De Tao van Wallerstein

Peter Van der Biest

1997



Hoofdstuk 1. De productie van kapitaal

§1. De voorwaarden voor het kapitalisme; kapitaal en arbeidsoverschot.

"Kapitalisme is in de eerste plaats een historisch sociaal systeem. Willen we de oorsprong, de werking of de actuele vooruitzichten ervan begrijpen, dan moeten we de tegenwoordige realiteit ervan in ogenschouw nemen. We kunnen natuurlijk proberen om die realiteit samen te vatten in een aantal abstracte beweringen, maar het zou onverstandig zijn om zulke abstracties te gebruiken bij het oordelen over en het classificeren van de realiteit. In plaats daarvan stel ik voor dat we proberen te beschrijven wat het kapitalisme in de praktijk eigenlijk is geweest, hoe het als systeem heeft gefunctioneerd, waarom het zich heeft ontwikkeld op de manier zoals het heeft gedaan en waar het op dit moment op afstevent."(Wallerstein, Historisch kapitalisme, Heureka, Weesp, 1984, hfst.1, p.9)

Immanuel Wallerstein is vastbesloten om ons aan het verstand te brengen wat het kapitalisme in de praktijk is geweest. Willen we begrijpen hoe het heeft gefunctioneerd, "waarom het zich heeft ontwikkeld op de manier zoals het heeft gedaan" en wat de vooruitzichten ervan zijn, dan, zo vindt hij, moeten we uitgaan van de "tegenwoordige realiteit" van het kapitalisme. We mogen ons vooral niet voorbarig afgeven met een aantal abstracte beweringen door deze realiteit onmiddellijk onder te brengen in een paar algemene bepalingen.        We staan hier voor veel meer dan alleen maar een academische beleefdheidsformule. Wallerstein steekt van wal met een werkelijke profession de foi* van de inductieve methode waarmee de Wereldsysteem Analyse de moderne geschiedenis te lijf gaat. Uitgaan van de onmiddellijke realiteit om van daaruit op te stijgen naar de abstracte formule; daar schijnt op het eerste zicht niets mis mee. Het lijkt zelfs de voorgeschreven werkwijze om het dogmatisme te vermijden dat Wallerstein en zijn volgelingen voortdurend de aanhangers van het marxisme aanwrijven.

We zullen nochtans zien dat we met de inductieve methode van Wallerstein ons niet zullen uitkomen bij de beloofde omwenteling in de sociale wetenschap en het verhoopte inzicht in de fundamentele bewegingswetten van de burgerlijke maatschappij, maar bij het theoretische imbroglio van het Amerikaanse kruideniersempirisme.     

Maar voorlopig hebben we geen andere keuze dan Wallersteins methode te aanvaarden als een voldongen feit. Om te begrijpen waarom de Wereldsysteem Analyse zich heeft ontwikkeld op de manier waarop ze dat heeft gedaan en wat haar vooruitzichten zijn, moeten ook wij uitgaan van haar tegenwoordige realiteit en eerst onder ogen zien hoe ze in de praktijk "als systeem functioneert".

Welke zijn nu de eerste prikkels die onze professor uit de tegenwoordige realiteit van het kapitalisme tegemoetkomen?

"Het woord kapitalisme is afgeleid van kapitaal. Het zou dus voor de hand liggen te veronderstellen dat kapitaal het belangrijkste element is in het kapitalisme. Maar wat is kapitaal? Eén betekenis ervan is louter geaccumuleerde rijkdom. Maar als het gebruikt wordt binnen de context van het historisch kapitalisme heeft het een meer specifieke betekenis. Het is niet alleen de voorraad consumptiegoederen, machines, en gerechtvaardigde claims op materiële zaken in de vorm van geld. Natuurlijk refereert kapitaal in het historisch kapitalisme aan de accumulatie van de nog niet verbruikte producten van arbeid in het verleden; maar als dat alles zou zijn, dan zouden we van alle historische systemen tot aan die van de Neanderthalers kunnen zeggen dat ze kapitalistisch waren, want alle hadden wel zulke geaccumuleerde voorraden waarin de arbeid van het verleden besloten lag." (p.9)    

De logisch-inductieve methode van Wallerstein begint niet bij de economie, ze begint zelfs niet bij de maatschappijkritiek in het algemeen, maar bij de linguïstiek. Wie geen onmiddellijker realiteit kan vinden dan de woorden kapitaal en kapitalisme, moet er ook niet versteld van staan dat hij eerst en vooral op een taalkundig in plaats van een sociaal-wetenschappelijk vraagstuk stoot: de oude, afgezaagde betekenisverwarring die "in de volksmond" heerst rond het begrip kapitaal. Kapitalisme is afgeleid van kapitaal, zegt Wallerstein. We mogen dus veronderstellen dat het kapitaal het voornaamste element is in het kapitalisme. Eén betekenis van kapitaal is louter geaccumuleerde rijkdom arbeidsoverschot, "geaccumuleerde voorraden waarin de arbeid van het verleden besloten ligt". Maar onze schrijver is niet tevreden met deze betekenis alleen. Het kapitaal moet meer zijn dan dat, veel meer. Immers, indien we kapitaal zouden gebruiken in de betekenis van arbeidsoverschot in het algemeen dan zou men de Neanderthalers met evenveel recht als kapitalisten mogen bestempelen en dat is wat al te gek.

"Wat het historische systeem dat wij historisch kapitalisme noemen onderscheidt," zo gaat hij verder, "is dat daarin kapitaal op een heel speciale manier gebruikt wordt. Het werd gebruikt met als primair doel: zelfexpansie. In dit systeem waren de bestaande accumulaties alleen 'kapitaal' voor zover die werden aangewend om meer van hetzelfde te accumuleren. Het proces was ongetwijfeld complex en ging zelfs met omwegen gepaard. Maar het was dit meedogenloze en op een bijzondere manier het eigenbelang dienende doel van de bezitter van kapitaal, namelijk de accumulatie van nog meer kapitaal, te samen met de relaties die deze kapitaalbezitter daarom met andere mensen moest leggen om zijn doel te bereiken, dat wij als kapitalistisch omschrijven."(p.9-10)

Het kapitalisme onderscheidt zich van de vorige maatschappijvormen omdat daarin het kapitaal/arbeidsoverschot gebruikt werd op een bijzondere manier, met een bijzonder doel, namelijk zelfexpansie. Hier waagt Wallerstein zich dan voor de eerste maal aan een voorzichtige omschrijving van "het historisch kapitalisme". Het was de accumulatie van steeds meer kapitaal tezamen met de verhoudingen die de kapitalist daartoe moest aangaan met andere mensen die we als kapitalistisch moeten omschrijven.

Deze uitspraken lijken zo weggeplukt uit het marxisme waar de Wereldsysteem Analyse zo graag mee te pronk loopt... als het haar goed uitkomt.

In werkelijkheid heeft Wallerstein van Marx hoogstens de manier van spreken. Om te beginnen gaat Marx' bepaling van het kapitaal helemaal niet uit van het arbeidsoverschot, zelfs niet van de arbeid. Marx vertrekt uitdrukkelijk van de ruil. 

"Om het begrip van het kapitaal te ontwikkelen," zegt hij, "is het noodzakelijk niet te beginnen met de arbeid maar met de waarde, om precies te zijn: met de ruilwaarde in een reeds ontwikkelde omloopbeweging. Het is net zo onmogelijk om onmiddellijk over te gaan van arbeid naar kapitaal als van de verschillende menselijke rassen naar de bankier en van de natuur naar de stoommachine." (Grundrisse, Engelse vertaling, Notebook II, 1, Pelican, Harmondsworth, 1974, p.259)

Elke maatschappijvorm is in laatste instantie gestoeld op zekere productieverhoudingen die overeenstemmen met een bepaald ontwikkelingspeil van de productiekrachten. Maar het kapitaal vooronderstelt de ontwikkelde ruil. Bijgevolg kan het kapitaal niet rechtstreeks worden afgeleid uit de arbeid, uit de menselijke productie van gebruikswaarden. Wallerstein, die zich kost wat kost wil onttrekken aan de vulgaire betekenis van kapitaal als arbeidsoverschot in het algemeen, belandt uiteindelijk opnieuw bij het punt waar hij van weg wou.

En waarom? Juist omdat hij het concept van het kapitaal rechtstreeks uit de menselijke arbeid als productie van gebruikswaarden ontwikkelt.

Volgens Wallersteins voorstelling van zaken waren de Neanderthalers op een manier meer uitgeslapen kapitalisten dan men zo op het eerste zicht zou vermoeden, om nog maar te zwijgen over de kleine boeren uit het tijdperk van de eerste Aziatische wereldrijken die naar verluid evenzeer begaan waren met de zelfexpansie van het arbeidsoverschot als de moderne kapitalist. De boer aan de oevers van de Eufraat, schrijft Ernest Mandel, oogstte een ontzaglijk veelvoud van wat hij aan graankorrels had uitgeworpen...

"... Maar deze 'rente' (= zelfexpansie van het arbeidsoverschot-P.V.d.B.) maakte van hem evenmin een kapitalist, als een chimpansee in een industrieel verandert doordat hij met een stok tegen een bananenboom slaat om het fruit sneller te laten vallen. Elke belangrijke technische uitvinding vertegenwoordigt voor de maatschappij een belangrijke besparing van menselijke arbeid en elk werktuig dat het mogelijk maakt met minder kosten te produceren, kan als een 'geaccumuleerde voorraad arbeid' die een min of meer blijvende 'rente' in arbeidsbesparing opbrengt, beschouwd worden. Maar toch gaat het hier alleen om de vooruitgang van de arbeidsproductiviteit in de productie van gebruikswaarden." (E. Mandel, De economische theorie van het marxisme, dl. I, Het Wereldvenster, Bussum, 1980, p.85- cursief van Mandel)

Het kapitalisme is een bepaalde ontwikkelingsfase in de productie en de ruil van koopwaren, van productie voor de verkoop in plaats van voor het onmiddellijke verbruik door de producent. Nog los gezien van zijn zogezegd bijzondere aanwending in de moderne samenleving, moet het kapitaal daarom in de eerste plaats niet ontleed worden als arbeidsoverschot van gebruikswaarden, nuttige dingen in het algemeen, maar als een som van ruilwaarden. Het beschrijven van kapitaal als geaccumuleerde arbeid is een formule uit de klassieke burgerlijke economie die Marx reeds in de vroegste periode van zijn economische studie te boven gekomen was. Reeds in 1848, ruimschoot twintig jaar voor het verschijnen van Het Kapitaal dl. I, schrijft hij:

"Het kapitaal bestaat uit grondstoffen, werktuigen en levensmiddelen van allerlei soort, die gebruikt worden om nieuwe grondstoffen, nieuwe werktuigen en nieuwe levensmiddelen voort te brengen. Al deze bestanddelen van het kapitaal zijn geschapen door de arbeid, producten van de arbeid, opgehoopte arbeid. Opgehoopte arbeid, die tot middel voor nieuwe productie dient, is kapitaal. Dat zeggen de economen. Wat is een negerslaaf? Een mens van het zwarte ras. De ene verklaring is de andere waard. Een neger is een neger. Onder bepaalde omstandigheden wordt hij pas tot slaaf. Een katoenspinmachine is een machine om katoen te spinnen. Slechts onder bepaalde omstandigheden geplaatst is zij evenmin kapitaal als goud op zichzelf geld, of suiker de suikerprijs. (...) Ook het kapitaal is een maatschappelijke productieverhouding. Het is een burgerlijke productieverhouding, een productieverhouding van de burgerlijke maatschappij. (...) Het kapitaal bestaat niet alleen uit levensmiddelen, werktuigen en grondstoffen, niet alleen uit materiële producten; het bestaat eveneens uit ruilwaarden. Alle producten waaruit het bestaat zijn waren. Het kapitaal is dus niet slechts een som van materiële producten, het is een som van waren, van ruilwaarden, van maatschappelijke grootheden. Het kapitaal blijft hetzelfde of wij nu in de plaats van wol katoen, in plaats van koren rijst, in plaats van spoorwegen stoomschepen nemen, onder voorwaarde alleen dat de katoen, de rijst, de stoomschepen - het lichaam van het kapitaal - dezelfde ruilwaarde hebben, dezelfde prijs als de wol, het graan, de spoorwegen, waarin het eerst belichaamd was. Het lichaam van het kapitaal kan voortdurend veranderen, zonder dat het kapitaal de geringste verandering ondergaat." (Loonarbeid en kapitaal, Pegasus, Amsterdam, 1977, p. 33-34-35) * 

Omdat hij uitgaat van het arbeidsoverschot en niet vanuit de economische waardeverhoudingen, komt het bij Wallerstein niet eens op dat het kapitaal zelf een maatschappelijke verhouding is. Wallerstein kent slechts arbeidsoverschot dat met een bijzonder doel, de zelfexpansie, wordt ingezet. Het kapitalisme op zijn beurt is dan ook niets anders dan het gericht zijn op deze zelfexpansie tezamen met de verhoudingen die de kapitalist daartoe moet aangaan met andere mensen. Dit is geen omschrijving van het kapitalisme, maar een loutere opsomming van kenmerken. 

Om te beginnen wordt het zogenaamde proces van zelfexpansie door Marx met veel grotere diepgang en helderheid verwoord.

Marx vertrekt in zijn onderzoek naar de bewegingswetten van de moderne samenleving niet van de vraag "Wat is kapitalisme?" ergo "Wat is kapitaal in het algemeen?" ergo "Wat is kapitaal in het kapitalisme?" Hij vangt integendeel aan met beschouwingen die empirischer zijn dan deze van onze empirist. Waar Wallerstein begint met zich de vraag te stellen "wat kapitalisme in feite is", om dan via de omschrijving van kapitaal als arbeidsoverschot uiteindelijk te belanden bij het gegeven dat het kapitalisme het streven laat zien "alles tot koopwaar te maken"(vgl.p.11 onderaan), werkt Marx zich liever op in de tegenovergestelde richting: van de kenmerken van de afzonderlijke koopwaar tot het systeem dat nagenoeg alles wat voor menselijk gebruik in aanmerking komt tot koopwaar heeft gemaakt.

Zowel in De armoede van de filosofie (1847) als in Bijdrage tot de kritiek op de politieke economie (1859) als Het Kapitaal dl. I (1867) enz. enz. begint hij met de analyse van de koopwaar. Zo luiden de allereerste regels van Het Kapitaal, I:

"De rijkdom van de maatschappijen, waarin de kapitalistische productiewijze heerst, heeft de vorm van een 'kolossale opeenhoping van waren', waarvan de afzonderlijke waar de elementaire vorm is. Ons onderzoek begint dan ook met de analyse van de waar." (Lipschitsvertaling, p.1)

Eerst en vooral stelt Marx vast dat de warenproduktie, de productie niet voor het onmiddellijke verbruik van de producent maar voor de ruil, dewelke een eerste onmisbare voorwaarde vormt om nog maar te kunnen spreken van kapitalisme. Hij begint dan ook met het ontleden van de waar in zijn noodzakelijke eigenschappen. Maar deze voorwaarde, de wapenproductie, is op zichzelf nog niet voldoende om te kunnen spreken over kapitalistische productiewijze.

Ten tweede veronderstelt de kapitalistische productiewijze dat de wapenproductie het peil heeft bereikt dat er onontbeerlijk behoefte bestaat aan een bijzondere waar die, zoals Engels zegt, "alle andere waren in het verborgene bevat": het geld. De ruilwaarde moet zich verzelfstandigd hebben tot een waar wiens voornaamste praktische nut erin bestaat dat hij geruild kan worden tegen alle andere.

We komen steeds dichter bij ons doel: we hebben wapenproductie en we hebben de productie en omloop van deze toverachtige waar, het geld.

Maar samenlevingen waarin deze beide verschijnselen samen voorkomen, mogen daarom nog niet kapitalistisch genoemd worden. We hebben de omzetting van waren in geld en omgekeerd, maar we missen nog de omzetting van geld in kapitaal. Deze gedaanteverandering, die van het grootste belang is voor de economie, behandelt Marx in de tweede afdeling Het Kapitaal deel I. Anders dan bij Wallerstein, die de begrippen arbeidsoverschot en kapitaal, zonder omkijken naar de logische consequenties ervan, op één hoop gooit met de bedenking dat het kapitalisme het kapitaal "op een bijzondere manier gebruikt", is het kapitaal bij Marx een historisch verschijnsel, onlosmakelijk verbonden met de kapitalistische productiewijze.

"De warencirculatie is het uitgangspunt van het kapitaal," zegt Marx, "Wapenproductie en ontwikkelde warencirculatie (dus met inbegrip van de geldomloop-nvdr), de handel vormen de historische voorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal.  In de zestiende eeuw neemt de moderne geschiedenis van het kapitaal met de wereldhandel en de wereldmarkt een aanvang. (...) Ieder nieuw kapitaal verschijnt in eerste instantie nog steeds als geld op het toneel, dat wil zeggen op de markt..., geld dat door een bepaald proces in kapitaal wordt omgezet." (Het Kapitaal I, p.91)

Om het verschil te verduidelijken tussen de omloop van het geld als geld enerzijds en de omzetting van geld in kapitaal anderzijds, stelt Marx de beide processen aanschouwelijk voor in een bijna wiskundige formule.


1.Formule van de eenvoudige warenomloop: W-G-W

Waar-Geld-Waar: verkopen om te kopen. De producent begeeft zich met zijn zelf geproduceerde waren naar de markt, verkoopt ze / zet ze om in geld en koopt met dit geld de middelen tot zijn eigen levensonderhoud en dus tot het voortbestaan van het hele productieproces.

2. Omzetting van geld in kapitaal: G-W-G

Geld-Waar-Geld: kopen om te verkopen. "...omzetting van geld in waar en heromzetting van waar in geld. (...) Geld dat op deze laatste wijze circuleert, verandert in kapitaal, wordt kapitaal en is reeds naar zijn bestemming slechts kapitaal." (p.91)

"De kringloop W-G-W begint met de ene waar en wordt afgesloten met de andere waar, welke aan de sfeer van de circulatie wordt onttrokken en in de sfeer van de consumptie terechtkomt. Het einddoel is de consumptie, behoeftebevrediging, kortom: de gebruikswaarde."

"De kringloop G-W-G daarentegen gaat uit van het geld en komt tenslotte bij het geld terug. De voornaamste drijfveer, het uiteindelijke doel, is hier dus de ruilwaarde zelf."
(Beide passages, p.93)

Deze taal laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Volgens  de eerste formule kan de verkoper zich op zijn twee oren te slapen leggen wanneer de ruilwaarde van de tweede W gelijk is aan deze van de eerste W; met de waren van de tweede W hernieuwt hij zijn eigen arbeidskracht en productiemiddelen en het proces kan in principe gewoon verder gaan.

Het eindproduct van de tweede formule daarentegen is opnieuw G, geld. Geld kan men niet eten. Het hele gebeuren is de verplaatsing naar de markt slechts waard, wanneer de tweede G de eerste overtreft. Dit is dan de zelfexpansie waarover Wallerstein het heeft, niet zomaar in de ring geworpen als gegeven te nemen of te laten, maar onmiddellijk uiteengerafeld in haar hoofdbestanddelen.      

Hoe gaat deze zelfexpansie nu meer concreet in haar werk en wat zijn haar historische voorwaarden ? We leggen ons oor te luisteren bij de Wereldsysteem Analyse...

"Een individu of een groep individuen zou natuurlijk in elke periode kunnen besluiten om kapitaal (d.w.z. arbeidsoverschot-nvdr.) te investeren met het doel om nog meer kapitaal te verwerven. Maar voor een bepaald moment in de geschiedenis was het voor zulke personen nooit gemakkelijk om dat met succes te doen. In vroegere systemen werd het lange en complexe proces van kapitaalsaccumulatie altijd op één of ander punt geblokkeerd, zelfs in die gevallen waarin aan de primaire voorwaarde - het bezit, of het samenvloeien, van een hoeveelheid nog niet geconsumeerde goederen in de handen van weinigen- voldaan was. Onze vermeende kapitalist moest altijd de beschikking over arbeid zien te krijgen, hetgeen wil zeggen dat er personen moesten zijn die verlokt of gedwongen konden worden om arbeid te verrichten. Wanneer eenmaal die arbeiders waren verkregen en de goederen geproduceerd, moesten die goederen op de één of andere manier aan de man worden gebracht, dat wil zeggen er moest zowel een distributiesysteem zijn als een groep kopers met de middelen om de goederen te kopen. De goederen moesten verkocht worden tegen een prijs die hoger was dan de totale kosten die de verkoper (tot op dat moment) had gemaakt; bovendien moest deze marge groter zijn dan de verkoper nodig had voor zijn eigen levensonderhoud. Ofwel in ons moderne taalgebruik: er moest winst worden gemaakt. Vervolgens moest de bezitter in staat zijn om deze winst vast te houden totdat er zich een redelijke kans voordeed om die te investeren, waarna het hele proces zich vanaf het moment van productie moest herhalen. Voor het begin van de moderne tijd werd deze keten van processen (soms de omloop van kapitaal genoemd) in feite zelden voltooid. Eén oorzaak daarvan was dat in voorafgaande sociale systemen veel schakels in de keten door de politieke en morele autoriteiten als irrationeel en/of immoreel werden beschouwd. Maar zelfs zonder de directe tussenkomst van diegenen die daartoe de macht bezaten, werd het proces doorgaans verstoord door het ontbreken van één of meer noodzakelijke elementen - de geaccumuleerde rijkdom in de vorm van geld, de arbeidskracht die de producent moest aanwenden, het netwerk van distributeurs, de consumenten die de kopers waren."(Wallerstein, p.10-11)

Men zou de gehele wetenschappelijke inhoud van deze mondvol bij wijze van spreken op de achterkant van een postzegel kunnen samenvatten: in het voorgaande maatschappijvormen was het de kapitalistische productiewijze niet vergund om wortel te schieten omdat de wapenproductie en  -circulatie nog niet voldoende waren ontwikkeld.

