§1. De
voorwaarden voor het kapitalisme; kapitaal en arbeidsoverschot.
"Kapitalisme is in de eerste plaats een historisch
sociaal systeem. Willen we de oorsprong, de werking of de actuele
vooruitzichten ervan begrijpen, dan moeten we de tegenwoordige realiteit ervan
in ogenschouw nemen. We kunnen natuurlijk proberen om die realiteit samen te
vatten in een aantal abstracte beweringen, maar het zou onverstandig zijn om
zulke abstracties te gebruiken bij het oordelen over en het classificeren van
de realiteit. In plaats daarvan stel ik voor dat we proberen te beschrijven wat
het kapitalisme in de praktijk eigenlijk is geweest, hoe het als systeem heeft
gefunctioneerd, waarom het zich heeft ontwikkeld op de manier zoals het heeft
gedaan en waar het op dit moment op afstevent."(Wallerstein, Historisch kapitalisme, Heureka, Weesp,
1984, hfst.1, p.9)
Immanuel Wallerstein is vastbesloten om ons aan het
verstand te brengen wat het kapitalisme in de praktijk is geweest. Willen we
begrijpen hoe het heeft gefunctioneerd, "waarom het zich heeft ontwikkeld
op de manier zoals het heeft gedaan" en wat de vooruitzichten ervan zijn,
dan, zo vindt hij, moeten we uitgaan van de "tegenwoordige realiteit"
van het kapitalisme. We mogen ons vooral niet voorbarig afgeven met een aantal
abstracte beweringen door deze realiteit onmiddellijk onder te brengen in een
paar algemene bepalingen. We
staan hier voor veel meer dan alleen maar een academische beleefdheidsformule.
Wallerstein steekt van wal met een werkelijke profession de foi* van de
inductieve methode waarmee de Wereldsysteem Analyse de moderne geschiedenis te
lijf gaat. Uitgaan van de onmiddellijke realiteit om van daaruit op te stijgen
naar de abstracte formule; daar schijnt op
het eerste zicht niets mis mee. Het lijkt zelfs de voorgeschreven werkwijze
om het dogmatisme te vermijden dat Wallerstein en zijn volgelingen voortdurend
de aanhangers van het marxisme aanwrijven.
We zullen nochtans zien dat we met de inductieve methode
van Wallerstein ons niet zullen uitkomen bij de beloofde omwenteling in de
sociale wetenschap en het verhoopte inzicht in de fundamentele bewegingswetten
van de burgerlijke maatschappij, maar bij het theoretische imbroglio van het Amerikaanse kruideniersempirisme.
Maar voorlopig hebben we geen andere keuze dan
Wallersteins methode te aanvaarden als een voldongen feit. Om te begrijpen
waarom de Wereldsysteem Analyse zich heeft ontwikkeld op de manier waarop ze
dat heeft gedaan en wat haar vooruitzichten zijn, moeten ook wij uitgaan van
haar tegenwoordige realiteit en eerst onder ogen zien hoe ze in de praktijk
"als systeem functioneert".
Welke zijn nu de eerste prikkels die onze professor uit
de tegenwoordige realiteit van het kapitalisme tegemoetkomen?
"Het woord kapitalisme is afgeleid van kapitaal.
Het zou dus voor de hand liggen te veronderstellen dat kapitaal het
belangrijkste element is in het kapitalisme. Maar wat is kapitaal? Eén
betekenis ervan is louter geaccumuleerde rijkdom. Maar als het gebruikt wordt
binnen de context van het historisch kapitalisme heeft het een meer specifieke
betekenis. Het is niet alleen de voorraad consumptiegoederen, machines, en
gerechtvaardigde claims op materiële zaken in de vorm van geld. Natuurlijk
refereert kapitaal in het historisch kapitalisme aan de accumulatie van de nog
niet verbruikte producten van arbeid in het verleden; maar als dat alles zou
zijn, dan zouden we van alle historische systemen tot aan die van de
Neanderthalers kunnen zeggen dat ze kapitalistisch waren, want alle hadden wel
zulke geaccumuleerde voorraden waarin de arbeid van het verleden besloten
lag." (p.9)
De logisch-inductieve methode van Wallerstein begint
niet bij de economie, ze begint zelfs niet bij de maatschappijkritiek in het
algemeen, maar bij de linguïstiek.
Wie geen onmiddellijker realiteit kan vinden dan de woorden kapitaal en kapitalisme, moet er ook niet versteld van
staan dat hij eerst en vooral op een taalkundig
in plaats van een sociaal-wetenschappelijk
vraagstuk stoot: de oude, afgezaagde betekenisverwarring die "in de
volksmond" heerst rond het begrip kapitaal. Kapitalisme is afgeleid van
kapitaal, zegt Wallerstein. We mogen dus veronderstellen dat het kapitaal het
voornaamste element is in het kapitalisme. Eén betekenis van kapitaal is louter
geaccumuleerde rijkdom arbeidsoverschot, "geaccumuleerde voorraden waarin
de arbeid van het verleden besloten ligt". Maar onze schrijver is niet
tevreden met deze betekenis alleen.
Het kapitaal moet meer zijn dan dat, veel meer. Immers, indien we kapitaal
zouden gebruiken in de betekenis van arbeidsoverschot in het algemeen dan zou men de Neanderthalers met evenveel recht
als kapitalisten mogen bestempelen en dat is wat al te gek.
"Wat het historische systeem dat wij historisch
kapitalisme noemen onderscheidt," zo gaat hij verder, "is dat daarin
kapitaal op een heel speciale manier gebruikt wordt. Het werd gebruikt met als
primair doel: zelfexpansie. In dit systeem waren de bestaande accumulaties
alleen 'kapitaal' voor zover die werden aangewend om meer van hetzelfde te
accumuleren. Het proces was ongetwijfeld complex en ging zelfs met omwegen
gepaard. Maar het was dit meedogenloze en op een bijzondere manier het
eigenbelang dienende doel van de bezitter van kapitaal, namelijk de accumulatie
van nog meer kapitaal, te samen met de relaties die deze kapitaalbezitter
daarom met andere mensen moest leggen om zijn doel te bereiken, dat wij als
kapitalistisch omschrijven."(p.9-10)
Het kapitalisme onderscheidt zich van de vorige
maatschappijvormen omdat daarin het kapitaal/arbeidsoverschot gebruikt werd op een bijzondere manier, met een
bijzonder doel, namelijk zelfexpansie. Hier waagt Wallerstein zich dan voor de
eerste maal aan een voorzichtige omschrijving van "het historisch
kapitalisme". Het was de accumulatie van steeds meer kapitaal tezamen met de verhoudingen die de
kapitalist daartoe moest aangaan met andere mensen die we als kapitalistisch
moeten omschrijven.
Deze uitspraken lijken zo weggeplukt uit het marxisme
waar de Wereldsysteem Analyse zo graag mee te pronk loopt... als het haar goed
uitkomt.
In werkelijkheid heeft Wallerstein van Marx hoogstens de
manier van spreken. Om te beginnen gaat Marx' bepaling van het kapitaal
helemaal niet uit van het arbeidsoverschot, zelfs niet van de arbeid. Marx vertrekt uitdrukkelijk van
de ruil.
"Om het begrip van het kapitaal te
ontwikkelen," zegt hij, "is het noodzakelijk niet te beginnen met de
arbeid maar met de waarde, om precies te zijn: met de ruilwaarde in een reeds
ontwikkelde omloopbeweging. Het is net zo onmogelijk om onmiddellijk over te
gaan van arbeid naar kapitaal als van de verschillende menselijke rassen naar
de bankier en van de natuur naar de stoommachine." (Grundrisse, Engelse vertaling, Notebook II, 1, Pelican,
Harmondsworth, 1974, p.259)
Elke maatschappijvorm is in laatste instantie gestoeld
op zekere productieverhoudingen die overeenstemmen met een bepaald
ontwikkelingspeil van de productiekrachten. Maar het kapitaal vooronderstelt de
ontwikkelde ruil. Bijgevolg kan het kapitaal niet rechtstreeks worden afgeleid uit de arbeid, uit de menselijke
productie van gebruikswaarden. Wallerstein, die zich kost wat kost wil
onttrekken aan de vulgaire betekenis van kapitaal als arbeidsoverschot in het
algemeen, belandt uiteindelijk opnieuw bij het punt waar hij van weg wou.
En waarom? Juist omdat hij het concept van het kapitaal
rechtstreeks uit de menselijke arbeid als productie van gebruikswaarden ontwikkelt.
Volgens Wallersteins voorstelling van zaken waren de
Neanderthalers op een manier meer uitgeslapen kapitalisten dan men zo op het
eerste zicht zou vermoeden, om nog maar te zwijgen over de kleine boeren uit
het tijdperk van de eerste Aziatische wereldrijken die naar verluid evenzeer
begaan waren met de zelfexpansie van het arbeidsoverschot als de moderne
kapitalist. De boer aan de oevers van de Eufraat, schrijft Ernest Mandel,
oogstte een ontzaglijk veelvoud van wat hij aan graankorrels had uitgeworpen...
"... Maar deze 'rente' (= zelfexpansie van het
arbeidsoverschot-P.V.d.B.) maakte van hem evenmin een kapitalist, als een
chimpansee in een industrieel verandert doordat hij met een stok tegen een
bananenboom slaat om het fruit sneller te laten vallen. Elke belangrijke
technische uitvinding vertegenwoordigt voor de maatschappij een belangrijke
besparing van menselijke arbeid en elk werktuig dat het mogelijk maakt met
minder kosten te produceren, kan als een 'geaccumuleerde voorraad arbeid' die
een min of meer blijvende 'rente' in arbeidsbesparing opbrengt, beschouwd
worden. Maar toch gaat het hier alleen om de vooruitgang van de
arbeidsproductiviteit in de productie van
gebruikswaarden." (E. Mandel, De
economische theorie van het marxisme, dl. I, Het Wereldvenster, Bussum,
1980, p.85- cursief van Mandel)
Het kapitalisme is een bepaalde ontwikkelingsfase in de
productie en de ruil van koopwaren, van productie voor de verkoop in plaats van
voor het onmiddellijke verbruik door de producent. Nog los gezien van zijn
zogezegd bijzondere aanwending in de moderne samenleving, moet het kapitaal
daarom in de eerste plaats niet
ontleed worden als arbeidsoverschot van gebruikswaarden,
nuttige dingen in het algemeen, maar als een som van ruilwaarden. Het beschrijven van kapitaal als geaccumuleerde arbeid
is een formule uit de klassieke burgerlijke economie die Marx reeds in de
vroegste periode van zijn economische studie te boven gekomen was. Reeds in
1848, ruimschoot twintig jaar voor het verschijnen van Het Kapitaal dl. I, schrijft hij:
"Het kapitaal bestaat uit grondstoffen, werktuigen
en levensmiddelen van allerlei soort, die gebruikt worden om nieuwe
grondstoffen, nieuwe werktuigen en nieuwe levensmiddelen voort te brengen. Al
deze bestanddelen van het kapitaal zijn geschapen door de arbeid, producten van
de arbeid, opgehoopte arbeid.
Opgehoopte arbeid, die tot middel voor nieuwe productie dient, is kapitaal. Dat
zeggen de economen. Wat is een negerslaaf? Een mens van het zwarte ras. De ene
verklaring is de andere waard. Een neger is een neger. Onder bepaalde omstandigheden
wordt hij pas tot slaaf. Een
katoenspinmachine is een machine om katoen te spinnen. Slechts onder bepaalde
omstandigheden geplaatst is zij evenmin kapitaal als goud op zichzelf geld, of suiker de suikerprijs. (...) Ook het kapitaal is een maatschappelijke
productieverhouding. Het is een burgerlijke
productieverhouding, een
productieverhouding van de burgerlijke maatschappij. (...) Het kapitaal bestaat
niet alleen uit levensmiddelen, werktuigen en grondstoffen, niet alleen uit
materiële producten; het bestaat eveneens uit ruilwaarden. Alle producten waaruit het bestaat zijn waren. Het kapitaal is dus niet slechts
een som van materiële producten, het is een som van waren, van ruilwaarden, van maatschappelijke grootheden. Het
kapitaal blijft hetzelfde of wij nu in de plaats van wol katoen, in plaats van
koren rijst, in plaats van spoorwegen stoomschepen nemen, onder voorwaarde
alleen dat de katoen, de rijst, de stoomschepen - het lichaam van het kapitaal
- dezelfde ruilwaarde hebben, dezelfde prijs als de wol, het graan, de
spoorwegen, waarin het eerst belichaamd was. Het lichaam van het kapitaal kan
voortdurend veranderen, zonder dat het kapitaal de geringste verandering
ondergaat." (Loonarbeid en kapitaal,
Pegasus, Amsterdam, 1977, p. 33-34-35) *
Omdat hij uitgaat van het arbeidsoverschot en niet
vanuit de economische waardeverhoudingen, komt het bij Wallerstein niet eens op
dat het kapitaal zelf een
maatschappelijke verhouding is. Wallerstein kent slechts arbeidsoverschot
dat met een bijzonder doel, de zelfexpansie, wordt ingezet. Het kapitalisme op
zijn beurt is dan ook niets anders dan het gericht zijn op deze zelfexpansie tezamen met de verhoudingen die de
kapitalist daartoe moet aangaan met andere mensen. Dit is geen omschrijving van
het kapitalisme, maar een loutere opsomming
van kenmerken.
Om te beginnen wordt het zogenaamde proces van
zelfexpansie door Marx met veel grotere diepgang en helderheid verwoord.
Marx vertrekt in zijn onderzoek naar de bewegingswetten
van de moderne samenleving niet van de vraag "Wat is kapitalisme?"
ergo "Wat is kapitaal in het algemeen?" ergo "Wat is kapitaal in
het kapitalisme?" Hij vangt integendeel aan met beschouwingen die
empirischer zijn dan deze van onze empirist. Waar Wallerstein begint met zich
de vraag te stellen "wat kapitalisme in feite is", om dan via de
omschrijving van kapitaal als arbeidsoverschot uiteindelijk te belanden bij het
gegeven dat het kapitalisme het streven laat zien "alles tot koopwaar te
maken"(vgl.p.11 onderaan), werkt Marx zich liever op in de
tegenovergestelde richting: van de kenmerken van de afzonderlijke koopwaar tot
het systeem dat nagenoeg alles wat
voor menselijk gebruik in aanmerking komt tot koopwaar heeft gemaakt.
Zowel in De
armoede van de filosofie (1847) als in Bijdrage
tot de kritiek op de politieke economie (1859) als Het Kapitaal dl. I (1867) enz. enz. begint hij met de analyse van
de koopwaar. Zo luiden de allereerste regels van Het Kapitaal, I:
"De rijkdom van de maatschappijen, waarin de
kapitalistische productiewijze heerst, heeft de vorm van een 'kolossale
opeenhoping van waren', waarvan de afzonderlijke waar de elementaire vorm is.
Ons onderzoek begint dan ook met de analyse van de waar."
(Lipschitsvertaling, p.1)
Eerst en vooral stelt Marx vast dat de warenproduktie,
de productie niet voor het onmiddellijke verbruik van de producent maar voor de
ruil, dewelke een eerste onmisbare
voorwaarde vormt om nog maar te kunnen spreken van kapitalisme. Hij begint dan
ook met het ontleden van de waar in zijn noodzakelijke eigenschappen. Maar deze
voorwaarde, de wapenproductie, is op zichzelf nog niet voldoende om te kunnen
spreken over kapitalistische productiewijze.
Ten tweede veronderstelt de kapitalistische
productiewijze dat de wapenproductie het peil heeft bereikt dat er
onontbeerlijk behoefte bestaat aan een bijzondere waar die, zoals Engels zegt,
"alle andere waren in het verborgene bevat": het geld. De ruilwaarde
moet zich verzelfstandigd hebben tot een waar wiens voornaamste praktische nut
erin bestaat dat hij geruild kan worden
tegen alle andere.
We komen steeds dichter bij ons doel: we hebben
wapenproductie en we hebben de productie en omloop van deze toverachtige waar,
het geld.
Maar samenlevingen waarin deze beide verschijnselen
samen voorkomen, mogen daarom nog niet kapitalistisch genoemd worden. We hebben
de omzetting van waren in geld en omgekeerd, maar we missen nog de omzetting
van geld in kapitaal. Deze gedaanteverandering, die van het grootste belang is
voor de economie, behandelt Marx in de tweede afdeling Het Kapitaal deel I.
Anders dan bij Wallerstein, die de begrippen arbeidsoverschot en kapitaal,
zonder omkijken naar de logische consequenties ervan, op één hoop gooit met de
bedenking dat het kapitalisme het kapitaal "op een bijzondere manier gebruikt",
is het kapitaal bij Marx een historisch verschijnsel, onlosmakelijk verbonden met de kapitalistische productiewijze.
"De warencirculatie is het uitgangspunt van het
kapitaal," zegt Marx, "Wapenproductie en ontwikkelde warencirculatie
(dus met inbegrip van de geldomloop-nvdr), de handel vormen de historische
voorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal. In de zestiende eeuw neemt de moderne geschiedenis van het
kapitaal met de wereldhandel en de wereldmarkt een aanvang. (...) Ieder nieuw
kapitaal verschijnt in eerste instantie nog steeds als geld op het toneel, dat
wil zeggen op de markt..., geld dat door een bepaald proces in kapitaal wordt
omgezet." (Het Kapitaal I, p.91)
Om het verschil te verduidelijken tussen de omloop van
het geld als geld enerzijds en de omzetting van geld in kapitaal anderzijds,
stelt Marx de beide processen aanschouwelijk voor in een bijna wiskundige
formule.
1.Formule van de
eenvoudige warenomloop: W-G-W
Waar-Geld-Waar: verkopen om te kopen. De producent begeeft zich met
zijn zelf geproduceerde waren naar de markt, verkoopt ze / zet ze om in geld en
koopt met dit geld de middelen tot zijn eigen levensonderhoud en dus tot het
voortbestaan van het hele productieproces.
2. Omzetting van
geld in kapitaal: G-W-G
Geld-Waar-Geld: kopen om te verkopen. "...omzetting van geld in
waar en heromzetting van waar in geld. (...) Geld dat op deze laatste wijze
circuleert, verandert in kapitaal, wordt kapitaal en is reeds naar zijn
bestemming slechts kapitaal." (p.91)
"De kringloop W-G-W begint met de ene waar en wordt
afgesloten met de andere waar, welke aan de sfeer van de circulatie wordt
onttrokken en in de sfeer van de consumptie terechtkomt. Het einddoel is de
consumptie, behoeftebevrediging, kortom: de gebruikswaarde."
"De kringloop G-W-G daarentegen gaat uit van het
geld en komt tenslotte bij het geld terug. De voornaamste drijfveer, het
uiteindelijke doel, is hier dus de ruilwaarde zelf."
(Beide passages, p.93)
Deze taal laat aan duidelijkheid niets te wensen over.
Volgens de eerste formule kan de
verkoper zich op zijn twee oren te slapen leggen wanneer de ruilwaarde van de
tweede W gelijk is aan deze van de eerste W; met de waren van de tweede W
hernieuwt hij zijn eigen arbeidskracht en productiemiddelen en het proces kan
in principe gewoon verder gaan.
Het eindproduct van de tweede formule daarentegen is
opnieuw G, geld. Geld kan men niet eten. Het hele gebeuren is de verplaatsing
naar de markt slechts waard, wanneer de tweede G de eerste overtreft. Dit is
dan de zelfexpansie waarover Wallerstein het heeft, niet zomaar in de ring
geworpen als gegeven te nemen of te laten, maar onmiddellijk uiteengerafeld in
haar hoofdbestanddelen.
Hoe gaat deze zelfexpansie nu meer concreet in haar werk
en wat zijn haar historische voorwaarden ? We leggen ons oor te luisteren bij
de Wereldsysteem Analyse...
"Een individu of een groep individuen zou
natuurlijk in elke periode kunnen besluiten om kapitaal (d.w.z.
arbeidsoverschot-nvdr.) te investeren met het doel om nog meer kapitaal te
verwerven. Maar voor een bepaald moment in de geschiedenis was het voor zulke
personen nooit gemakkelijk om dat met succes te doen. In vroegere systemen werd
het lange en complexe proces van kapitaalsaccumulatie altijd op één of ander
punt geblokkeerd, zelfs in die gevallen waarin aan de primaire voorwaarde - het
bezit, of het samenvloeien, van een hoeveelheid nog niet geconsumeerde goederen
in de handen van weinigen- voldaan was. Onze vermeende kapitalist moest altijd
de beschikking over arbeid zien te krijgen, hetgeen wil zeggen dat er personen
moesten zijn die verlokt of gedwongen konden worden om arbeid te verrichten.
