III.
Het wetmatige verloop van de geschiedenis is niet het
gevolg van de inwerking van krachten die op zich genomen vreemd zijn aan de
historische feiten zelf, maar van de innerlijke
samenhang van de geschiedenis, van de samenhang tussen de feiten zelf, van
de werkelijke verhoudingen tussen de feiten. De mensen worden geboren, groeien
op, beginnen historisch te handelen in verhoudingen die zij niet zelf hebben
gekozen, maar die hen werden overgeleverd. Daarom is niet alleen een gegeven
maatschappelijke toestand wetenschappelijk te verklaren, in een aantal
wetmatigheden te gieten, maar tevens het
ganse historische proces, of alleszins zijn algemene verloop. Zoveel weten
we nu al.
Terwijl ze hun geschiedenis maken, ontwikkelen de mensen
zowel krachten als daaraan beantwoordende tegenkrachten
die, naarmate de overheersende
productiewijze zich verder ontwikkelt, duidelijker aan de dag treden en na
verloop van tijd onverdraaglijk zwaar beginnen wegen op de levensvatbaarheid
van de productiewijze zelf. Naarmate de productiewijze zich ontwikkelt, ontwikkelen
zich tegelijkertijd de tegenstrijdigheden inherent aan deze productiewijze, tot
op het moment dat de verschillende samenstellende delen van de maatschappij,
productiekrachten, productieverhoudingen, politiek-juridische bovenbouw, de
ideeën die ermee moeten overeenstemmen eenvoudig niet meer naast elkaar kunnen
blijven bestaan. Dan breekt er een periode van maatschappelijke revoluties aan,
die de hinderpalen voor de nieuwe productiewijze ongenadig opruimen.
Als de mensen de bestaansvoorwaarden van de vorige
generaties overgeleverd krijgen, dan erven ze eveneens de tegenstellingen inherent aan deze bestaansvoorwaarden. De generaties die een bepaalde verhouding
vervolmaken of uitbreiding laten nemen, ontwikkelen eveneens de
tegenstrijdigheden dewelke in deze verhoudingen opgesloten zitten.
Slechts de kenmerken van de dialectische methode,
overgang van kwantitatieve ontwikkelingen in kwalitatieve sprongen, het
ineenvloeien van tegengestelden, het verschuiven van niveau, kortom het ganse
proces van ontkenning en ontkenning van de ontkenning, volstaan
om de geschiedenis op wetenschappelijke wijze samen te vatten. Alleen de
dialectiek kan opheldering brengen in de stroom van gebeurtenissen die
gezamenlijk de geschiedenis van de mensheid vormen.
De primitieve productiewijze van jagen en verzamelen
leidde, naarmate de technologie zich verder ontwikkelde, tot een toename van de
bevolking, dus tot een toename van de bevolkingsdruk op de beschikbare
natuurlijke hulpbronnen. De mensen moesten steeds actiever ingrijpen in de
reproductie van hun hulpbronnen. De kwalitatieve overslag is de agriculturele
revolutie, het proces waarbij, in de relatieve korte tijdspanne van enige
duizenden jaren, de verpletterende meerderheid van de wereldbevolking is
overgegaan op de landbouw. De these is het leven van de spontane productie van
de natuur, de antithese de noodzaak tot steeds intensievere bewerking van het
product, de synthese de totale omslag van de oude levenswijze in een nieuwe,
die het voortplantingsproces van de levende voedselbronnen zelf moet gaan
beheersen.
De verdere ontwikkeling van de landbouw vernietigt
gaandeweg steeds meer instellingen van de oude maatschappij : de gelijkheid
tussen man en vrouw, de democratische besluitvorming, het gemeenschapsbezit van
het bewerkte territorium, de egalitaire verdeling van de rijkdom, de maatschappelijke gelijkheid in het
algemeen.
De eerste beschavingen zijn meteen ook de hoogste
ontwikkelingstrap van het primitieve communisme. Op het gemeenschapsbezit van
de landbouwgrond verheft zich een politieke bovenbouw van priester-krijgers,
die zich, als wederdienst voor hun rol in het beheer van de
waterbeheersingswerken, het arbeidsoverschot toe-eigenen. Deze maatschappijvorm
is zo vrij van interne structurele tegenstrijdigheden, dat hij alle
technologische ontwikkelingen die binnen
haar grenzen tot ontplooiing komen, kan opvangen. Slechts ecologische
catastrofes of invallen van vreemde volkeren (en dan nog in een minderheid van
de gevallen!) kunnen deze formatie ontredderen. Opstanden leiden hoogstens tot
dynastieke veranderingen, niet tot maatschappelijke, of tot de
gemeenschappelijke ondergang van de strijdende partijen. Menig vreemde
indringer vindt er niets beter op dan de bestaande productiewijze voor zijn
rekening te laten verderwerken.