Op hun hoogtepunt vertoonden bepaalde Oosterse despotenstaten, die door de gevestigde geschiedschrijving graag de eerste wereldrijken genoemd worden, onder andere, een fabelachtige monetaire rijkdom, net zoals de slavenstaten van de klassieke Oudheid, het Hellenisme en de Romeinse tijd. De reikwijdte van de handelsverbindingen in de Oudheid spreekt vandaag nog tot onze verbeelding, evenals de concentratie van onoverzichtelijke rijkdommen in de handen van een heersende klasse of kaste. Geldwezen en speculatie bereikten een hoge vlucht lang voordat er sprake was van de moderne kapitalistische productiewijze.

Eén element vinden we evenwel in geen enkele beschaving voor de late Europese middeleeuwen terug: de loonarbeid als massaverschijnsel, als overwegende of zelfs enige bron van inkomsten van een ganse maatschappelijke laag. Daarvoor moeten we wachten tot de tweede helft van de vijftiende eeuw, precies het tijdperk waarin ook Wallerstein het ontstaan van het historische kapitalisme waarneemt.

Wallerstein heeft goed begrepen wat de onmisbare historische voorwaarden zijn voor het ontstaan van kapitalistische verhoudingen, maar hij slaagt er niet in om het specifieke, historische verband tussen al deze factoren te bewerkstelligen. Liever dan zich schuldig te maken aan voorbarig geflirt met abstracte formules rangschikt hij de ontstaansvoorwaarden voor de moderne samenleving als nevengeschikte gegevens. Daarom is het ontbreken van de loonarbeid, in feite de voorwaarde bij uitstek van de kapitalistische productie, voor hem slechts één van de factoren naast de vele andere mogelijke, die de ontwikkeling van het kapitalisme stokken in de wielen konden draaien.

In de tijd van de Grieken en de Romeinen namen zowel de overzeese en binnenlandse handel ("het netwerk van distributeurs" en "de consumenten die de kopers waren") als het geldwezen ("de geaccumuleerde rijkdom in de vorm van geld") een buitengewone hoge vlucht. Zoals G. Raskin op onderhoudende wijze aantoont, vertoonde zelfs het reclamewezen van de Oude Grieken zekere overeenkomsten met de manieren waarop de hedendaagse koopwaar wordt aangeprijsd. (Oudgriekse handelsreclame, N.V. Standaard-Boekhandel, Antwerpen, 1953). Over de handel in de Klassieke Oudheid zegt hij in het algemeen:    

"Handel is in het Oosten een natuurlijk bestanddeel van het leven en de Grieken zijn doorknede handelaars. Bij hen was de uitdrukking 'alles inkopen tegen lage prijs' gelijk betekenend met 'gelukkig zijn'. Aan de andere kant smaalden de Romeinen: 'Hoed U voor Grieken, ook wanneer zij u geschenken aanbieden!'

Nog in onze tijd geldt de oude spreuk dat één Armeniër drie Grieken, een Griek drie Joden kan bedotten. Het is geen toeval dat de spreekwoordelijk beroemde handelsvolkeren dicht bij elkaar wonen, rondom het Oosten van de Middellandse Zee. (...) De oostelijke Middellandse Zee is de bakermat van de handel geworden." (Raskin, p.6-7)

De Feniciërs kenden reeds een vorm van zeeverzekeringen, waarbij de eigenaar van een lading te vervoeren koopwaar van de rederij een som geld leende die hij slechts na de gunstige afloop van de zeereis moest terugbetalen. De Atheners zouden dit systeem overnemen en tot grotere ontplooiing brengen. Over geldwezen en handel in de Hellenistische tijd schrijft Theo Luykx :

"Om het ontstaan van een universele markt in de hand te werken dreef Alexander tevens een munthervorming door. Tussen de bestaande munten werd de waardeverhouding vastgelegd en hij voerde de Alexandrijn in, die weldra de basismunt werd. In die omstandigheden nam de geldhandel in het Hellenistische Oosten een grotere uitbreiding dan eertijds te Athene. Het wissel- en bankbedrijf nam grotere afmetingen aan. De belangrijke steden in het Oosten kenden openbare en private bankhuizen, waar deposito's werden aanvaard, lopende rekeningen werden geopend en van de ene op de andere rekening bedragen werden overgeschreven. Het gebruik van de check kwam meer en meer in voege. Het Hellenistische Oosten heeft ook handelsvennootschappen gekend en zelfs pools, gericht op het beheersen van de markt voor sommige producten. Het zijn uitingen van een zeer ontwikkeld economisch leven, dat vele aspecten van de huidige kapitalistische wereldhandel vertoont."(Luykx, Overzicht van de economische en sociale geschiedenis, Story-Scientia, Gent, 1969, p.21)      

Zelfs aan de "arbeidskrachten die de producent moest aanwenden" was er, althans binnen het bestek van deze abstracte uitdrukking, geen gebrek. Welke negentiende eeuwse kapitalist, laat staan zijn voorgangers uit de vorige eeuwen, kon er zich op beroepen dat hij, zoals de Romeinse aristocraat Aemilius Paulus na de val van Syracuse in 146 V.C., in één klap de hand kon leggen op meer dan 120.000 arbeidskrachten? De val van Carthago hetzelfde jaar leverde Rome nog eens 200.000 slaven op. De slag bij Tarente in 209 V.C. en de slag bij Pytna in 167 V.C. wierpen de Romeinse grootgrondbezitters. respectievelijk 30.000 en 150.000 slaven in de schoot. Caesar op zijn beurt sleepte er een eeuw later een miljoen weg uit Gallië. De census van het jaar 28 gaf voor Italië ten Zuiden van de Po anderhalf miljoen slaven op tegenover een vrije bevolking van twee en een kwart miljoen. En als we spreken over de oude Aziatische rijken, dan mogen we de arbeidskrachten die de heersende kaste van priester-krijgers ter beschikking stonden in sommige gevallen niet per honderdduizend berekenen, maar meteen per miljoen. Het naar schatting half miljoen Chinese boeren die de Tsjin-keizer Shin-Hoang-Ti in de derde eeuw voor Christus opofferde aan de bouw van de grote muur geeft ons al een vaag idee van het ontzaglijk aantal mensen die hij kon laten opdraaien voor de verdediging van zijn macht tegen de volkeren uit de Aziatische steppe.

Het was de aard van deze arbeidskrachten, de verhouding waarin ze tot hun uitbuiters stonden, die de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze onmogelijk maakte. Deze klassenverhoudingen hangen dan weer nauw samen met het ontwikkelingspeil van de productieve techniek, met de productiekrachten van de maatschappij.

Nu ontkent Wallerstein niet dat het voorhanden zijn van een proletariaat van loonarbeiders een conditio sine qua non is voor het kapitalisme. Voor hem is het echter één van de voorwaarden en niet de laatste historische voorwaarde waaraan de samenleving nog moest voldoen. 

Is het nochtans zo speculatief, zo overdreven abstract en "essentialistisch"* om te beweren dat het hoogste stadium van wapenproductie, namelijk het kapitalisme, datgene is waarin een omvangrijk deel van de mensen begint op te treden als verkopers van hun eigen arbeidskracht? Dat de ene schakel die uiteindelijk nog ontbrak in  "de commercialisering van de sociale processen" (zie blz.11) de mens zelf was die zijn eigen levenskracht en vaardigheden als koopwaar ging aanbieden?       

We weten nu al dat Wallerstein, door zijn ingebakken wantrouwen tegen de wetenschappelijke erfenis van het marxisme, in zijn begripsbepaling van het kapitalisme niet verder komt dan de mechanische opeenstapeling van ontstaansvoorwaarden.

Dat hij het woord "kapitaal" daarbij op een nogal vulgaire manier gebruikt, is uiteindelijk nog het minste van de problemen. Maar dan nog zou zelfs de meest toegeeflijke kritiek ten opzichte van Wallersteins vocabularium geen vrede kunnen nemen met de manier waarop de schrijver te werk gaat.

Het kapitaal, "zoals het in het kapitalisme wordt aangewend", is meer dan alleen maar geaccumuleerde arbeid. Kapitaal mag niet alleen beschouwd worden als louter arbeidsoverschot. Het moet ook -en vooral- begrepen worden als de kenmerkende wijze waarop de productiekrachten in de moderne economie op elkaar worden afgestemd. Wallerstein zegt: het was het meedogenloze en "op een bijzondere manier het eigenbelang dienende doel van de bezitter van kapitaal", namelijk nog meer kapitaal verwerven, te samen met de relaties die hij daarvoor met andere mensen moest leggen, dat kapitalistisch genoemd moet worden. Maar hij komt nergens op het idee dat het kapitaal zelf een historisch bepaalde maatschappelijke betrekking is.

"Hoe wordt nu een som van waren, van ruilwaarden tot kapitaal? Doordat zij zich als een zelfstandige maatschappelijke macht, d.w.z. als de macht van een deel van de maatschappij, in stand houdt en vermeerdert door middel van ruil tegen de rechtstreekse, levende arbeidskracht. Het bestaan van een klasse die niets bezit dan haar arbeidsvermogen is een noodzakelijke voorwaarde voor het kapitaal."(Marx, Loonarbeid en kapitaal, p.35-36- cursief van Marx) 

Zelfs in de wetenschappelijke dwaling kan professor Wallerstein maar met de grootste moeite enige originaliteit bewaren. De leerstelsels van de grote klassieke economen, die vergeleken met wat voordien werd bedacht een onvergelijkelijk grotere vooruitgang betekenden dan de Wereldsysteem Analyse op de hele geschiedenis van het economisch denken, liepen, zoals we Marx hierboven al lieten aanduiden, eveneens spaak op de bepaling van het kapitaal als maatschappelijke betrekking. Ook zij beschreven kapitaal slechts als geaccumuleerde arbeid, uitgestelde consumptie en niet als maatschappelijke verhouding. Bij David Ricardo bijvoorbeeld, de man in wie de klassieke traditie van de burgerlijke economie haar absolute hoogtepunt bereikte, vinden we het volgende:

"Het kapitaal is dat deel van de rijkdom van een land dat in de productie wordt aangewend, en bestaat uit het voedsel, de kleding, de ruwe grondstoffen, machinerie, enz., die nodig zijn om de arbeid een productieve bestemming te geven (necessary to give effect to labour)."(zie: Ricardo, Principles of Political Economy and Taxation, Hfst.5, J.M. Dent and Sons, Londen, 1949, p.53)

Hoewel Ricardo zich eveneens beperkt tot de beschrijving van het kapitaal als opgespaarde arbeid, kan van hem nog gezegd worden dat hij een stuk concreter is dan Immanuel Wallerstein met zijn "geaccumuleerde voorraden waarin de arbeid van het verleden besloten ligt" of "de voorraad consumptiegoederen, machines en gerechtvaardigde claims op materiële zaken in de vorm van geld".

Ricardo voegt er alvast nog een voorwaarde aan toe: het gaat bij hem niet alleen om de opgestapelde arbeid van het verleden. Voor Ricardo is deze geaccumuleerde arbeid uit het verleden maar kapitaal als hij van pas komt in het productieproces van het heden en de toekomst. Als de Neanderthalers van Wallerstein het in hun hoofd zouden halen om zich, na het zorgvuldig opsparen van hun arbeid, op hun luie achterste te leggen en hun voorraden in één groot macromaatschappelijk dolce far niente te verteren, dan kunnen zij twee kanten uit.

Ofwel besluiten ze voor de rest van hun dagen de arbeid af te zweren en bezwijken ze na verloop van tijd aan de ontberingen die hen onvermijdelijk te wachten staan. In dat geval hebben zij volgens Ricardo geen brijzeltje van hun geaccumuleerde arbeid gebruikt als kapitaal.

Ofwel komen tenminste diegenen onder onze Neanderthalers die het meest beslagen zijn in de politieke economie, tijdig op hun beslissing terug en beginnen zij opnieuw te werken. In laatstgenoemd geval gebruiken zij, om binnen de theorie van Ricardo te blijven, slechts dat deel van hun voorraden als kapitaal, dewelke zij nog niet hebben laten opgaan tijdens hun platte rust.

Voor Wallerstein bestaat slechts de uitgestelde consumptie als kapitaal en de aanwending ervan voor zelfexpansie ervan heet kapitalistisch. Ricardo daarentegen veronderstelt tevens datgene wat beide met elkaar verbindt: de produktieve consumptie van het arbeidsoverschot, de besteding ervan om rechtstreeks nieuwe productie in het leven te roepen. In Wallersteins eerste definitie is het bijna net alsof het arbeidsoverschot door generatio spontanea * tot uitbreiding komt, door zelfexpansie in de zuiverste betekenis van het woord.

Zelfs in het geval dat we Wallersteins reductio ad absurdum zouden aanvaarden, t.t.z. zijn ironisch vergelijk  tussen het "kapitaal" van de Neanderthalers en dat van de moderne maatschappij... met voorbijgaan aan alle terminologische verschillen met het marxisme... met verwaarlozing van het feit dat het kapitaal naast geaccumuleerde arbeid ook nog een specifieke sociale verhouding is... dan nog zouden we bij hem, met de beste wil van de wereld, nog steeds geen bevredigende definitie van kapitaal kunnen vinden.

Neen... misschien vergissen we ons. Misschien hebben de Neanderthalers nog een derde mogelijkheid en dan nog wel één die bij de eerste oogopslag de definitie van Wallerstein schijnt te redden.

Nemen we om te beginnen de pientere holbewoners van het tweede scenario: deze die, zolang het hen gegund was, met volle teugen hebben genoten van hun platte rust, maar toch bijtijds opnieuw het meer ernstige levenspad van de arbeid kozen. We laten ze zelfs zo goed bij de pinken zijn dat ze hun luilekkerleventje tot het uiterste hebben kunnen rekken. En dat konden ze alleen maar door slechts het hoogstnodige te verbruiken tijdens hun rust. Ze spreiden met andere woorden het verbruik van hun arbeidsoverschot over de langst mogelijke periode.   

Laten we tenslotte onszelf voor de gelegenheid -en dit slechts om Wallerstein in zijn formulering tegemoet te komen!- even ontslaan van de wetenschappelijke verplichting om alles helder en eenduidig te verwoorden en het begrip productieve consumptie een beetje breder interpreteren dan Ricardo: we verstaan onder deze term niet langer elke consumptie die onmiddellijk aanleiding geeft tot nieuwe productie. We lezen deze uitdrukking nu als elke consumptie die op welke manier dan ook nieuwe productie in de hand werkt, op lange of op korte termijn.

Dan zou men het product dat de Neanderthalers verbruiken tijdens hun grote collectieve siësta evengoed productieve consumptie mogen noemen.

Staat het in gang houden van hun lichaamsfuncties door het verbruik van het arbeidsoverschot immers ook niet gelijk aan de reproductie van hun arbeidskracht?

Is het niet zo een beetje hetzelfde  als de kapitalist die, ook in periodes dat zijn machines stilliggen, fondsen moet vrijmaken voor het onderhoud ervan, opdat ze in de toekomst opnieuw zouden kunnen worden opgestart? En zijn deze fondsen ook geen kapitaal?

Bij de Neanderthalers zouden we dan bijna elk verschil tussen de begrippen productieve en onproductieve consumptie hebben uitgewist. In hun geval zouden het arbeidsoverschot/ kapitaal van respectievelijk Wallerstein en Ricardo inderdaad overeenstemmen.

Jammer genoeg zou deze overeenstemming uitgerekend voor het kapitalisme niet meer opgaan. Want slechts voor de arbeidersklasse, die nooit veel meer ontvangt dan voor de reproductie van haar arbeidskracht nodig is, is het grootste deel van haar consumptie (de vrijetijdsbesteding inbegrepen) binnen deze manier van spreken productieve consumptie, verbruik in functie van de reproductie van haar arbeidskracht. De kapitalist doet, voor zover hij is persoonlijk consumptiefonds verteert, geheel en al aan onproductieve consumptie.           

Door de arbeidskracht te scheiden van de productiemiddelen, heeft de kapitalistische productiewijze de tegenstelling tussen productieve en niet-productieve consumptie, in deze bredere betekenis genomen, ten top gedreven. Maar dan wel op een merkwaardige manier. Hoezeer de arbeiders ook hun best mogen doen om niet productief te consumeren of om zichzelf wijs te maken dat ze in hun vrije tijd niet-productief consumeren, ze slagen er nauwelijks in. 

Sterker nog. Als we, in deze krampachtige poging om Wallerstein ter wille te zijn, de productieve consumptie zo breed zouden interpreteren, dan zouden we de ganse tegenwoordige realiteit van het kapitalisme, het vertrekpunt van Wallersteins analyse, opofferen aan onze goedertierenheid. Immers, wanneer de gehele consumptie van de arbeider voor de kapitalist productieve consumptie zou zijn, dus ook zijn energieverbruik gedurende zijn vrije tijd, hoe verklaren we dan de neiging die de kapitalist in alle tijdperken van de burgerlijke maatschappij heeft vertoond om de arbeidsdag zo lang mogelijk te maken, om zoveel mogelijk te beknibbelen op de vrije tijd van zijn arbeiders ? Het is nu een keer zo dat de arbeidsdag, die zekere grenzen kent, toch geen constante grenzen heeft...

"Het kapitaal heeft voortdurend de neiging die (de arbeidsdag-P.V.d.B.) tot de uiterste, fysiek mogelijke lengte uit te rekken, omdat in dezelfde mate de meerarbeid en dientengevolge de daaruit voortvloeiende winst vermeerderd wordt. Hoe meer succes het kapitaal heeft met het verlengen van de arbeidsdag, des te groter is de hoeveelheid arbeid die het zich van anderen zal toe-eigenen." (Marx, Loon, prijs en winst, Pegasus, Amsterdam, 1975, p.68)

Voor de kapitalistische productiewijze kan het begrip productieve consumptie slechts één betekenis hebben: het verbruik van arbeidskracht en productiemiddelen in een proces van meerwaardevorming, een gebeuren waarin er in het productieproces nieuwe waarde wordt toegevoegd aan de oorspronkelijk ingebrachte. Dat is de zelfexpansie waarover Wallerstein alsmaar doorraast, maar nergens sluitend verklaart. Het kapitaal is niet zomaar het daartoe geïnvesteerde arbeidsoverschot, het is de verhouding tussen de verschillende samenwerkende delen in het proces van meerwaardevorming.          

Hoe we de dingen ook draaien en keren, met de manier waarop Wallerstein het kapitaal omschrijft, komen we er doodgewoon niet uit.        

Ricardo's werk, dat wel degelijk rekening houdt met het onderscheid tussen productieve en niet-productieve consumptie, verscheen in 1817. Wallerstein en zijn wereldsysteemanalisten willen ons binnenloodsen in de eenentwintigste eeuw. In plaats daarvan slingeren ze ons nog  verder terug dan het tijdperk van de Restauratie.                   

Uiteindelijk, na enkele bladzijden lang theoretisch clair-obscur geeft Wallerstein dan toch maar zijn definitieve omschrijving van het "historisch kapitalisme". Pas nu vindt hij de gelegenheid om de productieve consumptie, zij het dan in een afgebleekte, vervaagde vorm, binnen te smokkelen in de historische analyse:

Het historisch kapitalisme is zodoende het concrete, tijd- en plaatsgebonden, samenhangende deel van productieve activiteiten, waarbinnen de eindeloze accumulatie van kapitaal het economisch doel (of "wet") was dat al de economische activiteit beheerste, althans daarbij de overhand had." (p.14- mijn cursief en vetjes)

We kunnen het ons niet laten om deze theoretische bazuinstoot even van kleur te vergelijken met de omschrijvingen van drie onverbeterlijke essentialisten:

Marx: "Het kapitaal ontstaat slechts daar, waar de bezitter van productie- en bestaansmiddelen de vrije arbeider op de markt aantreft als verkoper van zijn arbeidskracht; deze ene historische voorwaarde omvat een wereldgeschiedenis." (Het Kapitaal, dl. I, hfst.4, p.110)

Lenin: "Kapitalisme is wapenproductie op de hoogste trap van haar ontwikkeling, wanneer ook de arbeidskracht een waar wordt."(Het imperialisme als hoogste stadium van het kapitalisme, Progres, Moskou, 1989, p.78)

Rosa Luxemburg: "... het doel en het leidende motief van de kapitalistische productie is niet gewoonweg meerwaarde, in een willekeurige hoeveelheid, door een eenmalige toe-eigening, maar de onbeperkte meerwaarde, in steeds groeiende mate (...) Om evenwel dit doel te bereiken moet steeds opnieuw hetzelfde tovermiddel worden gebruikt, namelijk de kapitalistische produktie, met andere woorden de steeds herhaalde toeëigening van onbetaalde loonarbeid in een proces van warenproduktie en de daarop volgende verkoop van de op deze wijze geproduceerde waren." (De akkumulatie van het kapitaal, dl.I, hfst.I, in : Orde heerst in Berlijn, een keuze uit haar geschriften, L.J.C. Boucher, Den Haag, p.41-mijn cursief)

Deze drie definities, die meteen een veel duidelijker en rijker geschakeerd beeld opleveren dan het resultaat van Wallersteins omzwervingen, hebben de linguïstiek helemaal niet nodig als alibi. Ze vloeien rechtstreeks voort uit de economische analyse zelf en veronderstellen heel precies de historische bepaaldheid van het kapitaal.