Wanneer eenmaal die arbeiders waren verkregen en de goederen geproduceerd,
moesten die goederen op de één of andere manier aan de man worden gebracht, dat
wil zeggen er moest zowel een distributiesysteem zijn als een groep kopers met
de middelen om de goederen te kopen. De goederen moesten verkocht worden tegen
een prijs die hoger was dan de totale kosten die de verkoper (tot op dat
moment) had gemaakt; bovendien moest deze marge groter zijn dan de verkoper
nodig had voor zijn eigen levensonderhoud. Ofwel in ons moderne taalgebruik: er
moest winst worden gemaakt. Vervolgens moest de bezitter in staat zijn om deze
winst vast te houden totdat er zich een redelijke kans voordeed om die te
investeren, waarna het hele proces zich vanaf het moment van productie moest
herhalen. Voor het begin van de moderne tijd werd deze keten van processen
(soms de omloop van kapitaal genoemd) in feite zelden voltooid. Eén oorzaak
daarvan was dat in voorafgaande sociale systemen veel schakels in de keten door
de politieke en morele autoriteiten als irrationeel en/of immoreel werden
beschouwd. Maar zelfs zonder de directe tussenkomst van diegenen die daartoe de
macht bezaten, werd het proces doorgaans verstoord door het ontbreken van één
of meer noodzakelijke elementen - de geaccumuleerde rijkdom in de vorm van
geld, de arbeidskracht die de producent moest aanwenden, het netwerk van
distributeurs, de consumenten die de kopers waren."(Wallerstein, p.10-11)
Men zou de gehele wetenschappelijke inhoud van deze
mondvol bij wijze van spreken op de achterkant van een postzegel kunnen
samenvatten: in het voorgaande maatschappijvormen was het de kapitalistische
productiewijze niet vergund om wortel te schieten omdat de wapenproductie
en -circulatie nog niet voldoende waren
ontwikkeld.
Op hun hoogtepunt vertoonden bepaalde Oosterse
despotenstaten, die door de gevestigde geschiedschrijving graag de eerste
wereldrijken genoemd worden, onder andere, een fabelachtige monetaire rijkdom,
net zoals de slavenstaten van de klassieke Oudheid, het Hellenisme en de
Romeinse tijd. De reikwijdte van de handelsverbindingen in de Oudheid spreekt
vandaag nog tot onze verbeelding, evenals de concentratie van onoverzichtelijke
rijkdommen in de handen van een heersende klasse of kaste. Geldwezen en
speculatie bereikten een hoge vlucht lang voordat er sprake was van de moderne
kapitalistische productiewijze.
Eén element vinden we evenwel in geen enkele beschaving
voor de late Europese middeleeuwen terug: de
loonarbeid als massaverschijnsel, als
overwegende of zelfs enige bron van inkomsten van een ganse maatschappelijke
laag. Daarvoor moeten we wachten tot de tweede helft van de vijftiende
eeuw, precies het tijdperk waarin ook Wallerstein het ontstaan van het
historische kapitalisme waarneemt.
Wallerstein heeft goed begrepen wat de onmisbare
historische voorwaarden zijn voor het ontstaan van kapitalistische
verhoudingen, maar hij slaagt er niet in om het specifieke, historische verband
tussen al deze factoren te bewerkstelligen. Liever dan zich schuldig te maken
aan voorbarig geflirt met abstracte formules rangschikt hij de
ontstaansvoorwaarden voor de moderne samenleving als nevengeschikte gegevens. Daarom is het ontbreken van de loonarbeid,
in feite de voorwaarde bij uitstek
van de kapitalistische productie, voor hem slechts één van de factoren naast de vele andere mogelijke, die de
ontwikkeling van het kapitalisme stokken in de wielen konden draaien.
In de tijd van de Grieken en de Romeinen namen zowel de
overzeese en binnenlandse handel ("het
netwerk van distributeurs" en "de
consumenten die de kopers waren") als het geldwezen ("de geaccumuleerde rijkdom in de vorm
van geld") een buitengewone hoge vlucht. Zoals G. Raskin op
onderhoudende wijze aantoont, vertoonde zelfs het reclamewezen van de Oude
Grieken zekere overeenkomsten met de manieren waarop de hedendaagse koopwaar
wordt aangeprijsd. (Oudgriekse
handelsreclame, N.V. Standaard-Boekhandel, Antwerpen, 1953). Over de handel
in de Klassieke Oudheid zegt hij in het algemeen:
"Handel is in het Oosten een natuurlijk bestanddeel
van het leven en de Grieken zijn doorknede handelaars. Bij hen was de
uitdrukking 'alles inkopen tegen lage prijs' gelijk betekenend met 'gelukkig
zijn'. Aan de andere kant smaalden de Romeinen: 'Hoed U voor Grieken, ook
wanneer zij u geschenken aanbieden!'
Nog in onze tijd geldt de oude spreuk
dat één Armeniër drie Grieken, een Griek drie Joden kan bedotten. Het is geen toeval
dat de spreekwoordelijk beroemde handelsvolkeren dicht bij elkaar wonen, rondom
het Oosten van de Middellandse Zee. (...) De oostelijke Middellandse Zee is de
bakermat van de handel geworden." (Raskin, p.6-7)
De Feniciërs kenden reeds een vorm van zeeverzekeringen,
waarbij de eigenaar van een lading te vervoeren koopwaar van de rederij een som
geld leende die hij slechts na de gunstige afloop van de zeereis moest
terugbetalen. De Atheners zouden dit systeem overnemen en tot grotere
ontplooiing brengen. Over geldwezen en handel in de Hellenistische tijd schrijft Theo Luykx :
"Om het ontstaan van een universele markt in de
hand te werken dreef Alexander tevens een munthervorming door. Tussen de
bestaande munten werd de waardeverhouding vastgelegd en hij voerde de
Alexandrijn in, die weldra de basismunt werd. In die omstandigheden nam de
geldhandel in het Hellenistische Oosten een grotere uitbreiding dan eertijds te
Athene. Het wissel- en bankbedrijf nam grotere afmetingen aan. De belangrijke
steden in het Oosten kenden openbare en private bankhuizen, waar deposito's
werden aanvaard, lopende rekeningen werden geopend en van de ene op de andere
rekening bedragen werden overgeschreven. Het gebruik van de check kwam meer en
meer in voege. Het Hellenistische Oosten heeft ook handelsvennootschappen
gekend en zelfs pools, gericht op het beheersen van de markt voor sommige
producten. Het zijn uitingen van een zeer ontwikkeld economisch leven, dat vele
aspecten van de huidige kapitalistische wereldhandel vertoont."(Luykx, Overzicht van de economische en sociale
geschiedenis, Story-Scientia, Gent, 1969, p.21)
Zelfs aan de "arbeidskrachten
die de producent moest aanwenden" was er, althans binnen het bestek
van deze abstracte uitdrukking, geen gebrek. Welke negentiende eeuwse
kapitalist, laat staan zijn voorgangers uit de vorige eeuwen, kon er zich op
beroepen dat hij, zoals de Romeinse aristocraat Aemilius Paulus na de val van
Syracuse in 146 V.C., in één klap de hand kon leggen op meer dan 120.000
arbeidskrachten? De val van Carthago hetzelfde jaar leverde Rome nog eens
200.000 slaven op. De slag bij Tarente in 209 V.C. en de slag bij Pytna in 167
V.C. wierpen de Romeinse grootgrondbezitters. respectievelijk 30.000 en 150.000
slaven in de schoot. Caesar op zijn beurt sleepte er een eeuw later een miljoen
weg uit Gallië. De census van het
jaar 28 gaf voor Italië ten Zuiden van de Po anderhalf miljoen slaven op
tegenover een vrije bevolking van twee en een kwart miljoen. En als we spreken
over de oude Aziatische rijken, dan mogen we de arbeidskrachten die de
heersende kaste van priester-krijgers ter beschikking stonden in sommige
gevallen niet per honderdduizend berekenen, maar meteen per miljoen. Het naar
schatting half miljoen Chinese boeren die de Tsjin-keizer Shin-Hoang-Ti in de
derde eeuw voor Christus opofferde aan de bouw van de grote muur geeft ons al
een vaag idee van het ontzaglijk aantal mensen die hij kon laten opdraaien voor
de verdediging van zijn macht tegen de volkeren uit de Aziatische steppe.
Het was de aard
van deze arbeidskrachten, de verhouding waarin ze tot hun uitbuiters stonden,
die de ontwikkeling van de kapitalistische productiewijze onmogelijk maakte.
Deze klassenverhoudingen hangen dan weer nauw samen met het ontwikkelingspeil
van de productieve techniek, met de productiekrachten van de maatschappij.
Nu ontkent Wallerstein niet dat het voorhanden zijn van
een proletariaat van loonarbeiders een conditio sine qua non is voor het
kapitalisme. Voor hem is het echter één
van de voorwaarden en niet de laatste historische voorwaarde waaraan
de samenleving nog moest voldoen.
Is het nochtans zo speculatief, zo overdreven abstract
en "essentialistisch"* om te
beweren dat het hoogste stadium van wapenproductie, namelijk het kapitalisme,
datgene is waarin een omvangrijk deel van de mensen begint op te treden als
verkopers van hun eigen arbeidskracht? Dat de ene schakel die uiteindelijk nog
ontbrak in "de commercialisering van de sociale processen" (zie
blz.11) de mens zelf was die zijn eigen levenskracht en vaardigheden als
koopwaar ging aanbieden?
We weten nu al dat Wallerstein, door zijn ingebakken
wantrouwen tegen de wetenschappelijke erfenis van het marxisme, in zijn
begripsbepaling van het kapitalisme niet verder komt dan de mechanische opeenstapeling
van ontstaansvoorwaarden.
Dat hij het woord "kapitaal" daarbij op een
nogal vulgaire manier gebruikt, is uiteindelijk nog het minste van de
problemen. Maar dan nog zou zelfs de meest toegeeflijke kritiek ten opzichte
van Wallersteins vocabularium geen vrede kunnen nemen met de manier waarop de
schrijver te werk gaat.
Het kapitaal, "zoals het in het kapitalisme wordt
aangewend", is meer dan alleen maar geaccumuleerde arbeid. Kapitaal mag
niet alleen beschouwd worden als louter arbeidsoverschot. Het moet ook -en
vooral- begrepen worden als de kenmerkende wijze waarop de productiekrachten in
de moderne economie op elkaar worden afgestemd.
Wallerstein zegt: het was het meedogenloze en "op een bijzondere manier
het eigenbelang dienende doel van de bezitter van kapitaal", namelijk nog
meer kapitaal verwerven, te samen met de relaties die hij daarvoor met andere
mensen moest leggen, dat kapitalistisch genoemd moet worden. Maar hij komt
nergens op het idee dat het kapitaal zelf
een historisch bepaalde maatschappelijke betrekking is.
"Hoe wordt nu een som van waren, van ruilwaarden
tot kapitaal? Doordat zij zich als een zelfstandige maatschappelijke macht, d.w.z. als de macht van een deel van de maatschappij, in
stand houdt en vermeerdert door middel van ruil
tegen de rechtstreekse, levende arbeidskracht. Het bestaan van een klasse
die niets bezit dan haar arbeidsvermogen is een noodzakelijke voorwaarde voor
het kapitaal."(Marx, Loonarbeid en kapitaal, p.35-36- cursief van
Marx)
Zelfs in de wetenschappelijke dwaling kan professor
Wallerstein maar met de grootste moeite enige originaliteit bewaren. De
leerstelsels van de grote klassieke economen, die vergeleken met wat voordien
werd bedacht een onvergelijkelijk grotere vooruitgang betekenden dan de Wereldsysteem
Analyse op de hele geschiedenis van het economisch denken, liepen, zoals we
Marx hierboven al lieten aanduiden, eveneens spaak op de bepaling van het
kapitaal als maatschappelijke betrekking. Ook zij beschreven kapitaal slechts
als geaccumuleerde arbeid, uitgestelde consumptie en niet als maatschappelijke
verhouding. Bij David Ricardo bijvoorbeeld, de man in wie de klassieke traditie
van de burgerlijke economie haar absolute hoogtepunt bereikte, vinden we het
volgende:
"Het kapitaal is dat deel van de rijkdom van een
land dat in de productie wordt aangewend, en bestaat uit het voedsel, de
kleding, de ruwe grondstoffen, machinerie, enz., die nodig zijn om de arbeid
een productieve bestemming te geven (necessary
to give effect to labour)."(zie: Ricardo, Principles of Political Economy and Taxation, Hfst.5, J.M. Dent and
Sons, Londen, 1949, p.53)
Hoewel Ricardo zich eveneens beperkt tot de beschrijving
van het kapitaal als opgespaarde arbeid, kan van hem nog gezegd worden dat hij
een stuk concreter is dan Immanuel Wallerstein met zijn "geaccumuleerde
voorraden waarin de arbeid van het verleden besloten ligt" of "de
voorraad consumptiegoederen, machines en gerechtvaardigde claims op materiële
zaken in de vorm van geld".
Ricardo voegt er alvast nog een voorwaarde aan toe: het
gaat bij hem niet alleen om de opgestapelde arbeid van het verleden. Voor
Ricardo is deze geaccumuleerde arbeid uit het verleden maar kapitaal als hij
van pas komt in het productieproces van het heden en de toekomst. Als de
Neanderthalers van Wallerstein het in hun hoofd zouden halen om zich, na het
zorgvuldig opsparen van hun arbeid, op hun luie achterste te leggen en hun
voorraden in één groot macromaatschappelijk dolce
far niente te verteren, dan kunnen zij twee kanten uit.
Ofwel besluiten ze voor de rest van hun dagen de arbeid
af te zweren en bezwijken ze na verloop van tijd aan de ontberingen die hen
onvermijdelijk te wachten staan. In dat geval hebben zij volgens Ricardo geen
brijzeltje van hun geaccumuleerde arbeid gebruikt als kapitaal.
Ofwel komen tenminste diegenen onder onze Neanderthalers
die het meest beslagen zijn in de politieke economie, tijdig op hun beslissing
terug en beginnen zij opnieuw te werken. In laatstgenoemd geval gebruiken zij,
om binnen de theorie van Ricardo te blijven, slechts dat deel van hun voorraden
als kapitaal, dewelke zij nog niet hebben laten opgaan tijdens hun platte rust.
Voor Wallerstein bestaat slechts de uitgestelde
consumptie als kapitaal en de aanwending ervan voor zelfexpansie ervan heet kapitalistisch.
Ricardo daarentegen veronderstelt tevens datgene wat beide met elkaar verbindt:
de produktieve consumptie van het
arbeidsoverschot, de besteding ervan om rechtstreeks nieuwe productie in het
leven te roepen. In Wallersteins eerste definitie is het bijna net alsof het
arbeidsoverschot door generatio spontanea
* tot uitbreiding komt, door zelfexpansie in de zuiverste betekenis
van het woord.
Zelfs in het geval dat we Wallersteins reductio ad absurdum zouden aanvaarden,
t.t.z. zijn ironisch vergelijk tussen
het "kapitaal" van de Neanderthalers en dat van de moderne
maatschappij... met voorbijgaan aan alle terminologische verschillen met het
marxisme... met verwaarlozing van het feit dat het kapitaal naast
geaccumuleerde arbeid ook nog een specifieke sociale verhouding is... dan nog
zouden we bij hem, met de beste wil van de wereld, nog steeds geen bevredigende
definitie van kapitaal kunnen vinden.
Neen... misschien vergissen we ons. Misschien hebben de
Neanderthalers nog een derde mogelijkheid en dan nog wel één die bij de eerste
oogopslag de definitie van Wallerstein schijnt te redden.
Nemen we om te beginnen de pientere holbewoners van het
tweede scenario: deze die, zolang het hen gegund was, met volle teugen hebben
genoten van hun platte rust, maar toch bijtijds opnieuw het meer ernstige
levenspad van de arbeid kozen. We laten ze zelfs zo goed bij de pinken zijn dat
ze hun luilekkerleventje tot het uiterste hebben kunnen rekken. En dat konden
ze alleen maar door slechts het hoogstnodige te verbruiken tijdens hun rust. Ze
spreiden met andere woorden het verbruik van hun arbeidsoverschot over de
langst mogelijke periode.
Laten we tenslotte onszelf voor de gelegenheid -en dit
slechts om Wallerstein in zijn formulering tegemoet te komen!- even ontslaan
van de wetenschappelijke verplichting om alles helder en eenduidig te
verwoorden en het begrip productieve consumptie een beetje breder interpreteren
dan Ricardo: we verstaan onder deze term niet langer elke consumptie die onmiddellijk aanleiding geeft tot nieuwe
productie. We lezen deze uitdrukking nu als elke consumptie die op welke manier dan ook nieuwe productie
in de hand werkt, op lange of op korte
termijn.
Dan zou men het product dat de Neanderthalers verbruiken
tijdens hun grote collectieve siësta evengoed productieve consumptie mogen
noemen.
Staat het in gang houden van hun lichaamsfuncties door
het verbruik van het arbeidsoverschot immers ook niet gelijk aan de reproductie
van hun arbeidskracht?
Is het niet zo een beetje hetzelfde als de kapitalist die, ook in periodes dat
zijn machines stilliggen, fondsen moet vrijmaken voor het onderhoud ervan,
opdat ze in de toekomst opnieuw zouden kunnen worden opgestart? En zijn deze
fondsen ook geen kapitaal?
Bij de Neanderthalers zouden we dan bijna elk verschil
tussen de begrippen productieve en onproductieve consumptie hebben uitgewist.
In hun geval zouden het arbeidsoverschot/ kapitaal van respectievelijk
Wallerstein en Ricardo inderdaad overeenstemmen.
Jammer genoeg zou deze overeenstemming uitgerekend voor
het kapitalisme niet meer opgaan. Want slechts voor de arbeidersklasse, die
nooit veel meer ontvangt dan voor de reproductie van haar arbeidskracht nodig
is, is het grootste deel van haar consumptie (de vrijetijdsbesteding
inbegrepen) binnen deze manier van
spreken productieve consumptie, verbruik in functie van de reproductie van
haar arbeidskracht. De kapitalist doet, voor
zover hij is persoonlijk consumptiefonds verteert, geheel en al aan
onproductieve consumptie.
Door de arbeidskracht te scheiden van de
productiemiddelen, heeft de kapitalistische productiewijze de tegenstelling
tussen productieve en niet-productieve consumptie, in deze bredere betekenis
genomen, ten top gedreven. Maar dan wel op een merkwaardige manier. Hoezeer de
arbeiders ook hun best mogen doen om niet productief te consumeren of om
zichzelf wijs te maken dat ze in hun vrije tijd niet-productief consumeren, ze
slagen er nauwelijks in.
Sterker nog. Als we, in deze krampachtige poging om
Wallerstein ter wille te zijn, de productieve consumptie zo breed zouden
interpreteren, dan zouden we de ganse tegenwoordige realiteit van het
kapitalisme, het vertrekpunt van Wallersteins analyse, opofferen aan onze
goedertierenheid. Immers, wanneer de gehele consumptie van de arbeider voor de
kapitalist productieve consumptie zou zijn, dus ook zijn energieverbruik
gedurende zijn vrije tijd, hoe verklaren we dan de neiging die de kapitalist in
alle tijdperken van de burgerlijke maatschappij heeft vertoond om de arbeidsdag
zo lang mogelijk te maken, om zoveel mogelijk te beknibbelen op de vrije tijd
van zijn arbeiders ? Het is nu een keer zo dat de arbeidsdag, die zekere
grenzen kent, toch geen constante
grenzen heeft...
"Het kapitaal heeft voortdurend de neiging die (de
arbeidsdag-P.V.d.B.) tot de uiterste, fysiek mogelijke lengte uit te rekken,
omdat in dezelfde mate de meerarbeid en dientengevolge de daaruit
voortvloeiende winst vermeerderd wordt. Hoe meer succes het kapitaal heeft met
het verlengen van de arbeidsdag, des te groter is de hoeveelheid arbeid die het
zich van anderen zal toe-eigenen." (Marx, Loon, prijs en winst, Pegasus, Amsterdam, 1975, p.68)
Voor de kapitalistische productiewijze kan het begrip
productieve consumptie slechts één betekenis hebben: het verbruik van
arbeidskracht en productiemiddelen in een proces van meerwaardevorming, een
gebeuren waarin er in het productieproces nieuwe waarde wordt toegevoegd aan de
oorspronkelijk ingebrachte. Dat is de zelfexpansie waarover Wallerstein alsmaar
doorraast, maar nergens sluitend verklaart. Het kapitaal is niet zomaar het
daartoe geïnvesteerde arbeidsoverschot, het is de verhouding tussen de
verschillende samenwerkende delen in het proces van meerwaardevorming.
Hoe we de dingen ook draaien en keren, met de manier
waarop Wallerstein het kapitaal omschrijft, komen we er doodgewoon niet
uit.
Ricardo's werk, dat wel degelijk rekening houdt met het
onderscheid tussen productieve en niet-productieve consumptie, verscheen in
1817. Wallerstein en zijn wereldsysteemanalisten willen ons binnenloodsen in de
eenentwintigste eeuw. In plaats daarvan slingeren ze ons nog verder terug dan het tijdperk van de
Restauratie.
Uiteindelijk, na enkele bladzijden lang theoretisch clair-obscur geeft Wallerstein dan toch
maar zijn definitieve omschrijving van het "historisch kapitalisme".
