Nationalisme, populisme en de houding van marxisten - een antwoord op de PVDAPeter Delsing2002
Lees ook: Een antwoord op de PVDA Door Eric Byl
In Solidair van
10 april neemt de PVDA het standpunt van de LSP, of wat zij daar van maakt, over het conflict in Israël/Palestina op de korrel. Als LSP verwelkomen we deze gelegenheid om ons standpunt te verduidelijken. Het is precies door de confrontatie van ideeën, getoetst aan de dagelijkse praktijk van arbeiders en jongeren in strijd, dat een reëel links alternatief zal worden opgebouwd.
Hoe kan er een oplossing worden gevonden voor het bloedige conflict in Israël/Palestina? Hoe kan er een programma worden uitgewerkt dat de onderdrukking van de Palestijnen opheft, en tegelijkertijd rekening houdt met de vrees van Israëlische arbeiders dat hun bestaansrecht niet wordt erkend in de regio? Dit laatste is immers de belangrijkste reden voor de steun, of apathie, tegenover Sharon onder bredere lagen in Israël.
De figuur van Ariel Sharon speelt een beslissende rol in de oorlogssituatie zoals die vandaag is ontstaan. Sharon was, nog voor hij als Israëlisch premier aan de macht kwam, in de ogen van de Palestijnen een van de meest brutale en gewetenloze vertegenwoordigers van het Israëlische staatsapparaat. Hij wordt persoonlijk verantwoordelijk geacht voor de slachting in de Palestijnse vluchtelingenkampen van Sabra en Chatila in 1982. Honderden Palestijnen, waaronder vrouwen en kinderen, werden toen op een verschrikkelijke manier om het leven gebracht door de christelijke Falange-milities, nadat die een vrijgeleide hadden gekregen van Sharon.
Het provocatieve bezoek van Sharon aan de Tempelberg in Jeruzalem, die door de Palestijnen als hun derde Heilige Plaats wordt beschouwd, was de aanleiding voor de tweede intifada (in september 2000). Recent misbruikte de regering-Sharon de zelfmoordaanslagen in Israël om de Westelijke Jordaanoever met bruut geweld te herbezetten. Ze wil de actieve kern van de intifada uitschakelen, niet alleen de terroristische organisaties, en de Palestijnen collectief bestraffen en intimideren.
De LSP kantte zich tegen het gevangen houden van Arafat in zijn hoofdkwartier in Ramallah. Deze opgelegde gijzeling door het Israëlische leger bezorgde de Palestijnse leider opnieuw de sympathie van veel Palestijnen, die zich voor het eerst sinds de oprichting van de Palestijnse Autoriteit herkenden in de penibele levenssituatie van Arafat (na de confrontatie met de persoonlijke verrijking van de leiders van de Palestijnse Autoriteit na '93).
De vraag die we ons moeten stellen, is echter ook of Arafat een oplossing heeft voor de sociale en nationale problemen van zijn bevolking. Dienen we hem, zoals de PVDA doet, kritiekloos te gaan steunen? Kijk naar het beleid van Arafat. Onder zijn leiding draaide de Palestijnse Autoriteit vakbondsleden, mensenrechtenactivisten en journalisten achter de tralies. Hoe gaat de PVDA dit uitleggen aan vakbondsmilitanten in België? De leden van Arafats regering eigenden zichzelf in de Palestijnse Autoriteit luxueuze villa’s en een royaal inkomen toe, terwijl de rest van de Palestijnen het met sloppen moet stellen waar ze dikwijls niet over de meest elementaire sanitaire voorzieningen beschikken. De onwil van Arafat om leiding te geven aan de recente intifada joeg Palestijnse jongeren in de armen van islam-fundamentalistische organisaties als Hamas.
Moeten we dit verzwijgen omdat Arafat zijn populariteit weer zag stijgen na de belegering van Ramallah? Is hij in staat om de Palestijnse arbeiders en jongeren een fundamentele - zoals we later zullen aantonen socialistische - oplossing te bieden? De PVDA, propagandist van het Palestijnse, burgerlijke nationalisme tijdens de acties van de laatste weken, laat dit soort argumenten niet aan haar hart komen. Niet een klassebenadering, maar het uitdelen van affiches van Arafat en het propageren van zuiver burgerlijke slogans zal ons dichter bij een oplossing brengen (zie de "democratische lekenstaat waar alle volkeren op gelijke voet samenleven", dixit Solidair van 10 april - hier wordt wel erg veel geclaimd voor de kapitalistische democratie).
Met haar kritiekloze steun aan Marwan Barghouti van Fatah (deel van de PLO), die door de Al Aqsa-brigade als haar leider wordt beschouwd, laadt de PVDA de verdenking op zich dat ze de zelfmoordaanslagen in Israël goedkeurt. In een verslag over een pro-Palestijnse betoging op 27 april in Brussel stelt Solidair letterlijk: “Het publiek heeft de veroordeling door Bauduin (Ecolo) van de aanslagen tegen de joden en de moordende Palestijnse terreur niet geapprecieerd”. Geen enkele verwerping van de zelfmoordaanslagen vanwege de PVDA. De LSP beseft dat deze zelfmoordaanslagen, nu ook door tienermeisjes uitgevoerd, uit een situatie van totale wanhoop zijn geboren. We verwerpen deze zelfmoordaanslagen echter uitdrukkelijk omdat ze een wig drijven tussen de Palestijnse en de Israëlische arbeidersklasse. Ze drijven de Israëlische arbeiders en jongeren achter de oorlogspolitiek van Sharon.
Nochtans is het enkel de Israëlische arbeidersklasse, in een alliantie met de Palestijnse massa’s, die de onvermijdelijke onderdrukkingspolitiek van de kapitalistische staat Israël fundamenteel kan breken. Werkt de PVDA nu ook aan klasse-eenheid door zelfmoordaanslagen op Israëlische arbeiders goed te keuren? Of heeft ze elke hoop in de Israëlische arbeidersklasse opgegeven? En wat zegt dit over haar vertrouwen in de arbeidersklasse in het algemeen?