Zoals we met Mandel reeds lieten verstaan, kon Wallerstein, met de wazige premissen die hij hanteert, net zo lief, net zoals hij kapitaal zonder blikken of blozen vereenzelvigt met elke vorm van uitgestelde consumptie, met een klein beetje meer aandringen op de betekenis van kapitaal als arbeidsoverschot, ook de reproductiemechanismen van andere maatschappijvormen als kapitalistisch kunnen bestempelen, een verwarring die overigens in meer of mindere mate ook bij enkele andere historici voorkomt. Bij, G.E. Fussell, oud-voorzitter van de British Agricultural Society, bijvoorbeeld lezen we over het Romeinse grootslavenbedrijf:

"Grote inspanningen werden ondernomen om de grootte van de landgoederen uit te breiden en ze op een kapitalistische wijze uit te baten, maar vanaf het ogenblik dat de bevoorrading van slaven opdroogde ontstond er een probleem. Hoe groot een landgoed ook mocht wezen, volgens de toenmalige stand van de techniek moest het in kleine kavels bewerkt worden. Bijgevolg was er een groot aantal mensen nodig per oppervlakte en ieder persoon bracht slechts een magere netto-overschot op  (net gain = merkproduct, arbeidsoverschot - P.V.d.B.) na aftrek van het zaaigoed voor het volgende jaar en de middelen tot het levensonderhoud van de arbeider. Het betrekkelijk klein aantal stuks groot vee, het grazen van schapen op de heuvels en het houden van varkens in de bossen beperkten de toevoer van organisch mest. Deze omstandigheden dwongen de eigenaars van de latifundia, in het bijzonder deze ver verwijderd van een volkrijke markt tot een domaniale economie - productie voor de familie en haar clientes- en tot het weiden van schapen en rundvee."(The Classical Tradition in West-European Farming, David & Charles, Newton Abbot, 1972, p.38)

Voor de heer Fussell is het al voldoende dat het merkproduct niet onmiddellijk op de tafel van de slavenhouder belandt, maar met winstoogmerk op de markt wordt gebracht -wat dan eventueel aanleiding geeft tot de uitbreiding van zijn bedrijf- om reeds te kunnen spreken over kapitalistische bedrijfsvoering. Uitgaande van zijn omschrijving van het kapitaal als arbeidsoverschot dat door een proces van zelfexpansie wordt gejaagd, staat Wallerstein al bij al geen haar dichter bij de werkelijkheid met zijn definitie van het kapitalisme dan de hierboven geciteerde schrijver.  

"Er zijn mensen," zegt Wallerstein, "die weigeren te spreken van kapitalisme tenzij in de werkomstandigheden een specifieke sociale relatie aanwezig is, namelijk een particulier ondernemer die loonarbeiders in dienst neemt." (p.15)

De stijfkoppen van de politieke economie die Wallerstein hier met soevereine minachting op de korrel neemt, bekijken de zaken met meer inzicht dan de Wereldsysteem Analyse wil geloven. Zoals Fussell schrijft, is de onregelmatige en op de duur achteruitgaande toevoer van slaven de voornaamste reden waarom de uitbuitingsverhoudingen op het grootslavenbedrijf de blik nooit op het oneindige konden hebben, zoals de eindeloze zelfexpansie die het kapitalisme inderdaad kenmerkt. Daartoe moest ook de arbeidskracht onderworpen worden aan de wetten van de markt, zelf een koopwaar worden, zodanig dat alle noodzakelijke elementen in de productie en de omloop van koopwaren, alle noodzakelijke productiekrachten inbegrepen, op een of andere manier door het ruilverkeer werden geabsorbeerd. De slavenhouder kocht niet een paar uren, dagen, jaren spierkracht, maar meteen een gans mensenleven. Hij kon slechts de resterende levensjaren doorverkopen aan een andere slavenhouder.  Anders gezegd: onder de slavernij is niet de arbeidskracht, maar de arbeider de koopwaar. Onder het kapitalisme is het arbeidsvermogen op zichzelf, en niet zomaar de arbeider, de koopwaar. Daarmee zijn alle elementen van het productie- en circulatieproces van de maatschappelijke rijkdom ontdaan van hun buiteneconomische onzuiverheden en tot zuiver economisch wezen gemaakt. Daarmee kan ook de voortdurende zelfexpansie van de economische rijkdom met limiet oneindig, beginnen.       

Wallersteins tegenwoordige realiteit heeft van deze fundamentele samenhang geen flauw benul en ook in haar visie op het arbeidsproces en de arbeidsverhoudingen die kenmerkend zijn voor de kapitalistische productiewijze, slaagt de Wereldsysteem Analyse er nergens in om uit te stijgen boven het Pleistoceen van de sociale wetenschap.



§2. Het instituut Loonarbeid

a) De arbeidskracht als bron van gebruikswaarde en ruilwaarde

Eén hoofdkenmerk van de kapitalistische productiewijze bestaat erin dat de eindeloze accumulatie van kapitaal, althans voor de kapitaalbezitters zelf, het economische doeleinde bij uitstek wordt. Welnu, zo vraagt onze schrijver zich af,...

"Hoe zijn producenten te werk gegaan bij het maximaliseren van hun vermogen om kapitaal te accumuleren?"(zie p.16)

Uiteindelijk krijgt Wallerstein het dan toch over zijn hart om de arbeidsverhoudingen te betrekken in zijn analyse, daar waar ze in feite, om de zaken onmiddellijk in het juiste perspectief te stellen, reeds van bij het begin, bij zijn definitie van het kapitalisme aanwezig hadden moeten zijn. Zijn antwoord op de vraag naar de wijze waarop de beruchte zelfexpansie van het kapitaal in haar werk gaat begint hij met het benadrukken van het belang van de arbeid voor de productie in het algemeen.

"De factor arbeid," zegt hij, "is altijd een centraal en in kwantitatief opzicht belangrijk element geweest in het productieproces."(p.16)

De formule dat  "de factor arbeid", zeggen we maar de menselijke arbeidskracht, steeds een centrale rol heeft gespeeld in de productie is, met permissie van de lezer, een totaal nietszeggende en triviale uitspraak.

In tenminste één opzicht is ze zelfs bepaald onjuist.

Willen we de rol van de menselijke arbeidskracht in het productieproces naar zijn werkelijke waarde schatten, dan moeten we, net zoals bij de verschillen tussen arbeidsoverschot en kapitaal, kost wat kost het onderscheid maken tussen de arbeidskracht als bron van gebruikswaarde enerzijds en als de oorsprong van ruilwaarde anderzijds.

Het onderscheid tussen ruilwaarde en gebruikswaarde is van het grootste gewicht in de economische theorie. De ganse economische wetenschap is erop gebaseerd. Als deze laatste niets anders blijkt te zijn dan de studie van de productie en de ruil van de bestaansmiddelen in een bepaalde samenleving, dus van het voortbrengen en de omloop van "goederen en diensten" voor zover deze een ruilwaarde hebben, dan moet ze worden aangevat met het juist weergeven van de tegenstelling tussen ruilwaarde en gebruikswaarde.

Onder gebruikswaarde verstaan we de nuttigheid die een ding heeft met betrekking tot een menselijke behoefte.

Met ruilwaarde bedoelen we de mate of hoeveelheid waarin een bepaalde zaak tegen een andere geruild kan worden.   

Is de gebruikswaarde de waardesubstantie, de drager van de ruilwaarde, deze laatste verschijnt in de eerste plaats als een kwantitatieve verhouding.     

Het eerste aspect, de gebruikswaarde, is de rechtstreekse verhouding van het ding tot de fysionomie van de mens, het tweede, de ruilwaarde, in de eerste analyse de  waardeverhouding tot andere dingen.

Wanneer een arbeider in zijn moestuin aardappels teelt om deze samen met zijn gezin te verbruiken, dan heeft hij vanzelfsprekend gebruikswaarde voortgebracht. De ruilwaarde van zijn aardappels realiseert hij pas wanneer hij deze laatste op de markt brengt en er een welbepaalde hoeveelheid van een andere gebruikswaarde voor in de plaats ontvangt.

De ruilwaarde vooronderstelt, kan onder geen enkel beding bestaan zonder de gebruikswaarde die haar stoffelijke grondslag vormt.

Politieke economie voor het eerste leerjaar, zo zou men kunnen zeggen, maar we brengen deze evidenties toch even in herinnering om Wallersteiniaanse spraakverwarringen te vermijden.

De ruil van producten is van veel latere oorsprong dan de productie van louter gebruikswaarden. De mensheid heeft slechts een fractie van een percent van haar bestaan doorgebracht in maatschappijverbanden waarin de ruil van tastbare gebruikswaarden op min of meer regelmatige basis plaatsgreep. Het leeuwendeel van de historische opmars van de ruil heeft zich binnen deze, in wereldhistorische verhoudingen afgemeten, minuscule tijdspanne afgespeeld.

Aanvankelijk overheerst de productie voor het onmiddellijke verbruik door de producenten die de arbeidsinspanning hebben geleverd. Er bestaat voornamelijk ruil van arbeid die rechtstreeks, zonder ruilverkeer van losse waren, bij de productie samenwerkt.

De individuele ruil van losse goederen, de resultaten van de arbeid, heeft zich in veel gevallen rechtstreeks uit deze samenwerking ontwikkeld. Bij de! Kung, de bosjesmannen van het Kalahari-plateau, heerst nog steeds de gewoonte om, wanneer iemand voor een andere jager een pijl heeft vervaardigd, het eerste dier dat de eigenaar van de pijl met dit projectiel heeft neergelegd, uit beleefdheid aan de maker van de pijl te schenken, ook al hebben beide misschien een vergelijkbare inspanning geleverd bij het vangen van de prooi.

De werkelijke wapenproductie is begonnen bij de ruil van het arbeidsoverschot. Slechts de productie die de eigen onmiddellijke behoefte overtrof, kwam aanvankelijk in aanmerking om als koopwaar aangeboden te worden.    

Bijgevolg, moeten we, als we tenminste de historische volgorde willen bewaren, het arbeidsproces in de eerste plaats onder ogen zien als de productie van gebruikswaarden.

In dat geval moeten we Wallersteins beschrijving van de rol van de arbeidskracht in de productie als volgt lezen: "de menselijke arbeidskracht is altijd een centraal en in kwantitatief opzicht belangrijk element geweest in het voortbrengen van gebruikswaarden."

De arbeidskracht kan slechts de bron van gebruikswaarde zijn, in zoverre de spontane productie van de "buitenmenselijke" natuur de beoogde gebruikswaarde al niet heeft voortgebracht. De arbeid is niets meer dan de inmenging van de menselijke arbeidskracht in deze spontane productie. Vulgariseringen van het kaliber dat Wallerstein hier metersbreed uitsmeert, zaten Marx en Engels zo hoog dat zij er elke beleefde schroomvalligheid voor lieten varen om zelfs gelijkgezinden op hun nummer te zetten. Hun allereerste opmerking bij het socialistische verenigingsprogram van Gotha, dat begint met de opmerking dat de arbeid de bron van alle rijkdom is, luidt als volgt:

"Arbeid is niet de bron van alle rijkdom. de natuur is in gelijke mate een bron van gebruikswaarden (deze maken immers ook de materiële rijkdom uit !) als de arbeid, die zelf slechts één der natuurkrachten manifesteert : menselijke arbeidskracht."(Kritiek op het Programma van Gotha, volledig opgenomen in: Marx/Engels, Tegen het reformisme, Progres, Moskou, 1989, p.123)

In het voortbrengen van sommige gebruikswaarden is de arbeid zelfs van geen enkele productieve invloed, laat staan een "centraal gegeven". De lucht die wij inademen bijvoorbeeld wordt voor het ogenblik door de menselijke tussenkomst hoogstens meer en meer ongeschikt voor onmiddellijke consumptie gemaakt.

Maar Wallerstein spreekt niet over de spontane, buitenmenselijke productie van de natuur. Hij spreekt over het productieproces in het algemeen en daarin speelt de menselijke arbeidskracht inderdaad steeds wel één of andere rol. Het productieproces is immers het samengaan van de menselijke arbeidskracht met de natuurkrachten in het algemeen bij het voortbrengen van gebruikswaarden. Tot zover zou Wallerstein op het pad van de wetenschap gebleven zijn. Maar hij dicht, voor zover het begrip hier een ondubbelzinnige betekenis kan hebben, de arbeid de centrale rol toe. Hoe centraal staat de menselijke arbeidskracht voor de productiewijze waarin de mensheid de eerste drie miljoen jaar van haar historische ontwikkeling heeft doorgebracht? Zou men niet met evenveel, of zelfs meer recht, mogen beweren dat de arbeid in maatschappijen van jagersverzamelaars zich voor het overgrote deel beperkt tot het oogsten van wat het natuurlijk leefmilieu spontaan, zonder bewuste inmenging van de mens, heeft voortgebracht? Zou men dan ook niet mogen stellen dat in de moderne productiemethodes, waarbij de mens zich in steeds toenemende mate toevertrouwt aan min of meer gedomesticeerde natuurkrachten, zoals de moderne energiebronnen, de wetten van de mechanica, elektromagnetisme en dergelijke meer... de arbeid zich meer en meer begint te beperken tot het temmen en het bewaken van de natuurkrachten die ook buiten de menselijke arbeidskracht om bestaan?             

Vanuit het standpunt van de gebruikswaarde, de eerste voorwaarde om van een productieproces nog maar te kunnen spreken, sukkelt Wallerstein dus in een formule die allesbehalve historisch, maar des te onduidelijker is. En dat alleen maar omdat hij in zijn beschrijving van de rol van de arbeid in het productieproces het voor elk serieus economisch denken wezenlijk onderscheid vergeet te maken tussen ruilwaarde en gebruikswaarde.

Want als we de zaak bekijken vanuit het oogpunt van de ruilwaarde ontspint er zich een heel ander verhaal. Bezien we de menselijke arbeidskracht als bron van ruilwaarde, dan ontleent de uitspraak van Wallerstein haar dubbelzinnigheid niet aan haar overschatting van de rol die de arbeid speelt, maar juist aan haar zwakheid, haar gebrek aan durf om de dingen te stellen zoals ze zijn.

Voor zover we het produktieproces in beschouwing nemen als het voortbrengen van ruilwaarde is de arbeid niet slechts een "centraal en in kwantitatief opzicht belangrijk element", zoals Wallerstein zegt, maar doodeenvoudig het enige element.

De arbeidskracht is de enige natuurkracht die, en dan nog onder heel specifieke historische omstandigheden, ruilwaarde voortbrengt. Is de natuur evenzeer de bron van gebruikswaarde als de menselijke arbeidskracht, deze laatste is de exclusieve bron van ruilwaarde. Ruilwaarde staat gelijk aan hoeveelheid arbeid.

In dat geval blijkt de ruilwaarde, die in de eerste plaats een verhouding tussen dingen leek, in de grond een verhouding tussen mensen.

De hedendaagse burgerlijke economie beschouwt het spel van vraag en aanbod, dat door hen dan weer wordt samengevat  in de term schaarste, als de werkelijke bron van ruilwaarde. In feite geven de schommelingen van vraag en aanbod slechts de zichtbare bewegingen van de prijs rond de ruilwaarde weer, het aanbieden van de waren boven of onder hun natuurlijke prijs. Vraag en aanbod laten ons slechts toe te spreken over de uitdrukking van de ruilwaarde, de prijs. Over de ruilwaarde zelf kunnen we pas praten wanneer vraag en aanbod elkaar dekken, ophouden als tegenstrijdige krachten te werken.

De vraag die wij ons moeten stellen is: welke wet regelt de wet van vraag en aanbod? De vulgaireconomische leer van vraag en aanbod vertelt ons wel waarom de prijs toeneemt of afneemt, maar zij slaagt er niet in om uit te leggen waarom aanbod- en vraagcurve elkaar op een bepaald ogenblik kruisen, namelijk het ogenblik waarop prijs en natuurlijke prijs -de ruilwaarde- samenvallen. Daarom krijgt de verklaring van de ruilwaarde die in de schoolboekjeseconomie aan onze hedendaagse burgerlijke economen in spe wordt voorgeschoteld het karakter van een willekeurige, op een vage psychologische grondslag (het nut) gestoelde overeenkomst. Daardoor worden twee begrippen, die twee afzonderlijke kenmerken van de waar vormen, ruilwaarde en gebruikswaarde, keizerlijk door elkaar gehaspeld. De ruilwaarde wordt verklaard aan de hand van de gebruikswaarde en niet aan de hand van een objectieve grondslag in het maatschappelijke leven. 

Voor zover het gaat om min of meer identieke waren die zich door het productieproces laten vermeerderen, bepaalt binnen een gegeven tijdspanne de productiviteit van de arbeid hoeveel afzonderlijke eenheden van een bepaalde waar aangeboden kunnen worden. De prijsverschuivingen die zich voordoen in het spel van vraag en aanbod hebben hier niets willekeurigs meer. Ze bewegen zich integendeel binnen de grenzen die de maatschappij onafhankelijk van de individuele wilsbeschikking heeft uitgezet: het ontwikkelingspeil van de productieve krachten die er werkzaam zijn. 

In laatste instantie is de toename van het aanbod het resultaat van de productiviteit van de arbeid. Afgemeten aan de gebruikswaarde, betekent de productiviteit van de arbeid (zeker in het moderne productieproces) niets meer of niets minder dan de afscheiding van een bepaalde hoeveelheid afzonderlijke waren binnen een bepaalde tijdspanne.

"Algemeen gesteld: hoe groter de productiviteit van de arbeid, des te kleiner de voor de vervaardiging van een artikel noodzakelijke arbeidstijd, des te geringer de in hem gekristalliseerde massa arbeid en des te kleiner zijn waarde. Omgekeerd: hoe kleiner de productiviteit van de arbeid, des te groter de voor de vervaardiging van een artikel noodzakelijke arbeidstijd en des te groter de voor de vervaardiging van een artikel noodzakelijke arbeidstijd en des te groter zijn waarde. De grootte van de waarde is dus recht evenredig met de hoeveelheid en omgekeerd evenredig met de productiviteit van de in die waar belichaamde arbeid." (Marx, Het Kapitaal, dl.I, Lipschitsvertaling, p.5)

De ruilwaarde van een waar, zegt Marx is recht evenredig met de noodzakelijke arbeidstijd om hem te vervaardigen en omgekeerd evenredig met de productiviteit van de arbeid. Ruilwaarde en hoeveelheid arbeid zijn twee verschillende benamingen voor hetzelfde.

En wat bedoelen we nu met hoeveelheid arbeid ? Met andere woorden : wat is de maat voor arbeid?  Niets anders dan de arbeidstijd.

Men zou natuurlijk kunnen opwerpen dat, vanuit dit standpunt, de waren die door een minder productieve arbeider, die bijvoorbeeld werkt met verouderde werktuigen, worden voortgebracht elk afzonderlijk een grotere ruilwaarde bezitten dan de arbeider die binnen dezelfde tijd meer waren oplevert, omdat hij moderne arbeidsmiddelen hanteert. 

Maar Marx spreekt over maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd. Voor zover de verschillende producenten gelijkaardige producten afleveren en voor zover er geen belemmeringen bestaan op de vrije ontplooiing van de marktwetten, zal de arbeider die meer waren produceert binnen een zelfde of een kleinere tijdspanne ook de ruilwaarde bepalen van de waren die voortkomen uit het werk van de minder productieve arbeider.        

"Maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd is de arbeidstijd, nodig voor de voortbrenging van de een of andere gebruikswaarde onder de bestaande maatschappelijk-normale productievoorwaarden en bij de maatschappelijk-gemiddelde graad van bekwaamheid en intensiteit van de arbeid. Na de invoering in Engeland van het door stoomkracht voortbewogen weefgetouw bijvoorbeeld was misschien half zoveel arbeid als voordien nodig om een bepaalde hoeveelheid garen in geweven stof om te zetten. De Engelse handwever had voor deze omzetting inderdaad nog dezelfde arbeidstijd nodig, maar het product van zijn individueel arbeidsuur stelde nog slechts een half maatschappelijk arbeidsuur voor en daalde daardoor tot de helft van de vroegere waarde." (Marx, Het Kapitaal, dl.I, p.4)

Vrije concurrentie komt er uiteindelijk op neer dat de gemiddelde maatschappelijke productievoorwaarden voortdurend omgewenteld worden; dat de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd om een waar voort te brengen voortdurend vermindert, door de vrije invoering van steeds productievere arbeidsmethodes. Het trieste lot dat de ontwikkeling van de grootindustrie voor de Engelse handwever had beschoren is een schoolvoorbeeld bij het voorbehoud van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid.

Wallerstein poneert gewoon de centrale rol van de arbeid in het productieproces als axioma dat geen verdere verdediging behoeft, zonder het verschil tussen ruilwaarde en gebruikswaarde in acht te nemen. Wij van onze kant zagen ons gedwongen om uit te weiden over zowel de gebruikswaarde als de ruilwaarde.

In het eerste geval kon niet volstaan worden met een dergelijke kernachtige formule, omdat Wallersteins visie op de rol van de arbeid, voor zover er sprake is van het voortbrengen van gebruikswaarden, gewoon onzinnig is en zelfs de meest onzinnige uitspraak, zo zou men kunnen zeggen, een gestoffeerd antwoord verdient.

In het tweede geval konden we ons al evenmin beperken, omdat de vulgaireconomische waardeleer in onze tijd nu eenmaal de overheersende is en er omtrent de marxistische leer van de ruilwaarde de meest grotesk verdraaide voorstellingen rondgaan in de officiële economie.

Nochtans is deze laatste het resultaat van een ingrijpend wetenschappelijk verval na het werk van Ricardo. Zoals bekend heeft Marx, die zich weinig gelegen liet aan de modestromingen die op de klassieke periode van de economie gevolgd zijn, op het vlak van de arbeidswaardeleer weinig meer moeten verwezenlijken dan het vervolmaken van opvattingen die reeds aanwezig waren in de traditie van de klassieke economie. Van Ricardo nam hij de stelling over dat de waardeverhoudingen in de economie bepaald worden in de verschillende waren belichaamde arbeidstijd. Van de Zwitser Sismondi, de econoom en historicus die de leer van Adam Smith omsmeedde tot een antikapitalistische leer dewelke moest tegemoetkomen aan de ideologische behoeften van het door de grootindustrie bedreigde kleinburgerdom, aanvaardde hij de idee van de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd.

Marx' ontleding van de ruilwaarde leidde tot de grootste verwezenlijking van de moderne economie : de leer van de meerwaarde.

Wallersteins onvermogen om de tegenstelling tussen ruilwaarde en gebruikswaarde in zijn beschrijving van de rol van de arbeid in het productieproces te vatten, leidt daarentegen tot een -onderhand voorspelbaar geworden- verwarring in de discussie over productieve en niet-productieve arbeid. Doch niet alvorens hij enige staaltjes van zijn historische methode ten beste heeft gegeven met betrekking tot de beschrijving van het ontstaan van de loonarbeid.

b) koop en verkoop van arbeidskracht

"De producent," lezen we nu, "interesseert zich voor twee verschillende aspecten van de factor arbeid: de beschikbaarheid en de kosten ervan. Het probleem van de beschikbaarheid wordt gewoonlijk als volgt verwoord: vastliggende sociale productieverhoudingen (een stabiel aantal arbeiders voor een bepaalde producent) zouden relatief weinig kosten met zich meebrengen indien de markt stabiel was en het aantal arbeiders voor de producent in die periode optimaal was. Maar als de markt voor het product terugliep, zou het vaste aantal arbeiders de werkelijke kosten van de producent doen toenemen. En als de markt voor het product zou aantrekken, zo het vastliggen van het aantal arbeidskrachten het voor de producent onmogelijk maken om voordeel te putten uit de winstmogelijkheden." (Wallerstein, p.16-17)

Het staat als een paal boven water dat de kapitalist bijzonder belang hecht aan de arbeidskosten alsook aan de beschikbaarheid van arbeidskrachten.

De kapitalist interesseert zich echter nog aan een derde aspect, een aspect dat al bij al belangrijker is dan de absolute arbeidskost: de relatieve  productiekost of het verschil tussen de totale kosten van het arbeidsproces en de ruilwaarde die de totale productiekost overtreft. Tot de productiekosten behoren niet alleen het deel van de gerealiseerde ruilwaarde dat uitgekeerd wordt in de vorm van loon, die Wallerstein de kosten van de arbeid noemt, maar evengoed alle kosten die verbonden zijn met de werking en het onderhoud van de arbeidsmiddelen. De belangstelling van de kapitalist voor de arbeidskost, zo mogen we wel zeggen, staat geheel in functie van deze relatieve productiekosten.

Het maxime (-wat gaat de heer Wallerstein met zijn verklaarde voorliefde voor inductie, toch wel zeer deductief te werk!-) waaruit Wallerstein de ganse wording van de loonarbeid wil afleiden, "de interesse" van de kapitalist, loopt dus al een beetje kreupel omdat het één belangrijk lidmaat moet missen, en nog wel datgene dat de interesse van de kapitalist in de arbeidskosten in zich opgesloten houdt.         

Laten we echter niet te veel tijd verspelen aan het onderzoek naar de subjectieve interesse van de kapitalist. De maatschappij trekt zich maar zoveel aan van de interesse der kapitalisten als in de kraam van haar objectieve bewegingswetten past. De economische verhoudingen waarbinnen deze interesse zich moet verwezenlijken, leiden een bestaan onafhankelijk van iedere belangstelling.  "Het is zeker de wil van de kapitalist om zoveel mogelijk te nemen," zou Marx hier antwoorden, "Voor ons is het zaak niet over zijn wil te praten, maar zijn macht te onderzoeken, de grenzen van die macht en het karakter van die grenzen." (Marx, Loon, prijs en winst,p.18 -cursief van Marx)      

Voor hetzelfde geld had Wallerstein er kunnen van uitgaan dat het de kapitalist interesseert om de individuele loonarbeider 24 op 24 uur te laten werken. Dan zou hij binnen één etmaal niet één achturendag kunnen exploiteren, maar drie en dit alles met de bestaansmiddelen om de arbeider één dag van zijn leven recht te houden. In dit geval is het idee van  de volledig verwezenlijkte interesse gewoon een fysieke onmogelijkheid.

De kapitalisten van Wallerstein drijven hun wensdromen in verband met de fysieke draagkracht van hun arbeiders echter niet zover. Zij zijn redelijke en beschaafde mensen, echte producten van de Renaissance en de Verlichting! Hen "interesseert" slechts de "beschikbaarheid" van de arbeid en "de kost" ervan. Daarom kan Wallerstein de werkelijke historische gang van zaken naar believen omkeren zonder onmiddellijk op ongerijmdheden van het voornoemde soort te stoten en de uitbreiding van de loonarbeid ontwikkelen als het gevolg van een wilsbeschikking.

Als de uitbreiding van de loonarbeid afhangt van een dergelijke wilsakt, waarom zou hij dan niet mogen beweren dat "deze overwegingen"  met betrekking tot de beschikbaarheid en de kosten van de arbeid "zoals al vaak is beschreven (?) de basis vormen voor de totstandkoming van het instituut loonarbeid."? (zie p.18)

Zou het niet kunnen dat de handelsburger, eens hij buiten het traditionele gildesysteem getreden was, dat inderdaad te veel kosten met zich meebracht en een belemmering voor de verdere ontwikkeling van de handel werd,  eens de loonarbeid bij de concurrentie een feit was, eens er ook door het al goed aan gang zijnde ontbindingsproces van de middeleeuwse productiewijze een bezitsloos proletariaat voorhanden was, waaruit zowel de initiële kapitalist van Wallerstein als zijn concurrenten konden putten, voor het overleven van zijn zaak gaandeweg gedwongen werd zijn toevlucht te nemen tot de loonarbeid ? Zou het met andere woorden niet kunnen dat de economische noodzaak uiteindelijk de doorslag gegeven heeft op de interesse van de kapitalist?

Waarom heeft Wallerstein niet meteen het proletariaat zelf kant en klaar uit het niets, of liever gezegd uit de burgerlijke wilsbeschikking tevoorschijn getoverd, deze mensen die zich bevinden in "de situatie waarin een groep personen voortdurend beschikbaar was voor werk, min of meer (?) voor de hoogste bieder"(ibidem)?

Het kapitalisme dat op de wijze ontstaan zou zijn zoals Wallerstein wil, is geen historisch maar een metafysisch kapitalisme, waarin de tot quasi-bovennatuurlijke kracht verheven wil van de kapitaalbezitter vanaf het eerste hoofdstuk van Wallersteins Genesis de "interesse" in bepaalde maatschappelijke verhoudingen vlees en bloed laat worden. Het schetsen van de werkelijke herkomst van het proletariaat uit de lijdzaam wegrottende klassen van de middeleeuwse maatschappij zou beslist minder plaats in beslag genomen hebben dan zijn gezeur over de subjectieve voorkeur van de kapitalist.

Maar genoeg nu van deze lammetjesachtige filosofische bespiegelingen ... Per slot van rekening zijn we hier om aan politieke economie en historische kritiek te doen!

Ook Wallerstein verlaat zijn wijsgerige tuin van Eden om aan de zuur verdiende inzichten van zijn historisch onderzoek het karakter van sociale wetenschap te geven. De loonarbeid, welnu, beschrijft hij "als het functioneren van de arbeidsmarkt en de personen die hun  a r b e i d  verkopen als proletariërs."(p.18-mijn cursief en spatiëring)

Onze professor houdt er een zeer uitzonderlijke opvatting over wetenschappelijke vooruitgang op na. In plaats van zich de bewezen inzichten van zijn voorgangers eigen te maken en verder te ontwikkelen, herhaalt hij hun fouten en tegenspraken en noemt deze een nieuwe richting in de maatschappijkritiek. 

Het was niet voor niets dat we in de eerste paragraaf van dit hoofdstuk spraken over de loonarbeid als koop en verkoop van arbeidskracht of arbeidsvermogen en niet over de ruil van arbeid.    

Zoals we zagen bepaalde de klassieke economie de arbeid als maat voor waarde. In de moderne samenlevingen worden de arbeidsinspanningen van de mens evengoed in het ruilverkeer opgenomen. Het scheen dan ook de logica zelve om de loonarbeid als de verkoop van arbeid op te vatten en aldus de menselijke arbeid als waar te beschouwen.

Maar wie A zegt moet ook B zeggen. Als we kunnen praten over de arbeid als waar, dan moeten we ook één en ander kunnen zeggen over de ruilwaarde van de arbeid. Smith, Ricardo, Say, Sismondi etc. moesten zich grotendeels beperken tot uitspraken over de toename of daling van de waarde van de "arbeid". En niet zonder reden.

Bij Ricardo, die zich in het eerste hoofdstuk van zijn Principles haast om te ontkennen dat het nut  en dus uiteindelijk de schaarste in haar vulgaireconomische betekenis, in de betekenis van de willekeurige bewegingen van de verhouding tussen vraag en aanbod, de ruilwaarde zou bepalen  ("Het nut is niet de maatstaf van ruilwaarde alhoewel het er een essentiële voorwaarde voor is"-Hfst 1, par.1, p.5), lezen we omtrent de waarde van arbeid onder andere:

"Volgens de natuurlijke vooruitgang van de samenleving, zullen de lonen uit arbeid een dalende tendens vertonen, voor zover zij door vraag en aanbod bepaald worden; immers, het aanbod van arbeiders zal in een gelijke tred ermee uitbreiden, terwijl de vraag ernaar trager zal toenemen ... Ik zeg dat, onder deze voorwaarden, de lonen zouden dalen indien zij slechts geregeld zouden worden door de vraag naar en de aanbod van arbeiders."

Wanhopig spartelend om een tegenspraak met zijn eigen uitgangspunten te vermijden, voegt hij er onmiddellijk aan toe:

" ...  maar we mogen nooit vergeten dat de lonen ook geregeld worden door de prijzen van de waren waaraan ze worden uitgegeven." (Principles of Political Economy and Taxation, hfst.5, p.57)

Ricardo slaagt er dus niet in om de door hem naar voor geschoven arbeidswaardeleer consequent toe te passen op de loonarbeid. Immers, vraag en aanbod zijn hier niet de uiterlijke bewegingen van de prijs rond de ruilwaarde, maar een werkelijk grondstoffelijk element in de vorming van de ruilwaarde van de arbeid. Om deze eigenaardige wending op te vangen, neemt hij er nog een tweede waardescheppend element bij, los van het eerste : de prijzen van de waren waaraan het loon opgaat.

Hoe moet deze afwijking van de eenduidige, samenhangende verklaring van de ruilwaarde als arbeidstijd, door vraag en aanbod op gelijke hoogte te nemen met de waarde van de benodigdheden om de arbeidskracht te reproduceren nu verklaard worden ?  We geven het woord aan Friedrich Engels:

"De klassieke economie vond dat de waarde van een waar  bepaald wordt door de in haar besloten,voor haar productie vereiste arbeid," schrijft hij, "... Zodra de economen deze waardebepaling echter op de waar 'arbeid' toepasten, vervielen zij van de ene tegenstrijdigheid in de ander. Hoe wordt de waarde van de 'arbeid' bepaald ? Door de daarin vervatte noodzakelijke arbeid. Hoeveel arbeid steekt er in de arbeid van een arbeider voor een dag, een week, een maand, een jaar ?  De arbeid van een dag, een maand, een jaar. Wanneer de arbeid de maat van alle waarden is, dan kunnen wij de 'waarde van de arbeid' immers slechts uitdrukken in arbeid. Wij weten echter absoluut niets over de waarde van een uur arbeid wanneer wij slechts weten dat die gelijk is aan een uur arbeid. Daarmee zijn wij dus geen haarbreed nader bij ons doel, wij draaien voortdurend in een kring rond." (Engels, Inleiding van 1891 tot Loonarbeid en kapitaal, in: Marx, Loonarbeid en kapitaal, Pegasus, Amsterdam, 1977, p.9-10)

Als we de loonarbeid trachten te begrijpen als de verkoop van arbeid komen we terecht in een tautologie die de ganse waardeleer, en daarmee de gehele economische wetenschap, op losse schroeven zet. Nochtans bieden de loonarbeiders zichzelf evengoed aan als een hoedenmaker de door hem vervaardigde hoofddeksels.  

Mocht Wallerstein, tegen alle verwachtingen in, ooit eens dezelfde doortastendheid aan de dag leggen als de beste der klassieke economen en de logische consequenties van zijn formules uitwerken, hij zou op dezelfde tegenstellingen stuiten.

Maar we kunnen hem geruststellen. Het reddende antwoord op dit vraagstuk werd reeds meer dan een eeuw geleden gegeven. En dan nog wel door de mensen waarvan hij in de inleiding van zijn Historisch kapitalisme, met de opgeblazen pretentie eigen aan de eclecticus, durft zeggen "dat ze maar wisten zoveel ze wisten." (vgl.p.8) Marx wist inderdaad maar zoveel hij wist en geen enkele marxist mag van hem verwachten dat hij meer wist dan hij kon weten. Wallerstein van zijn kant weet minder dan hij kon weten, aangezien hij er nog niet eens in slaagt om de transactie tussen loonarbeider en kapitalist in de juiste formule te gieten.

Ongeacht of hij in de overtuiging verkeert dat hij voor zijn volledige arbeid wordt vergoed of niet, is het niet zijn arbeid die de loonarbeider op de markt verkoopt, maar zijn arbeidskracht.

In het woord vooraf tot de eerste uitgave van Het Kapitaal deel II, dat Engels in mei 1885 toevoegde aan de bewerkte handschriften van de twee jaar eerder overleden Marx naar aanleiding van diens verjaardag, vinden we een kernachtige samenvatting van deze wetenschappelijke doorbraak:

"Als activiteit die waarde creëert, kan hij (de arbeid-nvdr.) evenmin een bepaalde waarde bezitten, als de zwaartekracht een bepaald gewicht heeft, hitte een bepaalde temperatuur, elektriciteit een bepaalde stroomsterkte. Het is niet de arbeid die als koopwaar gekocht en verkocht wordt, maar de arbeidskracht. Zodra de arbeidskracht een koopwaar wordt, wordt zijn waarde bepaald door de arbeid die belichaamd wordt in deze waar als maatschappelijk product. Deze waarde is gelijk aan de arbeid die maatschappelijk noodzakelijk is voor de productie en de reproductie van deze waar. De koop en verkoop van arbeidskracht op basis van haar waarde aldus omschreven is helemaal niet in tegenspraak met de waardewet."
(Zie: Marx, Capital, dl.II, Engelse vertaling, Progres, Moskou, 1971, p.19 -cursivering van Engels)        

De arbeid, zouden we met andere woorden kunnen zeggen, is slechts de werkzaamheid van de natuurkracht die ruilwaarde voortbrengt en het is deze natuurkracht zelf, het menselijke vermogen tot arbeid, die in de moderne samenleving als koopwaar circuleert.

Vergeten om het onderscheid te maken tussen arbeid en arbeidskracht in de ontleding van het verschijnsel loonarbeid staat inderdaad gelijk aan het verwarren van de specifieke kracht waarmee Newtons appel neersuisde met het natuurverschijnsel dat eraan ten grondslag ligt.*

Wanneer hij de loonarbeid beschrijft als de koop en verkoop van "arbeid", handelt Wallerstein zelfs niet in overeenstemming met de manier waarop deze verhouding verwoord wordt door zijn grote voorbeeld, Fernand Braudel. Braudel, die als burgerlijk historicus over het algemeen veel minder praats op heeft tegen het marxisme dan zijn "linkse" leerling, laat over deze kwestie niet het minste misverstand bestaan.

"De arbeidsmarkt," schrijft hij, "is de markt van de mens, waar hij ook vandaan komt, zich aanbiedt, ontdaan van zijn traditionele 'productiemiddelen' als hij die al ooit heeft gehad: een lapje grond, een weefgetouw, een paard, een kar. Hij heeft niets anders te bieden dan zijn handen, zijn armen, kortom zijn 'arbeidskracht'. En natuurlijk zijn handigheid." (Braudel, Beschaving, economie en kapitalisme, dl.II, Het spel van de handel, Uitgeverij Kontakt, Amsterdam, 1989, p.41)   

Behalve dat Braudel de arbeidskracht van de mens een beetje enggeestig beperkt tot diens spierkracht en de handigheid, die evengoed een element van de arbeidskracht vormt, als een gegeven apart beschouwt, valt op deze passage veel minder aan te merken dan op het beetje vulgair-marxisme dat het bezwarend materiaal vormt voor het radicale verleden van Wallerstein.

Nu kan men zich natuurlijk de vraag stellen waarom de arbeidskracht als enige natuurkracht een bepaalde ruilwaarde kan hebben. Het antwoord daarop is heel eenvoudig:  omdat ze zelf voortgebracht moet worden door middel van arbeid; namelijk deze die nodig is om de middelen voort te brengen om de arbeidskracht te produceren en te reproduceren. In mensentaal: de ruilwaarde van de arbeidskracht is gelijk aan de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd gevat in de bestaansmiddelen die nodig zijn om haar te onderhouden, te laten voortbestaan en ter beschikking van de kapitalist te houden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de elektrische krachten, die evengoed zonder menselijke arbeid in de natuur tot uitbarsting kunnen komen, veronderstelt het voortbestaan van de arbeidskracht haar eigen werkzaamheid, de arbeid, die onder de omstandigheden van ontwikkelde ruil zelf de maat begint te vormen voor waarde.

Hoewel het wetenschappelijke inzicht van de meest ontwikkelde bourgeois nooit veel verder gereikt heeft dan het concept van de "koop en verkoop van arbeid", is hun praktisch handelen toch steeds in overeenstemming geweest met de feitelijke wetmatigheid. Als de Britse industriëlen bij het einde van de jaren 1830, via de agitatie van de Anti-Corn Law Leage, op een georganiseerde manier begonnen op te treden tegen de beschermende invoerrechten op graan die de grootgrondbezitters van een hoog inkomen moesten verzekeren, dan hadden zij maar één doel voor ogen: de beschikbaarheid van goedkopere bestaansmiddelen die hen de ruimte gaven om de lonen te verlagen. Hetzelfde gaat op voor de afschaffing in 1866, door het liberale kabinet Frère-Orban, van de glijdende schaalheffingen op de invoer van buitenlandse landbouwproducten in België. In Engeland gaf de strijd van de bourgeoisie, die de arbeiders domweg voor grote ezels hield die zij met gemak de wortel van goedkopere bestaansmiddelen voor de neus kon houden juist onmiddellijk aanleiding tot een versnelde politieke bewustwording van het proletariaat. In plaats van de arbeiders met het burgerlijke belang te verzoenen, leidde het politieke gestook van de bourgeoisie voor de vrijhandel juist tot de groei van de Beweging voor het Volkscharter, de eerste politieke massaorganisatie uit de geschiedenis van het industriële proletariaat. En zo gaf de "interesse" van de kapitalist gestalte aan een monster uit zijn meest bezwete angstdromen: de proletarische partij.