Pas nu vindt hij de gelegenheid om de productieve consumptie, zij het dan in
een afgebleekte, vervaagde vorm, binnen te smokkelen in de historische analyse:
Het historisch
kapitalisme is zodoende het concrete, tijd- en plaatsgebonden, samenhangende deel van productieve
activiteiten, waarbinnen de eindeloze accumulatie van kapitaal het
economisch doel (of "wet") was dat al de economische activiteit
beheerste, althans daarbij de overhand had." (p.14- mijn cursief en
vetjes)
We kunnen het ons niet laten om deze theoretische
bazuinstoot even van kleur te vergelijken met de omschrijvingen van drie
onverbeterlijke essentialisten:
Marx
: "Het kapitaal ontstaat slechts daar, waar de
bezitter van productie- en bestaansmiddelen de vrije arbeider op de markt
aantreft als verkoper van zijn arbeidskracht; deze ene historische voorwaarde
omvat een wereldgeschiedenis." (Het Kapitaal, dl. I, hfst.4, p.110)
Lenin
: "Kapitalisme is
wapenproductie op de hoogste trap
van haar ontwikkeling, wanneer ook de arbeidskracht een waar wordt."(Het imperialisme als hoogste stadium van het
kapitalisme, Progres, Moskou, 1989, p.78)
Rosa Luxemburg
: "... het doel en het leidende motief van de
kapitalistische productie is niet gewoonweg meerwaarde, in een willekeurige
hoeveelheid, door een eenmalige toe-eigening, maar de onbeperkte meerwaarde, in
steeds groeiende mate (...) Om evenwel dit doel te bereiken moet steeds opnieuw
hetzelfde tovermiddel worden gebruikt, namelijk de kapitalistische produktie,
met andere woorden de steeds herhaalde
toeëigening van onbetaalde loonarbeid in een proces van warenproduktie en de
daarop volgende verkoop van de op deze wijze geproduceerde waren." (De akkumulatie van het kapitaal, dl.I,
hfst.I, in : Orde heerst in Berlijn,
een keuze uit haar geschriften, L.J.C. Boucher, Den Haag, p.41-mijn cursief)
Deze drie definities, die meteen een veel duidelijker en
rijker geschakeerd beeld opleveren dan het resultaat van Wallersteins omzwervingen,
hebben de linguïstiek helemaal niet nodig als alibi. Ze vloeien rechtstreeks
voort uit de economische analyse zelf en veronderstellen heel precies de
historische bepaaldheid van het kapitaal.
Zoals we met Mandel reeds lieten verstaan, kon Wallerstein,
met de wazige premissen die hij hanteert, net zo lief, net zoals hij kapitaal
zonder blikken of blozen vereenzelvigt met elke vorm van uitgestelde
consumptie, met een klein beetje meer aandringen op de betekenis van kapitaal
als arbeidsoverschot, ook de reproductiemechanismen van andere
maatschappijvormen als kapitalistisch kunnen bestempelen, een verwarring die
overigens in meer of mindere mate ook bij enkele andere historici voorkomt.
Bij, G.E. Fussell, oud-voorzitter van de British
Agricultural Society, bijvoorbeeld lezen we over het Romeinse
grootslavenbedrijf:
"Grote inspanningen werden ondernomen om de grootte
van de landgoederen uit te breiden en ze
op een kapitalistische wijze uit te baten, maar vanaf het ogenblik dat de
bevoorrading van slaven opdroogde ontstond er een probleem. Hoe groot een
landgoed ook mocht wezen, volgens de toenmalige stand van de techniek moest het
in kleine kavels bewerkt worden. Bijgevolg was er een groot aantal mensen nodig
per oppervlakte en ieder persoon bracht slechts een magere netto-overschot
op (net
gain = merkproduct, arbeidsoverschot - P.V.d.B.) na aftrek van het zaaigoed
voor het volgende jaar en de middelen tot het levensonderhoud van de arbeider.
Het betrekkelijk klein aantal stuks groot vee, het grazen van schapen op de
heuvels en het houden van varkens in de bossen beperkten de toevoer van
organisch mest. Deze omstandigheden dwongen de eigenaars van de latifundia, in
het bijzonder deze ver verwijderd van een volkrijke markt tot een domaniale
economie - productie voor de familie en haar clientes- en tot het weiden van
schapen en rundvee."(The Classical
Tradition in West-European Farming, David & Charles, Newton Abbot,
1972, p.38)
Voor de heer Fussell is het al voldoende dat het
merkproduct niet onmiddellijk op de tafel van de slavenhouder belandt, maar met
winstoogmerk op de markt wordt gebracht -wat dan eventueel aanleiding geeft tot
de uitbreiding van zijn bedrijf- om reeds te kunnen spreken over
kapitalistische bedrijfsvoering. Uitgaande van zijn omschrijving van het
kapitaal als arbeidsoverschot dat door een proces van zelfexpansie wordt
gejaagd, staat Wallerstein al bij al geen haar dichter bij de werkelijkheid met
zijn definitie van het kapitalisme dan de hierboven geciteerde schrijver.
"Er zijn mensen," zegt Wallerstein, "die
weigeren te spreken van kapitalisme tenzij in de werkomstandigheden een
specifieke sociale relatie aanwezig is, namelijk een particulier ondernemer die
loonarbeiders in dienst neemt." (p.15)
De stijfkoppen van de politieke economie die Wallerstein
hier met soevereine minachting op de korrel neemt, bekijken de zaken met meer
inzicht dan de Wereldsysteem Analyse wil geloven. Zoals Fussell schrijft, is de
onregelmatige en op de duur achteruitgaande toevoer van slaven de voornaamste
reden waarom de uitbuitingsverhoudingen op het grootslavenbedrijf de blik nooit
op het oneindige konden hebben, zoals de eindeloze zelfexpansie die het
kapitalisme inderdaad kenmerkt. Daartoe moest ook de arbeidskracht onderworpen worden aan de wetten van de markt, zelf
een koopwaar worden, zodanig dat alle noodzakelijke elementen in de productie
en de omloop van koopwaren, alle noodzakelijke productiekrachten inbegrepen, op
een of andere manier door het ruilverkeer werden geabsorbeerd. De slavenhouder
kocht niet een paar uren, dagen, jaren spierkracht, maar meteen een gans
mensenleven. Hij kon slechts de resterende levensjaren doorverkopen aan een
andere slavenhouder. Anders gezegd:
onder de slavernij is niet de arbeidskracht, maar de arbeider de koopwaar. Onder het kapitalisme is het arbeidsvermogen
op zichzelf, en niet zomaar de arbeider, de koopwaar. Daarmee zijn alle
elementen van het productie- en circulatieproces van de maatschappelijke
rijkdom ontdaan van hun buiteneconomische onzuiverheden en tot zuiver
economisch wezen gemaakt. Daarmee kan ook de voortdurende zelfexpansie van de
economische rijkdom met limiet oneindig, beginnen.
Wallersteins tegenwoordige realiteit heeft van deze
fundamentele samenhang geen flauw benul en ook in haar visie op het
arbeidsproces en de arbeidsverhoudingen die kenmerkend zijn voor de
kapitalistische productiewijze, slaagt de Wereldsysteem Analyse er nergens in
om uit te stijgen boven het Pleistoceen
van de sociale wetenschap.
§2. Het instituut Loonarbeid
a) De
arbeidskracht als bron van gebruikswaarde en ruilwaarde
Eén
hoofdkenmerk van de kapitalistische productiewijze
bestaat erin dat de eindeloze accumulatie van kapitaal, althans voor de
kapitaalbezitters zelf, het economische doeleinde bij uitstek wordt. Welnu, zo
vraagt onze schrijver zich af,...
"Hoe zijn producenten te werk gegaan bij het
maximaliseren van hun vermogen om kapitaal te accumuleren?"(zie p.16)
Uiteindelijk krijgt Wallerstein het dan toch over zijn
hart om de arbeidsverhoudingen te
betrekken in zijn analyse, daar waar ze in feite, om de zaken onmiddellijk in
het juiste perspectief te stellen, reeds van bij het begin, bij zijn definitie
van het kapitalisme aanwezig hadden moeten zijn. Zijn antwoord op de vraag naar
de wijze waarop de beruchte zelfexpansie van het kapitaal in haar werk gaat
begint hij met het benadrukken van het belang van de arbeid voor de productie
in het algemeen.
"De factor arbeid," zegt hij, "is altijd
een centraal en in kwantitatief opzicht belangrijk element geweest in het
productieproces."(p.16)
De formule dat
"de factor arbeid", zeggen we maar de menselijke
arbeidskracht, steeds een centrale rol heeft gespeeld in de productie is, met
permissie van de lezer, een totaal nietszeggende en triviale uitspraak.
In tenminste één opzicht is ze zelfs bepaald onjuist.
Willen we de rol van de menselijke arbeidskracht in het
productieproces naar zijn werkelijke waarde schatten, dan moeten we, net zoals
bij de verschillen tussen arbeidsoverschot en kapitaal, kost wat kost het
onderscheid maken tussen de arbeidskracht als bron van gebruikswaarde enerzijds en als de oorsprong van ruilwaarde anderzijds.
Het onderscheid tussen ruilwaarde en gebruikswaarde is
van het grootste gewicht in de economische theorie. De ganse economische
wetenschap is erop gebaseerd. Als deze laatste niets anders blijkt te zijn dan
de studie van de productie en de ruil van de bestaansmiddelen in een bepaalde
samenleving, dus van het voortbrengen en de omloop van "goederen en
diensten" voor zover deze een ruilwaarde hebben, dan moet ze worden
aangevat met het juist weergeven van de tegenstelling tussen ruilwaarde en
gebruikswaarde.
Onder gebruikswaarde verstaan we de nuttigheid die een
ding heeft met betrekking tot een menselijke behoefte.
Met ruilwaarde bedoelen we de mate of hoeveelheid waarin
een bepaalde zaak tegen een andere geruild kan worden.
Is de gebruikswaarde de waardesubstantie, de drager van de ruilwaarde, deze laatste
verschijnt in de eerste plaats als een kwantitatieve
verhouding.
Het eerste aspect, de gebruikswaarde, is de
rechtstreekse verhouding van het ding tot de fysionomie van de mens, het
tweede, de ruilwaarde, in de eerste
analyse de waardeverhouding tot
andere dingen.
Wanneer een arbeider in zijn moestuin aardappels teelt
om deze samen met zijn gezin te verbruiken, dan heeft hij vanzelfsprekend
gebruikswaarde voortgebracht. De ruilwaarde van zijn aardappels realiseert hij pas wanneer hij deze
laatste op de markt brengt en er een welbepaalde hoeveelheid van een andere gebruikswaarde
voor in de plaats ontvangt.
De ruilwaarde vooronderstelt,
kan onder geen enkel beding bestaan zonder de gebruikswaarde die haar
stoffelijke grondslag vormt.
Politieke economie voor het eerste leerjaar, zo zou men
kunnen zeggen, maar we brengen deze evidenties toch even in herinnering om
Wallersteiniaanse spraakverwarringen te vermijden.
De ruil van producten is van veel latere oorsprong dan
de productie van louter gebruikswaarden. De mensheid heeft slechts een fractie
van een percent van haar bestaan doorgebracht in maatschappijverbanden waarin
de ruil van tastbare gebruikswaarden op
min of meer regelmatige basis plaatsgreep. Het leeuwendeel van de
historische opmars van de ruil heeft zich binnen deze, in wereldhistorische
verhoudingen afgemeten, minuscule tijdspanne afgespeeld.
Aanvankelijk overheerst de productie voor het
onmiddellijke verbruik door de producenten die de arbeidsinspanning hebben
geleverd. Er bestaat voornamelijk ruil van arbeid die rechtstreeks, zonder
ruilverkeer van losse waren, bij de productie samenwerkt.
De individuele ruil van losse goederen, de resultaten van de arbeid, heeft zich in
veel gevallen rechtstreeks uit deze samenwerking ontwikkeld. Bij de! Kung, de bosjesmannen van het
Kalahari-plateau, heerst nog steeds de gewoonte om, wanneer iemand voor een
andere jager een pijl heeft vervaardigd, het eerste dier dat de eigenaar van de
pijl met dit projectiel heeft neergelegd, uit beleefdheid aan de maker van de
pijl te schenken, ook al hebben beide misschien een vergelijkbare inspanning
geleverd bij het vangen van de prooi.
De werkelijke wapenproductie is begonnen bij de ruil van
het arbeidsoverschot. Slechts de
productie die de eigen onmiddellijke behoefte overtrof, kwam aanvankelijk in
aanmerking om als koopwaar aangeboden te worden.
Bijgevolg, moeten we, als we tenminste de historische
volgorde willen bewaren, het arbeidsproces in de eerste plaats onder ogen zien
als de productie van gebruikswaarden.
In dat geval moeten we Wallersteins beschrijving van de
rol van de arbeidskracht in de productie als volgt lezen: "de menselijke arbeidskracht is altijd een centraal en in
kwantitatief opzicht belangrijk element geweest in het voortbrengen van
gebruikswaarden."
De arbeidskracht kan slechts de bron van gebruikswaarde zijn,
in zoverre de spontane productie van de "buitenmenselijke" natuur de
beoogde gebruikswaarde al niet heeft voortgebracht. De arbeid is niets meer dan
de inmenging van de menselijke arbeidskracht in deze spontane productie.
Vulgariseringen van het kaliber dat Wallerstein hier metersbreed uitsmeert,
zaten Marx en Engels zo hoog dat zij er elke beleefde schroomvalligheid voor
lieten varen om zelfs gelijkgezinden op hun nummer te zetten. Hun allereerste
opmerking bij het socialistische verenigingsprogram van Gotha, dat begint met
de opmerking dat de arbeid de bron van
alle rijkdom is, luidt als volgt:
"Arbeid is niet de bron van alle rijkdom. de natuur
is in gelijke mate een bron van gebruikswaarden (deze maken immers ook de
materiële rijkdom uit !) als de arbeid, die zelf slechts één der natuurkrachten
manifesteert : menselijke arbeidskracht."(Kritiek op het Programma van Gotha, volledig opgenomen in:
Marx/Engels, Tegen het reformisme, Progres, Moskou, 1989, p.123)
In het voortbrengen van sommige gebruikswaarden is de
arbeid zelfs van geen enkele productieve invloed, laat staan een "centraal
gegeven". De lucht die wij inademen bijvoorbeeld wordt voor het ogenblik
door de menselijke tussenkomst hoogstens meer en meer ongeschikt voor onmiddellijke consumptie gemaakt.
Maar Wallerstein spreekt niet over de spontane,
buitenmenselijke productie van de natuur. Hij spreekt over het productieproces in het algemeen en
daarin speelt de menselijke arbeidskracht inderdaad steeds wel één of andere
rol. Het productieproces is immers het samengaan van de menselijke
arbeidskracht met de natuurkrachten in het algemeen bij het voortbrengen van
gebruikswaarden. Tot zover zou Wallerstein op het pad van de wetenschap
gebleven zijn. Maar hij dicht, voor zover het begrip hier een ondubbelzinnige
betekenis kan hebben, de arbeid de centrale
rol toe. Hoe centraal staat de menselijke arbeidskracht voor de productiewijze
waarin de mensheid de eerste drie miljoen jaar van haar historische
ontwikkeling heeft doorgebracht? Zou men niet met evenveel, of zelfs meer
recht, mogen beweren dat de arbeid in maatschappijen van jagersverzamelaars
zich voor het overgrote deel beperkt tot het oogsten van wat het natuurlijk
leefmilieu spontaan, zonder bewuste inmenging van de mens, heeft voortgebracht?
Zou men dan ook niet mogen stellen dat in de moderne productiemethodes, waarbij
de mens zich in steeds toenemende mate toevertrouwt aan min of meer
gedomesticeerde natuurkrachten, zoals de moderne energiebronnen, de wetten van
de mechanica, elektromagnetisme en dergelijke meer... de arbeid zich meer en
meer begint te beperken tot het temmen en het bewaken van de natuurkrachten die
ook buiten de menselijke arbeidskracht om bestaan?
Vanuit het standpunt van de gebruikswaarde, de eerste
voorwaarde om van een productieproces nog maar te kunnen spreken, sukkelt
Wallerstein dus in een formule die allesbehalve historisch, maar des te
onduidelijker is. En dat alleen maar omdat hij in zijn beschrijving van de rol
van de arbeid in het productieproces het voor elk serieus economisch denken
wezenlijk onderscheid vergeet te maken tussen ruilwaarde en gebruikswaarde.
Want als we de zaak bekijken vanuit het oogpunt van de
ruilwaarde ontspint er zich een heel ander verhaal. Bezien we de menselijke
arbeidskracht als bron van ruilwaarde, dan ontleent de uitspraak van
Wallerstein haar dubbelzinnigheid niet aan haar overschatting van de rol die de arbeid speelt, maar juist aan haar zwakheid, haar gebrek aan durf om de
dingen te stellen zoals ze zijn.
Voor zover we het produktieproces in beschouwing nemen
als het voortbrengen van ruilwaarde is de arbeid niet slechts een
"centraal en in kwantitatief opzicht belangrijk element", zoals
Wallerstein zegt, maar doodeenvoudig het enige
element.
De arbeidskracht
is de enige natuurkracht die, en dan nog onder heel specifieke historische
omstandigheden, ruilwaarde voortbrengt. Is de natuur evenzeer de bron van
gebruikswaarde als de menselijke arbeidskracht, deze laatste is de exclusieve
bron van ruilwaarde. Ruilwaarde staat gelijk aan hoeveelheid arbeid.
In dat geval blijkt de ruilwaarde, die in de eerste
plaats een verhouding tussen dingen
leek, in de grond een verhouding tussen mensen.
De hedendaagse burgerlijke economie beschouwt het spel
van vraag en aanbod, dat door hen dan weer wordt samengevat in de term schaarste, als de werkelijke bron van ruilwaarde. In feite geven de
schommelingen van vraag en aanbod slechts de zichtbare bewegingen van de prijs
rond de ruilwaarde weer, het aanbieden van de waren boven of onder hun natuurlijke
prijs. Vraag en aanbod laten ons slechts toe te spreken over de uitdrukking van de ruilwaarde, de prijs.
Over de ruilwaarde zelf kunnen we pas praten wanneer vraag en aanbod elkaar
dekken, ophouden als tegenstrijdige krachten te werken.
De vraag die wij ons moeten stellen is: welke wet regelt
de wet van vraag en aanbod? De vulgaireconomische leer van vraag en aanbod
vertelt ons wel waarom de prijs toeneemt of afneemt, maar zij slaagt er niet in
om uit te leggen waarom aanbod- en vraagcurve elkaar op een bepaald ogenblik
kruisen, namelijk het ogenblik waarop prijs en natuurlijke prijs -de
ruilwaarde- samenvallen. Daarom krijgt de verklaring van de ruilwaarde die in
de schoolboekjeseconomie aan onze hedendaagse burgerlijke economen in spe wordt
voorgeschoteld het karakter van een willekeurige, op een vage psychologische
grondslag (het nut) gestoelde overeenkomst. Daardoor worden twee begrippen, die
twee afzonderlijke kenmerken van de waar vormen, ruilwaarde en gebruikswaarde,
keizerlijk door elkaar gehaspeld. De ruilwaarde wordt verklaard aan de hand van
de gebruikswaarde en niet aan de hand van een objectieve grondslag in het
maatschappelijke leven.
Voor zover het gaat om min of meer identieke waren die
zich door het productieproces laten vermeerderen, bepaalt binnen een gegeven
tijdspanne de productiviteit van de arbeid hoeveel afzonderlijke eenheden van
een bepaalde waar aangeboden kunnen
worden. De prijsverschuivingen die zich voordoen in het spel van vraag en
aanbod hebben hier niets willekeurigs meer. Ze bewegen zich integendeel binnen
de grenzen die de maatschappij onafhankelijk van de individuele wilsbeschikking
heeft uitgezet: het ontwikkelingspeil van de productieve krachten die er
werkzaam zijn.
In laatste
instantie
is de toename van het aanbod het
resultaat van de productiviteit van de arbeid. Afgemeten aan de gebruikswaarde,
betekent de productiviteit van de arbeid (zeker in het moderne productieproces)
niets meer of niets minder dan de afscheiding van een bepaalde hoeveelheid
afzonderlijke waren binnen een bepaalde tijdspanne.
"Algemeen gesteld: hoe groter de productiviteit van
de arbeid, des te kleiner de voor de vervaardiging van een artikel
noodzakelijke arbeidstijd, des te geringer de in hem gekristalliseerde massa
arbeid en des te kleiner zijn waarde. Omgekeerd: hoe kleiner de productiviteit
van de arbeid, des te groter de voor de vervaardiging van een artikel
noodzakelijke arbeidstijd en des te groter de voor de vervaardiging van een
artikel noodzakelijke arbeidstijd en des te groter zijn waarde. De grootte van
de waarde is dus recht evenredig met de hoeveelheid en omgekeerd evenredig met
de productiviteit van de in die waar belichaamde arbeid." (Marx, Het Kapitaal, dl.I, Lipschitsvertaling,
p.5)
De ruilwaarde van een waar, zegt Marx is recht evenredig
met de noodzakelijke arbeidstijd om hem te vervaardigen en omgekeerd evenredig
met de productiviteit van de arbeid. Ruilwaarde en hoeveelheid arbeid zijn twee
verschillende benamingen voor hetzelfde.
En wat bedoelen we nu met hoeveelheid arbeid ? Met andere woorden : wat is de maat voor
arbeid? Niets anders dan de arbeidstijd.