De PVDA laat haar standpunt over Israël/Palestina jammer genoeg afhangen van het publiek waarmee ze wordt geconfronteerd: nu eens radicaliserende Arabische arbeiders en jongeren, dan weer samenwerkingsverbanden waaraan ook joodse progressieve organisaties deelnemen. Wat soms een aardige, politieke salto mortale oplevert.
Op een en hetzelfde moment propageert ze oproepen voor “Eén Palestijnse staat met één hoofdstad Jeruzalem” (wat niet mogelijk is, omdat het geen rekening houdt met de vrees van joodse arbeiders dat hun bestaansrecht niet wordt erkend in de regio) én onderschrijft ze de oproep voor een Palestijnse staat naast een Israëlische staat met Jeruzalem als gedeelde hoofdstad (wat op kapitalistische basis onmogelijk is). Een verklaring voor deze tegenstelling probeert ze haar leden niet te geven - die horen daar wellicht tegen te kunnen. Naar een kleinigheid als “socialisme” is het in de teksten van de “marxistisch-leninistische” PVDA over Israël/Palestina erg lang zoeken: we hebben het niet teruggevonden.
Een eenzijdige, onmarxistische analysemethode
De LSP vertrekt in het analyseren van conflicten en problemen steeds van een klassenstandpunt. Hoe kan de strijd van arbeiders en jongeren worden ontwikkeld? Hoe kan hun klassenbewustzijn worden versterkt?
Daarbij proberen we steeds de progressieve van de reactionaire elementen te scheiden. Het is belangrijk om te zien dat die tegenstrijdige elementen in dezelfde partij, figuur of beweging aanwezig kunnen zijn. Dit vereist inzicht in de dialectiek, de filosofie van het marxisme, die rekening houdt met alle elementen die het karakter van een fenomeen uitmaken - ook als die intern tegenstrijdig zijn. Het vereist een veelzijdige, uitgebalanceerde analyse.
Deze benadering staat in schril contrast met een zwart/wit denken dat arbeiders en jongeren niet waarschuwt voor de beperkingen van politieke krachten en politieke vertegenwoordigers van de burgerij. Een denken dat principeloos meegaat in illusies, reactionaire elementen verzwijgt en arbeiders en jongeren feitelijk beliegt over politieke formaties of figuren.
Jammer genoeg is dit de methode van de PVDA. Men vertrekt van een burgerlijk-formalistische of-of logica waarbij je “voor of tegen” iemand bent. Arafat, Milosevic, Saddam Hoessein, Fidel Castro,…? Weg is de poging om mogelijk progressieve elementen van reactionaire elementen te scheiden. Weg is elke nuance. En eens “kamp gekozen” komt het er op aan om blindelings "onvoorwaardelijke steun" te verlenen aan de “anti-imperialist” in kwestie. Dat sommige van die “anti-imperialisten” etnisch geïnspireerde oorlogsmisdaden op hun geweten hebben - de Servische nationalist Milosevic - of Koerdische arbeiders met gas aanvielen - de Iraakse dictator Saddam Hoessein - wordt in deze kromme logica als “ondergeschikt” weggewuifd.
De methode van de Russische marxisten, de bolsjevieken, was compleet verschillend. Lenins methode was er een van volstrekte eerlijkheid in het voorstellen van politieke kwesties aan arbeiders en jongeren. Het kwam erop aan om de arbeiders de waarheid te vertellen over politieke gebeurtenissen, partijen en politici, soms tegen de stroom in.
Lenin had hier twee goede redenen voor. Enerzijds stelde die benadering de bolsjevieken in staat om een consistent politiek kader op te leiden. Een laag van geschoolde en getrainde activisten die, gewapend met marxistische perspectieven, voorbereid waren op de algemene loop van de gebeurtenissen. Zonder die perspectieven zouden ze bij elke wending in de situatie verrast geweest zijn door de gebeurtenissen.
In de praktijk leidt de benadering van de PVDA, opportunisme dat niet waarschuwt voor de beperkingen van politieke krachten, tot desillusie en desoriëntatie. Met dikwijls inactiviteit tot gevolg. Wie nog wel actief blijft, ontwikkelt al snel een cynische houding tegenover politiek in het algemeen, en de verandering van de maatschappij in het bijzonder. De verantwoordelijkheid voor het eigen politieke falen wordt snel afgewenteld op de arbeidersklasse zelf, die er “niet klaar voor was”.
Een andere reden voor eerlijkheid in het voorstellen van politieke feiten, is - volgens ons - de noodzaak om de interesse te wekken van de meest bewuste arbeiders en jongeren. Door principieel te blijven, soms tegen een hoop illusies in, win je meer respect en politiek gezag dan door blindelings achter voorbijgaande stemmingen aan te lopen. De LSP denkt dat je enkel op die manier een duurzaam alternatief kan uitbouwen.
Welke houding tegenover de burgerij?
Marx karakteriseerde in het Communistisch Manifest de revolutionaire rol van de burgerij. Door de vestiging van de grote industrie werden de productiekrachten op een hoger niveau gebracht. Dit ging gepaard met de vorming van grote nationale staten met 1 munt en 1 taal. Het feodale particularisme, met zijn verschillende munteenheden en toltarieven die de handel en de industrie afremden, werd omvergeworpen door de opeenvolgende burgerlijke revoluties.
Op deze manier, door de arbeidsproductiviteit enorm op te tillen, creëerde het kapitalisme - voor het eerst in de geschiedenis - de voorwaarden voor een maatschappij van overvloed - het socialisme. Nog een heel eind in de 19e eeuw gaf Marx "kritische steun" aan de burgerij tegen de feodale reactie. Hij steunde Bismarck omdat hij diens eenmaking van de Duitse economie progressief achtte. Maar dit was kritische steun. Met vooral weinig steun en veel kritiek omdat Bismarck ook de auteur van de repressieve "socialistenwet" was. Marx bleef de politiek van Bismarck tegenover de arbeidersklasse bevechten. De onafhankelijke belangen van de klasse werden niet opgeofferd aan de deels progressieve rol van de burgerij in haar strijd tegen de overblijfselen van het feodalisme.