De natuurlijke prijs van de arbeidskracht is niet gelijk aan het minimumloon dat de individuele arbeider in staat stelt zich net zo lang op de been te houden tot zijn kinderen zijn afgeschreven arbeidsvermogen kunnen aflossen.

De waarde van de arbeidskracht is, net zoals elke ruilwaarde, een maatschappelijke verhouding. Het loon mag gerust dalen onder het overlevingsminimum van de individuele arbeider; zulks heeft meestal alleen maar tot gevolg dat hij nu fysiek gedwongen wordt om zijn levenspartner en kinderen in de klauwen van het kapitaal te werpen. Het loon mag zelfs gerust zo halsoverkop ineenstorten dat hele arbeidersgezinnen van de honger en de ontberingen omkomen. Zolang er genoeg klaarstaan om hun gestorven makkers onmiddellijk te vervangen, zolang de materiële omstandigheden nog een voldoende snelle opeenvolging van de generaties toelaten, kan het loon naar believen dalen.

Maar dit is slecht één zijde van de maatschappelijke bepaaldheid van het arbeidsloon, dat geenszins noodzakelijk hoeft samen te vallen met de natuurlijke prijs van de arbeidskracht. Zodra de arbeiders, die vroeger als monaden, als individuele verkopers van hun arbeidskracht tegenover de geconcentreerde krachten van het kapitaal stonden, zich zelf beginnen manifesteren als geconcentreerde macht, gaat de beweging de tegenovergestelde kant uit. Van zodra hun objectieve verhouding tot elkaar als leden van dezelfde klasse een bewuste verhouding wordt en dit bewustzijn grootschalige verwezenlijking vindt in het optreden van coalities tussen arbeiders, begint het prijskaartje dat de arbeiders aan hun economische zelfopoffering hangen als voorwaarde voor de "beschikbaarheid" van hun arbeid hogere bedragen op te geven. Het kapitaal dat tegenover de loonarbeider in principe als een geconcentreerde, monopolistische kracht was opgetreden, wordt vanaf dan zelf geconfronteerd met een monopolie, een monopolie van de arbeid.

Daarom zijn ook lonen die hen toegang geven tot meer dan wat absoluut noodzakelijk is voor hun dierlijk verderbestaan als klasse helemaal niet in tegenspraak met de arbeidswaardeleer inzake de koop en verkoop van arbeidskracht, evenmin als het in tegenspraak is met de economie dat bepaalde waren boven hun natuurlijke prijs worden verkocht.

Het begin van de moderne klassenstrijd, het stadium waarin het proletariaat zich vooralsnog beperkt tot minimumeisen waarvan de verwezenlijking zijn positie binnen de bestaande orde draaglijker moet maken, is niets anders dan deze ontkenning van het eerste aspect : de arbeider die voor de keuze stond tussen een hongerloon en de hongerdood stelt de kapitalist op zijn beurt voor de keuze tussen een beetje minder winst opstrijken of gedurende een periode helemaal geen winst meer maken.

Maar zover zijn we nog lang niet in de wetenschappelijke analyse. En Wallerstein zal er ook nooit toe komen. Bij hem zal de historische hoofdrol in het aan de kaak stellen en omvormen van de hedendaagse maatschappijverhoudingen niet gespeeld worden door het proletariaat, maar door de anti-systeem-bewegingen in het algemeen, waarvan de arbeidersbeweging slechts één verschijningsvorm is. Even onbepaald als hij is in zijn wetenschappelijke premissen, even vaag en dubbelzinnig zal hij blijven in zijn politieke gevolgtrekkingen... het enige waarin hij zijn eigen formele logica met de grootste consequentie zal handhaven.

Tenslotte nog een woordje over de omvang en de samenstelling van het proletariaat.

Voor een keer erkent Wallerstein dat hij "niets nieuws vertelt" wanneer hij zegt dat ... "in het historisch kapitalisme een groeiende proletarisering van de arbeidersmassa's heeft plaatsgevonden."(zie p.18) Anderzijds verbaast hij er zich met grote ogen over dat de volledig geproletariseerde arbeid in de tegenwoordige wereld  de vijftig percent niet haalt.

Hij vergeet dat in de kapitalistische metropoollanden, de historische thuisbasis van het wereldkapitaal die hij  "het centrum" noemt, de volledige geproletariseerde arbeid wel degelijk vijftig percent haalt. In een klein "centrum"land als België verricht niet minder dan drie vierde van de werkende bevolking één of andere vorm van loonarbeid. In deze landen bestaan de kapitalistische verhoudingen ter wille van de eigen bourgeoisie. In de landen van de hedendaagse "periferie", de neokoloniale wereld, daarentegen bestaat veruit het meeste wat maar ruikt naar kapitalistische verhoudingen in functie van het kapitalisme in de metropoollanden, zelfs de eigen inheemse bourgeoisie.

Zelfs productieverhoudingen, zoals bepaalde vormen van slavernij, die nog dateren uit een vorig historisch tijdperk worden omgesmeed tot verhoudingen dienstbaar aan de belangen van de bourgeoisie uit het centrum -als deze verhoudingen al niet speciaal voor de gelegenheid in het leven geroepen worden ! De kinderslavernij, die in de Indische en Pakistaanse confectienijverheid een zeer grote verspreiding kent, bestaat niet, evenmin als de verhoudingen van bonded labour (knevelarij) op het Indische platteland, ter wille van de folklore (hoewel beide vormen al bestonden in de traditionele Aziatische maatschappij) maar komen allebei voor in het exportgerichte grootlandbouw- en industrieel bedrijf. Het aantal kinderen dat in India vastgeklonken zit aan deze voorkapitalistische productieverhoudingen wordt geraamd op zo'n kleine 13 miljoen.

Dit alles zal natuurlijk door Wallerstein volmondig beaamd worden. Hij werpt zich zelfs op als één van de geniale ontdekkers van deze globale verhouding van ontwikkeling en onderontwikkeling. Zonder het te weten echter geeft hij, door zijn verbazing te uiten over de verhoudingsgewijs geringe proletarisering, zijn eigen stijfkoppige ontkenning van de regelmatig weerkerende ontwikkelingsfasen in de sociale en economische geschiedenis een stevige knauw.

Veruit het grootste deel van de niet-geproletariseerde bevolking bevindt zich uitgerekend in de periferie waar de kapitalistische ontwikkeling plaatsgegrepen heeft als noodzakelijke uitloper van deze in het centrum. Enerzijds zien we dat de kapitalistische productiewijze in de zogenoemde periferie de overgang van de oude, traditionele arbeidsverhoudingen naar moderne loonarbeid heeft laten plaatsgrijpen zonder de tussenstadia die we in een centrumland zoals bijvoorbeeld Engeland tegenkomen. Anderzijds zien we dat het proces van proletarisering bijlange na niet zover gevorderd is in de periferie als in het centrum. Dit houdt maar op ons te verbazen wanneer we toegeven dat de kapitalistische productiewijze, juist door deze afgeleide ontwikkeling, haar "streven" om de mensen te laten optreden als verkopers van hun arbeidskracht niet volledig heeft kunnen ontplooien, of deze tendens alleszins aan een veel trager tempo ontplooit.

Daarom zouden we er ons ook niet over moeten verbazen wanneer we desondanks met betrekking tot het proces van proletarisering in de neokoloniale wereld dezelfde fundamentele wetmatigheden terugvinden als in de metropoollanden.

Dan is niet het historisch materialisme het verstarde wereldschematisme, maar het credo van centrum en periferie.

Sterker nog, Wallerstein relativeert het proces van proletarisering niet alleen naar de omvang, maar tevens naar de opbouw van het proletariaat :     

"Als we (...) uitgaan van alle personen wier arbeid op de één of andere manier betrokken is bij het systeem van goederenproductie en die dus ook meetellen - vrijwel alle volwassenen vrouwen, een groot deel van de nog niet volwassenen en de ouderen, niet meer in de kracht van hun leven- dan zakt het percentage proletariërs drastisch."(p.18-19)

Als we er daarentegen van uitgaan dat tot het proletariaat iedereen behoort die "op één of andere manier" voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van een inkomen uit loonarbeid, dan kan deze kronkel van Wallerstein niet anders dan een volslagen overbodige uitwas van zijn geforceerde  vernieuwingsdrang worden genoemd. Dan hoeft ook de grote omvang van wat we mogen verstaan onder proletariaat ons evenmin te verbazen als het geremde proletariseringsproces in de neokoloniale wereld. Minder verbaasde wetenschappers zullen misschien ooit de onbevangenheid opbrengen om zonder academische complexen te erkennen dat Wallerstein maar wat uit zijn nek slaat om de bladzijden gevuld te krijgen. De verbazing kan zowel de rijping van de kindse geest aanwijzen, als het verval van de rijpe geest in de kindsheid.

Voor Wallerstein zelf is deze laatst aangehaalde opmerking over de omvang van het proletariaat van het hoogste gewicht om een voorwaar uiterst verwerpelijk aspect van het historisch kapitalisme te kunnen aankaarten: het onderscheid dat er gemaakt wordt tussen de produktieve arbeid  van de individuele loonarbeider en de zogezegd niet-productieve arbeid van zijn huisgenoten.


c) Productieve en niet-productieve arbeid; de productie van meerwaarde

Over het proletarische, over liever gezegd proletariserende gezin, heeft Wallerstein ons het volgende mee te delen:        
"In de context van een dergelijke huishoudingstructuur begon men de werkende klasse in sociaal opzicht te onderscheiden in een productief en een onproductief deel. De facto begon men productieve arbeid  te definiëren als arbeid waarmee geld verdiend kon worden (in de eerste plaats loonarbeid); en niet-productieve arbeid als arbeid die, hoewel zeer noodzakelijk, slechts een bezigheid was ten behoeve van het eigen levensonderhoud en die daarom, zo zei men, geen 'surplus' voortbracht dat iemand anders zich mogelijkerwijs kon toe-eigenen. Deze arbeid was ofwel in het geheel niet vercommercialiseerd of had betrekking  (maar dan werkelijk onbetekenende) wapenproductie. Het onderscheid tussen soorten arbeid werd bevestigd in de vorming van specifieke rollen die ermee verbonden waren. Productieve (loon)arbeid werd in de eerste plaats een taak voor de volwassen man/vader en in de tweede plaats voor de andere (jongere) volwassen mannen in het huishouden. Niet-productieve arbeid (voor het eigen onderhoud) werd in de eerste plaats een taak voor de volwassen vrouw/ moeder en in de tweede plaats voor andere vrouwen, plus kinderen en oudere mensen. Productieve arbeid werd buiten de huishouding in de 'werkplaats' verricht. Niet-productieve arbeid werd binnen de huishouding verricht." (p.19-20- mijn cursief)

Eerst en vooral moet er klaarheid worden geschapen in wat Wallerstein bedoeld met de "men" die wij in zijn tekst zo aanmatigend hebben gecursiveerd.

"Men" is in de eerste plaats, en daarmee zal ook Wallerstein instemmen, de bourgeoisie, die de ganse in zwang zijnde beschouwingswijze van de arbeid naar haar eigen beeld en gelijkenis, haar eigen welgevallen en zeer zeker ook haar eigen onvervulbare wensdromen heeft herschapen.

"Men" is vervolgens ook eenieder buiten de burgerij die de burgerlijke wereldbeschouwing in zich opneemt. Per slot van rekening, zo weten we sinds Marx, zijn de heersende ideeën de ideeën van de heersende klasse.

We kunnen ermee volstaan dat Wallerstein hier ten behoeve van zijn betoog hier heel even de burgerij zelf aan het woord laat, de burgerij zoals ze zich "voor zijn ogen" heeft ontwikkeld in het historisch kapitalisme.

Maar kan Wallerstein, die voor het ontstaan van de loonarbeid de interesse van de kapitalist als uitgangspunt neemt, het de burgerij dan kwalijk nemen dat zij, wanneer zij spreekt in de taal en de logica die haar door het historische proces zijn eigengemaakt, ook het arbeidsproces door haar eigen gekleurde bril ziet?

Is het, met andere woorden, niet vanzelfsprekend dat de burgerij slechts als productieve arbeid bestempelt wat vanuit het standpunt van haar eigen belangen productieve arbeid is: namelijk arbeid die rechtstreeks winst oplevert ? Hoe noodzakelijk ook de thuisarbeid voor het reproduceren van de waar arbeidskracht, van de thuisarbeid alleen smeert de bourgeoisie geen boterham. De loonarbeider overigens al evenmin.

Zelfs op het vlak van de economische theorie snijdt de visie van de bourgeoisie meer hout dan Wallersteins pogingen om de zaak maatschappijkritisch te benaderen. Huishoudelijke arbeid, bijvoorbeeld van de thuiswerkende vrouw, is bijna uitsluitend bron van gebruikswaarde. Zoals Wallerstein zelf grootmoedig toegeeft, heeft de huishoudelijke arbeid hoogstens betrekking op "werkelijk onbetekenende wapenproductie".

Omdat Wallerstein, zoals we eerder aantoonden, vergeten is om in zijn eerste karakterisering van het productieproces de arbeid afzonderlijk te beschouwen als bron van gebruikswaarde dan wel van ruilwaarde, moet hij de politieke economie opnieuw alle hoeken van de kamer laten zien, dit keer in de discussie over productieve en niet-productieve arbeid.

De bourgeoisie van haar kant mest zich vet op de ruilwaarde, en wel meer bepaald op de ruilwaarde die het verschil vormt tussen de waarde die nodig is om het ganse productieproces op gang te houden en de werkelijke waardeafgifte van de menselijke arbeidskracht.

Zowel de meerwaarde als de voordelen van de huishoudelijke arbeid die geen ruilwaarde oplevert, krijgt de kapitalist voor noppes en een schouderklopje. Beide zijn vormen van arbeid, waar hij van zijn kant niets van ruilwaarde moet tegenover stellen : de tweede levert hem gratis de gebruiksklare arbeidskracht, de eerste is het gevolg van haar gebruik.

Er is echter één verschil. De thuisarbeid kan hij gerust aan het initiatief van de loonarbeider overlaten. De meerwaarde moet hij er letterlijk uit persen. Onze proletariërs ondervinden onder de gegeven omstandigheden nu eenmaal, als ze de vrije keuze hebben tussen één van beide, veel meer voldoening aan het maken van kleine proletariërtjes dan aan het assembleren van een automobiel. Ze genieten nu eenmaal meer van het resultaat van het reinigen van hun woning dan van het resultaat van het opboenen van de fabrieksruimte.

Waarom beschouwt de bourgeois de loonarbeid dus als productief, zeg maar belangrijker dan thuisarbeid? Omdat de loonarbeid voor zijn onmiddellijke individuele behoefte aan ruilwaarde ook effectief belangrijker is. De loonarbeid produceert rechtstreeks de ganse bestaanswijze van de kapitalist. Daarom kan ook Marx, in een uitzonderlijke samenklank met het men van Wallerstein, met een gerust geweten verklaren:

"Productieve arbeid, in zijn betekenis voor de kapitalistische productie, is loonarbeid die uitgewisseld tegen het variabele deel van het kapitaal (het deel van het kapitaal dat wordt gespendeerd aan lonen) niet alleen dit deel van het kapitaal (of de waarde van zijn eigen arbeidskracht) reproduceert, maar bovendien meerwaarde voortbrengt voor de kapitalist. Slechts hierdoor wordt een waar of geld omgevormd tot kapitaal, geproduceerd als kapitaal. Slechts deze loonarbeid die kapitaal produceert, is productieve arbeid." (Marx, Theories on Surplus Value, dl.I, Hst.5, Progres, Moskou, 1975, p.152 -mijn cursief)

Productiviteit in de kapitalistische zin van het woord, zo gaat Marx verder, is gebaseerd op relatieve productiviteit, namelijk dat de arbeider niet slechts een oude waarde vervangt maar er een nieuwe bij schept (vgl.p.153).

Net zoals de productieve consumptie gebonden is aan de maatschappelijke betrekkingen van een tijdperk, hangt ook wat beschouwd mag worden als productieve arbeid af van de heersende maatschappelijke verhoudingen.

Meer nog. Nu we het onderscheid hebben gemaakt tussen ruilwaarde en gebruikswaarde, kunnen we in de omschrijving van het begrip productieve consumptie ontsnappen aan de hele resem betekenissen waarmee we in het begin geconfronteerd werden en die de zaken er alleen maar ingewikkelder op maakten. Gedefinieerd naar de ruilwaarde en bekeken in het kader van de kapitalistische productiewijze is de productieve consumptie dan het tweede stadium van de maatschappelijke kringloop van het kapitaal:

"Eerste stadium: de kapitalist verschijnt als koper op de waren- en arbeidsmarkt; zijn geld wordt omgezet in waren, ofwel: het gaat door de omloopbeweging G - W. Tweede stadium: Produktieve consumptie van de aangekochte waren door de kapitalist. Hij treedt op als een kapitalistische warenproducent; zijn kapitaal gaat door het productieproces. Het resultaat is een koopwaar van hogere waarde dan deze van de elementen die in de productie ervan werden opgenomen.  Derde stadium: De kapitalist keert terug naar de markt als verkoper; zijn waren worden omgezet in geld, ofwel: ze gaan door de omloopbeweging W- G." (Marx, Capital, dl.II, p.25-mijn cursief)

Vanuit kapitalistisch standpunt is productieve consumptie gewoon het proces waarbij de kapitaalbezitter productiemiddelen en arbeidskracht verbruikt met het doel meerwaarde te verkrijgen. Over en uit.

Tot slot willen we slechts nog opmerken dat Wallerstein ook van sommige schrijvers die zich opwerpen als de verdedigers van het marxisme, geen lessen te ontvangen heeft in het correct gebruik van het begrip produktieve arbeid. Waar Wallerstein in zijn bespiegelingen over produktieve arbeid Marx tenminste met rust laat en zijn ideeën op eigen verantwoordelijkheid neemt, meent Leo Michielsen, oud-ideoloog van de Belgische Kommunistische Partij, verbeteringen te moeten aanbrengen aan Marx' zogenaamd beperkt concept van de zaak. Uiteraard met de welgemeende bedoeling het marxisme te vervolledigen, te corrigeren en het aldus voor het nageslacht te redden!

"Produktieve arbeid wordt door Marx zeer eng bepaald en wel in twee opzichten. In een eerste opzicht. De ambachtsman, de kleermaker bijvoorbeeld die een kostuum vervaardigt en het verkoopt, verkoopt wel een waar, maar is niet productief (in de betekenis die Marx aan het woord geeft -nvdr.) De kleine zelfstandige boer, die zijn landbouwproducten verkoopt, verkoopt waren, maar hij is niet productief. Het is moeilijk om uit te maken of hij meer produceert dan wat nodig is voor eigen levensonderhoud, soms wel, meestal waarschijnlijk niet, gezien de relatief lage productiviteit van zijn arbeid. (...) Essentieel voor hem (Marx-nvdr.) is dat de kleermaker en de kleine boer geen loonarbeiders in dienst van een kapitalistisch bedrijf zijn ; ... zij produceren geen meerwaarde die door de kapitalist toegeëigend wordt. Enkel arbeidskracht, die in kapitaal wordt omgezet en nieuw kapitaal voortbrengt is productief." (Michielsen, Neokapitalisme, Jacquemottestichting, Brussel, 1969, p.35-36)   

Michielsen, die zich nog haast om te verklappen dat Marx spreekt vanuit het standpunt van de kapitalist, noemt diens opvatting deze van produktieve arbeid "in de enge zin van het woord"(zie p.37)

Wat is dan produktieve arbeid in de brede zin van het woord?

Heel eenvoudig, zegt Michielsen, de leidinggevende arbeid van sommige kapitalisten (deze die zich nog persoonlijk met het beheren van hun zaken bezighouden), speelt evengoed een rol als produktieve arbeid. De handelsingenieurs die marktanalyses verrichten; publiciteitsagenten; public-relations-mensen ...

"In acht genomen dat waanzinnige concurrentie een integrerend deel van het gegeven maatschappelijk stelsel uitmaakt, moet ook de bedrijvigheid van deze lieden als sociaalnoodzakelijk beschouwd worden."

Michielsen raakt, hoewel hij bij het begin van zijn economische analyse wel het onderscheid maakt tussen de twee aspecten van de waar, verstrikt in dezelfde dubbelzinnigheden als Wallerstein. Het sociaalnoodzakelijk karakter van de geestelijke arbeid is niet alleen gebruikswaarde voor de kapitalist; in de mate waarin deze activiteiten inderdaad maatschappelijk noodzakelijk zijn, kan de kapitalist ook de geestelijke arbeid verrekenen in de ruilwaarde van de door hem aangeboden koopwaar. Wanneer hij echter de arbeidskracht van deze publiciteitslieden, handelsingenieurs e.d. moet vergoeden, zal hij natuurlijk bij voorkeur ook zoveel van de vruchten van hun arbeid achteroverdrukken. Dan zal ook blijken dat deze arbeidskracht meerwaarde afgeeft en dat haar inspanningen vanuit het standpunt van de kapitalist zeer zeker produktieve arbeid genoemd mogen worden. Als de kapitalist die zelf geestelijke arbeid levert, zich minder van de door de werking van zijn grijze massa afgegeven waarde toeeigent voor onmiddellijke consumptie dan het geheel van deze door hemzelf voortgebrachte ruilwaarde en het waardeoverschot, de meerwaarde, opnieuw als kapitaal gaat aanwenden, dan heeft zelfs onze uitbuiter produktieve arbeid verricht- nogmaals: vanuit het standpunt van zijn eigen klasse.