Men zou natuurlijk kunnen opwerpen dat, vanuit dit
standpunt, de waren die door een minder productieve arbeider, die bijvoorbeeld
werkt met verouderde werktuigen, worden voortgebracht elk afzonderlijk een
grotere ruilwaarde bezitten dan de arbeider die binnen dezelfde tijd meer waren
oplevert, omdat hij moderne arbeidsmiddelen hanteert.
Maar Marx spreekt over maatschappelijk noodzakelijke
arbeidstijd. Voor zover de verschillende producenten gelijkaardige producten
afleveren en voor zover er geen belemmeringen bestaan op de vrije ontplooiing
van de marktwetten, zal de arbeider die meer waren produceert binnen een zelfde
of een kleinere tijdspanne ook de ruilwaarde bepalen van de waren die
voortkomen uit het werk van de minder productieve arbeider.
"Maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd is de
arbeidstijd, nodig voor de voortbrenging van de een of andere gebruikswaarde
onder de bestaande maatschappelijk-normale productievoorwaarden en bij de
maatschappelijk-gemiddelde graad van bekwaamheid en intensiteit van de arbeid. Na
de invoering in Engeland van het door stoomkracht voortbewogen weefgetouw
bijvoorbeeld was misschien half zoveel arbeid als voordien nodig om een
bepaalde hoeveelheid garen in geweven stof om te zetten. De Engelse handwever
had voor deze omzetting inderdaad nog dezelfde arbeidstijd nodig, maar het
product van zijn individueel arbeidsuur stelde nog slechts een half
maatschappelijk arbeidsuur voor en daalde daardoor tot de helft van de vroegere
waarde." (Marx, Het Kapitaal, dl.I, p.4)
Vrije concurrentie komt er uiteindelijk op neer dat de
gemiddelde maatschappelijke productievoorwaarden voortdurend omgewenteld
worden; dat de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd om een waar voort te
brengen voortdurend vermindert, door de vrije invoering van steeds
productievere arbeidsmethodes. Het trieste lot dat de ontwikkeling van de
grootindustrie voor de Engelse handwever had beschoren is een schoolvoorbeeld
bij het voorbehoud van de maatschappelijk noodzakelijke arbeid.
Wallerstein poneert
gewoon de centrale rol van de arbeid in het productieproces als axioma dat geen
verdere verdediging behoeft, zonder het verschil tussen ruilwaarde en
gebruikswaarde in acht te nemen. Wij van onze kant zagen ons gedwongen om uit
te weiden over zowel de gebruikswaarde als de ruilwaarde.
In het eerste geval kon niet volstaan worden met een
dergelijke kernachtige formule, omdat Wallersteins visie op de rol van de
arbeid, voor zover er sprake is van het voortbrengen van gebruikswaarden,
gewoon onzinnig is en zelfs de meest onzinnige uitspraak, zo zou men kunnen
zeggen, een gestoffeerd antwoord verdient.
In het tweede geval konden we ons al evenmin beperken,
omdat de vulgaireconomische waardeleer in onze tijd nu eenmaal de overheersende
is en er omtrent de marxistische leer van de ruilwaarde de meest grotesk
verdraaide voorstellingen rondgaan in de officiële economie.
Nochtans is deze laatste het resultaat van een
ingrijpend wetenschappelijk verval na het werk van Ricardo. Zoals bekend heeft
Marx, die zich weinig gelegen liet aan de modestromingen die op de klassieke
periode van de economie gevolgd zijn, op het vlak van de arbeidswaardeleer
weinig meer moeten verwezenlijken dan het vervolmaken van opvattingen die reeds
aanwezig waren in de traditie van de klassieke economie. Van Ricardo nam hij de
stelling over dat de waardeverhoudingen in de economie bepaald worden in de
verschillende waren belichaamde arbeidstijd. Van de Zwitser Sismondi, de econoom en historicus die
de leer van Adam Smith omsmeedde tot een antikapitalistische leer dewelke moest
tegemoetkomen aan de ideologische behoeften van het door de grootindustrie
bedreigde kleinburgerdom, aanvaardde hij de idee van de maatschappelijk
noodzakelijke arbeidstijd.
Marx' ontleding van de ruilwaarde leidde tot de grootste
verwezenlijking van de moderne economie : de leer van de meerwaarde.
Wallersteins onvermogen om de tegenstelling tussen
ruilwaarde en gebruikswaarde in zijn beschrijving van de rol van de arbeid in
het productieproces te vatten, leidt daarentegen tot een -onderhand
voorspelbaar geworden- verwarring in de discussie over productieve en
niet-productieve arbeid. Doch niet alvorens hij enige staaltjes van zijn
historische methode ten beste heeft gegeven met betrekking tot de beschrijving
van het ontstaan van de loonarbeid.
b) koop en
verkoop van arbeidskracht
"De producent," lezen we nu,
"interesseert zich voor twee verschillende aspecten van de factor arbeid:
de beschikbaarheid en de kosten ervan. Het probleem van de beschikbaarheid
wordt gewoonlijk als volgt verwoord: vastliggende sociale productieverhoudingen
(een stabiel aantal arbeiders voor een bepaalde producent) zouden relatief
weinig kosten met zich meebrengen indien de markt stabiel was en het aantal
arbeiders voor de producent in die periode optimaal was. Maar als de markt voor
het product terugliep, zou het vaste aantal arbeiders de werkelijke kosten van de
producent doen toenemen. En als de markt voor het product zou aantrekken, zo
het vastliggen van het aantal arbeidskrachten het voor de producent onmogelijk
maken om voordeel te putten uit de winstmogelijkheden." (Wallerstein,
p.16-17)
Het staat als een paal boven water dat de kapitalist
bijzonder belang hecht aan de arbeidskosten alsook aan de beschikbaarheid van
arbeidskrachten.
De kapitalist interesseert zich echter nog aan een derde
aspect, een aspect dat al bij al belangrijker is dan de absolute arbeidskost:
de relatieve productiekost of het verschil tussen de
totale kosten van het arbeidsproces en de ruilwaarde die de totale
productiekost overtreft. Tot de productiekosten behoren niet alleen het deel
van de gerealiseerde ruilwaarde dat uitgekeerd wordt in de vorm van loon, die
Wallerstein de kosten van de arbeid noemt, maar evengoed alle kosten die
verbonden zijn met de werking en het onderhoud van de arbeidsmiddelen. De belangstelling van de
kapitalist voor de arbeidskost, zo mogen we wel zeggen, staat geheel in functie
van deze relatieve productiekosten.
Het maxime
(-wat gaat de heer Wallerstein met zijn verklaarde voorliefde voor inductie, toch wel zeer deductief te werk!-) waaruit Wallerstein
de ganse wording van de loonarbeid wil afleiden, "de interesse" van
de kapitalist, loopt dus al een beetje kreupel omdat het één belangrijk lidmaat
moet missen, en nog wel datgene dat de interesse van de kapitalist in de
arbeidskosten in zich opgesloten
houdt.
Laten we echter niet te veel tijd verspelen aan het
onderzoek naar de subjectieve interesse van de kapitalist. De maatschappij
trekt zich maar zoveel aan van de interesse der kapitalisten als in de kraam
van haar objectieve bewegingswetten past. De economische verhoudingen
waarbinnen deze interesse zich moet verwezenlijken, leiden een bestaan
onafhankelijk van iedere belangstelling.
"Het is zeker de wil van
de kapitalist om zoveel mogelijk te nemen," zou Marx hier antwoorden,
"Voor ons is het zaak niet over zijn wil
te praten, maar zijn macht te
onderzoeken, de grenzen van die macht
en het karakter van die grenzen."
(Marx, Loon, prijs en winst,p.18
-cursief van Marx)
Voor hetzelfde geld had Wallerstein er kunnen van
uitgaan dat het de kapitalist interesseert
om de individuele loonarbeider 24 op 24 uur te laten werken. Dan zou hij binnen
één etmaal niet één achturendag kunnen exploiteren, maar drie en dit alles met
de bestaansmiddelen om de arbeider één dag van zijn leven recht te houden. In
dit geval is het idee van de volledig
verwezenlijkte interesse gewoon een fysieke onmogelijkheid.
De kapitalisten van Wallerstein drijven hun wensdromen
in verband met de fysieke draagkracht van hun arbeiders echter niet zover. Zij
zijn redelijke en beschaafde mensen, echte producten van de Renaissance en de
Verlichting! Hen "interesseert" slechts de
"beschikbaarheid" van de arbeid en "de kost" ervan. Daarom
kan Wallerstein de werkelijke historische gang van zaken naar believen omkeren
zonder onmiddellijk op ongerijmdheden van het voornoemde soort te stoten en de
uitbreiding van de loonarbeid ontwikkelen als het gevolg van een
wilsbeschikking.
Als de uitbreiding van de loonarbeid afhangt van een
dergelijke wilsakt, waarom zou hij dan niet mogen beweren dat "deze
overwegingen" met betrekking tot
de beschikbaarheid en de kosten van de arbeid "zoals al vaak is beschreven
(?) de basis vormen voor de totstandkoming van het instituut loonarbeid."?
(zie p.18)
Zou het niet kunnen dat de handelsburger, eens hij buiten het traditionele
gildesysteem getreden was, dat inderdaad te veel kosten met zich meebracht en
een belemmering voor de verdere ontwikkeling van de handel werd, eens
de loonarbeid bij de concurrentie een feit was, eens er ook door het al goed aan gang zijnde ontbindingsproces van
de middeleeuwse productiewijze een bezitsloos proletariaat voorhanden was,
waaruit zowel de initiële kapitalist van Wallerstein als zijn concurrenten
konden putten, voor het overleven van
zijn zaak gaandeweg gedwongen werd zijn toevlucht te nemen tot de loonarbeid ?
Zou het met andere woorden niet kunnen dat de economische noodzaak uiteindelijk de doorslag gegeven heeft op de interesse van
de kapitalist?
Waarom heeft Wallerstein niet meteen het proletariaat zelf kant en klaar uit
het niets, of liever gezegd uit de burgerlijke wilsbeschikking tevoorschijn
getoverd, deze mensen die zich bevinden in "de situatie waarin een groep
personen voortdurend beschikbaar was voor werk, min of meer (?) voor de hoogste
bieder"(ibidem)?
Het kapitalisme dat op de wijze ontstaan zou zijn zoals
Wallerstein wil, is geen historisch
maar een metafysisch kapitalisme,
waarin de tot quasi-bovennatuurlijke kracht verheven wil van de
kapitaalbezitter vanaf het eerste hoofdstuk van Wallersteins Genesis de
"interesse" in bepaalde maatschappelijke verhoudingen vlees en bloed
laat worden. Het schetsen van de werkelijke herkomst van het proletariaat uit
de lijdzaam wegrottende klassen van de middeleeuwse maatschappij zou beslist
minder plaats in beslag genomen hebben dan zijn gezeur over de subjectieve
voorkeur van de kapitalist.
Maar genoeg nu van deze lammetjesachtige filosofische
bespiegelingen ... Per slot van rekening zijn we hier om aan politieke economie
en historische kritiek te doen!
Ook Wallerstein verlaat zijn wijsgerige tuin van Eden om
aan de zuur verdiende inzichten van zijn historisch onderzoek het karakter van
sociale wetenschap te geven. De loonarbeid, welnu, beschrijft hij
"als het functioneren van de arbeidsmarkt en de
personen die hun a r b e i d verkopen als proletariërs."(p.18-mijn cursief en spatiëring)
Onze professor houdt er een zeer uitzonderlijke
opvatting over wetenschappelijke vooruitgang op na. In plaats van zich de
bewezen inzichten van zijn voorgangers eigen te maken en verder te ontwikkelen,
herhaalt hij hun fouten en tegenspraken en noemt deze een nieuwe richting in de
maatschappijkritiek.
Het was niet voor niets dat we in de eerste paragraaf
van dit hoofdstuk spraken over de loonarbeid als koop en verkoop van arbeidskracht of arbeidsvermogen en niet over de ruil van arbeid.
Zoals we zagen bepaalde de klassieke economie de arbeid
als maat voor waarde. In de moderne samenlevingen worden de arbeidsinspanningen
van de mens evengoed in het ruilverkeer opgenomen. Het scheen dan ook de logica
zelve om de loonarbeid als de verkoop van arbeid op te vatten en aldus de
menselijke arbeid als waar te beschouwen.
Maar wie A zegt moet ook B zeggen. Als we kunnen praten
over de arbeid als waar, dan moeten we ook één en ander kunnen zeggen over de
ruilwaarde van de arbeid. Smith, Ricardo, Say, Sismondi etc. moesten zich
grotendeels beperken tot uitspraken over de toename of daling van de waarde van
de "arbeid". En niet zonder reden.
Bij Ricardo, die zich in het eerste hoofdstuk van zijn Principles haast om te ontkennen dat het
nut en dus uiteindelijk de schaarste in haar vulgaireconomische betekenis, in
de betekenis van de willekeurige bewegingen van de verhouding tussen vraag en
aanbod, de ruilwaarde zou bepalen
("Het nut is niet de maatstaf van ruilwaarde alhoewel het er een
essentiële voorwaarde voor is"-Hfst 1, par.1, p.5), lezen we omtrent de
waarde van arbeid onder andere:
"Volgens de natuurlijke vooruitgang van de
samenleving, zullen de lonen uit arbeid een dalende tendens vertonen, voor zover
zij door vraag en aanbod bepaald worden; immers, het aanbod van arbeiders zal
in een gelijke tred ermee uitbreiden, terwijl de vraag ernaar trager zal
toenemen ... Ik zeg dat, onder deze voorwaarden, de lonen zouden dalen indien
zij slechts geregeld zouden worden door de vraag naar en de aanbod van
arbeiders."
Wanhopig spartelend om een tegenspraak met zijn eigen
uitgangspunten te vermijden, voegt hij er onmiddellijk aan toe:
" ... maar
we mogen nooit vergeten dat de lonen ook geregeld worden door de prijzen van de
waren waaraan ze worden uitgegeven."
(Principles of Political Economy and Taxation, hfst.5, p.57)
Ricardo slaagt er dus niet in om de door hem naar voor
geschoven arbeidswaardeleer consequent toe te passen op de loonarbeid. Immers,
vraag en aanbod zijn hier niet de uiterlijke bewegingen van de prijs rond de
ruilwaarde, maar een werkelijk grondstoffelijk element in de vorming van de
ruilwaarde van de arbeid. Om deze eigenaardige wending op te vangen, neemt hij
er nog een tweede waardescheppend element bij, los van het eerste : de prijzen van de waren waaraan het loon
opgaat.
Hoe moet deze afwijking van de eenduidige, samenhangende
verklaring van de ruilwaarde als arbeidstijd, door vraag en aanbod op gelijke
hoogte te nemen met de waarde van de benodigdheden om de arbeidskracht te
reproduceren nu verklaard worden ? We
geven het woord aan Friedrich Engels:
"De klassieke economie vond dat de waarde van een
waar bepaald wordt door de in haar
besloten,voor haar productie vereiste arbeid," schrijft hij, "...
Zodra de economen deze waardebepaling echter op de waar 'arbeid' toepasten,
vervielen zij van de ene tegenstrijdigheid in de ander. Hoe wordt de waarde van
de 'arbeid' bepaald ? Door de daarin vervatte noodzakelijke arbeid. Hoeveel
arbeid steekt er in de arbeid van een arbeider voor een dag, een week, een
maand, een jaar ? De arbeid van een
dag, een maand, een jaar. Wanneer de arbeid de maat van alle waarden is, dan
kunnen wij de 'waarde van de arbeid' immers slechts uitdrukken in arbeid. Wij weten
echter absoluut niets over de waarde van een uur arbeid wanneer wij slechts
weten dat die gelijk is aan een uur arbeid. Daarmee zijn wij dus geen haarbreed
nader bij ons doel, wij draaien voortdurend in een kring rond." (Engels, Inleiding van 1891 tot Loonarbeid en
kapitaal, in: Marx, Loonarbeid en
kapitaal, Pegasus, Amsterdam, 1977, p.9-10)
Als we de loonarbeid trachten te begrijpen als de
verkoop van arbeid komen we terecht
in een tautologie die de ganse waardeleer, en daarmee de gehele economische wetenschap,
op losse schroeven zet. Nochtans bieden de loonarbeiders zichzelf evengoed aan
als een hoedenmaker de door hem vervaardigde hoofddeksels.
Mocht Wallerstein, tegen alle verwachtingen in, ooit
eens dezelfde doortastendheid aan de dag leggen als de beste der klassieke
economen en de logische consequenties van zijn formules uitwerken, hij zou op
dezelfde tegenstellingen stuiten.
Maar we kunnen hem geruststellen. Het reddende antwoord
op dit vraagstuk werd reeds meer dan een eeuw geleden gegeven. En dan nog wel
door de mensen waarvan hij in de inleiding van zijn Historisch kapitalisme, met
de opgeblazen pretentie eigen aan de eclecticus, durft zeggen "dat ze maar
wisten zoveel ze wisten." (vgl.p.8) Marx wist inderdaad maar zoveel hij wist
en geen enkele marxist mag van hem verwachten dat hij meer wist dan hij kon
weten. Wallerstein van zijn kant weet minder dan hij kon weten, aangezien hij
er nog niet eens in slaagt om de transactie tussen loonarbeider en kapitalist
in de juiste formule te gieten.
Ongeacht of hij in de overtuiging verkeert dat hij voor
zijn volledige arbeid wordt vergoed of niet, is het niet zijn arbeid die de
loonarbeider op de markt verkoopt, maar zijn arbeidskracht.
In het woord vooraf tot de eerste uitgave van Het
Kapitaal deel II, dat Engels in mei 1885 toevoegde aan de bewerkte
handschriften van de twee jaar eerder overleden Marx naar aanleiding van diens
verjaardag, vinden we een kernachtige samenvatting van deze wetenschappelijke
doorbraak:
"Als activiteit die waarde creëert, kan hij (de
arbeid-nvdr.) evenmin een bepaalde waarde bezitten, als de zwaartekracht een
bepaald gewicht heeft, hitte een bepaalde temperatuur, elektriciteit een
bepaalde stroomsterkte. Het is niet de arbeid die als koopwaar gekocht en
verkocht wordt, maar de arbeidskracht.
Zodra de arbeidskracht een koopwaar wordt, wordt zijn waarde bepaald door de
arbeid die belichaamd wordt in deze waar als maatschappelijk product. Deze
waarde is gelijk aan de arbeid die maatschappelijk noodzakelijk is voor de
productie en de reproductie van deze waar. De koop en verkoop van arbeidskracht
op basis van haar waarde aldus omschreven is helemaal niet in tegenspraak met
de waardewet."
(Zie: Marx, Capital,
dl.II, Engelse vertaling, Progres, Moskou, 1971, p.19 -cursivering van
Engels)
De arbeid, zouden we met andere woorden kunnen zeggen,
is slechts de werkzaamheid van de natuurkracht die ruilwaarde voortbrengt en
het is deze natuurkracht zelf, het menselijke vermogen tot arbeid, die in de moderne samenleving als koopwaar
circuleert.
Vergeten om het onderscheid te maken tussen arbeid en
arbeidskracht in de ontleding van het verschijnsel loonarbeid staat inderdaad
gelijk aan het verwarren van de specifieke kracht waarmee Newtons appel
neersuisde met het natuurverschijnsel dat eraan ten grondslag ligt.*
Wanneer hij de loonarbeid beschrijft als de koop en
verkoop van "arbeid", handelt Wallerstein zelfs niet in
overeenstemming met de manier waarop deze verhouding verwoord wordt door zijn
grote voorbeeld, Fernand Braudel. Braudel,
die als burgerlijk historicus over het algemeen veel minder praats op heeft
tegen het marxisme dan zijn "linkse" leerling, laat over deze kwestie
niet het minste misverstand bestaan.
"De arbeidsmarkt," schrijft hij, "is de
markt van de mens, waar hij ook vandaan komt, zich aanbiedt, ontdaan van zijn
traditionele 'productiemiddelen' als hij die al ooit heeft gehad: een lapje
grond, een weefgetouw, een paard, een kar. Hij heeft niets anders te bieden dan
zijn handen, zijn armen, kortom zijn 'arbeidskracht'. En natuurlijk zijn
handigheid." (Braudel, Beschaving,
economie en kapitalisme, dl.II, Het
spel van de handel, Uitgeverij Kontakt, Amsterdam, 1989, p.41)
Behalve dat Braudel de arbeidskracht van de mens een
beetje enggeestig beperkt tot diens spierkracht en de handigheid, die evengoed
een element van de arbeidskracht vormt, als een gegeven apart beschouwt, valt
op deze passage veel minder aan te merken dan op het beetje vulgair-marxisme
dat het bezwarend materiaal vormt voor het radicale verleden van
Wallerstein.
Nu kan men zich natuurlijk de vraag stellen waarom de
arbeidskracht als enige natuurkracht een bepaalde ruilwaarde kan hebben. Het
antwoord daarop is heel eenvoudig:
omdat ze zelf voortgebracht moet worden door middel van arbeid; namelijk
deze die nodig is om de middelen voort te brengen om de arbeidskracht te
produceren en te reproduceren. In mensentaal: de ruilwaarde van de arbeidskracht is gelijk aan de maatschappelijk
noodzakelijke arbeidstijd gevat in de bestaansmiddelen die nodig zijn om haar
te onderhouden, te laten voortbestaan en ter beschikking van de kapitalist te
houden. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de elektrische krachten, die
evengoed zonder menselijke arbeid in de natuur tot uitbarsting kunnen komen,
veronderstelt het voortbestaan van de arbeidskracht haar eigen werkzaamheid, de
arbeid, die onder de omstandigheden van ontwikkelde ruil zelf de maat begint te
vormen voor waarde.