Waar anderen daar vandaag niet toe in staat zijn, maakte Marx dus een onderscheid tussen de progressieve en reactionaire trekken die in hetzelfde fenomeen aanwezig kunnen zijn.
Het proces van de vorming van grote nationale staten was tegen 1871, de Duitse eenmaking, grotendeels vervolledigd. De laatste decennia van de 19e eeuw kwam het kapitalisme in een nieuwe faze, de faze van het imperialisme. Met de vestiging van de kapitalistische productiewijze op wereldvlak en de creatie van de wereldmarkt had de burgerij haar relatief progressieve rol uitgespeeld (‘relatief’ in de zin dat de arbeidersklasse in staat was om op dat moment de macht te grijpen en de economie op een geplande basis sneller te laten ontwikkelen). De kapitalistische wingewesten konden enkel door een wereldoorlog - WO 1 - worden herverdeeld. Dit was de betrachting van de kapitalistische en koloniale laatkomer Duitsland in 1914.
Wie zoals de PVDA en haar “LSP-watcher” Peter Mertens flirt met de “progressieve delen” van de burgerij in de neokoloniale wereld, gaat voorbij aan heel de theorie van Lenin over het imperialisme. Die theorie stelt dat de progressieve rol van de burgerij met de verdeling van de wereld in kapitalistische wingewesten en de creatie van de wereldmarkt is uitgespeeld. De burgerij in de koloniale landen is te afhankelijk van investeringen uit de geavanceerde kapitalistische staten om een onafhankelijke politieke en economische rol te spelen (zie ook de onderwerping aan instellingen als het IMF vandaag). Ze is niet meer in staat om de maatschappij op een hoger niveau te tillen.
Maar ook de teksten van Lenin en de bolsjevieken over de rol van de burgerij in de strijd tegen het feodale, semi-koloniale Rusland gaan op deze wijze overboord. Waar we bij belanden, zijn de starre, levenloze schema’s van de mensjevieken - de kleinburgerlijke opportunisten, voorlopers van de sociaal-democratie en inspiratoren van de stalinistische bureaucratie die door de Russische revolutie omstandig in het ongelijk werden gesteld. Hoe is het zover kunnen komen?
De lessen uit de Russische revolutie
Als we vandaag onze houding willen bepalen tegenover burgerlijke leiders als Arafat of populisten als Chavez uit Venezuela, slaan we er best de conclusies van Lenin en Trotsky uit de Russische revolutie op na.
Wat was de houding van Lenin tegenover de Russische burgerij? Lenin wees erop dat de burgerij erg zwak stond. Ze was sterk afhankelijk van buitenlands kapitaal, o.a. uit Frankrijk, België en Groot-Brittannië. Bovendien werd er ook door de grootgrondbezitters geïnvesteerd in de ontluikende industrie. Op haar beurt had de Russische burgerij geïnvesteerd op het platteland. Ze had al vroeg een vrees ontwikkeld voor de arbeidersklasse, die zich begon te organiseren in vakbonden en arbeiderspartijen.
In een revolutie tegen het feodalisme, stelde Lenin, zou de burgerij langs de kant van de reactie vallen en op het tsaristisch staatsapparaat steunen om de arbeiders onder de knoet te houden. Haar rol was in essentie contrarevolutionair. In april 1917 bij zijn aankomst in Rusland verwierp Lenin elke vorm van steun aan Kerenski en zijn voorlopige burgerlijke regering. Hij lanceerde de slogan "alle macht aan de sovjets", de eigentijdse uitdrukking van wat Marx de "dicatatuur van het proletariaat" had genoemd.
Daarmee trad Lenin Trotsky bij. Net als Lenin baseerde Trotsky zich op een strijdende alliantie van arbeiders en boeren. Dit waren de enige krachten die de grond konden verdelen, een van het imperialisme onafhankelijke koers konden gaan varen, democratische rechten instellen en het recht op zelfbeschikking aan de door de tsaar onderdrukte naties konden verlenen.
De arbeidersklasse kon zich echter niet beperken tot deze democratische taken en zou overgaan tot socialistische maatregelen om haar levensstandaard op te trekken. Omwille van de verdeeldheid van de boerenstand tussen rijkere en arme lagen, haar isolement op het platteland en haar onvermogen om een van de burgerij en van de arbeidersklasse onafhankelijke koers te volgen, zou de sterker georganiseerde en politiek meer ontwikkelde arbeidersbeweging in zo’n alliantie dominant zijn.
Om de verworvenheden van de revolutie veilig te stellen, stelde Trotsky, was een uitbreiding nodig naar het ontwikkelde westen, dat het achtergebleven Rusland staatssteun en specialisten zou verlenen en de basis zou leggen voor een evenwichtige ontwikkeling van de economie in socialistische richting. Dit is Trotsky’s theorie van de permante revolutie. Zowel Lenin als Trotsky wezen een progressieve rol van de burgerij in het semi-koloniale Rusland van de hand. Vanwaar komt de 2-stadia theorie van de PVDA - die stelt dat in de onderontwikkelde landen voor de “anti-imperialistische burgerij” nog een progressieve rol is weggelegd, vooraleer er aan socialisme kan worden gedacht - dan vandaan?
Bureaucratische maneuvers, de school van Stalin en Mao
Vanaf midden jaren ’20 domineerde de bureaucratische elite onder leiding van Stalin de Sovjetunie. Dit was het gevolg van het geïsoleerd blijven van de revolutie in een industrieel en cultureel achtergebleven land. Na de burgeroorlog, die 50% van de arbeidersklasse het leven kostte, en de mislukking van de revolutionaire bewegingen in West-Europa - bij gebrek aan een bolsjevistische partij - drong de oude laag van functionarissen van onder het tsarisme zich opnieuw op in het bestuur van het land. Het is op deze conservatieve laag dat Stalin zijn macht vestigde.