Van zodra men het tegenstrijdige karakter van ruilwaarde en gebruikswaarde, al is het nog maar even, uit het oog verliest loopt men reeds het risico om zelfs met betrekking tot de meest rudimentaire begrippen uit de economie in de meest onontwarbare tegenspraken te verzanden.

Vanuit de gebruikswaarde beschouwd, betekent productiviteit het voortbrengen van zoveel mogelijk waardesubstantie, gebruikswaarde in een zo gering mogelijke tijd. Maar met de afname van de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd, daalt de ruilwaarde van de waar.    

De kapitalist, die zijn persoonlijke rijkdom uitdrukt in ruilwaarde, meer bepaald in haar maatschappelijke waardemeter, het geld, wordt aldus de beklagenswaardige gevangene van een vicieuze schaarbeweging waarmee zijn eigen winsthonger hem parten speelt. Enerzijds bestaat zijn verlangen naar een hoge winstvoet. Maar met een kracht evenredig aan de intensiteit waarin hij zijn winsthonger botviert, komt vanuit de koulissen van het productieproces de objectieve wetmatigheid van de tendens van de dalende winstvoet haar rechten opeisen. Om zijn hoofd boven water te houden, moet de kapitalist zich van steeds meer geperfectioneerde productiemethoden bedienen, die alle de maatschappelijk noodzakelijke tijd voor de productie van de waar, en daarmee ook de ruilwaarde van de afzonderlijke waar, naar beneden drijven. In de taal van Marx' Kapitaal: het variabele deel van het kapitaal, dat deel besteed in de vorm van lonen, wordt kleiner in vergelijking met het constante deel van het kapitaal, het deel van het kapitaal geïnvesteerd in de vorm van niet-menselijke productiemiddelen.

Het gebruik van de in de technische procédés opgesloten natuurkrachten is gratis en voor niks en geeft dan ook geen ruilwaarde af. De machinerie, de wetenschappelijke methodes, de gebouwen, ... kortom het constant kapitaal, geeft slechts de ruilwaarde af die gelijkstaat aan de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die de productie van deze technische hulpmiddelen in beslag genomen heeft.

In feite liggen de zaken doodsimpel: in de economische oorlog van allen tegen allen, gaan de kapitalisten om hun tegenstanders de hals om te wringen en de hand te leggen op hun marktaandeel, steeds meer leunen op de buitenmenselijke natuurkrachten zoals ze door het arbeidsproces dienstbaar gemaakt zijn aan de mens en verhoudingsgewijs steeds minder op  de menselijke arbeidskracht zelf. Door de waardescheppende arbeidskracht gaandeweg te vervangen door de kosteloze zelfwerkzaamheid van de getemde natuur, besnoeien ze tegelijkertijd in hun bron van meerwaarde.* De tendens van de dalende winstvoet is niets anders dan de tegenstrijdige verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde die binnen het kader van de kapitalistische productie optreedt als antithese van de interesse der kapitalisten in een lage relatieve arbeidskost.

Voor het socialisme komt het erop aan de tegenstrijdige verhouding tussen maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd en gebruikswaarde op te heffen. In de nieuwe samenleving zal het niet de arbeidstijd zijn die de ruilwaarde bepaalt, maar de gebruikswaarde, het nut, die zal bepalen hoeveel arbeidstijd er aan de productie van goederen en diensten gespendeerd zal worden. Het concept produktieve arbeid zal dan volledig in functie staan van de gebruikswaarde en niet het minst in functie van het maatschappelijke nut.

Michielsen, die zijn boek in de meest nobele bedoelingen begint met het onderscheid tussen ruilwaarde en gebruikswaarde, houdt van zodra de zaken er een beetje moeilijker op worden, met andere woorden, van zodra het erop aankomt het verschil tussen ruilwaarde en gebruikswaarde toe te passen op meer samengestelde economische begrippen zoals produktieve arbeid, alleen nog de gebruikswaarde of waardesubstantie over en tuimelt in dezelfde spraakverwarring als de vulgaireconomen die hij zo overtuigd over de hekel haalt. De weg naar het theoretisch verval is geplaveid met goede bedoelingen.

Al bij al doet Wallerstein het niet zoveel slechter als de marxiaanse ideologen, de verdedigers en verbeteraars van een methode die minder verbeteringen nodig heeft dan men op het eerste gedacht voorheeft. Uiteindelijk zijn het lieden van het laatste slag die de grootste verantwoordelijkheid dragen voor de verwrongen denkbeelden die als marxisme naar voor geschoven worden, maar in feite het marxisme omkneden en klaarstomen voor de zoveelste "vernietiging", "weerlegging" uit zijn geschiedenis. Nochtans moest Michielsen, als gedoodverfd woordvoerder van de eigen Belgische marxistische theorie, veel meer weten dan hij wist.

Marx daarentegen had de goede gewoonte om elke stelling vijf keer in zijn hoofd rond te draaien alvorens ze wereldkundig te maken, zonder ooit zelf aanspraak te maken op de wetenschappelijke onfeilbaarheid.


d) Arbeidsdeling volgens leeftijd en geslacht; de zogenoemde onderwaardering van vrouwelijke thuisarbeid

Middels zijn kritische navorsingen over produktieve en niet-productieve arbeid heeft Wallerstein het spoor van de vrouwendiscriminatie opgesnoven. Met hoogstzedelijke ernst verklaart hij dan ook, alsof het gaat om de wetenschappelijke doorbraak van de eeuw, dat volwassen mannen en vrouwen, kinderen en ouderlingen steeds verschillende taken gehad hebben, dat er waarschijnlijk (p.20) steeds al arbeidsdeling naar leeftijd en geslacht bestaan had ...

"Wat nieuw was in het historisch kapitalisme was de correlatie tussen de arbeidsverdeling en de waardering van verschillende arbeid. Waarschijnlijk hebben mannen altijd al andere arbeid verricht dan vrouwen (en volwassenen andere arbeid dan kinderen en oudere mensen), maar in het historisch kapitalisme heeft er een gestage depreciatie van vrouwenarbeid plaatsgevonden (en van arbeid verricht door kinderen en oudere mensen), en een corresponderende accentuering van de waarde van de arbeid verricht door volwassen mannen. Terwijl in andere systemen mannen en vrouwen specifieke (maar gewoonlijk gelijkwaardige) taken verrichtten, werd de volwassen mannelijke loonarbeider in het historisch kapitalisme geclassificeerd als 'kostwinner', en de volwassen vrouwelijke thuiswerker als 'huisvrouw'. Toen dus een begin werd gemaakt met het samenstellen van nationale statistieken, zelf een product van een kapitalistisch systeem, werden de kostwinners beschouwd als leden van de economisch actieve arbeidersmassa, maar huisvrouwen niet. Seksisme werd zodoende geïnstitutionaliseerd. Het wettelijke en semi-wettelijke stelsel van onderscheid en discriminatie op grond van sekse volgt als het ware logisch op de fundamenteel verschillende waardering van de arbeid." (p.20-21-mijn cursief)

Wallerstein heeft de Moral Majority en de Washington Wives beslist de stuipen op het lijf willen jagen door dreigend te zwaaien met deze molotovcocktail van feminisme en halfslachtig, gevulgariseerd historisch materialisme.     

Wij van onze kant durven er echter aan twijfelen of de feministen er de humor zullen van op prijs stellen wanneer ze lezen dat de officiële bevestiging van het seksisme samenvalt met het ontstaan van de moderne statistiek. Valt de officiële erkenning van het vaderrecht bij de Oud-Peruvianen samen met het in gebruik nemen van de quipu's, bij de Romeinen met het in het leven roepen van de census, in het Engelse feodalisme met de samenstelling van het Doomesday book en in het burgerlijke België, tenslotte, met de uitvinding van de formules van Quetelet?

Zelfs als we niet zouden struikelen over het absurde verband dat Wallerstein hier legt tussen de statistische wetenschap en het seksisme, moet bij nader inzien worden vastgesteld dat zijn poging om het historisch materialisme toe te passen op het vrouwenvraagstuk hem al even slecht bekomt als de bewuste absurditeit waarmee hij in de eerste bladzijden van zijn boek de Neanderthalers als kapitalisten ten tonele voert.  

De oorsprong van de officiële statistiek, de zogenoemde stelselmatige onderwaardering van de vrouwenarbeid alsook de "officiële bevestiging" ervan, moeten alle een heel stuk verder terug in de geschiedenis worden gezocht.

De lezer zal het ons waarschijnlijk niet kwalijk nemen als we de geschiedenis van de statistiek maar laten voor wat ze is en ons volledig toeleggen op de onderdrukking van de vrouw. Dan zien we niet alleen dat de doorbraak van het vaderrecht (de erfopvolging langs vaderlijke lijn), het feitelijke begin betekende van haar millennia lange lijdensweg en plicht tot gehoorzaamheid aan de man. We zien ook dat de historische overwinning van het vaderrecht het gevolg was van de onderwaardering die de vrouwenarbeid vanaf een bepaald historisch tijdperk te beurt viel. De onderwaardering van vrouwelijke arbeid hangt dan weer samen met de ingrijpende veranderingen in de maatschappelijke structuur ten gevolge van de ontwikkeling van de sedentaire akkerbouw, de veeteelt en de regelmatiger wordende handel op langere afstand.

De sedentaire landbouw bijvoorbeeld met het hanteren van zware landbouwgereedschappen en het drijven van ploegdieren, en zeer zeker ook de veeteelt die zich rechtsreeks uit de jacht, een bij uitstek mannelijke activiteit, heeft ontwikkeld alsook de warenruil... leidden tot een onevenredige toename van arbeidsproductiviteit en opstapeling van rijkdom langs mannelijke zijde.

Het werd voor de jonge mannen, die tot dan toe per definitie ingedeeld waren in de verwantschapsgroep van de moeder, een zaak van "gezond boerenverstand" om over te gaan naar de gens van de man.

Westerse zendelingen hebben in een paar gevallen deze sociale omwenteling met eigen ogen kunnen vaststellen, onder meer bij de Pawnee-Indianen, waar, met het oog op het verwerven van de paarden van de vader, de jonge krijgers zich door middel van een plechtig ritueel afscheurden van de gens van hun moeder om zichzelf te laten indelen bij de meest van gebruikswaarden voorziene partij. Wat betreft de invloed van de handel op de verhoudingen tussen de geslachten, geeft de geschiedschrijving zo mogelijk nog duidelijker uitsluitsel.

Over het leven van de Iroquois voor de komst van de Europeanen schrijft bijvoorbeeld Eric Wolf:

"Voor de groei van de bonthandel was de economische basis van het leven der Iroquois gestoeld op tuinbouw en jacht. De tuinbouw was voor het grootste gedeelte in de handen van de vrouwen, hoewel de mannen hielpen bij het vrijmaken van land door middel van vuur en het omhakken van bomen. De maatschappelijke samenstelling van de groep die landbouwgrond moest vrijmaken is onbekend gebleven, maar andere taken bij de ontginning van het land werden uitgevoerd door alle vrouwen van het dorp, onder de leiding van de stammoeder van de dominerende clan en met de moeders van de andere families als luitenanten. Rechten op het gebruik van het land, zowel als de werktuigen die bij de landontginning en de voedselproductie werden gebruikt, werden langs moederlijke lijn overgeleverd. De verdeling van het product was eveneens in handen van de vrouwen. Het gewicht van deze economische taakverdeling bedeelde de vrouwen een aanzienlijk gezag toe, aangezien zij hun bevoegdheid over de verdeling van voedsel en schoeisel konden gebruiken als vetorecht tegen oorlogsexpedities die zij niet konden goedkeuren. (...) Verder oefenden de vrouwen het eigendomsrecht uit over de multi-familiale woning en bezaten de bevoegdheid om vertegenwoordigers te verkiezen in de stamraad." (Wolf, Europe and the People without History, University of California Press, Berkeley, 1982, p.167)

Het was de bonthandel en de snelle accumulatie van rijkdommen in de handen van de mannelijke Indiaanse jagers die een einde stelde aan de overheersende rol van de vrouwen in het leven van de inheemse volkeren uit het Noordoosten van de huidige Verenigde Staten en het Zuidoosten van Canada. Naarmate het handelsverkeer met de Europeanen vanaf de zeventiende eeuw begon toe te nemen, werden de mannelijke activiteiten, de jacht en de roofoorlog, van veel groter belang dan de rol van de vrouwen in de voedselproductie. Gaandeweg werden alle vrouwelijke voorrechten, tot en met de afstamming langs moederlijke lijn, weggevaagd. Berrie Andersom bemerkt een gelijkaardige ontwikkeling bij de matrilineaire Germaanse stammen uit de Rijnstreek. De komst van de Romeinen en het groeiende handelsverkeer tussen de Romeinse kolonies en de Germaanse grensvolkeren leidde ertoe dat de nog overblijvende primitief-kommunistische instellingen en verhoudingen, de vooraanstaande rol van de vrouw inbegrepen, goeddeels verdrongen werden. (Anderson, Passages from Antiquity to Feudalism, Verso, London, 1996, p.107 e.v.)

Zoveel mogen we aannemen: De ondergang van het moederrecht is de historische nederlaag van de vrouw. In de tijd waarover Wallerstein spreekt was de ondergeschikte positie van de vrouw en de ongelijke waardering van vrouwelijke en mannelijke arbeid, althans in Europa, allang een voldongen feit.

Aangezien hij het seksisme nagenoeg beschouwt als een uitvinding van het historisch kapitalisme hoeft het ons ook in geen geval te verbazen dat het niet eens bij Wallerstein  opkomt om zich af te vragen of zijn theorema ook niet in de omgekeerde richting werkt: of de vrouw, eens gedegradeerd tot het stuk van de veestapel dat maar deugt voor het plezier van de man en het voortbrengen van de erfgenaam, ook geen taken toebedeeld kreeg die van oudsher geminacht en geschuwd werden door de mannen, maar waaraan zij zich door het maatschappelijk overwicht van de vrouw maar mondjesmaat hadden kunnen onttrekken. Over de huiselijke taken van de vrouw in het middeleeuwse patriarchale boerengezin schrijft de Franse historicus Robert Fossier:

"... zelfs zwanger of tussen twee zoogbeurten in blijft het de taak van de echtgenote om water te halen -een corvee waarvan wij ons nu nog nauwelijks de last kunnen van voorstellen- het vuur en de voorraden te onderhouden, het klaarmaken van allerlei soorten brij, het malen van graan en het verhitten van de oven, indien haar meester haar al niet gedwongen tewerkgesteld heeft aan allerlei monotone werktuigen." (Fossier, Paysans d'Occident, Presse Universitaire de France, Parijs, 1984, p.41)

Is de onderdrukking van de vrouw, de "depreciatie" van haar huisarbeid inbegrepen, niet een toestand die ons door vorige maatschappijvormen werd overgeleverd?

Neemt Wallerstein zijn eigen typisch kleinburgerlijke verontwaardiging, die zijn begrip van de zaak aanpast aan zijn aanklacht en niet omgekeerd, zoals het een wetenschappelijk maatschappijcriticus betaamt, niet voor wetenschappelijke waarheid wanneer hij slechts de nieuwe door het kapitalisme gesmede boeien voor de vrouw waarneemt, en niet de nieuwe door hetzelfde systeem in het leven geroepen voorwaarden tot haar bevrijding?

Zoals hij in het historisch kapitalisme slechts een kwade zaak ziet, zo ziet hij in de positie van de vrouw onder de kapitalistische produktiewijze slechts een achteruitgang.

Wij daarentegen bemerken dat de proletarisering en in het bijzonder de razende versnelling ervan vanaf de industriële revolutie, tegen wil en dank van het burgerlijke patriarchaat, een vrouwengestalte heeft opgeleverd die reeds verwijst naar de toekomstige maatschappijorde; dat men ertoe mag besluiten dat de burgerlijke samenleving de laatste verschijningsvormen van het patriarchaat omvat; dat we reeds de eerste geboortekreten kunnen horen van de gelijkwaardigheid tussen de geslachten.

De gelijkschakeling van de arbeidsvoorwaarden, die aloude schijnbare onoverbrugbare taakverschillen tussen mannen en vrouwen op zijn minst heeft laten vervagen en in veel gevallen al heeft weggevaagd, heeft ervoor gezorgd dat nu ook de vrouw als kostwinner kan deelnemen aan het produktieproces.

Wallerstein zal ons wel moeten veroorloven dat wij voor de gelegenheid een vrouwelijke marxistische doctrinair ter hulp roepen om klaarheid te scheppen in het theoretische imbroglio van zijn historische beschrijving:

"De onafhankelijke nieuwe vrouw," schrijft Alexandra Kollontai bij het begin van deze eeuw, "is een product van het kapitalistische economische systeem. De onafhankelijke vrouw -niet als uitzondering, als toeval, maar als een massaal, alledaags, zich wetmatig herhalend verschijnsel- is ontstaan tegelijk met het helse lawaai van de machines in de fabrieken en de fluit van de werkplaatsen. Die gigantische ommekeer in de economische omstandigheden, die nog steeds bezig is zich te voltrekken onder invloed van steeds nieuwe overwinningen van de grootkapitalistische productiewijze, heeft ook de vrouwen gedwongen zich in de strijd om het dagelijks bestaan aan te passen aan de voorwaarden die de hen omringende realiteit hen stelde. De meeste vrouwen zijn direct afhankelijk van de historische ontwikkelingsfase, die de mensheid nu doormaakt. Tegelijk met de verandering van de economische omstandigheden en met de evolutie van de productieverhoudingen verandert ook het karakter van de vrouw. De nieuwe vrouw kon als type pas ontstaan met de toename van het aantal vrouwelijke arbeidskrachten in loondienst." (Kollontai, De nieuwe vrouw en andere teksten, Pegasus, Amsterdam, 1981, p.65-66)

Ook in België zijn er een aantal partijen aktief die in hun propaganda de herwaardering van de vrouwelijke thuisarbeid hoog in het vaandel dragen. Jammer genoeg zal zelfs de Wallersteiniaanse breeddenkendheid noch de Christelijke Volkspartij noch het Vlaams Blok of het Front National  kunnen bestempelen als een kritisch antwoord op het historisch kapitalisme zonder zelf afbreuk te doen aan haar oorspronkelijk politiek opzet. 

Wanneer Wallerstein het begrip "verlengde kinderjaren"(zie p.21), "de puberteit"(idem), beschouwt als een poging van de kant van de bourgeoisie om de uitsluiting van kinderen aan het kapitalistische productieproces "als een progressieve vrijstelling van arbeid" voor te stellen, dan geeft hij pas echt zowel de werkelijke historische gang van zaken als de goede smaak het nakijken. Dan gaat hij met grote eclectische panache voorbij aan een toestand waarin allerminst sprake was van verlengde kinderjaren en uitsluiting van kinderen van de produktieve arbeid, maar die in des te pijnlijker trekken gegrift staat in het collectieve geheugen van de westerse arbeidersklasse.

"De ene belediging werd op de andere gestapeld door de opleidingsactiviteiten van kinderen," zegt Wallerstein, "en de uiteenlopende taken van gepensioneerde volwassenen het stempel 'plezier' op te drukken, en door de depreciatie van hun bijdragen aan de arbeid te zien als de alleszins redelijke tegenhanger van hun bevrijding uit de 'geestdodendheid' van 'echte' arbeid."(p.21)

Naarmate hij verder opstijgt van de "tegenwoordige realiteit" naar de wetenschappelijke veralgemening, wordt het steeds moeilijker om uit te maken wat Wallerstein nu precies bedoelt met zijn historisch kapitalisme.

In de geschiedenis zoals die zich voor onze ogen afspeelt, vertoonde het opkomende kapitaal heel wat minder terughoudendheid om het arbeidsvermogen van kinderen op zijn juiste produktieve waarde te schatten. Het was juist het opkomende industriekapitaal dat alle, uit de gildentijd stammende, voorschriften op de minimumleeftijd voor arbeid afschafte en alle traditionele, eveneens door de gildenbroederschap in het leven geroepen vormen van sociale zekerheid uitvaagde zodat ouderlingen en zieken, volledig op de zorg van hun gezin aangewezen of aan hun lot overgelaten werden.

Bijna overal waar het proces van proletarisering in de stroomversnelling van de industriële revolutie raakte, en zelfs vroeger nog, maakten zowel de kinderarbeid als de veronachtzaming van niet meer produktieve ouderlingen hun opwachting. De achterkleinzonen van de Antwerpse bourgeois die bij het einde van de achttiende eeuw de politie afstuurden op kinderen die het verduvelde lef aan de dag legden om tijdens de werkuren op straat te spelen, zullen de afschaffing van de kinderarbeid, deze grootse verwezenlijking van de negentiende eeuwse Europese arbeidersbeweging, wel niet aangevoeld hebben als een "progressieve vrijstelling van de arbeid".