Daarom kon een hogere maatschappijvorm dan het Oosters
despotisme of de Aziatische productiewijze zich slechts uit een lagere
ontwikkelen en verschoof het brandpunt van het beschavingsproces van de oude
Aziatische beschavingen en Egypte naar het primitievere Middellandse Zeegebied,
waar de beschaving haar grootste voorwaartse passen niet zette op basis van het
centraal beheer van de waterbeheersing, maar op basis van de slavernij.
Van een bijkomstige hulpkracht werd de slaaf het
voetstuk van de beschaving. Maar de slavernij kende wel degelijk haar interne
tegenstrijdigheden. Eerst en vooral gaf het verval van de oude patriarchale
boerenmaatschappij en de usurpatie van adellijke grootgrondbezitters aanleiding
tot een heftige klassenstrijd, waarvan de afloop vorm gaf aan de specifieke
staatsvormen van de Europese Oudheid. Hoi
Polloi* tegen Kaloskagathoi** in Athene, de Kleinaziatische kolonies en
de Griekse nederzettingen in Zuid-Italie;Helotoi*** en Spartiaten**** in Sparta; Plebejers en Patriciers, Proletarii en Optimates***** in Rome.
De slaaf, eeuwenlang een bijkomstige hulpkracht in de
landbouw en het ambachtelijke bedrijf, wordt gaandeweg de voornaamste
produktieve basis van de samenleving. Opnieuw omslag van kwantiteit in
kwaliteit.
De slavenproductiewijze kende, over het geheel van de
Oudheid bezien, drie grote groeifasen.
De
pioniersrol komt ontegensprekelijk toe aan de Griekse stadsstaten uit de
Klassieke Oudheid. De Tyranniën die voortkwamen uit de klassenstrijd tussen de
adellijke grootgrondbezitters en het volk zorgden voor een landbouwwetgeving en
een militaire organisatie (de hoplieten-falanx) die de weg effenden voor de
Griekse polis van de vijfde eeuw
V.C., aldus Perry Anderson,...
"Maar voor de ontwikkeling van de klassieke Griekse
beschaving was een andere en meer doorslaggevende vernieuwing nodig. Deze was
natuurlijk het invoeren van de slavernij op grote schaal. Het bewaren van de
kleine en middelgrote landeigendom had een opgeld makende sociale crisis in
Attica en elders weten op te lossen. Maar op zichzelf zou dit gegeven de
politieke en culturele ontwikkeling van de Griekse beschaving bevroren hebben
op het niveau van Beotische barbarij, omdat het de ontwikkeling van een meer
complexe arbeidsverdeling en van de verstedelijking in de weg stond.
Betrekkelijk gelijkwaardige boerengemeenschappen konden dan misschien wel
fysiek samenstromen in steden; maar op dit eenvoudig ontwikkelingspeil hadden
ze nooit de bloeiende stedelijke beschaving tot stand kunnen brengen waarvan de
Oudheid nu voor het eerst getuige was. Hiertoe moest de meerarbeid van
gevangenen veralgemeend worden." (Anderson, Passages from Antiquity
to Feudalism, p.35)
Het eerste grote stadium van de
slavenhoudersmaatschappij bereikte zowel zijn hoogtepunt als zijn slotfase met
de Delisch-Attische hegemonie van Athene. De voornaamste beperking van de
Atheense ordening bestond erin dat ze er niet in slaagde om de onder de knoet
gehouden bondgenoten onder te brengen in één gecentraliseerd staatsbestel. Dit
had in de praktijk alleen maar kunnen betekenen dat Athene zijn democratisch
model had moeten veralgemenen tot het geheel van de Attisch-Delische
bondgenoten, wat gezien de belangrijke rol van de massale volksvergaderingen op
dit peil van technische en maatschappelijke ontwikkeling totaal onmogelijk was.