In de plaats van revolutionaire partijen uit te bouwen, steunde de stalinistische Comintern meer en meer op burgerlijk-nationalistische bondgenoten om haar enge, nationale belangen tegen het imperialisme te verdedigen. In China betekende dit onvoorwaardelijke steun aan Tsjang Kai-shek. Deze leider van de burgerlijk-nationalistische Kwo Min Tang (KMT) werd gezien als een bondgenoot tegen het imperialisme, dat in China zijn economische belangen wou veilig stellen via directe militaire interventies. Socialisme was, zoals de mensjevieken in Rusland ook altijd hadden gesteld, volgens Stalin niet aan de orde. De Chinese communisten werden door Stalin verplicht om zich als individuele leden in de burgerlijk-nationalistische KMT op te lossen.
Zoals te verwachten viel, keerde deze “anti-imperialistische held” zich tijdens de Chinese revolutie van 1925-1927 tegen de arbeiders. In Shangai richtte de door Stalin gesteunde Tsjang Kai-shek een bloedbad aan onder de arbeidersbeweging. Duizenden communisten en vakbondsleden werden door de KMT om het leven gebracht, nadat ze in de stad op basis van massamobilisatie de macht hadden gegrepen. Na de coup bleef Stalin de KMT steunen: niet de arbeidersbeweging, maar de belangen van een bureaucratische kaste in Rusland waren doorslaggevend.
De lijn van bureaucratisch opportunisme werd door Mao doorgetrokken. En net als bij Stalin waren de maneuvers een gevolg van Mao's vervreemding van de arbeidersklasse als directe sociale basis.Na de nederlaag van ‘25-’27 richtte de Chinese KP zich op guerillastrijd op het platteland. Door landhervormingen - het verdelen van de grond en het verminderen van de rente aan het lokale “communistische bestuur” - verwierf ze een sociale basis onder de boeren. In de gebieden die zij controleerde werden echter ook ex-grootgrondbezitters en handelaars in het beleid opgenomen.
Reeds voor ze aan de macht kwam had de Chinese KP zichzelf gespecialiseerd in het opportunistisch balanceren tussen de verschillende klassen en groepen in de maatschappij. Dit was een direct gevolg van haar vervreemding van de arbeidersklasse in de steden. Midden jaren ’30 stapt ze mee in Stalins Volksfrontstrategie tegen het fascisme, waarbij de KP’s gaan samenwerken met de burgerij om het oprukkende fascisme te verslaan (in werkelijkheid leidde dit tot een onderwerping van de sociale strijd aan de wensen van de burgerij en een nederlaag tegenover het fascisme, zoals in Spanje - de arbeiders hadden niets meer om voor te vechten). Met de inval van fascistisch Japan doen de oproepen van de Chinese stalinisten aan de burgerlijke KMT vooral dienst om de aanvallen van de KMT op de “communistische basissen” af te weren.
Het perspectief van Mao bij de machtsovername in 1949 was dat er eerst verschillende decennia van “Nieuwe Democratie” zouden nodig zijn, vooraleer er aan een geplande en genationaliseerde economie kon worden gedacht. Het ging hier om een vorm van gemengde economie, door de staat “geleid” kapitalisme, waarbij de KP de leiding zou nemen van alle klassen in de maatschappij. Bij de machtsovername had de stalinistische KP elke poging van de arbeiders om democratische controle te verwerven over de beweging gewelddadig onderdrukt. Arbeiders die Mao's guerilla-leger met de rode vlag tegemoet kwamen, werden zonder veel omhaal neergeschoten. De burgerij werd verzekerd dat ze haar bedrijven niet aan de staat zou moeten afstaan. Dit utopische schema werd al na enkele jaren verlaten: de levenstandaard van de arbeiders en boeren kon zonder een geplande en genationaliseerde economie - ook al was het onder bureaucratisch leiderschap - niet worden opgetrokken.
In al deze omwentelingen in de koloniale wereld - of ze nu werden geleid door stalinisten zoals in China of Vietnam, of door burgerlijke nationalisten zoals Fidel Castro (die door de druk van de bevolking om te breken met het imperialisme en de agressie van het VS-imperialisme in het kamp van de Sovjetunie werd geduwd) - heeft de LSP steeds de progresieve verworvenheden van de planeconomie gescheiden van de reactionaire rol van de bureaucratische elites die het in deze landen voor het zeggen kregen. Net zoals Marx tegenover Bismarck "kritische steun" had verleend. We gaven steun aan de verworvenheden van de planeconomie, maar stelden dat die enkel konden worden behouden als er een systeem van arbeidersdemocratie werd ingesteld. Al deze revoluties waren, in tegenstelling tot de Russische revolutie, van meet af aan in verschillende mate bureaucratisch misvormd. Niet de arbeidersklasse speelde de leidende rol, maar een door niet-marxisten geleid guerillaleger. Het gevolg was dat de arbeiders en arme boeren geen democratische controle verwierven over de revolutie, doorheen hun eigen democratisch verkozen organen. In Rusland speelden de “sovjets”, raden in de bedrijven, wijken en kazernes, deze cruciale rol.
De 2 stadia-theorie van de PVDA heeft niets te maken met de ideeën van Lenin en de bolsjevieken, maar is een tragische misvatting, voortkomend uit het bureaucratisch opportunisme van figuren die de arbeidersklasse als sociale basis hadden verlaten. Een tragische misvatting die talrijke revoluties, van de Chinese tot de Spaanse (om nog niet te spreken van de funeste rol van de KP’s in Latijns-Amerika), de kop heeft gekost.
