekenisvolle schreden voorwaarts gezet, doch ze heeft daarvoor aderlatende offers moeten brengen. Achteraf gezien heeft het stalinisme op wereldvlak dezelfde rol vervuld als deze die de partijdictatuur in Rusland zelf heeft gespeeld: gewisse sociale vooruitgang maar aan een prijs die in menselijke offers en benodigde tijd het duizendvoudige heeft opgevorderd van de kwalitatieve stap voorwaarts die het beschavingsproces gezet zou hebben onder de leiding van de basisdemocratische heerschappij van de arbeidersklasse. 5. Besluit: na de val van het Oostblok Met de ineenstorting van het stalinisme is ook de hoofdvoorwaarde vervallen onder dewelke het proces van koloniale revolutie een ruim spectrum aan uitvalsmogelijkheden gegund was. De inlandse bourgeoisie beschikt niet meer over de uitweg van de stalinistische ruggensteun. De stalinistische partijen, eveneens beroofd van hun Russische en Chinese suikerooms, zijn ofwel roemloos van het toneel verdwenen ofwel – en dan nog op plaatsen die op de vingers van één hand te tellen zijn – herleid tot de oude rol van de progressieve intellectuelen in de guerrillastrijd. Bondgenoten van het imperialisme die niet stante pede plooien naar het ordewoord van Washington, degraderen met één woord van mister president tot ex-bondgenoten en van ex-bondgenoten tot vijanden. Hen staat vroeg of laat het lot van Saddam te wachten. Zelfs aan het tijdvak waarin de grootmachten hun politieke dwingelandij geheel en al onrechtstreeks uitoefenden via régimes fantoches, schuldenlast en monopolistische handelsbetrekkingen en voor de rest militair op de achtergrond bleven tot een rechtstreekse tussenkomst als enige keuze overbleef, schijnt nu een einde te komen. Zelfs het oude koloniale koeterwaals van ‘gouverneurs’, ‘protectoraten’ en ‘militaire mandaten’ lijkt met de inval van de Verenigde Staten in Irak toe aan een tweede jeugd. In de straten van Ho Chi Minh Stad offreren de dochters van de vrouwen die gediend hebben in ‘ het leger der lange haren’ zichzelf tegen een zacht prijsje aan de toeristen die zich vergenoegen rond te zwalpen op het schouwtoneel waar hun vaders het onderspit hebben gedolven. De hele geschiedenis lijkt een gans tijdperk teruggedraaid. Maar ook in de laatste halve eeuw heeft de oude mol niet verzaakt aan zijn soms traag doch onafwendbaar graafwerk. De sociale onrusten in de ‘Derde Wereld’ zijn in veel landen allang niet meer de zaak van een grote boerenmassa en een weinig omvangrijk proletariaat. Mexico, eertijds het land van Zapata, vervolgens het land van de Zapatistas, verzamelt de helft van zijn bevolking in één stad. De massastakingen waarmee de industriearbeiders in Oost Azië met grote regelmaat de beurzen doen opschrikken, hebben het vaandel overgenomen van de boerenopstanden uit het verleden. Vermocht de overwinning van het kapitalisme op het stalinisme de socialistische omvorming van de samenleving voor een tijd uit het bewustzijn van zelfs de meest politiek bewuste arbeiders te drummen, ondertussen heeft het kapitaal zelf het sociale draagvlak uitgebreid waaronder de toekomstige bewustwording zal plaatsgrijpen. De eerste sporen van een nieuw antikapitalistisch bewustzijn rimpelen nu reeds het wateroppervlak van de ‘neoliberale consensus’. De arbeiders van Argentinië hebben het voortouw genomen in het openlijk en bewust betwisten van het burgerlijke eigendomsrecht door hun confiscaties van bedrijven. In Venezuela, hoe de zaak ook moge aflopen, hebben de krachtmetingen tussen de volksmassa en de militaire en burgerlijke samenzweerders opnieuw het oude adagium van de permanente revolutie