Wallerstein spreekt over nationale statistiek, maar de statistieken zelf doen ons al enigszins twijfelen aan de teneur van Wallersteins vertoog over seksisme en de tendens om de man als kostwinner te beschouwen.

Onder de 180.000 mensen dewelke in 1835 tewerkgesteld waren in de Engelse katoenindustrie, schrijft Ruddy Doom, "waren er één derde volwassen vrouwen, één derde jongeren tussen de 13 en de 18 jaar en zo'n 25000 kinderen." (Doom, Vrijheid en gelijkheid, geschiedenis van de emancipatorische gedachte in Europa, Gent, 1986, p.67)

Jurgen Kuczynski die ook nog bij andere bronnen te rade geweest is dan bij de droge input-output cijfers, handelsbalansen, landbouwopbrengstratio's en militaire wapenfeiten waarvan Wallerstein zich voor zijn Modern World System heeft bediend, geeft ons de volgende leeftijds- en geslachtelijke opbouw van de Britse katoennijverheid in hetzelfde jaar:

Mannen

Vrouwen

13-18 jarigen

kinderen

Engeland

50.675

53.410

53.843

24.164

Wales

250

485

354

89

Schotland

6.168

12.403

10.442

4.082

Ierland

960

1.553

847

436

Totaal

58.053

67.824

65.486

28.771

(Kuczynski, Les Origines de la Classe Ouvrière, Hachette, Parijs, 1967, p.63) 

In zijn redevoering van 15 maart 1844 voor het Britse Lagerhuis ter inleiding op het debat over de tienurenwet wees Lord Ashley erop dat van de 419.590 arbeiders in 1839 tewerkgesteld in de Britse fabrieken er 192.887 jonger waren dan 18 jaar en 242.296 van het vrouwelijk geslacht, waarvan op hun beurt 112.192 jonger dan 18 jaar. Bleven over: 80.695 mannelijke arbeiders jonger dan 18 en 96.599 mannelijke volwassenen, nog geen vierde van het totaal. (Zie Engels, Toestand van de arbeidersklasse in Engeland, Progres, Moskou, 1987, p.215-216)

De muze van de historische beschrijving moet Kuczynski ook iets heel anders in het oor gefluisterd hebben dan Wallerstein, wanneer het ging om de burgerlijke waardering van kinder- en vrouwenarbeid. Over de situatie in de Verenigde Staten bijvoorbeeld heeft Kuczynski het volgende te zeggen:

"Edith Abbott, de specialiste met wereldfaam inzake het onderzoek naar de levensomstandigheden van de vrouw, schrijft: <<Het aanwenden van kinderen in de eerste fabrieken werd voor het merendeel van de gevallen vanuit hetzelfde standpunt beoordeeld als vrouwenarbeid. De filantropen, die nog steeds vasthielden aan de uit de oude koloniale tijd overgeleverde  opvattingen over een vlijtige kindertijd, gaven de staatslieden en economen hun volle steun door het volmondig goedkeuren van de manufacturen omdat deze nieuwe mogelijkheden schiepen voor het tewerkstellen van kinderen. Ze legden de nadruk op de bijkomende winst die nationaal opgestreken kon worden door het in dienst nemen van 600000 jonge meisjes van 16 jaar waarvan de meeste zogezegd 'te jong of te broos bleken voor werk op het veld' (maar klaarblijkelijk niet te jong en te broos om vingers en handen kwijt te raken tussen de raderen van de spinmolens en hun beenderen te laten verbrijzelen door de aandrijfwielen van de mechanische weefgetouwen! -nvdr.) en verweerden zich heftig tegen de 'ondeugd en zedeloosheid' waar de kinderen aan blootgesteld werden 'in een leven van ledigheid'.>> Reeds in 1800 schreef Noah Webster dat men overal te lande slecht opgevoede kinderen aantrof, gekleed in lompen, waarvan de situatie zeer zeker zou verbeteren wanneer men hen zou tewerkstellen in de textielnijverheid. En in 1808 verklaarde het parlement van Connecticut dat kolonel Humphreys door het opstarten van een fabriek  <<een nuttig karakter had verschaft aan de bezigheden van kinderen en vrouwen>>; als schadeloosstelling (!-Nvdr.) werd zijn fabriek voor de periode van tien jaar vrijgesteld van elke belasting, en hij verkeerde zeer oprecht in de overtuiging dat hij de kinderen van een leven van armoede en misschien wel misdaad had gered door ze in zijn bedrijf op te nemen." (Kuczynski, p.60-61- mijn cursief)

De piepjonge Friedrich Engels, die vaststelt "dat alle verbeteringen aan de machines de eigenlijke, vermoeiende arbeid meer en meer aan de machine overdragen en zodoende de arbeid van de volwassen mannen in uitsluitend toezien wordt veranderd, hetgeen een zwakke vrouw of een kind evengoed kan doen...", botst in de straten van Manchester, anno 1844, op een ware omwenteling in de verhoudingen tussen de geslachten.   "In vele gevallen," schrijft hij, "wordt het gezin doordat de vrouw werkt niet helemaal ontbonden, maar op de kop gezet. De vrouw voedt het gezin en de man zit thuis, past op de kinderen, veegt de kamer aan en kookt. Zoiets komt heel vaak voor; alleen al in Manchester kunnen honderden van dergelijke mannen die tot niets dan huiselijke arbeid gedoemd zijn, worden aangetroffen. Men kan zich voorstellen wat een verontwaardiging deze feitelijke castratie bij de arbeiders terecht oproept en wat een omwenteling van alle gezinsverhoudingen hieruit ontstaat, terwijl toch alle overige maatschappelijke verhoudingen dezelfde blijven." (De toestand van de arbeidersklasse in Engeland, resp. p.209 en 218)  

Als de bourgeoisie er schik in had om de huishoudelijke arbeid van de vrouwen en de activiteiten van kinderen te "onderwaarderen" dan was het niet om de kinderen onder te schikken aan de wil van de vader en om seksisme in het leven te roepen, maar om zowel vrouwen als kinderen makkelijker mee te kunnen sleuren in het onbarmhartige industriële raderwerk van haar winststreven. 

In de moderne samenleving is het seksisme niet zomaar simpelweg het blinde gevolg van de kapitalistische productiewijze. Het is, voor zover het al geen rechtsreeks verband houdt met de overgeleverde patriarchale verhoudingen uit een vorig tijdperk, eerder een bewust aangewend propagandamiddel om de bestaande toestand in stand te houden, om de arbeiders verdeeld en onbewust van hun gemeenschappelijk belang te houden.

In het vroegste stadium van de westerse industriële ontwikkeling waren de thuiswerkende vrouwen (en de kinderen!) tevens middelen om de arbeidsmarkt tot voordien ongeziene afmetingen uit te breiden, om de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd voor de aanvoer van arbeidskrachten tot een minimum te herleiden. Uiteindelijk zijn de vrouwen tot op de dag van vandaag een dankbare arbeidsreserve gebleven, die al naargelang de behoefte aan arbeidskracht en gezien de stand van de moderne techniek, in een oogwenk omgetoverd kunnen worden van huis- tot loonslavinnen.

Ik twijfel er ook niet aan dat Wallerstein van het historische bestaan van kinderarbeid afweet. Als goed wereldsysteemanalist die de sociale rampspoed van het kapitalisme voornamelijk waarneemt in de zogenoemde Derde Wereld, weet hij waarschijnlijk zelfs dat de moderne samenleving de kinderarbeid bijlange na niet heeft uitgeroeid, maar hem juist heeft ingevoerd waar dat goed uitkwam en waar de arbeidersbeweging minder greep heeft op de gebeurtenissen dan in de landen van de metropool.

Hier is echter heel wat anders aan de knikker dan onwetendheid. Voor de eerste keer is de analyse van Wallerstein het klungelig-naief gemekker van zijn "empirische" uitgangspunten ontgroeid en begint ze haar ware gelaat van systeembevestigend geschiedkundig cynisme te openbaren. Door een potje te maken van seksisme, de autoritaire opvoedingsmethoden van de burgerlijke samenleving en de vooruitstrevende rol van de arbeidersbeweging (haar strijd tegen de kinderarbeid!) moffelt Wallerstein hier voor de eerste keer in grote stijl de wereldhistorische rol van het proletariaat weg, daar waar hem in het begin alleen verweten kon worden de theoretische verworvenheden van het marxisme te verdonkeremanen.

Nochtans heeft het kapitalisme niet alleen met het proletariaat de doodgraver van de klassenmaatschappij verwekt.  Als hoogste stadium van maatschappijvorming waarin de vrouw de man als haar natuurlijke meester moet erkennen, heeft de hedendaagse samenleving, samen met de nieuwe ketens die ze rond de hals van de vrouw heeft geslagen, ook voor de fallocratie het mes geslepen.

Voor het respectabele verstand van de professor dat slechts de mechanische wederzijdse uitsluiting van inductie en deductie kent, is het dialectisch samengaan van onderdrukkende en bevrijdende invloeden binnen dezelfde maatschappelijke verhoudingen natuurlijk uitgesloten.


§3. Het proces van proletarisering; proletarische en semi-proletarische huishoudens

Nadat hij het ontstaan van het instituut loonarbeid heeft afgeleid uit de overwegingen van de bourgeois, uit zijn interesse in de arbeidskost en de beschikbaarheid van de arbeidskracht, begint Wallerstein zijn beschrijving van de proletarisering doodleuk vanuit de tegengestelde invalshoek:

"Laat ik onmiddellijk zeggen dat het zeer betwijfeld kan worden of de toenemende proletarisering in de wereld kan worden toegeschreven aan sociaal-politieke druk van de kant van de ondernemers." (p.23- mijn cursief) 

Zonder dat het blijkbaar de moeite verdient om deze ommezwaai te verklaren, wordt het proces van proletarisering van de weeromstuit onderhevig aan drijfkrachten die buiten de wil, de interesse en de overwegingen van de koopman om werkzaam zijn. Ineens staan zowel de subjectieve wil als het onmiddellijke belang van de bourgeois in tegenstelling tot de objectieve stuwkrachten achter het ontstaan en de verbreiding van de loonarbeid, de natuurlijke bestaanswijze van de moderne proletariër. De wil van de kapitalist is dus geen hefboom meer tot sociale transformatie...

"Integendeel," zo vervolgt Wallerstein onmiddellijk, "Alles wijst erop dat zij motieven hadden om dat proces tegen te gaan."... en omdat alles erop wijst dat we hier andermaal staan voor een epochenmakende doorbraak in het historisch onderzoek, zijn we opnieuw één en al oor:     

"In de eerste plaats, zoals we zojuist hebben betoogd, leidde de omzetting van een groot aantal semi-proletarische huishoudingen in proletarische huishoudingen binnen een bepaalde zone, tot een verhoging van het niveau van het reële minimumloon betaald door ondernemers met loonarbeiders. In de tweede plaats had de toenemende proletarisering, zoals we later zullen bespreken, politieke consequenties die zowel negatief waren voor de ondernemers als een cumulatieve werking hadden, waardoor ze uiteindelijk het niveau van de loonbetalingen in bepaalde geografisch-economische zones nog verhoogden."(p.23)

Laten we ons, zoals Wallerstein voorstelt, voorlopig alleen bezighouden met het eerste motief van de kapitalisten om de proletarisering tegen te werken: de verhoging van het reële minimumloon van de "voltijdse" arbeider tegenover dat van de semi-proletarische thuis- of seizoenarbeider.

Omdat Wallerstein er een goede gewoonte heeft van gemaakt van het concrete naar het algemene te redeneren, moeten we voor de juiste, meer concrete invulling van bovenstaande formulering een paar lijnen hoger te rade gaan.

"Uitgaande van de veronderstelling dat een producent die loonarbeiders in dienst heeft altijd en overal eerder minder dan meer zal willen betalen, was de laagte van het peil waarop loonarbeiders het zich konden veroorloven om arbeid te aanvaarden een functie van het soort huishoudingen waaraan zij heel hun leven verbonden waren. Zeer eenvoudig gezegd: identieke arbeid waarvoor dezelfde bekwaamheden vereist waren, had de loonarbeider die lid was van een huishouding met een hoog percentage inkomen uit loonarbeid (laten we die een proletarische huishouding noemen) een hogere financiële drempel beneden welke hij het volstrekt irrationeel voor zichzelf achtte om loonarbeid te verrichten, dan een loonarbeider uit een huishouding met een laag percentage inkomen uit loonarbeid."(p.21-22- mijn cursief)

Wallerstein laat de economische wetmatigheden nog steeds dansen aan de touwtjes van de menselijke geestesgesteldheid. Werd zo-even nog uitgegaan van de interesse van de kapitalist, hier wordt de economische rationaliteit van de loonarbeider het vertrekpunt van de historische analyse.

De arbeider die het grootste deel van zijn inkomen verwerft uit loonarbeid, zegt Wallerstein, zal werken voor een loon dat beneden een bepaalde minimumdrempel gezakt is, als volslagen irrationeel beschouwen. Daarom ligt de mogelijke uitbuitingsgraad een stuk hoger bij de oude semi-proletarische huisnijverheid dan bij de manufaktuurarbeid.

Maar nog minder dan aan de interesse van de kapitalist liet het vroege kapitalisme zich wat dan ook gelegen aan het vermogen van de arbeiders om hun eigen minimumbehoeften rationeel in te schatten. De industriearbeider uit de negentiende eeuw mag het dan misschien wel irrationeel gevonden hebben veertien uur aan een stuk te moeten ploeteren voor een loon waarmee hij niet eens zijn gezin kon onderhouden; maar de ongenadige "wetten van vraag en aanbod" lieten hem niet veel keuze buiten het aanvaarden van dit hongerloon. In dat geval zat er voor onze arbeider niets anders op dan Wallersteins schema van de man als kostwinner/ de vrouw als huisvrouw/het kind als zuiver onproductieve last te doorbreken en ook de overige leden van zijn gezin voor de vleesmolen van het kapitaal te gooien. Dat was de enige uitweg die de economische rationaliteit van de arbeider gelaten werd.

Wallerstein bezwijkt voor de aartsburgerlijke verleiding om er bij de verklaring van elk economisch verschijnsel één of andere variant van de homo economicus hypothese bij te sleuren. Gewoon uitleggen dat de aanwezigheid van alternatieve middelen van bestaan in het semi-proletarische huishouden (een lapje grond, een stuk vee, de mogelijkheid om grond bij te pachten,...) de arbeider niet eenzijdig afhankelijk maakte van de loonarbeid een verhoogde uitbuiting toeliet, ware al meer dan voldoende geweest.

Wallerstein heeft in deze opnieuw meer gemeen met de burgerlijke economie dan hij voor zichzelf durft toegeven. In plaats van de maatschappelijke verhouding zelf uit het weefsel van de maatschappij te pluizen, verkiest hij het geïsoleerde individu apart te nemen, uit diens "individuele psychologie" de maatschappelijke betrekking af te leiden en deze vervolgens te veralgemenen tot de hele samenleving. Hij had nochtans kunnen weten dat deze manier van werken hem tot een gemakkelijke prooi zou maken van de door hem gevreesde wraak der goden:

"Individuen die in maatschappelijk verband produceren -maatschappelijk bepaalde productie dus - dit vormt natuurlijk het uitgangspunt. De individuele en geïsoleerde jager en visser waarmee Smith en Ricardo beginnen, behoren tot de fantasieloze verzinsels van de achttiende eeuwse Robinsonades, die in geen geval een reactie tegen overbeschaving en de terugkeer tot de verkeerd begrepen eenvoud van het natuurlijke bestaan betekenen, zoals de cultuurhistorici zich inbeelden. (...) Het gaat hier veeleer om de voorafspiegeling van de burgerlijke maatschappij, die reeds in voorbereiding was sedert de zestiende eeuw en die in de achttiende eeuw reuzenschreden vooruit maakt in haar rijpingsproces." (Marx, Grundrisse, Engelse vertaling, Inleiding, p.83)

Robert Brenner heeft in meer dan één opzicht gelijk, wanneer hij de fouten in de theorie van Wallerstein en André Gunder Frank tracht te herleiden tot de achterhaalde aspecten van methode der klassieke economen en de Wereldsysteem Analyse bedenkt met de benaming "Neo-Smitheaans marxisme". (Zie Brenner, The Origins of Capitalist Development, New Left Review, juli-aug., 1977)  

Wat het proces van proletarisering betreft, zien we de huisnijverheid in sommige moderne industrielanden tot diep in de negentiende eeuw standhouden, om niet te zeggen dat de meerderheid van het proletariaat er de kost mee verdiende. Anderzijds zien we zeker vanaf de zestiende eeuw de verspreiding van het manufaktuurstelsel. Hoe deze schijnbaar onontwarbare tegenstelling te verklaren ?

Het is heel eenvoudig de historische analyse van Wallerstein die deze dialectische ontwikkeling tot een onontwarbaar kluwen heeft gemaakt. Juist omdat hij de "concrete" proces van proletarisering totaal buiten beschouwing laat, omdat hij het werkelijke historische proces van de scheiding tussen arbeider en productiemiddel verstikt onder een stroom van geopolitieke beschouwingen, slaagt Wallerstein er zelfs nog niet in deze paradox vast te stellen, laat staan hem te doorgronden.

Omdat Wallerstein er niet toe komt deze paradox vast te stellen, neemt hij in het Modern World System de vorm aan van een contradictio in terminis. In het vijfde hoofdstuk van het eerste deel, dat nochtans handelt over "klassenvorming en internationale handel in de sterke centrumstaten" zegt hij dat "de opkomst van de industriële sector"..."de industriële hervorming" (het ontstaan van het manufaktuurstelsel)... "een belangrijk element vormt" in de economische transformatie van Noordwest-Europa in de tweede helft van de zestiende eeuw. Drie lijnen verder lezen we:

"Het belangrijkste aspect van de industriële hervorming van de 'tweede' zestiende eeuw is niet de moderne technologie (hoewel er al iets van aanwezig was), noch de sociale organisatie. De fabriek en het massaproduct waren nog onbekend. Evenmin steeg het algemene peil van de industriële productie van de Europese wereldeconomie veel. Dominico Sella herinnert er ons aan dat ondanks alle economische ontwikkelingen van de "lange" zestiende eeuw 'Europa's industriële sector zoals die er in 1700 voorstond, veel meer overeenkomst vertoonde met zijn middeleeuwse voorganger dan met zijn negentiende eeuwse opvolger'." (Wallerstein, Het moderne wereld-systeem, dl.I, p. 135)    

De inductieve methode van Wallerstein slaat hier op tweeërlei vlak de plank mis.

Ten eerste laat hij nogmaals na de precieze verhouding te schetsen tussen de manufaktuurarbeid en de, veelal agrarische, thuisnijverheid.

Ten tweede houdt Wallerstein hier geen rekening met de kwalitatieve, voorwaartse schok die de technologische omwenteling van de achttiende en negentiende eeuw heeft teweeggebracht in het proces van proletarisering. Ook deze miskenning kan slechts verklaard worden uit de theoretische warboel waartoe zijn empiristische methode aanleiding geeft. Wallerstein heeft immers wel degelijk begrepen dat de industriële revolutie het ganse wereldsysteem grondig door elkaar heeft geschud. Het derde deel van zijn magnum opus is immers geheel gewijd aan de periode van de industriële revolutie en wanneer hij in de inleiding tot het eerste deel de structuur van het Modern World System uiteenzet, verklaart hij:

"Het derde deel zal de omschakeling van de wereldeconomie op een mondiale onderneming behandelen, die mogelijk werd gemaakt door de technische veranderingen van de moderne industrialisatie. Deze uitbreiding verliep zo plotseling en zo grootscheeps dat het systeem in feite opnieuw moest worden opgebouwd. Deze periode valt ruwweg tussen 1815 en 1917." (Het moderne wereldsysteem, dl.I, p.8-mijn cursief)

De manufaktuurarbeid en de thuisindustrie hebben zich niet los van elkaar ontwikkeld, maar in een nauw verband van wederzijdse beïnvloeding.