Als de burgerij in de koloniale wereld, in het tijdperk van het imperialisme, nog een rol heeft gespeeld in de industrialisatie van het land, zoals in Argentinië of in het geval van de Zuidoost-Aziatische Tijgers of Japan, dan was dat enkel op basis van de tijdelijke herleving van de economie na WO 2. Maar die periode van hernieuwde, economische groei was niet mogelijk geweest zonder de vernietigingen van de oorlog - nauwelijks een bewijs van de vooruitstrevende rol van de burgerij. Bovendien ging het hier om uitzonderlijke gevallen, het was niet de overheersende trend voor de landen uit de koloniale wereld. In de Aziatische regio speelde vooral de “communistische dreiging” mee, waardoor bijvoorbeeld Zuid-Korea bewust een aantal handelsvoordelen werd geboden door het imperialisme, en zich kon ontwikkelen op basis van staatskapitalistische nationalisaties van grote bedrijven.
Als er in de koloniale wereld democratische rechten werden gegeven door de burgerij, dan was het op een erg onstabiele basis en met de voortdurende dreiging van paramilitaire of militaire interventie. Enkel een alliantie van arbeiders en arme boeren staat er garant voor de ontwikkeling van de maatschappij op een hoger niveau. Maar dit veronderstelt een breuk met het kapitalisme en het imperialisme.
Welke benadering tegenover burgerlijke nationalisten als Arafat?
Volgens Peter Mertens stelt de LSP: “Noch Sharon, noch Arafat” (Solidair, 10 april). Wij hebben echter nooit Sharon en Arafat op zo’n grove manier op gelijke hoogte gesteld. Het is duidelijk bij wie de provocatie zat: bij de politiek van Sharon en het Israëlische leger. De eerste zelfmoordaanslagen van Hamas (na het vermoorden van een van haar leiders door Israëlische troepen) werden door Sharon gretig misbruikt om zijn confrontatiepolitiek verder op te drijven. Israël is militair de vierde grootste mogendheid ter wereld, terwijl Arafat zelfs delen van zijn eigen partij en administratie niet meer onder controle heeft. Hij werd bovendien wekenlang door de bezettingspolitiek van Sharon van de buitenwereld afgesloten.
De simplistische gelijkstelling waar Peter Mertens de LSP van beschuldigd, is uit de lucht gegrepen. Wat is er echter aan van zijn andere kritieken? Samengevat stelt Mertens dat:
De LSP wil het “gewapend verzet” niet steunen, o.a. van het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina. De steun van de LSP is niet “concreet” genoeg.
Een discussie voeren, veronderstelt een minimum aan eerlijkheid in de benadering van de standpunten van je gesprekspartner. Jammer genoeg is dat er bij Peter Mertens niet bij. In ieder geval doet hij geen poging om het standpunt van de LSP, zoals naar voor gebracht tijdens het debat op Socialisme 2002 (waarop hij zelf aanwezig was), aan de lezer van Solidair duidelijk te maken.
Wat was het standpunt van de LSP? We erkennen het recht van de Palestijnen om zich tegen de slachtpartijen en de bezetting door het Israëlische leger te verzetten, met de wapens in de hand. Waar we ons echter tegen uitspreken is de idee, ook aanwezig bij het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, dat kleine groepen gewapende strijders zich in de plaats stellen van de massastrijd, onder een democratisch verkozen leiding, van de Palestijnse arbeiders en jongeren.
In het mei-nummer van De Militant stellen we dit als volgt: “We roepen op voor de vorming van democratisch verkozen comités om de brede massa’s bij die strijd te betrekken. In die comités zouden de politieke vertegenwoordigers permanent afzetbaar moeten zijn en niet meer verdienen dan het gemiddelde arbeidersloon. Enkel op die manier kan worden verhinderd dat de strijd van de Palestijnse arbeiders en jongeren wordt verraden door een leiding die gaat streven naar haar persoonlijke voordelen - naar geld, prestige en luxueuze villa’s. Dat is jammer genoeg de ervaring met de Palestijnse Autoriteit van Arafat.” (De Militant nr. 214) Het weinig democratische gehalte van de Palestijnse Autoriteit en de onwil van Arafat om effectief de tweede intifada te leiden werden hierboven al aangehaald. Bovendien weigert Arafat het kader van het kapitalisme te overschrijden, wat de meerderheid van de Palestijnen in erbarmelijke levensomstandigheden houdt.
De moord op de uiterst-rechtse, Israëlische minister Zeevi heeft - in tegenstelling met de door de LSP geschetste strategie - een contraproductief effect: de indruk wordt gegeven dat kleine groepen met dit soort acties de problemen gaan oplossen, terwijl de activiteit van de Palestijnse massa’s als bijkomstig wordt beschouwd. Bovendien heeft de burgerij genoeg vertegenwoordigers om aan individueel terrorisme - terroristische acties gericht tegen individuele vertegenwoordigers van de burgerij - het hoofd te bieden.
De “concrete” steun van de LSP aan de strijd van de Palestijnse arbeiders en jongeren drukt zich onder meer uit in deelname aan protesten in België tegen de onderdrukking door de Israëlische regering. In Israël/Palestina neemt onze zusterorganisatie, Maavak Sozialisti, deel aan betogingen aan controleposten van het Israëlische leger. We bouwen er op het terrein aan een socialistische organisatie die Palestijnse en joodse arbeiders verenigt in een strijd die hun directe problemen verbindt met de strijd voor een socialistische samenleving. In de huidige context, rekening houdend met de jarenlang gegroeide nationale gevoeligheden, betekent dit opkomen voor een socialistisch Palestina en een socialistisch Israël, met Jeruzalem als gedeelde hoofdstad en democratische rechten voor alle minderheden.
Je kan met een situatie worden geconfronteerd dat er nagenoeg geen organisaties op het terrein aanwezig zijn die onze steun, zelfs niet kritisch, waard zijn. In Palestina is dat, misschien op de “Tanzeem” na (een voormalige jongerenorganisatie die wel meer de nadruk legt op massamobilisatie), jammer genoeg het geval. In zo’n situatie probeert de LSP en haar internationale organisatie, het CWI, door de verspreiding van haar analyses en programma in discussie te komen met arbeiders en jongeren die een alternatief zoeken op het gebrekkige programma van de heersende partijen.