op de agenda gezet: ofwel het doortrekken van Chavez’ linkse populisme tot de overwinning van de socialistische revolutie ofwel een militaire politiedictatuur met neofascistische uitwassen. Aut Caesar aut nullus. Een tussenweg is uitgesloten. Maar de hier gegeven uiteenzetting ademt ook van kop tot teen het doorslaggevend belang van de leiding die uitdrukking en richting geeft aan de beweging. Ontelbare keren heeft zich in de afgelopen eeuw de mogelijkheid geopend voor een omkering van de bestaande orde in de richting van een stelsel waarin de mensen hun eigen levensvoorwaarden maken en beheersen. Een revolutionair bewustzijn heeft slechts de juiste uitwendige omstandigheden nodig, die het opgebruikte geduld van de menigte omzetten in woede en dit ferment in actieve deelname aan het politieke leven. Aan haar spontane bewustwording overgelaten, kan deze menigte een hele weg in de richting van de revolutie afleggen. In geen enkel tijdperk van de moderne burgerlijke samenleving is zij er evenwel in geslaagd om de macht te veroveren en te behouden zonder een georganiseerde leiding die zich jaren bij voorbaat op dit soort gebeurtenissen heeft toegelegd. Daarom rekenen de linkse socialisten het tot hun voornaamste opgave om, desnoods tegen de stroom op, dan weer met monnikengeduld, dan weer met energieke veerkracht, hun kader uit te bouwen tot een goed geolied en gestaald raderwerk dat samen met de massa’s de weg vrijmaakt voor het volgende stadium in de voorwaartse ontwikkeling van de koloniale wereld en van de mensheid in het algemeen. De leer van de permanente revolutie zal zich daarbij laten gelden als een onmisbaar werktuig tot de overwinning.
Voetnoten [1] Dit lijkt in tegenstrijd met de opmerking die Marx zich in Het Communistisch Manifest laat ontvallen over de historische verhouding tussen grootindustrie en wereldmarkt: ‘De grootindustrie heeft de wereldmarkt in het leven geroepen, die door de ontdekking van Amerika werd voorbereid.’ (Pegasusuitgave, Amsterdam, 1998, p.44, mijn cursief) – Zie ook De Duitse ideologie dl.1: ‘Pas wanneer het handelsverkeer tot wereldverkeer is geworden en op de grootindustrie is gebaseerd, als alle naties in de concurrentiestrijd zijn getrokken, is de duurzaamheid van de verworven productiekrachten verzekerd.’ (Socialistische Uitgeverij Nijmegen, 1974, p.62.) In Het kapitaal dl1. lezen we dan weer: ‘De warencirculatie is het uitgangspunt van het kapitaal. Warenproductie en ontwikkelde warencirculatie, de handel, vormen de historische voorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal. In de zestiende eeuw neemt de moderne geschiedenis van het kapitaal met de wereldhandel een aanvang.’ (Lipschitsvertaling, Bussum, 1972, p.91). De vrije ontplooiing van de waardewet op wereldvlak had inderdaad de doorbraak van de grootindustrie tot voorwaarde. Vanaf dat ogenblik kwam de wereldmarkt ‘tot zichzelf’ omdat zij nu onder haar eigen wetten viel. Maar de regelmatige wereldhandel ging de Industriële Revolutie eeuwen vooraf en zelfs de manufactuur had hem tot voorwaarde. Noemen wij deze beide toestanden voor ons part de wereldmarkt respectievelijk in de enge en de brede zin van het woord. In het Manifest spreekt Marx over de wereldmarkt ‘die door de ontdekking van Amerika werd voorbereid.’ In De Duitse ideologie bundelt hij wereldmarkt en grootindustrie tot gemeenschappelijke voorwaarde voor het consolideren van het kapitalisme. In Het Kapitaal ‘neemt het kapitaal met de wereldhandel een aanvang.’ [2] Om misverstanden te voorkomen hebben wij hier dan ook ‘wereldmarkt’ vervangen door ‘wereldhandel’. |