Hoewel het wetenschappelijke inzicht van de meest
ontwikkelde bourgeois nooit veel verder gereikt heeft dan het concept van de
"koop en verkoop van arbeid", is hun praktisch handelen toch steeds
in overeenstemming geweest met de feitelijke wetmatigheid. Als de Britse
industriëlen bij het einde van de jaren 1830, via de agitatie van de Anti-Corn Law Leage, op een
georganiseerde manier begonnen op te treden tegen de beschermende invoerrechten
op graan die de grootgrondbezitters van een hoog inkomen moesten verzekeren,
dan hadden zij maar één doel voor ogen: de beschikbaarheid van goedkopere
bestaansmiddelen die hen de ruimte gaven om de lonen te verlagen. Hetzelfde
gaat op voor de afschaffing in 1866, door het liberale kabinet Frère-Orban, van de glijdende
schaalheffingen op de invoer van buitenlandse landbouwproducten in België. In
Engeland gaf de strijd van de bourgeoisie, die de arbeiders domweg voor grote
ezels hield die zij met gemak de wortel van goedkopere bestaansmiddelen voor de
neus kon houden juist onmiddellijk aanleiding tot een versnelde politieke
bewustwording van het proletariaat. In plaats van de arbeiders met het
burgerlijke belang te verzoenen, leidde het politieke gestook van de
bourgeoisie voor de vrijhandel juist tot de groei van de Beweging voor het Volkscharter, de eerste politieke
massaorganisatie uit de geschiedenis van het industriële proletariaat. En zo
gaf de "interesse" van de kapitalist gestalte aan een monster uit
zijn meest bezwete angstdromen: de proletarische partij.
De natuurlijke
prijs van de arbeidskracht is niet gelijk aan het minimumloon dat de individuele arbeider in staat stelt zich
net zo lang op de been te houden tot zijn kinderen zijn afgeschreven
arbeidsvermogen kunnen aflossen.
De waarde van de arbeidskracht is, net zoals elke
ruilwaarde, een maatschappelijke
verhouding. Het loon mag gerust dalen onder het overlevingsminimum van de
individuele arbeider; zulks heeft meestal alleen maar tot gevolg dat hij nu
fysiek gedwongen wordt om zijn levenspartner en kinderen in de klauwen van het
kapitaal te werpen. Het loon mag zelfs gerust zo halsoverkop ineenstorten dat
hele arbeidersgezinnen van de honger en de ontberingen omkomen. Zolang er
genoeg klaarstaan om hun gestorven makkers onmiddellijk te vervangen, zolang de
materiële omstandigheden nog een voldoende snelle opeenvolging van de
generaties toelaten, kan het loon naar believen dalen.
Maar dit is slecht één zijde van de maatschappelijke
bepaaldheid van het arbeidsloon, dat geenszins noodzakelijk hoeft samen te
vallen met de natuurlijke prijs van de arbeidskracht. Zodra de arbeiders, die
vroeger als monaden, als individuele verkopers van hun arbeidskracht tegenover
de geconcentreerde krachten van het kapitaal stonden, zich zelf beginnen
manifesteren als geconcentreerde macht, gaat de beweging de tegenovergestelde
kant uit. Van zodra hun objectieve
verhouding tot elkaar als leden van dezelfde klasse een bewuste verhouding wordt en dit bewustzijn grootschalige
verwezenlijking vindt in het optreden van coalities tussen arbeiders, begint
het prijskaartje dat de arbeiders aan hun economische zelfopoffering hangen als
voorwaarde voor de "beschikbaarheid" van hun arbeid hogere bedragen
op te geven. Het kapitaal dat tegenover
de loonarbeider in principe als een geconcentreerde, monopolistische kracht
was opgetreden, wordt vanaf dan zelf geconfronteerd met een monopolie, een monopolie
van de arbeid.
Daarom zijn ook lonen die hen toegang geven tot meer dan
wat absoluut noodzakelijk is voor hun dierlijk verderbestaan als klasse
helemaal niet in tegenspraak met de arbeidswaardeleer inzake de koop en verkoop
van arbeidskracht, evenmin als het in tegenspraak is met de economie dat
bepaalde waren boven hun natuurlijke prijs worden verkocht.
Het begin van
de moderne klassenstrijd, het stadium
waarin het proletariaat zich vooralsnog beperkt tot minimumeisen waarvan de
verwezenlijking zijn positie binnen de bestaande orde draaglijker moet maken,
is niets anders dan deze ontkenning van het eerste aspect : de arbeider die
voor de keuze stond tussen een hongerloon en de hongerdood stelt de kapitalist
op zijn beurt voor de keuze tussen een beetje minder winst opstrijken of
gedurende een periode helemaal geen winst meer maken.
Maar zover zijn we nog lang niet in de wetenschappelijke
analyse. En Wallerstein zal er ook nooit toe komen. Bij hem zal de historische hoofdrol in het aan de kaak stellen en
omvormen van de hedendaagse maatschappijverhoudingen niet gespeeld worden door
het proletariaat, maar door de anti-systeem-bewegingen
in het algemeen, waarvan de arbeidersbeweging slechts één verschijningsvorm is.
Even onbepaald als hij is in zijn wetenschappelijke premissen, even vaag en
dubbelzinnig zal hij blijven in zijn politieke gevolgtrekkingen... het enige
waarin hij zijn eigen formele logica met de grootste consequentie zal
handhaven.
Tenslotte nog een woordje over de omvang en de samenstelling
van het proletariaat.
Voor een keer erkent Wallerstein dat hij "niets
nieuws vertelt" wanneer hij zegt dat ... "in het historisch
kapitalisme een groeiende proletarisering van de arbeidersmassa's heeft
plaatsgevonden."(zie p.18) Anderzijds verbaast hij er zich met grote ogen
over dat de volledig geproletariseerde arbeid in de tegenwoordige wereld de vijftig percent niet haalt.
Hij vergeet dat in de kapitalistische metropoollanden,
de historische thuisbasis van het wereldkapitaal die hij "het centrum" noemt, de volledige
geproletariseerde arbeid wel degelijk vijftig percent haalt. In een klein
"centrum"land als België verricht niet minder dan drie vierde van de
werkende bevolking één of andere vorm van loonarbeid. In deze landen bestaan de
kapitalistische verhoudingen ter wille van de eigen bourgeoisie. In de landen
van de hedendaagse "periferie", de neokoloniale wereld, daarentegen
bestaat veruit het meeste wat maar ruikt naar kapitalistische verhoudingen in
functie van het kapitalisme in de metropoollanden, zelfs de eigen inheemse
bourgeoisie.
Zelfs productieverhoudingen, zoals bepaalde vormen van
slavernij, die nog dateren uit een vorig historisch tijdperk worden omgesmeed
tot verhoudingen dienstbaar aan de belangen van de bourgeoisie uit het centrum
-als deze verhoudingen al niet speciaal voor de gelegenheid in het leven
geroepen worden ! De kinderslavernij, die in de Indische en Pakistaanse
confectienijverheid een zeer grote verspreiding kent, bestaat niet, evenmin als
de verhoudingen van bonded labour
(knevelarij) op het Indische platteland, ter wille van de folklore (hoewel
beide vormen al bestonden in de traditionele Aziatische maatschappij) maar
komen allebei voor in het exportgerichte grootlandbouw- en industrieel bedrijf.
Het aantal kinderen dat in India vastgeklonken zit aan deze voorkapitalistische
productieverhoudingen wordt geraamd op zo'n kleine 13 miljoen.
Dit alles zal natuurlijk door Wallerstein volmondig
beaamd worden. Hij werpt zich zelfs op als één van de geniale ontdekkers van
deze globale verhouding van ontwikkeling en onderontwikkeling. Zonder het te
weten echter geeft hij, door zijn verbazing te uiten over de verhoudingsgewijs
geringe proletarisering, zijn eigen stijfkoppige ontkenning van de regelmatig
weerkerende ontwikkelingsfasen in de sociale en economische geschiedenis een
stevige knauw.
Veruit het grootste deel van de niet-geproletariseerde
bevolking bevindt zich uitgerekend in de periferie waar de kapitalistische ontwikkeling plaatsgegrepen heeft als
noodzakelijke uitloper van deze in het centrum. Enerzijds zien we dat de
kapitalistische productiewijze in de zogenoemde periferie de overgang van de
oude, traditionele arbeidsverhoudingen naar moderne loonarbeid heeft laten
plaatsgrijpen zonder de tussenstadia die we in een centrumland zoals
bijvoorbeeld Engeland tegenkomen. Anderzijds zien we dat het proces van
proletarisering bijlange na niet zover gevorderd is in de periferie als in het
centrum. Dit houdt maar op ons te verbazen wanneer we toegeven dat de
kapitalistische productiewijze, juist door deze afgeleide ontwikkeling, haar
"streven" om de mensen te laten optreden als verkopers van hun
arbeidskracht niet volledig heeft kunnen ontplooien, of deze tendens alleszins
aan een veel trager tempo ontplooit.
Daarom zouden we er ons ook niet over moeten verbazen
wanneer we desondanks met betrekking tot het proces van proletarisering in de
neokoloniale wereld dezelfde fundamentele wetmatigheden terugvinden als in de
metropoollanden.
Dan is niet het historisch materialisme het verstarde
wereldschematisme, maar het credo van
centrum en periferie.
Sterker nog, Wallerstein relativeert het proces van
proletarisering niet alleen naar de omvang, maar tevens naar de opbouw van het proletariaat :
"Als we (...) uitgaan van alle personen wier arbeid
op de één of andere manier betrokken is bij het systeem van goederenproductie
en die dus ook meetellen - vrijwel alle volwassenen vrouwen, een groot deel van
de nog niet volwassenen en de ouderen, niet meer in de kracht van hun leven-
dan zakt het percentage proletariërs drastisch."(p.18-19)
Als we er daarentegen van uitgaan dat tot het
proletariaat iedereen behoort die "op één of andere manier" voor zijn levensonderhoud afhankelijk is van
een inkomen uit loonarbeid, dan kan deze kronkel van Wallerstein niet
anders dan een volslagen overbodige uitwas van zijn geforceerde vernieuwingsdrang worden genoemd. Dan hoeft
ook de grote omvang van wat we mogen verstaan onder proletariaat ons evenmin te
verbazen als het geremde proletariseringsproces in de neokoloniale wereld.
Minder verbaasde wetenschappers zullen misschien ooit de onbevangenheid
opbrengen om zonder academische complexen te erkennen dat Wallerstein maar wat
uit zijn nek slaat om de bladzijden gevuld te krijgen. De verbazing kan zowel
de rijping van de kindse geest aanwijzen, als het verval van de rijpe geest in
de kindsheid.
Voor Wallerstein zelf is deze laatst aangehaalde
opmerking over de omvang van het proletariaat van het hoogste gewicht om een
voorwaar uiterst verwerpelijk aspect van het historisch kapitalisme te kunnen
aankaarten: het onderscheid dat er gemaakt wordt tussen de produktieve
arbeid van de individuele loonarbeider
en de zogezegd niet-productieve arbeid van zijn huisgenoten.
c) Productieve en
niet-productieve arbeid; de productie van meerwaarde
Over het proletarische, over liever gezegd
proletariserende gezin, heeft Wallerstein ons het volgende mee te delen:
"In de context van een
dergelijke huishoudingstructuur begon men
de werkende klasse in sociaal opzicht te onderscheiden in een productief en een
onproductief deel. De facto begon men
productieve arbeid te definiëren als
arbeid waarmee geld verdiend kon worden (in de eerste plaats loonarbeid); en
niet-productieve arbeid als arbeid die, hoewel zeer noodzakelijk, slechts een
bezigheid was ten behoeve van het eigen levensonderhoud en die daarom, zo zei men, geen 'surplus' voortbracht dat
iemand anders zich mogelijkerwijs kon toe-eigenen. Deze arbeid was ofwel in het
geheel niet vercommercialiseerd of had betrekking (maar dan werkelijk onbetekenende) wapenproductie. Het
onderscheid tussen soorten arbeid werd bevestigd in de vorming van specifieke
rollen die ermee verbonden waren. Productieve (loon)arbeid werd in de eerste
plaats een taak voor de volwassen man/vader en in de tweede plaats voor de
andere (jongere) volwassen mannen in het huishouden. Niet-productieve arbeid
(voor het eigen onderhoud) werd in de eerste plaats een taak voor de volwassen
vrouw/ moeder en in de tweede plaats voor andere vrouwen, plus kinderen en
oudere mensen. Productieve arbeid werd buiten de huishouding in de 'werkplaats'
verricht. Niet-productieve arbeid werd binnen de huishouding verricht."
(p.19-20- mijn cursief)
Eerst en vooral moet er klaarheid worden geschapen in
wat Wallerstein bedoeld met de "men"
die wij in zijn tekst zo aanmatigend hebben gecursiveerd.
"Men"
is in de eerste plaats, en daarmee zal ook Wallerstein instemmen, de
bourgeoisie, die de ganse in zwang zijnde beschouwingswijze van de arbeid naar
haar eigen beeld en gelijkenis, haar eigen welgevallen en zeer zeker ook haar
eigen onvervulbare wensdromen heeft herschapen.
"Men"
is vervolgens ook eenieder buiten de burgerij die de burgerlijke
wereldbeschouwing in zich opneemt. Per slot van rekening, zo weten we sinds
Marx, zijn de heersende ideeën de ideeën van de heersende klasse.
We kunnen ermee volstaan dat Wallerstein hier ten
behoeve van zijn betoog hier heel even de burgerij zelf aan het woord laat, de
burgerij zoals ze zich "voor zijn ogen" heeft ontwikkeld in het
historisch kapitalisme.
Maar kan Wallerstein, die voor het ontstaan van de
loonarbeid de interesse van de kapitalist als uitgangspunt neemt, het de
burgerij dan kwalijk nemen dat zij, wanneer zij spreekt in de taal en de logica
die haar door het historische proces zijn eigengemaakt, ook het arbeidsproces
door haar eigen gekleurde bril ziet?
Is het, met andere woorden, niet vanzelfsprekend dat de
burgerij slechts als productieve arbeid bestempelt wat vanuit het standpunt van
haar eigen belangen productieve arbeid is: namelijk arbeid die rechtstreeks
winst oplevert ? Hoe noodzakelijk ook de thuisarbeid voor het reproduceren van
de waar arbeidskracht, van de thuisarbeid alleen smeert de bourgeoisie geen
boterham. De loonarbeider overigens al evenmin.
Zelfs op het vlak van de economische theorie snijdt de
visie van de bourgeoisie meer hout dan Wallersteins pogingen om de zaak
maatschappijkritisch te benaderen. Huishoudelijke arbeid, bijvoorbeeld van de
thuiswerkende vrouw, is bijna uitsluitend bron van gebruikswaarde. Zoals
Wallerstein zelf grootmoedig toegeeft, heeft de huishoudelijke arbeid hoogstens
betrekking op "werkelijk onbetekenende wapenproductie".
Omdat Wallerstein, zoals we eerder aantoonden, vergeten
is om in zijn eerste karakterisering van het productieproces de arbeid
afzonderlijk te beschouwen als bron van gebruikswaarde dan wel van ruilwaarde,
moet hij de politieke economie opnieuw alle hoeken van de kamer laten zien, dit
keer in de discussie over productieve en niet-productieve arbeid.
De bourgeoisie van haar kant mest zich vet op de
ruilwaarde, en wel meer bepaald op de ruilwaarde die het verschil vormt tussen
de waarde die nodig is om het ganse productieproces op gang te houden en de
werkelijke waardeafgifte van de menselijke arbeidskracht.
Zowel de meerwaarde als de voordelen van de
huishoudelijke arbeid die geen ruilwaarde oplevert, krijgt de kapitalist voor
noppes en een schouderklopje. Beide zijn vormen van arbeid, waar hij van zijn
kant niets van ruilwaarde moet tegenover stellen : de tweede levert hem gratis
de gebruiksklare arbeidskracht, de eerste is het gevolg van haar gebruik.
Er is echter één verschil. De thuisarbeid kan hij gerust
aan het initiatief van de loonarbeider overlaten. De meerwaarde moet hij er
letterlijk uit persen. Onze proletariërs ondervinden onder de gegeven
omstandigheden nu eenmaal, als ze de vrije keuze hebben tussen één van beide,
veel meer voldoening aan het maken van kleine proletariërtjes dan aan het
assembleren van een automobiel. Ze genieten nu eenmaal meer van het resultaat
van het reinigen van hun woning dan van het resultaat van het opboenen van de
fabrieksruimte.
Waarom beschouwt de bourgeois de loonarbeid dus als
productief, zeg maar belangrijker dan thuisarbeid? Omdat de loonarbeid voor zijn onmiddellijke individuele behoefte aan
ruilwaarde ook effectief belangrijker is. De loonarbeid produceert
rechtstreeks de ganse bestaanswijze van de kapitalist. Daarom kan ook Marx, in
een uitzonderlijke samenklank met het men
van Wallerstein, met een gerust geweten verklaren:
"Productieve arbeid, in zijn betekenis voor de kapitalistische productie, is loonarbeid
die uitgewisseld tegen het variabele deel van het kapitaal (het deel van het
kapitaal dat wordt gespendeerd aan lonen) niet alleen dit deel van het kapitaal
(of de waarde van zijn eigen arbeidskracht) reproduceert, maar bovendien meerwaarde voortbrengt voor de kapitalist.
Slechts hierdoor wordt een waar of geld omgevormd tot kapitaal, geproduceerd
als kapitaal. Slechts deze loonarbeid die kapitaal produceert, is productieve
arbeid." (Marx, Theories on Surplus
Value, dl.I, Hst.5, Progres, Moskou, 1975, p.152 -mijn cursief)
Productiviteit in de kapitalistische zin van het woord,
zo gaat Marx verder, is gebaseerd op relatieve
productiviteit, namelijk dat de arbeider niet slechts een oude waarde vervangt
maar er een nieuwe bij schept (vgl.p.153).
Net zoals de productieve consumptie gebonden is aan de
maatschappelijke betrekkingen van een tijdperk, hangt ook wat beschouwd mag
worden als productieve arbeid af van de heersende maatschappelijke
verhoudingen.
Meer nog. Nu we het onderscheid hebben gemaakt tussen
ruilwaarde en gebruikswaarde, kunnen we in de omschrijving van het begrip
productieve consumptie ontsnappen aan de hele resem betekenissen waarmee we in het begin geconfronteerd
werden en die de zaken er alleen maar ingewikkelder op maakten. Gedefinieerd
naar de ruilwaarde en bekeken in het kader van de kapitalistische
productiewijze is de productieve consumptie dan het tweede stadium van de maatschappelijke kringloop van het kapitaal:
"Eerste stadium: de kapitalist verschijnt als koper
op de waren- en arbeidsmarkt; zijn geld wordt omgezet in waren, ofwel: het gaat
door de omloopbeweging G - W. Tweede stadium: Produktieve consumptie van de aangekochte waren door de kapitalist.
Hij treedt op als een kapitalistische warenproducent; zijn kapitaal gaat door
het productieproces. Het resultaat is een koopwaar van hogere waarde dan deze
van de elementen die in de productie ervan werden opgenomen. Derde stadium: De kapitalist keert terug
naar de markt als verkoper; zijn waren worden omgezet in geld, ofwel: ze gaan
door de omloopbeweging W- G." (Marx, Capital, dl.II, p.25-mijn cursief)
Vanuit kapitalistisch standpunt is productieve
consumptie gewoon het proces waarbij de kapitaalbezitter productiemiddelen en
arbeidskracht verbruikt met het doel meerwaarde te verkrijgen. Over en uit.
Tot slot willen we slechts nog opmerken dat Wallerstein
ook van sommige schrijvers die zich opwerpen als de verdedigers van het marxisme, geen lessen te ontvangen heeft in het
correct gebruik van het begrip produktieve arbeid. Waar Wallerstein in zijn
bespiegelingen over produktieve arbeid Marx tenminste met rust laat en zijn
ideeën op eigen verantwoordelijkheid neemt, meent Leo Michielsen, oud-ideoloog van de Belgische Kommunistische
Partij, verbeteringen te moeten aanbrengen aan Marx' zogenaamd beperkt concept
van de zaak. Uiteraard met de welgemeende bedoeling het marxisme te
vervolledigen, te corrigeren en het aldus voor het nageslacht te redden!
"Produktieve arbeid wordt door Marx zeer eng
bepaald en wel in twee opzichten. In een eerste opzicht. De ambachtsman, de
kleermaker bijvoorbeeld die een kostuum vervaardigt en het verkoopt, verkoopt
wel een waar, maar is niet productief (in de betekenis die Marx aan het woord
geeft -nvdr.) De kleine zelfstandige boer, die zijn landbouwproducten verkoopt,
verkoopt waren, maar hij is niet productief. Het is moeilijk om uit te maken of
hij meer produceert dan wat nodig is voor eigen levensonderhoud, soms wel,
meestal waarschijnlijk niet, gezien de relatief lage productiviteit van zijn
arbeid. (...) Essentieel voor hem (Marx-nvdr.) is dat de kleermaker en de
kleine boer geen loonarbeiders in dienst van een kapitalistisch bedrijf zijn ;
... zij produceren geen meerwaarde die door de kapitalist toegeëigend wordt.