De democratische inspraak van de vrije staatsburgers op het thuisfront stond
niet alleen in een onwrikbare tegenstelling tot de tirannieke onderdrukking van
de aan Athene schatplichtige bondsleden; ze stond ook de vorming van een
professionele staatsbureaucratie in de weg, die nodig was geweest om een
wereldrijk te leiden. De oorlogen tegen een bond van gelijkwaardige
oligarchieën onder leiding van Sparta, de Peloponnesische Oorlogen, wierpen
uiteindelijk het doek over de macht en de luister van de stad van
Perikles.
Het patriarchale koninkrijk van de Macedoniërs sprong in
het machtsvacuüm van de kortstondige hegemonieën en de uitputtingsoorlogen na
de val van Athene en legde de basis voor de tweede groeicyclus van de Antieke
beschaving: de Hellenistische fase. De veroveringen van Alexander leidden niet
zozeer tot een uitbreiding van de slavenproductiewijze. In wezen lieten de
Grieks-Macedonische veroveraars de Aziatische productiewijze zelfs betrekkelijk
onaangeroerd. Maar ook al viel het rijk van Alexander na het overlijden van
zijn stichter uiteen in een aantal middelgrote despotenrijken, zijn
veroveringen vergrootten de reikwijdte van de stedelijke beschaving door het
invoeren van gecentraliseerd staatsbestuur boven de hoofden van de oude, in
vroeger tijden steeds onder elkaar kibbelende poleis en de bevordering van de wereldhandel op een schaal die het
Middellandse Zeegebied nog nooit tevoren had gezien.
Zette de slavenproductiewijze formeel gezien met het
Hellenisme een stap terug, of bevroor ze in het beste geval haar
verworvenheden, het Hellenisme riep de voorwaarden in het leven waaronder de
slavenhoudersmaatschappij haar volgende, hoogste en laatste groeifase kon
ingaan: het Romeinse imperium.
De Romeinse slavenmaatschappij bereikte haar hoogtepunt
als synthese van de slavernij, die in Athene de voorwaarde vormde voor de
democratie, en de aristocratische en imperialistische tradities van het
Hellenisme. In deze onderlinge combinatie bereikten beide tradities een veel
hoger ontwikkelingspeil dan de mediterrane beschavingen die aan de opkomst van
Rome voorafgingen. Maar juist daarom lieten ook de beperkingen, de structurele
tegenstrijdigheden van de op slavernij gebaseerde productie zich in de Romeinse
fase op de meest doorslaggevende wijze gelden.
Door de arbeider te herleiden tot instrumentum vocale (sprekend gereedschap) dat met lijf en leden
toebehoort aan de slavendrijver, werd een enorme accumulatie van rijkdom in de
handen van zeer weinigen mogelijk, alsook een nooit geziene vlucht van het
culturele leven. Maar naarmate de fysieke arbeid meer en meer een zaak werd van
slaven, begonnen ook de remmen van de
slavernij op de ontwikkeling van de productiekrachten steeds duidelijker aan
het licht te komen. Slaven zijn
totaal onbruikbaar waar gewerkt wordt met ingewikkelde, dure, en fragiele
werktuigen die een zekere zorgzaamheid van de arbeider vereisen. Herleiden de
bestaande verhoudingen de mens tot sprekend gereedschap, de slaaf laat zijn
werktuigen voelen dat hij mens is. Paarden, die door hun fysieke veerkracht
onontbeerlijk waren voor de ontginning van zware vruchtbare leemgrond, maar
veel minder dan muildieren en runderen de mishandelingen van de slaaf konden
verdragen, konden noch in de Oudheid, noch in de slavernij die in de kolonies
de sokkel vormde van de vroege kapitalistische ontwikkeling, ingezet worden.
Zelfs ijzeren ploegscharen -van de keerploeg die de zoden omkeert in plaats van
alleen maar de grond omwoelt was al helemaal geen sprake - kenden in de Oudheid
geen algemene verspreiding. Bij de Grieken waren ijzeren ploegscharen eerder
uitzondering dan regel. Het is geen toeval dat de laatste grote technologische
vernieuwingen van de antieke beschaving bijna één voor één dateren uit de
Hellenistische periode en dat er voor de rest werd verdergewerkt met werktuigen
en procédés die rechtstreeks waren overgeleverd uit het laat-stenen tijdperk.
Het is geen toeval dat, zoals Anderson opmerkt, het museum van Alexandrië de
voornaamste van de weinige technische vernieuwingen uit de Antieke periode
heeft voortgebracht en dat zijn huisbewaarder Ctesibius "een van de
weinige vermaarde uitvinders van de Oudheid was"(Anderson, p.51).