De LSP stelt de PLO verkeerdelijk als een “terroristische organisatie” voor
De PLO, opgericht in 1964, zag de guerillastrijd, inclusief het gebruik van methodes van individueel terrorisme tegenover de Israëlische bezetter, aanvankelijk als de enige manier om de belangen van de Palestijnse bevolking te verdedigen. Vandaag moet je vaststellen dat op z’n minst delen van de PLO, waaronder het door Marwan Barghouti geleide Fatah en de hiermee verbonden Al Aqsa-martelarenbrigade, zelfmoordaanslagen als een gerechtvaardigd strijdmiddel beschouwen. Zoals reeds werd beargumenteerd, is dit volgens de LSP geen weg vooruit. De PVDA zwijgt uit opportunistische overwegingen over de zelfmoordaanslagen en krijgt een consequente verwerping niet over de lippen.
“De LSP wil Arafat omverwerpen.”
Zoals elke groepering die zich in woorden beroept op het marxisme - in het geval van de PVDA in de dorre en perspectiefloze stalinistische variant - maar zich de marxistische methode in de praktijk niet eigen heeft gemaakt, zwalpt men heen en weer tussen opbod in “radicalisme” en plat opportunisme. Gauchisme (ultralinks radicalisme dat geen rekening houdt met het bewustzijn van de massa’s) en opportunisme (principes overboord gooien in de hoop op snel, maar nooit langdurend succes) zijn twee kanten van dezelfde medaille. Aan de basis van dit soort benadering ligt een gebrek aan uitgewerkte perspectieven en een gemis aan overgangsmethode, een methode die vertrekkend van het heersende bewustzijn en de heersende problemen waar arbeiders en jongeren mee worden geconfronteerd dit bewustzijn optilt tot de noodzaak van een socialistische samenleving.
De houding van de PVDA tegenover het Palestijnse nationalisme gaat gebukt onder een overboord gooien van socialistische principes dat weinig moois voor de toekomst voorspelt: als burgerlijk-nationalistische slogans voor de Palestijnse arbeiders en jongeren volstaan, hoe lang zal het dan nog duren vooraleer een socialistisch programma ook voor de Belgische arbeidersbeweging, in de hoop op vluchtig succes, onder de mat wordt geveegd?
De houding van de LSP tegenover Arafat is duidelijk. Gezien zijn onwil om met het kapitalisme te breken en zijn palmares in de Palestijnse Autoriteit, beklemtonen we de noodzaak om een alternatieve leiding en organisatie te ontwikkelen die zich wel baseert op socialistische ideeën en methodes. De oproep om Arafat politiek opzij te zetten, vergt natuurlijk een andere benadering in een context van hernieuwd aanzien na de belegering van zijn hoofdkwartier door het Israëlische leger. Voor het eerst sinds de vestiging van de Palestijnse Autoriteit kregen gewone Palestijnen de indruk dat Arafat, opgesloten in een kelder in Ramallah, hun lot deelde. Die steun was zwaar beproefd geweest door zijn inefficiënte rol als “leider” tijdens de tweede Intifada.
In de plaats van een - in deze nieuwe situatie - veeleer ultralinkse, aan het bewustzijn van de massa’s voorbijgaande oproep om Arafat “omver te werpen”, zouden we de illusies in Arafat en de PLO testen door concrete eisen naar voor te brengen. Eisen voor de vorming van strijdcomités om de brede massa’s te organiseren tegen de bezetting van het Israëlische leger en voor een programma van jobs, degelijke diensten, goedkope woningen, sanitaire voorzieningen, etc. In de strijd voor deze gerechtvaardigde eisen zouden de beperkingen van Arafat en de Palestijnse Autoriteit duidelijk worden en kunnen we de Palestijnse arbeiders en jongeren overtuigen van een socialistisch alternatief. Door zich kritiekloos aan de kant van Arafat te scharen, staat de PVDA aan de kant van de Palestijnse burgerij, en keert ze zich tegen de uitbouw van een socialistisch project. Alles wat telt is het opportunisme tegenover het bewustzijn van de Palestijnse massa’s vandaag, zonder in te zien dat zo’n positie socialisten morgen - als de situatie opnieuw verandert - ontwapent en discrediteert in de strijd voor de vorming van een echte arbeidersleiding en voor socialisme.
Nu reeds wordt duidelijk wat de beperkingen van zo'n aanpak zijn. Arafat ligt onder vuur vanwege het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina omdat hij de militanten die in de Geboortekerk in Betlehem gevangen zaten na onderhandelingen met Sharon en de Europese Unie liet "verbannen" naar Italië. Ahmed Jibril, een van de leiders van het Volksfront, verklaarde naar aanleiding van het akkoord dat Arafat sloot dat dit "de tweede toegeving was op korte termijn". Verder stelde hij: Arafat "zal eerder vallen dan dat hij de Palestijnse zaak heeft kunnen doen vallen" (De Morgen, 8 mei). Benieuwd wie de PVDA langs Palestijnse kant, voor zolang het weer zal duren, nu voor 100% zal steunen.
De LSP stelt verkeerdelijk dat het “gewapend verzet” Sharons inval veroorzaakte
Hierboven hebben we er al op gewezen dat Sharon van meet af aan aanstuurde op een confrontatie. Zijn politiek was er steeds op gericht om met militair geweld de belangen van het Israëlische kapitalisme te verdedigen. Hij heeft altijd zijn misprijzen voor zelfs de beperkte autonomie van de Palestijnse Autoriteit getoond en de Oslo-akkoorden verworpen. Zijn provocatieve bezoek aan de Tempelberg lag aan de basis van de tweede intifada. De zelfmoordaanslagen waren een bijkomend voorwendsel waarvan hij handig gebruik heeft gemaakt om de Palestijnse gebieden door het Israëlische leger onder de voet te laten lopen.