De manufaktuur, de concentratie van loonarbeiders in dezelfde ruimte, vaak de woning van de koopman zelf, is het resultaat van de versnelde arbeidsdeling tussen de steden, dewelke dan weer voortspruitte uit het ontstaan van de wereldmarkt met de aardrijkskundige ontdekkingen van de vijftiende en de zestiende eeuw. De manufaktuur is wel degelijk de bakermat van de moderne onderneming, de eerste volwassen verschijningsvorm van kapitalistische wapenproductie. Zeker de stedelijke manufaktuur, alsook deze van de door zich aan de gildenvoorschriften onttrekkende handelaars gekoloniseerde plattelandsdorpen, toont ons zeer herkenbaar de moderne verhouding van loonarbeid: vrij circulerende arbeidskracht die haar gebruik tegen betaling aanbiedt aan de kapitalist.        De thuisnijverheid, de bestaanswijze van de zogenoemde semi-proletarische huishoudingen, was slechts in de landen waar de oude feodale verbanden van horigheid reeds voordien ter ziele waren gegaan (zoals in Engeland en Vlaanderen) meteen de verkoop van vrije arbeidskracht, met eigen of door de kapitalist uitbestede productiemiddelen. In Duitsland, Frankrijk en Oostenrijk praatte de middeleeuwse maatschappij, ook in de tijd dat de stedelijke manufaktuur er reeds voorkwam, nog een hartig woordje mee:

"Men ziet er vaak horige boeren die bij wijze van herendienst moeten spinnen voor hun feodale heer, die het aldus verkregen garen verkocht aan de kooplieden van de manufakturen. Deze boeren leven voor het merendeel van de tijd in de meest deerniswekkende bestaansvoorwaarden eigen aan het verdwijnende feodalisme." (Kuczynski, Les Origines de la Classe Ouvrière, p.17-mijn cursief)

Over het algemeen was, voor de negentiende eeuw het thuiswerkende semi-proletariaat, tot aan de industriële revolutie, veel groter in aantal dan het manufaktuurproletariaat. Bovendien overtrof, binnen het zogenoemde semi-proletariaat, de plattelandsbevolking ruimschoots de stedelijke. Om het in voor Wallerstein vertrouwde termen te stellen: tussen thuisnijverheid en manufaktuur bestond een soort van centrumperiferie verhouding. De manufaktuur verwerkte de halffabrikaten van de thuisindustrie tot eindproducten. Vaak behoorden zowel de manufaktuurarbeiders als meerdere thuiswerkende gezinnen tot het personeel van een zelfde bedrijf en beiden werkten, maatschappelijk gezien, elkaars voortbestaan uiteindelijk meer in de hand dan dat de manufaktuur de huisnijverheid definitief kon verdringen. Het mag dan wel zo zijn, aldus Marx, dat  slechts de  vernietiging van de huisnijverheid op het platteland definitief de binnenlandse markt van het kapitaal kon verzekeren ...

"Toch komt het in de eigenlijke manufaktuurperiode niet tot een radicale hervorming. Men herinnert zich  dat de manufaktuur de nationale productie slechts stukje bij beetje verovert en steeds op het stedelijke handwerk en de huisindustrie op het platteland als brede achtergrond blijft steunen. Wanneer de manufaktuur deze in één of andere vorm vernietigt, roept de manufaktuur ze weer in andere bedrijfstakken en op andere punten in het leven, omdat zij ze voor de bewerking van de grondstoffen nodig heeft. Daardoor brengt de manufaktuur een nieuwe klasse van kleine landlieden voort, voor wie de bewerking van de grond bijzaak is en de industriële arbeid tot verkoop aan de manufaktuur- direct of indirect via de koopman- hoofdzaak. (...) Pas de grootindustrie levert dank zij de machines de constante basis voor de kapitalistische landbouw, onteigent radicaal de overgrote meerderheid van de plattelandsbevolking en voltooit de scheiding tussen landbouw en landelijke huisindustrie, waarvan zij de wortels afsnijdt: spinnerij en weverij. De grootindustrie verovert dan ook pas daardoor de gehele binnenlandse markt voor het industriële kapitaal (-de arbeidsmarkt inbegrepen!-nvdr.)" (Marx, Het Kapitaal, dl.I, p.583-584)

Marx geeft in één en dezelfde redenering zowel de redenen voor de slechts geleidelijke proletarisering in het tijdperk van de manufaktuur als de specifieke verhouding tussen proletarische en semi-proletarische huishoudens. Hij vindt zelfs de gelegenheid om binnen dit luttel aantal regels de wisselende verhouding tussen thuisnijverheid en manufaktuur in al haar beweeglijkheid voor te stellen. Vernietigt de concurrentie van de manufaktuur de huisnijverheid in één of andere vorm, zegt Marx, dan roept de manufaktuur ze in andere industrietakken en op andere punten in het leven. Het is pas de moderne grootnijverheid die, een paar kleine en steeds zeer vergankelijke uitzonderingen niet te na gesproken, binnen het bereik van haar warenomloop, de huisnijverheid goed en wel van de kaart veegt.

In zijn Historisch kapitalisme komt Wallerstein slechts tot een abstracte, starre oppositie tussen manufaktuur en thuisindustrie en blijft ons het antwoord op de precieze verhouding tussen beide meesterlijk schuldig.

Gelukkig is er niets aan de hand dat niet verholpen kan worden door naar eigen goeddunken tijdig over te schakelen van een idealistische naar een vulgair-materialistische verklaring. En weer terug als het moet !

Als hij zich dan toch van de vervelend-noodzakelijke beschrijving van de proletarisering wou afmaken om onmiddellijk over te gaan tot zijn afgereden stokpaardje, de wereldomspannende verhouding tussen centrum en periferie, dan had onze professor beter gewoon de glasheldere en kernachtige antwoorden van schrijvers als Marx en Kuczynski gereproduceerd, in plaats van zijn theoretische onbeholpenheid te bemantelen met oeverloze beschouwingen over "productketens", de "prijsgevechten op tussenliggende markten", "geografische specialisatie", etc. etc. En voor we er goed en wel erg in hebben is het proletariaat, dit keer met ontstaansgeschiedenis en al, opnieuw de mist in! We hebben nog slechts het recht om te weten dat de proletarisering het gevolg is van de centrumperiferie verhouding waarvan Wallerstein in de volgende bladzijden alles uit de doeken doet. Over de sociale herkomst van proletariaat en semi-proletariaat uit de middeleeuwse volksklassen geen woord; over de precieze wijze waarop deze volksmassa's geproletariseerd zijn geen letter. We krijgen, als we Wallersteins omslachtige omzwervingen in de politieke en economische nuances van de relatie tussen centrum en periferie samenvatten, slechts voorgeschoteld wat al meer dan honderd jaar geweten is: het was het ontstaan van de wereldmarkt die alle voorwaarden voor het kapitalisme in het leven heeft geroepen, het proces van proletarisering inbegrepen. Voorwaar een heel nieuwe stap in de richting van een nieuwe maatschappijleer!

Aangezien Wallerstein het totnogtoe uitsluitend gehad heeft over de tegenwoordige realiteit van het historisch kapitalisme hoeft het ons in geen geval te verbazen dat de schets van de fundamentele ontstaansvoorwaarden, die niet meer dan een kleine bladzijde beslaat, veel later volgt. Bij het einde van het eerste hoofdstuk, na al zijn bespiegelingen over de historische voorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal en de proletarisering, over de transnationaliteit van de productieketens etc. etc., lezen we:

"We hebben veel tijd besteed aan de vraag hoe het historisch kapitalisme op het beperkte economische gebied heeft gefunctioneerd. We zijn nu op het punt aanbeland om uiteen te zetten waarom het kapitalisme als een historisch sociaal systeem opkwam."(p.34)

We kunnen het ons niet laten samen met Wallerstein de waanzinnige veertiende en vijftiende eeuw in te duiken:

"Het economische leven van het feodale Europa onderging in die periode een zeer fundamentele, door interne krachten veroorzaakte crisis, die de sociale verhoudingen op hun grondvesten deed schudden. De heersende klassen waren bezig elkaar op grote schaal te vernietigen, terwijl het systeem van grondbezit (de basis van de economische structuur) op losse schroeven kwam te staan, wat gepaard ging met een aanzienlijke reorganisatie in de richting van een meer gelijke verdeling dan normaal was. Voorts gaven kleine pachtboeren als producenten blijk van een grote doelmatigheid. De politieke structuren werden over het algemeen zwakker en de preoccupatie met de moorddadige strijd van de politiek machtigen betekende dat er weinig tijd overbleef om de groeiende macht van de massa van de bevolking te onderdrukken. Het ideologische bindmiddel van het katholicisme stond onder grote druk en bewegingen die streefden naar gelijkheid ontstonden in de schoot van de kerk zelf. De dingen vielen inderdaad uiteen. Het is moeilijk te geloven dat de patronen van het middeleeuwse feodale Europa, met zijn zeer gestructureerde 'standen'-systeem hersteld zouden kunnen worden, indien Europa was voortgegaan op de weg die het was ingeslagen. Veel waarschijnlijker is dat de Europese feodale structuur zich ontwikkeld zou hebben tot een systeem van betrekkelijk gelijkwaardige, kleinschalige producenten, en voort zou gaan de aristocratie af te toppen en de politieke structuren te decentraliseren." (p.36- cursivering van de auteur)

Dat de kapitalistische productiewijze ontstaan is in de scheuren, of moeten we zeggen op de ruïnes, van de oude feodale maatschappij, is iets dat al voor Marx geweten was. We hoeven er slechts Sismondi's Etudes Sociales uit 1837 maar eens op na te lezen of, nog beter, diens historische studie over de middeleeuwse stadstaten in Italië. Alleen laat Wallerstein na om de ontstaansvoorwaarden van de kapitalistische productiewijze in verband te brengen met de doodsstrijd van het feodalisme. In het 24ste hoofdstuk van Het Kapitaal, waar Marx aan de hand van de Britse geschiedenis als voorbeeld de totstandkoming van de kapitalistische productiewijze productiewijze beschrijft, is dit verband op een veel overtuigender manier weergegeven: de teloorgang van de lijfeigenschap in de veertiende eeuw en de wederzijdse uitroeiing van de Engelse adellijke geslachten na de Honderdjarige Oorlog (de Rozenoorlogen); de kapitalistische landbouwhervormingen onder invloed van de buitenlandse handel en de daarmee gepaard gaande verdrijving van de Engelse plattelandsbevolking; de gedwongen inlijving van deze ontheemde bevolking in het manufaktuurstelsel en de wrede wetgeving tegen landloperij in het algemeen vanaf Hendrik VII (eind 15de eeuw); het ontstaan van de kapitalistische pachters rechtstreeks uit de verhoudingen van de feodale orde; door de onteigening van de boer en de proletarisering de schepping van een binnenlandse markt voor het industriële kapitaal; het ontstaan van de industriële kapitalist o.a. onder invloed van het uitplunderen van de nieuwe ontsloten gebieden in de wereld.

Wallerstein, die van de ene verbazing in de andere valt, verwondert er zich nu over dat de teloorgang van de machtsstructuren geleid heeft tot het ontstaan van het kapitalisme en niet tot de historische overwinning van de onderdrukte klassen uit de feodaliteit die na de eigenmachtig op gang gebrachte holocaust van de noblesse d'Epée "overgebleven waren".

Op goedburgerlijk-mechanische wijze redenerend zou het hem zeer redelijk zijn overgekomen, mochten de feodale structuren plaats gemaakt hebben voor een samenleving van kleine betrekkelijk gelijkwaardige producenten die leefden in gedecentraliseerd verband, zowel economisch als staatkundig. Feodaliteit = gelijkwaardige producenten plus onderdrukkende adel en geestelijkheid. Feodaliteit min adel en geestelijkheid = gelijkwaardige producenten. Ik daag de meest inschikkelijke historikus uit, met uitzondering van de benevelde geesten uit de synode van Wallerstein zelf, om ook maar één jota van deze voorstelling van zaken ernstig te nemen.

Als het verkommeren van de oude feodale verhoudingen de kleinschalige producenten nieuwe ademruimte heeft gegeven, dan is dat evengoed het geval voor de mensen die zich uitsluitend bezighielden met de handel en die de onmiddellijke voorlopers waren van de moderne bourgeoisie.

In wezen vormde zelfs de ambachtelijke wereld van kleinschalige productie overigens allesbehalve een wereld van gelijkwaardigheid tussen de kleine producenten. Spinners en wevers stonden gedurende de hele middeleeuwen in duidelijk afgebakende gezagsverhoudingen tot elkaar. De kleine zelfstandige mijnwerkers bijvoorbeeld werden door de overige ambachtslieden gedurende honderden jaren lang beschouwd als paria's en vielen zodanig in de rand van de bestaande maatschappij dat zelfs de gevestigde religieuze autoriteiten hun greep verloren op de mijnwerkersgemeenschappen, waarin religieus sektarisme ten allen tijde hoogtij vierde. Geprivilegieerde neringen deden alles om de toegang tot hun beroep te beperken en in veel gevallen was zelfs de toegang tot hun ontspanningsgelegenheden uitsluitend voorbehouden aan leden van het eigen gilde. In de periode dat het feodalisme zijn laatste ademstoten uitblies, was ook op het platteland, juist door de toename van het handelsverkeer, de ongelijkheid vergroot. Naast de kleine boer, begon zich overal ook een klasse van rijke herenboeren (in Engeland  de yeomanry, in Frankrijk de coqs de village) te manifesteren, en niet alleen op het economische vlak: in Frankrijk stonden de boerenopstanden, zo karakteristiek voor deze periode, in regel onder leiding van deze nieuwe plattelandsburgerij. Het ontstaan van deze nieuwe klassentegenstellingen op het platteland waren juist het gevolg van de ontbinding van de oude feodale verhoudingen. Over het algemeen droeg de verstedelijking bij tot het verdwijnen van horigheid en lijfeigenschap. Enerzijds verhoogde de nabijheid van stedelijke handelscentra de geldhonger van de feodale heersers en versnelde daarmee de overgang van het stelsel van herendiensten of pacht in natura naar pacht in geld. De nabijheid van steden dwong adel en geestelijkheid bovendien tot het vieren van de oude afhankelijkheidsverhoudingen. Maar het verdwijnen van de onvrije arbeid en het monetariseren van de pacht (dat de boeren dwong om in aanzienlijk verhoogde mate als warenverkopers op te treden) leidden onvermijdelijk ook tot een ongelijke ontwikkeling van de landbouwbedrijven binnen dezelfde gemeenschap. Het ontstaan van marktgerichte landbouw leidt onvermijdelijk tot "koelakisering", de opkomst van een minderheid van rijke herenboeren tegenover een meerderheid van armere boeren, die op zichzelf dan nog eens in een bijna onoverzichtelijke sociaal panoplie gelaagd is van kleine boeren met een lapje grond in eigen bezit tot en met een volslagen bezitsloos plattelandsproletariaat.

Anderzijds heeft de ontwikkeling van het kapitalisme wel degelijk geleid tot een maatschappij van betrekkelijk gelijkwaardige producenten, zij het dan niet op de rechtlijnige wijze die Wallerstein hier opvoert. Het proces van proletarisering veroorzaakte de grootste gelijkschakeling van levensvoorwaarden die men zich maar kan indenken, aangezien de werkelijke producenten gaandeweg, juist als gevolg van de concurrentie, slechts hun eigen arbeidskracht in persoonlijke eigendom hielden.

Deze gelijkschakeling is niet het gevolg van economische decentralisatie maar van de meest ongeziene centralisatie van productiemiddelen in de handen van een tot nieuwe heersende klasse uitgroeiende bevolkingslaag. De kapitalistische productiewijze heeft daardoor het probleem van de klassenstrijd juist vereenvoudigd tot de strijd tussen twee klassen, waaraan de overige sociale antagonismen volledig ondergeschikt gemaakt zijn. De ontbinding van de feodale machtsstructuren was juist een historische voorwaarde, en geen onbelangrijke, opdat deze nieuwe centralisatie van economische en politieke macht zou kunnen plaatsgrijpen; en waar de feodale hindernissen voor deze centralisatie uit zichzelf niet lijdzaam afstierven, werden ze in een krachtige beweging weggehouwen door de valbijl van de burgerlijke revolutie. 

Slechts voor het benepen-mechanische verstand van Wallerstein is het ontstaan van het kapitalisme een absurditeit in de geschiedenis:

"Hoe meer ik erover nadacht, hoe absurder het historisch kapitalisme mij is voorgekomen." (p.34 onderaan)

Het ontstaan van de kapitalistische productiewijze ten gevolge van de structurele crisis van het feodalisme is niet absurder dan de overwinning in Europa van de leenroerige verhoudingen op de verhoudingen van de Oudheid in het kielzog van de structurele crisis van de slavenproductiewijze. Op de keper beschouwd stonden beide ontwikkelingen met evengrote natuurnoodzakelijkheid vast.

Tenslotte brengt de tegenwoordige realiteit Wallerstein opnieuw tot zichzelf en hij aanvaardt de feitelijke ontwikkelingen, niet op een wetenschappelijk verklarende maar op een fatalistische manier en zonder afbreuk te doen aan de historische absurditeit van het kapitalisme, als een fait accompli* .

"Niemand mag dan dit oogmerk hebben verwoord," zegt hij, "maar het lijkt er niettemin op dat de vorming van het historisch kapitalisme als een sociaal systeem, op dramatische wijze een ontwikkeling omkeerde die werd gevreesd door de bovenste lagen, en daarvoor in de plaats een ontwikkeling stelde die hun belangen nog beter diende. Is dat zo absurd? Alleen voor diegenen die er het slachtoffer van werden." (p.37)

Wallerstein wou ons de tegenwoordige realiteit van de productie van kapitaal ontvouwen, haar interne logische samenhang blootleggen. En waar heeft zijn inductieve methode ons uiteindelijk afgeleverd ? Bij de historische ongerijmdheid van de moderne verhoudingen en het bijna toevallige karakter van hun uiteindelijke overwinning.   

  

    



     * Geloofsbelijdenis

     * In Marx' allereerste economische verhandeling, de zgn. Economisch-Filosofische Manuscripten van 1844, lezen we nog: "Kapitaal is geaccumuleerde arbeid." Maar we zien het kapitaal ook reeds beschreven als "een bevelende macht over arbeid en haar producten." (Economisch-Filosofische manuscripten-1844, Progres, Moskou, resp. p.30 en p.29)

     *Een banvloek die de Wallersteinianen graag gebruiken om de vervelende neiging van de marxisten om door te dringen tot de kern van de zaak, aan de kaak te stellen.

     * "Spontane ontwikkeling", zonder ingreep van buitenaf.

     * Eerlijkheidshalve mag hier niet vergeten worden dat we in een aantal vroege geschriften van Marx, die voor de rest niets aan historisch belang inboeten, nog steeds de formule "koop en verkoop van arbeid" en de bepaling van het loon als "prijs van de arbeid" terugvinden. In zijn Economisch-filosofische manuscripten lezen we over het loon: "Hoewel volgens de politieke economie arbeid de enige onveranderlijke prijs der dingen is, is niets toevalliger of aan heviger schommelingen onderhevig dan de arbeidsprijs."(Economisch filosofische manuscripten-1844, Progres, Moskou, 1987, p.20)  In Armoede van de filosofie lezen we ondubbelzinnig:"Het loon, d.w.z. de relatieve waarde of de prijs van de arbeid, wordt dientengevolge bepaald door de arbeidstijd, die nodig is om al datgene te produceren, dat noodzakelijk is voor het levensonderhoud van de arbeider."(p.45) Het was inderdaad pas in de periode dat Marx in het reine gekomen was met zijn economische inzichten, zeg maar de tweede helft van de jaren 1850, dat we de afgewerkte leer van de loonarbeid, tegelijkertijd met de daarmee samengaande leer van de meerwaarde in Marx' economische geschriften zien opduiken. In de uitgave van 1891 van Loonarbeid en Kapitaal, de samenbundeling van een aantal artikelen die vanaf 5 april 1849 als reeks in de Neue Rheinische Zeitung  werden opgenomen en die uit dezelfde periode dateren als Armoede van de filosofie, werden de verouderde uitdrukkingen door Engels vervangen. Engels motiveerde deze ingreep met het argument dat de uitgave uitsluitend bedoeld was voor propaganda onder de Duitse arbeiders.

     *De tendens van de dalende winstvoet, die door Marx behandeld wordt in het derde deel van Het Kapitaal, afdeling III, is uitgegroeid tot één van de meest controversiële standpunten in de marxistische economie. Uit duidelijk waarneembare tijdelijke herstelperiodes van de gemiddelde winstvoet werd zowel door burgerlijke commentatoren als marxiaanse auteurs die hun klassiekers niet kennen, besloten tot de onhoudbaarheid van deze opvatting. Hadden deze heren en dames zich ook maar in het minst de moeite getroost om bij het derde deel van Het Kapitaal te rade te gaan, ze zouden gezien hebben dat Marx de tendens van de dalende winstvoet nooit als absoluut geldende wetmatigheid gesteld heeft. Behandelt Marx in het 13de hoofdstuk "de wet als dusdanig", in het 14de gaat hij in op "de tegenwerkende invloeden die de uitwerking van de algemene wetmatigheid doorkruisen en zelfs uitschakelen, waardoor deze het karakter krijgt van een tendens."(Capital, dl.III, hfst.XIV, p.232) Marx onderscheidt de volgende algemene tegenwerkende invloeden:

I.  Verhoogde intensiteit van de uitbuiting door de verlenging van de werkdag en verhoging van het werkritme;

II. Het tijdelijk neerdrukken van het loon onder de werkelijke ruilwaarde van de arbeidskracht;

III.Prijsdalingen in de waren die de kapitalist aanwendt als elementen van zijn constant kapitaal;

IV. Goedkopere arbeidskracht door het voorkomen van een groot industrieel reserveleger;

V.  Internationale prijsverschillen en internationale handel;

VI. Toename van het intrestdragende kapitaal.

     * Voldongen feit