Enkel arbeidskracht, die in kapitaal wordt omgezet en nieuw kapitaal
voortbrengt is productief." (Michielsen, Neokapitalisme, Jacquemottestichting, Brussel, 1969, p.35-36)
Michielsen, die zich nog haast om te verklappen dat Marx
spreekt vanuit het standpunt van de kapitalist, noemt diens opvatting deze van
produktieve arbeid "in de enge zin van het woord"(zie p.37)
Wat is dan produktieve arbeid in de brede zin van het woord?
Heel eenvoudig, zegt Michielsen, de leidinggevende
arbeid van sommige kapitalisten (deze die zich nog persoonlijk met het beheren
van hun zaken bezighouden), speelt evengoed een rol als produktieve arbeid. De
handelsingenieurs die marktanalyses verrichten; publiciteitsagenten;
public-relations-mensen ...
"In acht genomen dat waanzinnige concurrentie een
integrerend deel van het gegeven maatschappelijk stelsel uitmaakt, moet ook de
bedrijvigheid van deze lieden als sociaalnoodzakelijk beschouwd worden."
Michielsen raakt, hoewel hij bij het begin van zijn
economische analyse wel het onderscheid maakt tussen de twee aspecten van de
waar, verstrikt in dezelfde dubbelzinnigheden als Wallerstein. Het
sociaalnoodzakelijk karakter van de geestelijke arbeid is niet alleen
gebruikswaarde voor de kapitalist; in de mate waarin deze activiteiten
inderdaad maatschappelijk noodzakelijk zijn, kan de kapitalist ook de
geestelijke arbeid verrekenen in de ruilwaarde van de door hem aangeboden
koopwaar. Wanneer hij echter de arbeidskracht van deze publiciteitslieden,
handelsingenieurs e.d. moet vergoeden, zal hij natuurlijk bij voorkeur ook
zoveel van de vruchten van hun arbeid achteroverdrukken. Dan zal ook blijken
dat deze arbeidskracht meerwaarde afgeeft en dat haar inspanningen vanuit het
standpunt van de kapitalist zeer zeker produktieve arbeid genoemd mogen worden.
Als de kapitalist die zelf geestelijke arbeid levert, zich minder van de door
de werking van zijn grijze massa afgegeven waarde toeeigent voor onmiddellijke
consumptie dan het geheel van deze door hemzelf voortgebrachte ruilwaarde en
het waardeoverschot, de meerwaarde, opnieuw als kapitaal gaat aanwenden, dan
heeft zelfs onze uitbuiter produktieve arbeid verricht- nogmaals: vanuit het standpunt
van zijn eigen klasse.
Van zodra men het tegenstrijdige karakter van ruilwaarde
en gebruikswaarde, al is het nog maar even, uit het oog verliest loopt men
reeds het risico om zelfs met betrekking tot de meest rudimentaire begrippen
uit de economie in de meest onontwarbare tegenspraken te verzanden.
Vanuit de gebruikswaarde beschouwd, betekent
productiviteit het voortbrengen van zoveel mogelijk waardesubstantie,
gebruikswaarde in een zo gering mogelijke tijd. Maar met de afname van de
maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd, daalt de ruilwaarde van de
waar.
De kapitalist, die zijn persoonlijke rijkdom uitdrukt in
ruilwaarde, meer bepaald in haar maatschappelijke waardemeter, het geld, wordt
aldus de beklagenswaardige gevangene van een vicieuze schaarbeweging waarmee
zijn eigen winsthonger hem parten speelt. Enerzijds bestaat zijn verlangen naar
een hoge winstvoet. Maar met een
kracht evenredig aan de intensiteit waarin hij zijn winsthonger botviert, komt
vanuit de koulissen van het productieproces de objectieve wetmatigheid van de tendens van de dalende winstvoet haar rechten
opeisen. Om zijn hoofd boven water te houden, moet de kapitalist zich van
steeds meer geperfectioneerde productiemethoden bedienen, die alle de
maatschappelijk noodzakelijke tijd voor de productie van de waar, en daarmee
ook de ruilwaarde van de afzonderlijke waar, naar beneden drijven. In de taal
van Marx' Kapitaal: het variabele deel
van het kapitaal, dat deel besteed in de vorm van lonen, wordt kleiner in
vergelijking met het constante deel
van het kapitaal, het deel van het kapitaal geïnvesteerd in de vorm van
niet-menselijke productiemiddelen.
Het gebruik van de in de technische procédés opgesloten
natuurkrachten is gratis en voor niks en geeft dan ook geen ruilwaarde af. De
machinerie, de wetenschappelijke methodes, de gebouwen, ... kortom het constant
kapitaal, geeft slechts de ruilwaarde af die
gelijkstaat aan de maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd die de productie
van deze technische hulpmiddelen in beslag genomen heeft.
In feite liggen de zaken doodsimpel: in de economische
oorlog van allen tegen allen, gaan de kapitalisten om hun tegenstanders de hals
om te wringen en de hand te leggen op hun marktaandeel, steeds meer leunen op
de buitenmenselijke natuurkrachten zoals ze door het arbeidsproces dienstbaar
gemaakt zijn aan de mens en verhoudingsgewijs
steeds minder op de menselijke
arbeidskracht zelf. Door de waardescheppende arbeidskracht gaandeweg te
vervangen door de kosteloze zelfwerkzaamheid van de getemde natuur, besnoeien
ze tegelijkertijd in hun bron van meerwaarde.*
De tendens van de dalende winstvoet is niets anders dan de tegenstrijdige
verhouding tussen ruilwaarde en gebruikswaarde die binnen het kader van de
kapitalistische productie optreedt als antithese van de interesse der
kapitalisten in een lage relatieve arbeidskost.
Voor het socialisme komt het erop aan de tegenstrijdige
verhouding tussen maatschappelijk noodzakelijke arbeidstijd en gebruikswaarde
op te heffen. In de nieuwe samenleving zal het niet de arbeidstijd zijn die de
ruilwaarde bepaalt, maar de gebruikswaarde, het nut, die zal bepalen hoeveel
arbeidstijd er aan de productie van goederen en diensten gespendeerd zal
worden. Het concept produktieve arbeid zal dan volledig in functie staan van de
gebruikswaarde en niet het minst in functie van het maatschappelijke nut.
Michielsen, die zijn boek in de meest nobele bedoelingen
begint met het onderscheid tussen ruilwaarde en gebruikswaarde, houdt van zodra
de zaken er een beetje moeilijker op worden, met andere woorden, van zodra het
erop aankomt het verschil tussen ruilwaarde en gebruikswaarde toe te passen op
meer samengestelde economische begrippen zoals produktieve arbeid, alleen nog
de gebruikswaarde of waardesubstantie over en tuimelt in dezelfde
spraakverwarring als de vulgaireconomen die hij zo overtuigd over de hekel
haalt. De weg naar het theoretisch verval is geplaveid met goede
bedoelingen.
Al bij al doet Wallerstein het niet zoveel slechter als
de marxiaanse ideologen, de verdedigers en verbeteraars van een methode die
minder verbeteringen nodig heeft dan men op het eerste gedacht voorheeft.
Uiteindelijk zijn het lieden van het laatste slag die de grootste
verantwoordelijkheid dragen voor de verwrongen denkbeelden die als marxisme
naar voor geschoven worden, maar in feite het marxisme omkneden en klaarstomen
voor de zoveelste "vernietiging", "weerlegging" uit zijn
geschiedenis. Nochtans moest
Michielsen, als gedoodverfd woordvoerder van de eigen Belgische marxistische
theorie, veel meer weten dan hij wist.
Marx daarentegen had de goede gewoonte om elke stelling
vijf keer in zijn hoofd rond te draaien alvorens ze wereldkundig te maken,
zonder ooit zelf aanspraak te maken op de wetenschappelijke onfeilbaarheid.
d) Arbeidsdeling
volgens leeftijd en geslacht; de zogenoemde onderwaardering van
vrouwelijke thuisarbeid
Middels zijn kritische navorsingen over produktieve en
niet-productieve arbeid heeft Wallerstein het spoor van de vrouwendiscriminatie opgesnoven. Met hoogstzedelijke ernst
verklaart hij dan ook, alsof het gaat om de wetenschappelijke doorbraak van de
eeuw, dat volwassen mannen en vrouwen, kinderen en ouderlingen steeds
verschillende taken gehad hebben, dat er waarschijnlijk
(p.20) steeds al arbeidsdeling naar leeftijd en geslacht bestaan had ...
"Wat nieuw was in het historisch kapitalisme was de
correlatie tussen de arbeidsverdeling en de waardering van verschillende
arbeid. Waarschijnlijk hebben mannen altijd al andere arbeid verricht dan
vrouwen (en volwassenen andere arbeid dan kinderen en oudere mensen), maar in
het historisch kapitalisme heeft er een gestage depreciatie van vrouwenarbeid
plaatsgevonden (en van arbeid verricht door kinderen en oudere mensen), en een
corresponderende accentuering van de waarde van de arbeid verricht door
volwassen mannen. Terwijl in andere
systemen mannen en vrouwen specifieke (maar gewoonlijk gelijkwaardige) taken
verrichtten, werd de volwassen mannelijke loonarbeider in het historisch
kapitalisme geclassificeerd als 'kostwinner', en de volwassen vrouwelijke
thuiswerker als 'huisvrouw'. Toen dus een begin werd gemaakt met het
samenstellen van nationale statistieken, zelf een product van een
kapitalistisch systeem, werden de kostwinners beschouwd als leden van de
economisch actieve arbeidersmassa, maar huisvrouwen niet. Seksisme werd
zodoende geïnstitutionaliseerd. Het wettelijke en semi-wettelijke stelsel van
onderscheid en discriminatie op grond van sekse volgt als het ware logisch op
de fundamenteel verschillende waardering van de arbeid." (p.20-21-mijn
cursief)
Wallerstein heeft de Moral
Majority en de Washington Wives
beslist de stuipen op het lijf willen jagen door dreigend te zwaaien met deze
molotovcocktail van feminisme en halfslachtig, gevulgariseerd historisch
materialisme.
Wij van onze kant durven er echter aan twijfelen of de
feministen er de humor zullen van op prijs stellen wanneer ze lezen dat de
officiële bevestiging van het seksisme samenvalt met het ontstaan van de
moderne statistiek. Valt de officiële erkenning van het vaderrecht bij de
Oud-Peruvianen samen met het in gebruik nemen van de quipu's, bij de Romeinen met het in het leven roepen van de census, in het Engelse feodalisme met de
samenstelling van het Doomesday book
en in het burgerlijke België, tenslotte, met de uitvinding van de formules van Quetelet?
Zelfs als we niet zouden struikelen over het absurde
verband dat Wallerstein hier legt tussen de statistische wetenschap en het
seksisme, moet bij nader inzien worden vastgesteld dat zijn poging om het
historisch materialisme toe te passen op het vrouwenvraagstuk hem al even
slecht bekomt als de bewuste absurditeit waarmee hij in de eerste bladzijden
van zijn boek de Neanderthalers als kapitalisten ten tonele voert.
De oorsprong van de officiële statistiek, de zogenoemde
stelselmatige onderwaardering van de vrouwenarbeid alsook de "officiële
bevestiging" ervan, moeten alle een heel stuk verder terug in de
geschiedenis worden gezocht.
De lezer zal het ons waarschijnlijk niet kwalijk nemen
als we de geschiedenis van de statistiek maar laten voor wat ze is en ons
volledig toeleggen op de onderdrukking van de vrouw. Dan zien we niet alleen
dat de doorbraak van het
vaderrecht (de erfopvolging langs vaderlijke lijn), het feitelijke begin
betekende van haar millennia lange lijdensweg en plicht tot gehoorzaamheid aan
de man. We zien ook dat de historische overwinning van het vaderrecht het gevolg was van de onderwaardering die de
vrouwenarbeid vanaf een bepaald historisch tijdperk te beurt viel. De
onderwaardering van vrouwelijke arbeid hangt dan weer samen met de ingrijpende
veranderingen in de maatschappelijke structuur ten gevolge van de ontwikkeling
van de sedentaire akkerbouw, de veeteelt en de regelmatiger wordende handel op
langere afstand.
De sedentaire landbouw bijvoorbeeld met het hanteren van
zware landbouwgereedschappen en het drijven van ploegdieren, en zeer zeker ook
de veeteelt die zich rechtsreeks uit de jacht, een bij uitstek mannelijke
activiteit, heeft ontwikkeld alsook de warenruil... leidden tot een
onevenredige toename van arbeidsproductiviteit en opstapeling van rijkdom langs
mannelijke zijde.
Het werd voor de jonge mannen, die tot dan toe per
definitie ingedeeld waren in de verwantschapsgroep van de moeder, een zaak van
"gezond boerenverstand" om over te gaan naar de gens van de man.
Westerse zendelingen hebben in een paar gevallen deze
sociale omwenteling met eigen ogen kunnen vaststellen, onder meer bij de Pawnee-Indianen, waar, met het oog op
het verwerven van de paarden van de vader, de jonge krijgers zich door middel
van een plechtig ritueel afscheurden van de gens van hun moeder om zichzelf te
laten indelen bij de meest van gebruikswaarden voorziene partij. Wat betreft de
invloed van de handel op de verhoudingen tussen de geslachten, geeft de
geschiedschrijving zo mogelijk nog duidelijker uitsluitsel.
Over het leven van de Iroquois voor de komst van de
Europeanen schrijft bijvoorbeeld Eric Wolf:
"Voor de groei van de bonthandel was de economische
basis van het leven der Iroquois gestoeld op tuinbouw en jacht. De tuinbouw was
voor het grootste gedeelte in de handen van de vrouwen, hoewel de mannen
hielpen bij het vrijmaken van land door middel van vuur en het omhakken van
bomen. De maatschappelijke samenstelling van de groep die landbouwgrond moest
vrijmaken is onbekend gebleven, maar andere taken bij de ontginning van het
land werden uitgevoerd door alle vrouwen van het dorp, onder de leiding van de
stammoeder van de dominerende clan en met de moeders van de andere families als
luitenanten. Rechten op het gebruik van het land, zowel als de werktuigen die
bij de landontginning en de voedselproductie werden gebruikt, werden langs
moederlijke lijn overgeleverd. De verdeling van het product was eveneens in
handen van de vrouwen. Het gewicht van deze economische taakverdeling bedeelde
de vrouwen een aanzienlijk gezag toe, aangezien zij hun bevoegdheid over de
verdeling van voedsel en schoeisel konden gebruiken als vetorecht tegen
oorlogsexpedities die zij niet konden goedkeuren. (...) Verder oefenden de
vrouwen het eigendomsrecht uit over de multi-familiale woning en bezaten de
bevoegdheid om vertegenwoordigers te verkiezen in de stamraad."
(Wolf, Europe
and the People without History, University of California Press, Berkeley,
1982, p.167)
Het was de bonthandel en de snelle accumulatie van
rijkdommen in de handen van de mannelijke Indiaanse jagers die een einde stelde
aan de overheersende rol van de vrouwen in het leven van de inheemse volkeren
uit het Noordoosten van de huidige Verenigde Staten en het Zuidoosten van
Canada. Naarmate het handelsverkeer met de Europeanen vanaf de zeventiende eeuw
begon toe te nemen, werden de mannelijke activiteiten, de jacht en de
roofoorlog, van veel groter belang dan de rol van de vrouwen in de
voedselproductie. Gaandeweg werden alle vrouwelijke voorrechten, tot en met de
afstamming langs moederlijke lijn, weggevaagd. Berrie Andersom bemerkt een
gelijkaardige ontwikkeling bij de matrilineaire Germaanse stammen uit de Rijnstreek.
De komst van de Romeinen en het groeiende handelsverkeer tussen de Romeinse
kolonies en de Germaanse grensvolkeren leidde ertoe dat de nog overblijvende
primitief-kommunistische instellingen en verhoudingen, de vooraanstaande rol
van de vrouw inbegrepen, goeddeels verdrongen werden.
(Anderson, Passages
from Antiquity to Feudalism, Verso, London, 1996, p.107 e.v.)
Zoveel mogen we aannemen: De ondergang van het moederrecht is de historische nederlaag van de
vrouw. In de tijd waarover Wallerstein spreekt was de ondergeschikte
positie van de vrouw en de ongelijke waardering van vrouwelijke en mannelijke
arbeid, althans in Europa, allang een voldongen feit.
Aangezien hij het seksisme nagenoeg beschouwt als een
uitvinding van het historisch kapitalisme hoeft het ons ook in geen geval te
verbazen dat het niet eens bij Wallerstein
opkomt om zich af te vragen of zijn theorema ook niet in de omgekeerde
richting werkt: of de vrouw, eens gedegradeerd tot het stuk van de veestapel
dat maar deugt voor het plezier van de man en het voortbrengen van de
erfgenaam, ook geen taken toebedeeld kreeg die van oudsher geminacht en
geschuwd werden door de mannen, maar waaraan zij zich door het maatschappelijk
overwicht van de vrouw maar mondjesmaat hadden kunnen onttrekken. Over de
huiselijke taken van de vrouw in het middeleeuwse patriarchale boerengezin
schrijft de Franse historicus Robert
Fossier:
"... zelfs zwanger of tussen twee zoogbeurten in
blijft het de taak van de echtgenote om water te halen -een corvee waarvan wij
ons nu nog nauwelijks de last kunnen van voorstellen- het vuur en de voorraden
te onderhouden, het klaarmaken van allerlei soorten brij, het malen van graan
en het verhitten van de oven, indien haar meester haar al niet gedwongen
tewerkgesteld heeft aan allerlei monotone werktuigen."
(Fossier, Paysans d'Occident, Presse Universitaire de France, Parijs, 1984,
p.41)
Is de onderdrukking van de vrouw, de
"depreciatie" van haar huisarbeid inbegrepen, niet een toestand die
ons door vorige maatschappijvormen werd overgeleverd?
Neemt Wallerstein zijn eigen typisch kleinburgerlijke
verontwaardiging, die zijn begrip van de zaak aanpast aan zijn aanklacht en
niet omgekeerd, zoals het een wetenschappelijk maatschappijcriticus betaamt,
niet voor wetenschappelijke waarheid wanneer hij slechts de nieuwe door het
kapitalisme gesmede boeien voor de vrouw waarneemt, en niet de nieuwe door
hetzelfde systeem in het leven geroepen voorwaarden tot haar bevrijding?
Zoals hij in het historisch kapitalisme slechts een
kwade zaak ziet, zo ziet hij in de positie van de vrouw onder de
kapitalistische produktiewijze slechts een achteruitgang.
Wij daarentegen bemerken dat de proletarisering en in
het bijzonder de razende versnelling ervan vanaf de industriële revolutie,
tegen wil en dank van het burgerlijke patriarchaat, een vrouwengestalte heeft
opgeleverd die reeds verwijst naar de toekomstige maatschappijorde; dat men
ertoe mag besluiten dat de burgerlijke samenleving de laatste
verschijningsvormen van het patriarchaat omvat; dat we reeds de eerste
geboortekreten kunnen horen van de gelijkwaardigheid tussen de geslachten.
De gelijkschakeling van de arbeidsvoorwaarden, die
aloude schijnbare onoverbrugbare taakverschillen tussen mannen en vrouwen op
zijn minst heeft laten vervagen en in veel gevallen al heeft weggevaagd, heeft
ervoor gezorgd dat nu ook de vrouw als kostwinner kan deelnemen aan het
produktieproces.
Wallerstein zal ons wel moeten veroorloven dat wij voor
de gelegenheid een vrouwelijke marxistische doctrinair ter hulp roepen om
klaarheid te scheppen in het theoretische imbroglio
van zijn historische beschrijving:
"De onafhankelijke nieuwe vrouw," schrijft Alexandra Kollontai bij het begin van
deze eeuw, "is een product van het kapitalistische economische systeem. De
onafhankelijke vrouw -niet als uitzondering, als toeval, maar als een massaal,
alledaags, zich wetmatig herhalend verschijnsel- is ontstaan tegelijk met het
helse lawaai van de machines in de fabrieken en de fluit van de werkplaatsen.
Die gigantische ommekeer in de economische omstandigheden, die nog steeds bezig
is zich te voltrekken onder invloed van steeds nieuwe overwinningen van de
grootkapitalistische productiewijze, heeft ook de vrouwen gedwongen zich in de
strijd om het dagelijks bestaan aan te passen aan de voorwaarden die de hen
omringende realiteit hen stelde. De meeste vrouwen zijn direct afhankelijk van
de historische ontwikkelingsfase, die de mensheid nu doormaakt. Tegelijk met de
verandering van de economische omstandigheden en met de evolutie van de
productieverhoudingen verandert ook het karakter van de vrouw. De nieuwe vrouw
kon als type pas ontstaan met de toename van het aantal vrouwelijke
arbeidskrachten in loondienst." (Kollontai, De nieuwe vrouw en andere teksten, Pegasus, Amsterdam, 1981, p.65-66)
Ook in België zijn er een aantal
partijen aktief die in hun propaganda de herwaardering van de vrouwelijke
thuisarbeid hoog in het vaandel dragen. Jammer genoeg zal zelfs de
Wallersteiniaanse breeddenkendheid noch de
Christelijke
Volkspartij noch het Vlaams Blok
of het Front National kunnen bestempelen als een kritisch antwoord
op het historisch kapitalisme zonder zelf afbreuk te doen aan haar
oorspronkelijk politiek opzet.