De LSP brandmerkt op een kwalijke manier het “gewapend verzet” (inclusief klaarblijkelijk de zelfmoordaanslagen, Peter Mertens maakt dit onderscheid niet) als “terrorisme“, waarbij de LSP met sprekend gemak op een lijn wordt gesteld met de analyses van het VS-imperialisme en van Sharon.
Peter Mertens maakt een ongepast amalgaam van “gewapende strijd” en “terrorisme”, en denkt zich daar vanaf te maken met de goedkope stelling dat de Amerikanen en Sharon alle gewapend verzet (en niet alleen de individuele aanslagen, zoals de moord op Zeevi, of de zelfmoordaanslagen) ook als “terrorisme” bestempelen. De triomfantelijke conclusie is dat er geen verschil bestaat tussen de positie van de LSP en die van het VS-imperialisme en Sharon. Volgende keer beter, Peter. Dit is politiek op het niveau van vijfjarigen, niet een analyse die op ernstige arbeiders en jongeren veel indruk zal maken.
Sinds 11 september is de buitenlandse politiek van de VS gebaseerd op de "strijd tegen het terrorisme". Voordien bestond er ook terrorisme, maar was de hoofdvijand het Sovjetblok. Sinds 11 september beschouwt de PVDA blijkbaar iedereen die zich uitspreekt tegen terrorisme als een objectieve bondgenoot van het VS-imperialisme. De LSP vindt de politiek van het VS-imperialisme, trouwens de aanleiding voor heel wat terroristische wanhoopsdaden, absoluut verwerpelijk. Alleen vinden we terrorisme geen optie als strijdmiddel tegen de politiek van de VS. Enkel de democratisch georganiseerde strijd van de massa's - al dan niet gewapend om zich te verdedigen tegen aanvallen van het imperialisme - is dat voor ons.
De methodes die de PVDA als “gerichte militaire oorlogsdaden” goedkeurt (Solidair, 10 april), zoals de moord op Zeevi, zijn die van het individueel terrorisme waartegen Lenin en de bolsjevieken een onverzoenlijke strijd voerden. Tegenover de individuele aanslagen van de kleinburgerlijke Sociaal-Revolutionairen, plaatste Lenin de noodzaak van massastrijd van de arbeidersklasse tegen de feodale dictatuur - inclusief de gewapende massa-opstand (nodig om zich te beschermen tegen geweld van de heersende elite) steunend op een mobilisatie van de in sovjets georganiseerde arbeidersklasse.
Dat Peter Delsing over Zeevi zou hebben gesteld “Het interesseert me geen zier wie Zeevi was”, is een fabricatie die we wel meer van stalinisten gewoon zijn. Ik stelde dat Zeevi inderdaad een “uiterst-rechts figuur” was. Maar dat rechtvaardigt in de ogen van de LSP nog niet de methodes van individueel terrorisme, die de strijd om het kapitalisme te verslaan nog nooit een stap vooruit hebben geholpen. Integendeel: ze kleineren de rol van de massa’s in de strijd voor een andere, socialistische maatschappij en zijn in die zin contraproductief. Bovendien geven ze de heersende klasse een bijkomend voorwendsel om het staatsapparaat te versterken. Om een voorbeeld dichter bij huis te nemen, dat Peter Mertens misschien beter begrijpt: heeft de moord op Pim Fortuyn in Nederland rechts en extreem-rechts verzwakt? Of heeft die aanslag integendeel links in het defensief geduwd?
Lenin en het nationale vraagstuk
Peter Mertens zou er goed aan doen de bijdrage van Lenin over het nationale vraagstuk nog eens goed te bestuderen. Lenin stelde dat deze kwestie een van de meest moeilijke was voor het marxisme. De reden hiervoor is dat je het bewustzijn van brede lagen van de klasse moet kunnen inschatten. Wat komt er tot uiting in nationale gevoelens? Gaat het om een kleinburgerlijke minderheid die de arbeidersklasse door de creatie van nieuwe staten wil verdelen (denk aan de Vlaamse Beweging die vandaag de splitsing van de sociale zekerheid eist)? Of gaat het om arbeiders en jongeren die een reële onderdrukking ervaren vanwege de burgerij van een onderdrukkende natie en daartegen in verzet komen?
Wordt de eis voor een eigen nationale staat gedragen door de meerderheid van de arbeiders? Als dit laatste het geval is, moeten marxisten hiermee rekening houden en dienen ze te pleiten voor onafhankelijke, socialistische staten van de onderdrukte natie in kwestie (denk aan de eis van de LSP voor een socialistisch Palestina in het kader van een vrijwillige, socialistische federatie van het Midden-Oosten, maar ook aan het geval van de door de Servische, burgerlijke nationalist Milosevic onderdrukte Kosovaren).
De erkenning van het recht op zelfbeschikking van de Palestijnen door de Israëlische arbeiders is van cruciaal belang om klassesolidariteit te verkrijgen. Als we tot een fundamentele oplossing willen komen, mag er geen zweem van verdenking bestaan dat de Israëlische arbeidersklasse steun zou verlenen aan de onderdrukking van de Palestijnse arbeiders en jongeren door de eigen burgerij. Het is de taak van socialisten om aan de Israëlische arbeiders duidelijk te maken dat steun aan hun kapitalistische leiders in de onderdrukking van de Palestijnen nooit tot hun eigen sociale bevrijding kan leiden. Het ondermijnt hun eigen sociale verworvenheden en veiligheid, zolang het kapitalisme in crisis een sociale basis blijft behouden in de maatschappij.