Wanneer Wallerstein het begrip "verlengde
kinderjaren"(zie p.21), "de puberteit"(idem), beschouwt als een
poging van de kant van de bourgeoisie om de uitsluiting van kinderen aan het
kapitalistische productieproces "als een progressieve vrijstelling van
arbeid" voor te stellen, dan geeft hij pas echt zowel de werkelijke
historische gang van zaken als de goede smaak het nakijken. Dan gaat hij met
grote eclectische panache voorbij aan
een toestand waarin allerminst sprake was van verlengde kinderjaren en
uitsluiting van kinderen van de produktieve arbeid, maar die in des te
pijnlijker trekken gegrift staat in het collectieve geheugen van de westerse
arbeidersklasse.
"De ene belediging werd op de andere gestapeld door
de opleidingsactiviteiten van kinderen," zegt Wallerstein, "en de
uiteenlopende taken van gepensioneerde volwassenen het stempel 'plezier' op te
drukken, en door de depreciatie van hun bijdragen aan de arbeid te zien als de
alleszins redelijke tegenhanger van hun bevrijding uit de 'geestdodendheid' van
'echte' arbeid."(p.21)
Naarmate hij verder opstijgt van de "tegenwoordige
realiteit" naar de wetenschappelijke veralgemening, wordt het steeds
moeilijker om uit te maken wat Wallerstein nu precies bedoelt met zijn
historisch kapitalisme.
In de geschiedenis zoals die zich voor onze ogen afspeelt, vertoonde het
opkomende kapitaal heel wat minder terughoudendheid om het arbeidsvermogen van
kinderen op zijn juiste produktieve waarde te schatten. Het was juist het
opkomende industriekapitaal dat alle, uit de gildentijd stammende,
voorschriften op de minimumleeftijd voor arbeid afschafte en alle traditionele,
eveneens door de gildenbroederschap in het leven geroepen vormen van sociale
zekerheid uitvaagde zodat ouderlingen en zieken, volledig op de zorg van hun
gezin aangewezen of aan hun lot overgelaten werden.
Bijna overal waar het proces van proletarisering in de
stroomversnelling van de industriële revolutie raakte, en zelfs vroeger nog,
maakten zowel de kinderarbeid als de veronachtzaming van niet meer produktieve
ouderlingen hun opwachting. De achterkleinzonen van de Antwerpse bourgeois die
bij het einde van de achttiende eeuw de politie afstuurden op kinderen die het
verduvelde lef aan de dag legden om tijdens
de werkuren op straat te spelen, zullen de afschaffing van de kinderarbeid,
deze grootse verwezenlijking van de negentiende eeuwse Europese
arbeidersbeweging, wel niet aangevoeld hebben als een "progressieve
vrijstelling van de arbeid".
Wallerstein spreekt over nationale statistiek, maar de
statistieken zelf doen ons al enigszins twijfelen aan de teneur van
Wallersteins vertoog over seksisme en de tendens om de man als kostwinner te
beschouwen.
Onder de 180.000 mensen dewelke in 1835 tewerkgesteld
waren in de Engelse katoenindustrie, schrijft Ruddy Doom, "waren er één
derde volwassen vrouwen, één derde jongeren tussen de 13 en de 18 jaar en zo'n
25000 kinderen." (Doom, Vrijheid en
gelijkheid, geschiedenis van de emancipatorische gedachte in Europa, Gent,
1986, p.67)
Jurgen Kuczynski die ook nog bij andere bronnen te rade
geweest is dan bij de droge input-output cijfers, handelsbalansen,
landbouwopbrengstratio's en militaire wapenfeiten waarvan Wallerstein zich voor
zijn Modern World System heeft
bediend, geeft ons de volgende leeftijds- en geslachtelijke opbouw van de
Britse katoennijverheid in hetzelfde jaar:
|
|
Mannen
|
Vrouwen |
13-18 jarigen |
kinderen |
|
Engeland |
50.675
|
53.410 |
53.843 |
24.164 |
|
Wales |
250
|
485 |
354 |
89 |
|
Schotland |
6.168
|
12.403 |
10.442 |
4.082 |
|
Ierland |
960
|
1.553 |
847 |
436 |
|
Totaal |
58.053
|
67.824 |
65.486 |
28.771 |
(Kuczynski, Les Origines de la Classe Ouvrière, Hachette, Parijs, 1967,
p.63)
In zijn redevoering van 15 maart 1844 voor het Britse
Lagerhuis ter inleiding op het debat over de tienurenwet wees Lord Ashley erop
dat van de 419.590 arbeiders in 1839 tewerkgesteld in de Britse fabrieken er
192.887 jonger waren dan 18 jaar en 242.296 van het vrouwelijk geslacht,
waarvan op hun beurt 112.192 jonger dan 18 jaar. Bleven over: 80.695 mannelijke
arbeiders jonger dan 18 en 96.599 mannelijke volwassenen, nog geen vierde van het totaal. (Zie Engels, Toestand van de arbeidersklasse in Engeland, Progres, Moskou, 1987,
p.215-216)
De muze van de historische beschrijving moet Kuczynski
ook iets heel anders in het oor gefluisterd hebben dan Wallerstein, wanneer het
ging om de burgerlijke waardering van kinder- en vrouwenarbeid. Over de
situatie in de Verenigde Staten bijvoorbeeld heeft Kuczynski het volgende te
zeggen:
"Edith Abbott, de specialiste met wereldfaam inzake
het onderzoek naar de levensomstandigheden van de vrouw, schrijft: <<Het
aanwenden van kinderen in de eerste fabrieken werd voor het merendeel van de
gevallen vanuit hetzelfde standpunt beoordeeld als vrouwenarbeid. De
filantropen, die nog steeds vasthielden aan de uit de oude koloniale tijd
overgeleverde opvattingen over een
vlijtige kindertijd, gaven de staatslieden en economen hun volle steun door het
volmondig goedkeuren van de manufacturen omdat
deze nieuwe mogelijkheden schiepen voor het tewerkstellen van kinderen. Ze
legden de nadruk op de bijkomende winst die nationaal opgestreken kon worden
door het in dienst nemen van 600000 jonge
meisjes van 16 jaar waarvan de meeste zogezegd 'te jong of te broos bleken
voor werk op het veld' (maar klaarblijkelijk niet te jong en te broos om
vingers en handen kwijt te raken tussen de raderen van de spinmolens en hun
beenderen te laten verbrijzelen door de aandrijfwielen van de mechanische
weefgetouwen! -nvdr.) en verweerden zich
heftig tegen de 'ondeugd en zedeloosheid' waar de kinderen aan blootgesteld
werden 'in een leven van ledigheid'.>> Reeds in 1800 schreef Noah
Webster dat men overal te lande slecht opgevoede kinderen aantrof, gekleed in
lompen, waarvan de situatie zeer zeker
zou verbeteren wanneer men hen zou tewerkstellen in de textielnijverheid.
En in 1808 verklaarde het parlement van Connecticut dat kolonel Humphreys door
het opstarten van een fabriek <<een nuttig karakter had verschaft
aan de bezigheden van kinderen en vrouwen>>; als schadeloosstelling
(!-Nvdr.) werd zijn fabriek voor de periode van tien jaar vrijgesteld van elke
belasting, en hij verkeerde zeer oprecht
in de overtuiging dat hij de kinderen van een leven van armoede en misschien
wel misdaad had gered door ze in zijn bedrijf op te nemen."
(Kuczynski, p.60-61- mijn cursief)
De piepjonge Friedrich Engels, die vaststelt "dat alle
verbeteringen aan de machines de eigenlijke, vermoeiende arbeid meer en meer
aan de machine overdragen en zodoende de arbeid van de volwassen mannen in
uitsluitend toezien wordt veranderd, hetgeen een zwakke vrouw of een kind
evengoed kan doen...", botst in de straten van Manchester, anno 1844, op
een ware omwenteling in de verhoudingen tussen de geslachten. "In vele gevallen," schrijft hij,
"wordt het gezin doordat de vrouw werkt niet helemaal ontbonden, maar op
de kop gezet. De vrouw voedt het gezin en de man zit thuis, past op de
kinderen, veegt de kamer aan en kookt. Zoiets komt heel vaak voor; alleen al in
Manchester kunnen honderden van dergelijke mannen die tot niets dan huiselijke
arbeid gedoemd zijn, worden aangetroffen. Men kan zich voorstellen wat een
verontwaardiging deze feitelijke castratie bij de arbeiders terecht oproept en
wat een omwenteling van alle gezinsverhoudingen hieruit ontstaat, terwijl toch
alle overige maatschappelijke verhoudingen dezelfde blijven." (De toestand van de arbeidersklasse in
Engeland, resp. p.209 en 218)
Als de bourgeoisie er schik in had om de huishoudelijke
arbeid van de vrouwen en de activiteiten van kinderen te
"onderwaarderen" dan was het niet om de kinderen onder te schikken
aan de wil van de vader en om seksisme in het leven te roepen, maar om zowel
vrouwen als kinderen makkelijker mee te kunnen sleuren in het onbarmhartige
industriële raderwerk van haar winststreven.
In de moderne samenleving is het seksisme niet zomaar
simpelweg het blinde gevolg van de
kapitalistische productiewijze. Het is, voor zover het al geen rechtsreeks
verband houdt met de overgeleverde patriarchale verhoudingen uit een vorig
tijdperk, eerder een bewust aangewend
propagandamiddel om de bestaande toestand in stand te houden, om de
arbeiders verdeeld en onbewust van hun gemeenschappelijk belang te houden.
In het vroegste stadium van de westerse industriële
ontwikkeling waren de thuiswerkende vrouwen (en de kinderen!) tevens middelen
om de arbeidsmarkt tot voordien ongeziene afmetingen uit te breiden, om de maatschappelijk noodzakelijke
arbeidstijd voor de aanvoer van arbeidskrachten tot een minimum te herleiden.
Uiteindelijk zijn de vrouwen tot op de dag van vandaag een dankbare
arbeidsreserve gebleven, die al naargelang de behoefte aan arbeidskracht en
gezien de stand van de moderne techniek, in een oogwenk omgetoverd kunnen
worden van huis- tot loonslavinnen.
Ik twijfel er ook niet aan dat Wallerstein van het
historische bestaan van kinderarbeid afweet. Als goed wereldsysteemanalist die
de sociale rampspoed van het kapitalisme voornamelijk waarneemt in de
zogenoemde Derde Wereld, weet hij waarschijnlijk zelfs dat de moderne
samenleving de kinderarbeid bijlange na niet heeft uitgeroeid, maar hem juist
heeft ingevoerd waar dat goed uitkwam
en waar de arbeidersbeweging minder greep heeft op de gebeurtenissen dan in de
landen van de metropool.
Hier is echter heel wat anders aan de knikker dan
onwetendheid. Voor de eerste keer is de analyse van Wallerstein het
klungelig-naief gemekker van zijn "empirische" uitgangspunten
ontgroeid en begint ze haar ware gelaat van systeembevestigend geschiedkundig cynisme te openbaren.
Door een potje te maken van seksisme, de autoritaire opvoedingsmethoden van de
burgerlijke samenleving en de vooruitstrevende rol van de arbeidersbeweging
(haar strijd tegen de kinderarbeid!) moffelt Wallerstein hier voor de eerste
keer in grote stijl de wereldhistorische rol van het proletariaat weg, daar
waar hem in het begin alleen verweten kon worden de theoretische verworvenheden van het marxisme te verdonkeremanen.
Nochtans heeft het kapitalisme niet alleen met het
proletariaat de doodgraver van de klassenmaatschappij
verwekt. Als hoogste stadium van
maatschappijvorming waarin de vrouw de man als haar natuurlijke meester moet
erkennen, heeft de hedendaagse samenleving, samen met de nieuwe ketens die ze
rond de hals van de vrouw heeft geslagen, ook voor de fallocratie het mes geslepen.
Voor het respectabele verstand van de professor dat
slechts de mechanische wederzijdse
uitsluiting van inductie en deductie kent, is het dialectisch samengaan van
onderdrukkende en bevrijdende invloeden binnen dezelfde maatschappelijke
verhoudingen natuurlijk uitgesloten.
§3. Het proces
van proletarisering; proletarische en semi-proletarische
huishoudens
Nadat hij het ontstaan van het instituut loonarbeid
heeft afgeleid uit de overwegingen
van de bourgeois, uit zijn interesse
in de arbeidskost en de beschikbaarheid van de arbeidskracht, begint
Wallerstein zijn beschrijving van de proletarisering doodleuk vanuit de
tegengestelde invalshoek:
"Laat ik onmiddellijk zeggen dat het zeer betwijfeld kan worden of de toenemende proletarisering in
de wereld kan worden toegeschreven aan sociaal-politieke druk van de kant van
de ondernemers." (p.23- mijn cursief)
Zonder dat het blijkbaar de moeite verdient om deze
ommezwaai te verklaren, wordt het proces van proletarisering van de weeromstuit
onderhevig aan drijfkrachten die buiten de wil, de interesse en de overwegingen
van de koopman om werkzaam zijn. Ineens staan zowel de subjectieve wil als het
onmiddellijke belang van de bourgeois in tegenstelling tot de objectieve
stuwkrachten achter het ontstaan en de verbreiding van de loonarbeid, de
natuurlijke bestaanswijze van de moderne proletariër. De wil van de kapitalist
is dus geen hefboom meer tot sociale transformatie...
"Integendeel," zo vervolgt Wallerstein
onmiddellijk, "Alles wijst erop dat zij motieven hadden om dat proces
tegen te gaan."... en omdat alles erop wijst dat we hier andermaal staan
voor een epochenmakende doorbraak in het historisch onderzoek, zijn we opnieuw
één en al oor:
"In de eerste plaats, zoals we zojuist hebben
betoogd, leidde de omzetting van een groot aantal semi-proletarische
huishoudingen in proletarische huishoudingen binnen een bepaalde zone, tot een
verhoging van het niveau van het reële minimumloon betaald door ondernemers met
loonarbeiders. In de tweede plaats had de toenemende proletarisering, zoals we
later zullen bespreken, politieke consequenties die zowel negatief waren voor
de ondernemers als een cumulatieve werking hadden, waardoor ze uiteindelijk het
niveau van de loonbetalingen in bepaalde geografisch-economische zones nog
verhoogden."(p.23)
Laten we ons, zoals Wallerstein voorstelt, voorlopig alleen
bezighouden met het eerste motief van de kapitalisten om de proletarisering
tegen te werken: de verhoging van het reële minimumloon van de
"voltijdse" arbeider tegenover dat van de semi-proletarische thuis-
of seizoenarbeider.
Omdat Wallerstein er een goede gewoonte heeft van
gemaakt van het concrete naar het algemene te redeneren, moeten we voor de
juiste, meer concrete invulling van bovenstaande formulering een paar lijnen
hoger te rade gaan.
"Uitgaande van de veronderstelling dat een
producent die loonarbeiders in dienst heeft altijd en overal eerder minder dan
meer zal willen betalen, was de laagte van het peil waarop loonarbeiders het
zich konden veroorloven om arbeid te aanvaarden een functie van het soort
huishoudingen waaraan zij heel hun leven verbonden waren. Zeer eenvoudig
gezegd: identieke arbeid waarvoor dezelfde bekwaamheden vereist waren, had de
loonarbeider die lid was van een huishouding met een hoog percentage inkomen
uit loonarbeid (laten we die een proletarische huishouding noemen) een hogere
financiële drempel beneden welke hij het
volstrekt irrationeel voor zichzelf achtte om loonarbeid te verrichten, dan
een loonarbeider uit een huishouding met een laag percentage inkomen uit
loonarbeid."(p.21-22- mijn cursief)
Wallerstein laat de economische wetmatigheden nog steeds
dansen aan de touwtjes van de menselijke geestesgesteldheid. Werd zo-even nog
uitgegaan van de interesse van de kapitalist, hier wordt de economische rationaliteit van de loonarbeider het vertrekpunt van de historische analyse.
De arbeider die het grootste deel van zijn inkomen
verwerft uit loonarbeid, zegt Wallerstein, zal werken voor een loon dat beneden
een bepaalde minimumdrempel gezakt is, als volslagen irrationeel beschouwen.
Daarom ligt de mogelijke uitbuitingsgraad een stuk hoger bij de oude
semi-proletarische huisnijverheid dan bij de manufaktuurarbeid.
Maar nog minder dan aan de interesse van de kapitalist
liet het vroege kapitalisme zich wat dan ook gelegen aan het vermogen van de
arbeiders om hun eigen minimumbehoeften rationeel in te schatten. De
industriearbeider uit de negentiende eeuw mag het dan misschien wel irrationeel
gevonden hebben veertien uur aan een stuk te moeten ploeteren voor een loon waarmee hij niet eens zijn gezin kon
onderhouden; maar de ongenadige "wetten van vraag en aanbod"
lieten hem niet veel keuze buiten het aanvaarden van dit hongerloon. In dat
geval zat er voor onze arbeider niets anders op dan Wallersteins schema van de
man als kostwinner/ de vrouw als huisvrouw/het kind als zuiver onproductieve
last te doorbreken en ook de overige leden van zijn gezin voor de vleesmolen
van het kapitaal te gooien. Dat was de enige uitweg die de economische
rationaliteit van de arbeider gelaten werd.
Wallerstein bezwijkt voor de aartsburgerlijke verleiding
om er bij de verklaring van elk economisch verschijnsel één of andere variant
van de homo economicus hypothese bij
te sleuren. Gewoon uitleggen dat de aanwezigheid van alternatieve middelen van
bestaan in het semi-proletarische huishouden (een lapje grond, een stuk vee, de
mogelijkheid om grond bij te pachten,...) de arbeider niet eenzijdig
afhankelijk maakte van de loonarbeid een verhoogde uitbuiting toeliet, ware al
meer dan voldoende geweest.
Wallerstein heeft in deze opnieuw meer gemeen met de burgerlijke
economie dan hij voor zichzelf durft toegeven. In plaats van de
maatschappelijke verhouding zelf uit het weefsel van de maatschappij te
pluizen, verkiest hij het geïsoleerde individu apart te nemen, uit diens
"individuele psychologie" de maatschappelijke betrekking af te leiden
en deze vervolgens te veralgemenen tot de hele samenleving. Hij had nochtans
kunnen weten dat deze manier van werken hem tot een gemakkelijke prooi zou
maken van de door hem gevreesde wraak der goden:
"Individuen die in maatschappelijk verband
produceren -maatschappelijk bepaalde productie dus - dit vormt natuurlijk het
uitgangspunt. De individuele en geïsoleerde jager en visser waarmee Smith en
Ricardo beginnen, behoren tot de fantasieloze verzinsels van de achttiende eeuwse
Robinsonades, die in geen geval een reactie tegen overbeschaving en de
terugkeer tot de verkeerd begrepen eenvoud van het natuurlijke bestaan
betekenen, zoals de cultuurhistorici zich inbeelden. (...) Het gaat hier
veeleer om de voorafspiegeling van de burgerlijke maatschappij, die reeds in
voorbereiding was sedert de zestiende eeuw en die in de achttiende eeuw
reuzenschreden vooruit maakt in haar rijpingsproces." (Marx, Grundrisse,
Engelse vertaling, Inleiding, p.83)
Robert Brenner heeft in meer dan één opzicht gelijk,
wanneer hij de fouten in de theorie van Wallerstein en André Gunder Frank
tracht te herleiden tot de achterhaalde aspecten van methode der klassieke
economen en de Wereldsysteem Analyse bedenkt met de benaming
"Neo-Smitheaans marxisme". (Zie Brenner,
The Origins of
Capitalist Development, New Left Review, juli-aug., 1977)
Wat het proces van proletarisering betreft, zien we de
huisnijverheid in sommige moderne industrielanden tot diep in de negentiende
eeuw standhouden, om niet te zeggen dat de meerderheid van het proletariaat er
de kost mee verdiende. Anderzijds zien we zeker vanaf de zestiende eeuw de
verspreiding van het manufaktuurstelsel. Hoe deze schijnbaar onontwarbare
tegenstelling te verklaren ?
Het is heel eenvoudig de historische analyse van
Wallerstein die deze dialectische ontwikkeling tot een onontwarbaar kluwen
heeft gemaakt. Juist omdat hij de "concrete" proces van
proletarisering totaal buiten beschouwing laat, omdat hij het werkelijke
historische proces van de scheiding tussen arbeider en productiemiddel verstikt
onder een stroom van geopolitieke beschouwingen, slaagt Wallerstein er zelfs
nog niet in deze paradox vast te stellen,
laat staan hem te doorgronden.
Omdat Wallerstein er niet toe komt deze paradox vast te
stellen, neemt hij in het Modern World
System de vorm aan van een contradictio
in terminis. In het vijfde hoofdstuk van het eerste deel, dat nochtans
handelt over "klassenvorming en internationale handel in de sterke
centrumstaten" zegt hij dat "de opkomst van de industriële
sector"..."de industriële hervorming" (het ontstaan van het
manufaktuurstelsel)... "een belangrijk element vormt" in de economische transformatie van
Noordwest-Europa in de tweede helft van de zestiende eeuw.
Drie lijnen verder lezen we:
"Het belangrijkste aspect van de industriële
hervorming van de 'tweede' zestiende eeuw is niet de moderne technologie
(hoewel er al iets van aanwezig was), noch de sociale organisatie. De fabriek
en het massaproduct waren nog onbekend. Evenmin steeg het algemene peil van de
industriële productie van de Europese wereldeconomie veel. Dominico Sella
herinnert er ons aan dat ondanks alle economische ontwikkelingen van de
"lange" zestiende eeuw 'Europa's industriële sector zoals die er in
1700 voorstond, veel meer overeenkomst vertoonde met zijn middeleeuwse
voorganger dan met zijn negentiende eeuwse opvolger'." (Wallerstein, Het moderne wereld-systeem, dl.I, p.
135)
De inductieve methode van Wallerstein slaat hier op
tweeërlei vlak de plank mis.
Ten eerste laat hij nogmaals na de precieze verhouding te schetsen tussen de manufaktuurarbeid en
de, veelal agrarische, thuisnijverheid.
Ten tweede houdt Wallerstein hier geen rekening met de kwalitatieve,
voorwaartse schok die de technologische
omwenteling van de achttiende en negentiende eeuw heeft teweeggebracht in
het proces van proletarisering. Ook deze miskenning kan slechts verklaard
worden uit de theoretische warboel waartoe zijn empiristische methode
aanleiding geeft. Wallerstein heeft immers wel degelijk begrepen dat de
industriële revolutie het ganse wereldsysteem grondig door elkaar heeft
geschud. Het derde deel van zijn magnum opus is immers geheel gewijd aan de
periode van de industriële revolutie en wanneer hij in de inleiding tot het eerste deel de structuur van het Modern
World System uiteenzet, verklaart hij:
"Het derde deel zal de omschakeling van de
wereldeconomie op een mondiale onderneming behandelen, die mogelijk werd gemaakt door de technische veranderingen van de
moderne industrialisatie. Deze uitbreiding verliep zo plotseling en zo
grootscheeps dat het systeem in feite opnieuw moest worden opgebouwd. Deze
periode valt ruwweg tussen 1815 en 1917." (Het moderne wereldsysteem, dl.I, p.8-mijn cursief)
De manufaktuurarbeid en de thuisindustrie hebben zich
niet los van elkaar ontwikkeld, maar in een nauw verband van wederzijdse
beïnvloeding.
De manufaktuur, de concentratie van loonarbeiders in
dezelfde ruimte, vaak de woning van de koopman zelf, is het resultaat van de
versnelde arbeidsdeling tussen de steden, dewelke dan weer voortspruitte uit
het ontstaan van de wereldmarkt met de aardrijkskundige ontdekkingen van de
vijftiende en de zestiende eeuw. De manufaktuur is wel degelijk de bakermat van
de moderne onderneming, de eerste volwassen verschijningsvorm van
kapitalistische wapenproductie. Zeker de stedelijke manufaktuur, alsook deze
van de door zich aan de gildenvoorschriften onttrekkende handelaars
gekoloniseerde plattelandsdorpen, toont ons zeer herkenbaar de moderne
verhouding van loonarbeid: vrij circulerende arbeidskracht die haar gebruik
tegen betaling aanbiedt aan de kapitalist. De thuisnijverheid, de bestaanswijze van de zogenoemde
semi-proletarische huishoudingen, was slechts in de landen waar de oude feodale
verbanden van horigheid reeds voordien ter ziele waren gegaan (zoals in
Engeland en Vlaanderen) meteen de verkoop van vrije arbeidskracht, met eigen of
door de kapitalist uitbestede productiemiddelen. In Duitsland, Frankrijk en
Oostenrijk praatte de middeleeuwse maatschappij, ook in de tijd dat de
stedelijke manufaktuur er reeds voorkwam, nog een hartig woordje mee:
"Men ziet er vaak horige boeren die bij wijze van
herendienst moeten spinnen voor hun feodale heer, die het aldus verkregen garen verkocht aan de kooplieden van de manufakturen.
Deze boeren leven voor het merendeel van de tijd in de meest deerniswekkende
bestaansvoorwaarden eigen aan het verdwijnende feodalisme."
(Kuczynski, Les Origines de la
Classe Ouvrière, p.17-mijn cursief)
Over het algemeen was, voor de negentiende eeuw het
thuiswerkende semi-proletariaat, tot aan de industriële revolutie, veel groter
in aantal dan het manufaktuurproletariaat. Bovendien overtrof, binnen het
zogenoemde semi-proletariaat, de plattelandsbevolking ruimschoots de
stedelijke. Om het in voor Wallerstein vertrouwde termen te stellen: tussen
thuisnijverheid en manufaktuur bestond een soort van centrumperiferie
verhouding. De manufaktuur verwerkte de halffabrikaten van de thuisindustrie
tot eindproducten. Vaak behoorden zowel de manufaktuurarbeiders als meerdere
thuiswerkende gezinnen tot het personeel van een zelfde bedrijf en beiden
werkten, maatschappelijk gezien, elkaars voortbestaan uiteindelijk meer in de
hand dan dat de manufaktuur de huisnijverheid definitief kon verdringen. Het mag
dan wel zo zijn, aldus Marx, dat
slechts de vernietiging van de
huisnijverheid op het platteland definitief de binnenlandse markt van het
kapitaal kon verzekeren ...
"Toch komt het in de eigenlijke manufaktuurperiode
niet tot een radicale hervorming. Men herinnert zich dat de manufaktuur de nationale productie slechts stukje bij
beetje verovert en steeds op het stedelijke handwerk en de huisindustrie op het
platteland als brede achtergrond blijft steunen. Wanneer de manufaktuur deze in
één of andere vorm vernietigt, roept de manufaktuur ze weer in andere
bedrijfstakken en op andere punten in het leven, omdat zij ze voor de bewerking
van de grondstoffen nodig heeft. Daardoor brengt de manufaktuur een nieuwe
klasse van kleine landlieden voort, voor wie de bewerking van de grond bijzaak
is en de industriële arbeid tot verkoop aan de manufaktuur- direct of indirect
via de koopman- hoofdzaak. (...) Pas de grootindustrie levert dank zij de
machines de constante basis voor de kapitalistische landbouw, onteigent radicaal
de overgrote meerderheid van de plattelandsbevolking en voltooit de scheiding
tussen landbouw en landelijke huisindustrie, waarvan zij de wortels afsnijdt:
spinnerij en weverij. De grootindustrie verovert dan ook pas daardoor de gehele
binnenlandse markt voor het industriële kapitaal (-de arbeidsmarkt
inbegrepen!-nvdr.)" (Marx, Het Kapitaal, dl.I, p.583-584)
Marx geeft in één en dezelfde redenering zowel de
redenen voor de slechts geleidelijke proletarisering in het tijdperk van de
manufaktuur als de specifieke verhouding tussen proletarische en
semi-proletarische huishoudens. Hij vindt zelfs de gelegenheid om binnen dit
luttel aantal regels de wisselende
verhouding tussen thuisnijverheid en manufaktuur in al haar beweeglijkheid voor
te stellen. Vernietigt de concurrentie van de manufaktuur de huisnijverheid in
één of andere vorm, zegt Marx, dan roept de manufaktuur ze in andere
industrietakken en op andere punten in het leven. Het is pas de moderne
grootnijverheid die, een paar kleine en steeds zeer vergankelijke
uitzonderingen niet te na gesproken, binnen het bereik van haar warenomloop, de
huisnijverheid goed en wel van de kaart veegt.
In zijn Historisch
kapitalisme komt Wallerstein slechts tot een abstracte, starre oppositie
tussen manufaktuur en thuisindustrie en blijft ons het antwoord op de precieze
verhouding tussen beide meesterlijk schuldig.
Gelukkig is er niets aan de hand dat niet verholpen kan
worden door naar eigen goeddunken tijdig over te schakelen van een
idealistische naar een vulgair-materialistische verklaring. En weer terug als
het moet !
Als hij zich dan toch van de vervelend-noodzakelijke
beschrijving van de proletarisering wou afmaken om onmiddellijk over te gaan
tot zijn afgereden stokpaardje, de wereldomspannende verhouding tussen centrum
en periferie, dan had onze professor beter gewoon de glasheldere en kernachtige
antwoorden van schrijvers als Marx en Kuczynski gereproduceerd, in plaats van
zijn theoretische onbeholpenheid te bemantelen met oeverloze beschouwingen over
"productketens", de "prijsgevechten op tussenliggende
markten", "geografische specialisatie", etc. etc. En voor we er
goed en wel erg in hebben is het proletariaat, dit keer met
ontstaansgeschiedenis en al, opnieuw de mist in! We hebben nog slechts het
recht om te weten dat de proletarisering het gevolg is van de centrumperiferie
verhouding waarvan Wallerstein in de volgende bladzijden alles uit de doeken
doet. Over de sociale herkomst van proletariaat en semi-proletariaat uit de
middeleeuwse volksklassen geen woord;
over de precieze wijze waarop
deze volksmassa's geproletariseerd zijn geen
letter. We krijgen, als we Wallersteins omslachtige omzwervingen in de
politieke en economische nuances van de relatie tussen centrum en periferie
samenvatten, slechts voorgeschoteld wat al meer dan honderd jaar geweten is:
het was het ontstaan van de wereldmarkt die alle voorwaarden voor het
kapitalisme in het leven heeft geroepen, het proces van proletarisering
inbegrepen. Voorwaar een heel nieuwe stap in de richting van een nieuwe
maatschappijleer!
Aangezien Wallerstein het totnogtoe uitsluitend gehad
heeft over de tegenwoordige realiteit van het historisch kapitalisme hoeft het
ons in geen geval te verbazen dat de schets van de fundamentele
ontstaansvoorwaarden, die niet meer dan een kleine bladzijde beslaat, veel
later volgt. Bij het einde van het eerste hoofdstuk, na al zijn bespiegelingen
over de historische voorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal en de
proletarisering, over de transnationaliteit van de productieketens etc. etc.,
lezen we:
"We hebben veel tijd besteed aan de vraag hoe het
historisch kapitalisme op het beperkte economische gebied heeft gefunctioneerd.
We zijn nu op het punt aanbeland om uiteen te zetten waarom het kapitalisme als
een historisch sociaal systeem opkwam."(p.34)
We kunnen het ons niet laten samen met Wallerstein de
waanzinnige veertiende en vijftiende eeuw in te duiken:
"Het economische leven van het feodale Europa
onderging in die periode een zeer fundamentele, door interne krachten
veroorzaakte crisis, die de sociale verhoudingen op hun grondvesten deed
schudden. De heersende klassen waren bezig elkaar op grote schaal te
vernietigen, terwijl het systeem van grondbezit (de basis van de economische
structuur) op losse schroeven kwam te staan, wat gepaard ging met een
aanzienlijke reorganisatie in de richting van een meer gelijke verdeling dan
normaal was. Voorts gaven kleine pachtboeren als producenten blijk van een
grote doelmatigheid. De politieke structuren werden over het algemeen zwakker
en de preoccupatie met de moorddadige strijd van de politiek machtigen
betekende dat er weinig tijd overbleef om de groeiende macht van de massa van
de bevolking te onderdrukken. Het ideologische bindmiddel van het katholicisme
stond onder grote druk en bewegingen die streefden naar gelijkheid ontstonden
in de schoot van de kerk zelf. De dingen vielen inderdaad uiteen. Het is
moeilijk te geloven dat de patronen van het middeleeuwse feodale Europa, met
zijn zeer gestructureerde 'standen'-systeem hersteld zouden kunnen worden,
indien Europa was voortgegaan op de weg die het was ingeslagen. Veel
waarschijnlijker is dat de Europese feodale structuur zich ontwikkeld zou
hebben tot een systeem van betrekkelijk
gelijkwaardige, kleinschalige producenten, en voort zou gaan de
aristocratie af te toppen en de politieke structuren te decentraliseren."
(p.36- cursivering van de auteur)
Dat de kapitalistische productiewijze ontstaan is in de
scheuren, of moeten we zeggen op de ruïnes, van de oude feodale maatschappij,
is iets dat al voor Marx geweten was. We hoeven er slechts Sismondi's Etudes Sociales uit 1837 maar eens op na
te lezen of, nog beter, diens historische studie over de middeleeuwse
stadstaten in Italië. Alleen laat Wallerstein na om de ontstaansvoorwaarden van
de kapitalistische productiewijze in verband te brengen met de doodsstrijd van
het feodalisme. In het 24ste hoofdstuk van Het Kapitaal, waar Marx aan de hand
van de Britse geschiedenis als voorbeeld de totstandkoming van de kapitalistische
productiewijze productiewijze beschrijft, is dit verband op een veel
overtuigender manier weergegeven: de teloorgang van de lijfeigenschap in de
veertiende eeuw en de wederzijdse uitroeiing van de Engelse adellijke
geslachten na de Honderdjarige Oorlog (de Rozenoorlogen); de kapitalistische
landbouwhervormingen onder invloed van de buitenlandse handel en de daarmee
gepaard gaande verdrijving van de Engelse plattelandsbevolking; de gedwongen
inlijving van deze ontheemde bevolking in het manufaktuurstelsel en de wrede
wetgeving tegen landloperij in het algemeen vanaf Hendrik VII (eind 15de eeuw);
het ontstaan van de kapitalistische pachters rechtstreeks uit de verhoudingen
van de feodale orde; door de onteigening van de boer en de proletarisering de
schepping van een binnenlandse markt voor het industriële kapitaal; het
ontstaan van de industriële kapitalist o.a. onder invloed van het uitplunderen
van de nieuwe ontsloten gebieden in de wereld.
Wallerstein, die van de ene verbazing in de andere valt,
verwondert er zich nu over dat de teloorgang van de machtsstructuren geleid
heeft tot het ontstaan van het kapitalisme en niet tot de historische
overwinning van de onderdrukte klassen uit de feodaliteit die na de
eigenmachtig op gang gebrachte holocaust van de noblesse d'Epée "overgebleven waren".
Op goedburgerlijk-mechanische wijze redenerend zou het
hem zeer redelijk zijn overgekomen, mochten de feodale structuren plaats
gemaakt hebben voor een samenleving van kleine betrekkelijk gelijkwaardige
producenten die leefden in gedecentraliseerd verband, zowel economisch als
staatkundig. Feodaliteit = gelijkwaardige producenten plus onderdrukkende adel
en geestelijkheid. Feodaliteit min adel en geestelijkheid = gelijkwaardige
producenten. Ik daag de meest inschikkelijke historikus uit, met uitzondering
van de benevelde geesten uit de synode van Wallerstein zelf, om ook maar één
jota van deze voorstelling van zaken ernstig te nemen.
Als het verkommeren van de oude feodale verhoudingen de
kleinschalige producenten nieuwe ademruimte heeft gegeven, dan is dat evengoed
het geval voor de mensen die zich uitsluitend bezighielden met de handel en die
de onmiddellijke voorlopers waren van de moderne bourgeoisie.
In wezen vormde zelfs de ambachtelijke wereld van
kleinschalige productie overigens allesbehalve een wereld van gelijkwaardigheid
tussen de kleine producenten. Spinners en wevers stonden gedurende de hele
middeleeuwen in duidelijk afgebakende gezagsverhoudingen tot elkaar. De kleine
zelfstandige mijnwerkers bijvoorbeeld werden door de overige ambachtslieden
gedurende honderden jaren lang beschouwd als paria's en vielen zodanig in de
rand van de bestaande maatschappij dat zelfs de gevestigde religieuze
autoriteiten hun greep verloren op de mijnwerkersgemeenschappen, waarin
religieus sektarisme ten allen tijde hoogtij vierde. Geprivilegieerde neringen
deden alles om de toegang tot hun beroep te beperken en in veel gevallen was
zelfs de toegang tot hun ontspanningsgelegenheden uitsluitend voorbehouden aan
leden van het eigen gilde. In de periode dat het feodalisme zijn laatste
ademstoten uitblies, was ook op het platteland, juist door de toename van het
handelsverkeer, de ongelijkheid vergroot. Naast de kleine boer, begon zich
overal ook een klasse van rijke herenboeren (in Engeland de yeomanry,
in Frankrijk de coqs de village) te
manifesteren, en niet alleen op het economische vlak: in Frankrijk stonden de
boerenopstanden, zo karakteristiek voor deze periode, in regel onder leiding
van deze nieuwe plattelandsburgerij. Het ontstaan van deze nieuwe
klassentegenstellingen op het platteland waren juist het gevolg van de
ontbinding van de oude feodale verhoudingen. Over het algemeen droeg de
verstedelijking bij tot het verdwijnen van horigheid en lijfeigenschap.
Enerzijds verhoogde de nabijheid van stedelijke handelscentra de geldhonger van
de feodale heersers en versnelde daarmee de overgang van het stelsel van
herendiensten of pacht in natura naar pacht in geld. De nabijheid van steden
dwong adel en geestelijkheid bovendien tot het vieren van de oude
afhankelijkheidsverhoudingen. Maar het verdwijnen van de onvrije arbeid en het
monetariseren van de pacht (dat de boeren dwong om in aanzienlijk verhoogde
mate als warenverkopers op te treden) leidden onvermijdelijk ook tot een ongelijke
ontwikkeling van de landbouwbedrijven binnen dezelfde gemeenschap. Het ontstaan
van marktgerichte landbouw leidt onvermijdelijk tot "koelakisering",
de opkomst van een minderheid van rijke herenboeren tegenover een meerderheid
van armere boeren, die op zichzelf dan nog eens in een bijna onoverzichtelijke
sociaal panoplie gelaagd is van kleine boeren met een lapje grond in eigen
bezit tot en met een volslagen bezitsloos plattelandsproletariaat.
Anderzijds heeft de ontwikkeling van het kapitalisme wel
degelijk geleid tot een maatschappij van betrekkelijk gelijkwaardige
producenten, zij het dan niet op de rechtlijnige wijze die Wallerstein hier
opvoert. Het proces van proletarisering veroorzaakte de grootste
gelijkschakeling van levensvoorwaarden die men zich maar kan indenken,
aangezien de werkelijke producenten gaandeweg, juist als gevolg van de
concurrentie, slechts hun eigen arbeidskracht in persoonlijke eigendom hielden.
Deze gelijkschakeling is niet het gevolg van economische
decentralisatie maar van de meest ongeziene centralisatie
van productiemiddelen in de handen van een tot nieuwe heersende klasse
uitgroeiende bevolkingslaag. De kapitalistische productiewijze heeft daardoor
het probleem van de klassenstrijd juist vereenvoudigd tot de strijd tussen twee
klassen, waaraan de overige sociale antagonismen volledig ondergeschikt gemaakt
zijn. De ontbinding van de feodale machtsstructuren was juist een historische
voorwaarde, en geen onbelangrijke, opdat deze nieuwe centralisatie van
economische en politieke macht zou kunnen plaatsgrijpen; en waar de feodale
hindernissen voor deze centralisatie uit zichzelf niet lijdzaam afstierven,
werden ze in een krachtige beweging weggehouwen door de valbijl van de burgerlijke revolutie.
Slechts voor het benepen-mechanische verstand van
Wallerstein is het ontstaan van het kapitalisme een absurditeit in de
geschiedenis:
"Hoe meer ik erover nadacht, hoe absurder het
historisch kapitalisme mij is voorgekomen." (p.34 onderaan)
Het ontstaan van de kapitalistische productiewijze ten
gevolge van de structurele crisis van het feodalisme is niet absurder dan de
overwinning in Europa van de leenroerige verhoudingen op de verhoudingen van de
Oudheid in het kielzog van de structurele crisis van de slavenproductiewijze.
Op de keper beschouwd stonden beide ontwikkelingen met evengrote
natuurnoodzakelijkheid vast.
Tenslotte brengt de tegenwoordige realiteit Wallerstein
opnieuw tot zichzelf en hij aanvaardt de feitelijke ontwikkelingen, niet op een
wetenschappelijk verklarende maar op een fatalistische manier en zonder afbreuk
te doen aan de historische absurditeit van het kapitalisme, als een fait accompli*
.
"Niemand mag dan dit oogmerk hebben verwoord,"
zegt hij, "maar het lijkt er niettemin op dat de vorming van het
historisch kapitalisme als een sociaal systeem, op dramatische wijze een
ontwikkeling omkeerde die werd gevreesd door de bovenste lagen, en daarvoor in
de plaats een ontwikkeling stelde die hun belangen nog beter diende. Is dat zo
absurd? Alleen voor diegenen die er het slachtoffer van werden." (p.37)
Wallerstein wou ons de tegenwoordige realiteit van de
productie van kapitaal ontvouwen, haar interne logische samenhang blootleggen. En waar heeft zijn inductieve
methode ons uiteindelijk afgeleverd ? Bij de historische ongerijmdheid van de moderne verhoudingen en het bijna toevallige
karakter van hun uiteindelijke overwinning.