Anderzijds moeten we ook in het Palestijnse nationalisme de progressieve elementen van de reactionaire scheiden. De haat tegenover de burgerij van de onderdrukkende natie mag zich niet omzetten in haat tegenover de arbeiders van de onderdrukkende natie. Socialisten en marxisten moeten zich, in tegenstelling tot de PVDA die grove anti-joodse stemmingen gedoogd, met klem uitspreken tegen dit gebrek aan klasse-onderscheid. De onderdrukking van de Palestijnen door de kapitalistische staat Israël kan niet worden gebroken zonder dat de Israëlische arbeidersklasse haar steun opzegt aan de eigen burgerij en er een actieve strijd tegen voert. Een strijd die leidt tot de vestiging van een socialistische arbeidersstaat in Israël.
De recente, massale vredesbetoging van tienduizenden in Jeruzalem tegen de bezettingspolitiek van Sharon toont aan dat de steun van de Israëlische arbeiders en jongeren niet onvoorwaardelijk is. De nieuwe belastingen en besparingen op sociale uitgaven, nodig om de oorlog te betalen, stuiten op steeds meer weerstand. De Israëlische arbeiders en jongeren vormen zeker geen eengemaakte, reactionaire massa - de idee die stelselmatig door de PVDA naar voor wordt gebracht.
Venezuela: welke houding tegenover Chavez?
Een laatste voorbeeld van de eenzijdigheid en het gebrek aan reëel perspectief in de analyses van de PVDA is de houding die ze inneemt tegenover de linkse populist Chavez in Venezuela.
De LSP verwelkomde de massabeweging, vooral vanuit de armste lagen van de bevolking, die Chavez terug aan de macht bracht na een uiterst-rechtse coup vanuit de legerleiding. De coup kreeg de steun van het hele burgerlijke establishment in Venezuala - patronaat, media, kerk, vakbondsbureaucratie - en werd binnen de 12 uur erkend door het VS-imperialisme. De omverwerping van patroonsbaas Carmona en zijn coupplegers was een slag in het gezicht voor de VS en de burgerij in Venezuela.
De vraag stelt zich echter hoe die overwinning verder kan worden bevestigd. Hoe kunnen de arbeiders en de armen in Venezuela een definitieve overwinning boeken op de burgerij en het imperialisme? Kan dit, zoals bijvoorbeeld de PVDA doet, door Chavez kritiekloos te gaan steunen? Kan dit door geen eisen te formuleren tegenover deze linkse populist, die vooralsnog niet met het kapitalisme wil breken? Volgens de LSP niet. Een weigering om de massa's verder te mobiliseren voor de onteigening van het kapitaal en de vestiging van een geplande economie onder arbeiderscontrole zal leiden tot een desillusie. Het zal de rechtse krachten uitnodigen om opnieuw in het offensief te gaan en nieuwe couppogingen te plegen.
Chavez komt uit het leger. In 1992 was hij betrokken in een mini-staatsgreep. Op dat moment stelde hij reeds, net als vandaag, dat de militairen en niet de massa's de cruciale factor waren in de afrekening met de "oligarchie" (de rijke oliebaronnen die de olie-inkomsten van het land vooral voor eigen gebruik afroomden). In 1994 kwam Chavez na een gevangenschap weer vrij. In 1998 werd hij tot president verkozen op basis van een programma gericht tegen de corruptie en verspilling van de rijke elite. Hij stelde zichzelf voor als kampioen van de armen en zocht contact met een aantal door het VS-imperialisme uitgespuwde figuren: Saddam Hoessein, Khadafi, Fidel Castro,…
Populisme, links of rechts, is een gevolg van de patstelling tussen arbeid en kapitaal. De burgerij en haar systeem is in crisis. Er bestaat een wantrouwen in de traditionele, kapitalistische partijen. Tegelijkertijd beschikt de arbeidersklasse nog niet over een instrument om het vacuüm op te vullen, een brede massapartij. Linkse of rechtse populistische krachten proberen deze ruimte op te vullen, zonder het kapitalisme zelf in vraag te stellen.
Chavez kwam aan de macht op basis van steun aan de armen, maar liet de grondwet herschrijven om zichzelf meer bevoegdheden te geven. Het parlement en het hooggerechtshof werden gekortwiekt. Niet om de massa van de bevolking bij het beleid te betrekken, maar om zijn eigen kliek meer macht te geven. De werkloosheid bleef groeien onder zijn bewind. Zijn steun onder de bevolking zakte van 60% naar 35%. Bovendien probeerde Chavez de greep van de staat over de olie-inkomsten te vergroten en kondigde hij een radicale landhervorming aan. Zijn beperkte aanzet tot meer staatsinterventie deed de burgerij opschrikken. Dit, samen met de verminderde steun voor Chavez, was het sein voor de coupplegers om toe te slaan.
De arme Venezolaanse bevolking wenste echter niet onder de knoet te leven van een uiterst-rechts bewind en wierp de coupplegers omver. Delen van het leger die Chavez trouw waren gebleven deelden wapens uit in de arme wijken.
Zoals elke bonapartist balanceert Chavez tussen de klassen. Nu eens steunt hij - zonder democratische controle evenwel - op de massa's. Het volgende moment houdt hij de massa's voor dat het opzij zetten van de coupplegers voornamelijk het werk van het leger moet zijn en dat de coupplegers "mild zullen worden behandeld". Dit geeft aan dat Chavez geen echte breuk met het kapitalisme voor ogen heeft. Dit is, in de huidige situatie, dan ook niet het meest waarschijnlijke perspectief. De LSP denkt dat we hierop moeten wijzen. Op basis van het kapitalisme kan Chavez zijn beloften voor een beter leven niet nakomen. Vanuit dit standpunt is het onvermijdelijk dat hij zich tegen de beweging keert in een later stadium. Met een benadering zoals die van de PVDA wordt de massabeweging in Venezuela ontwapend en wordt ze geen reëel perspectief geboden. Wij denken dat enkel een socialistisch programma, zoals dat van de LSP en haar internationale, het CWI, samen met een overgangsbenadering, zoals die van onze marxistische stroming, een reële stap vooruit betekenen voor de massa's in Venezuela en de rest van de koloniale wereld.
Peter Delsing,
|