Want niet alleen de slaaf was een hinderpaal voor de
ontwikkeling van de productiekrachten. De vrije hield zich op de duur al
evenmin bezig met praktische
uitvindingen die de productiviteit konden opdrijven. Zo kwam het dat
samenlevingen die al begonnen waren met de geheimen van de stoomkracht te
doorgronden, voor wie wind- en waterkracht al helemaal geen geheimen meer
kenden, grotendeels verder moesten boeren met werktuigen uit de barbarij. De
slavernij werd hoe langer hoe minder rendabel. De noodzaak om een topzwaar en
peperduur staatsapparaat in stand te houden, gaf aan de slavernij uiteindelijk
de genadestoot. Met het einde van de Romeinse expansie droogde ook de toevoer
van nieuwe slaven op en de zeer trage voortplanting van de reeds voorhanden
slaven was ontoereikend om te voorzien in de behoefte aan arbeidskracht. Vanaf
Marcus Aurelius werd het kolonaat, de schatplichtige horigheid in plaats van de slavernij, een officiële instelling en
de laatstgenoemde werd geleidelijk aan uitzondering in plaats van regel.
Gevangen genomen volkeren werden niet meer in slavernij weggevoerd, maar als inquilini, schatplichtige boeren, aan
het werk gezet.
"De antieke slavernij had haar tijd overleefd. Noch
in het grote landbouwbedrijf, noch in de stedelijke manufaktuur was zij nog
lonend: de markt voor haar producten was verdwenen. De kleine akkerbouw echter
en het kleine handwerk waartoe de reusachtige productie uit de bloeitijd van
het rijk ineengeschrompeld was, bood geen plaats voor talrijke slaven. Alleen
voor huis- en luxeslaven van de rijken was er nog plaats in de maatschappij.
Maar de uitstervende slavernij was nog altijd voldoende om alle produktieve
arbeid als slavenwerk te doen beschouwen, als onwaardig voor de vrije Romein,
en dat was nu immers iedereen. Vandaar een toenemend aantal vrijlatingen van
overbodige, tot last geworden slaven, anderzijds toename van kolonen en van
verarmde vrijen. (...) De slavernij loonde niet meer, daarom stierf zij uit.
Maar de verdwijnende slavernij liet haar giftige angel achter in de
veroordeling van de produktieve arbeid van vrijen. Hier bevond zich de Romeinse
wereld in een onontkoombare impasse: de slavernij was economisch onmogelijk, de
arbeid van vrijen werd moreel veroordeeld. De ene kon niet meer, de ander nog
niet, de grondvorm zijn van de maatschappelijke productie. Het enige wat hier
kon helpen was een grondige revolutie." (Engels, De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de
staat, Progres, Moskou, p.199-200)
De verbrokkeling van het Romeinse rijk en de invallen
van de Germaanse stammen gaven uiteindelijk de genadestoot aan de zieltogende
Pax Romana.
De feodale maatschappij kwam als synthese tevoorschijn
uit de wederzijdse doordringing van twee in ontbinding verkerende stelsels: de
antieke beschaving en de primitieve stammenmaatschappij. De overwinning van de
feodale verhoudingen, het ontstaan van een samenleving die er geheel en al op
is gegrondvest, deze sociale revolutie vormde de volgende grote kwalitatieve
omslag.
Hoe primitief ook haar uitgangspunt, de feodaliteit liet
over het geheel gezien veel meer technologische vernieuwing toe dan de
slavenhoudersmaatschappij. De steden, die zich konden ontwikkelen op basis van
de toenemende handel in het landbouwoverschot, werden de thuisbasis van de
klasse waaruit de moderne bourgeoisie zich rechtstreeks heeft kunnen ontwikkelen:
de handelsburgerij. Uit de strijd tussen de nieuwe burgerlijke verhoudingen en
de oude feodale komt de moderne samenleving tevoorschijn.
De geschiedenis van Wallersteins historisch kapitalisme
begint met het totale verval van de leenroerige verhoudingen, het ontstaan van
de wereldmarkt, de daaruit voortvloeiende definitieve grondvesting van de macht
der handelsburgerij, de scheiding van de rechtstreekse producent van het
productiemiddel en het navenante ontstaan van de loonarbeid. De burgerlijke
revoluties vervolmaken het reeds door de absolute vorsten in het leven geroepen
moderne staatsapparaat tot orgaan dat het gemeenschappelijk belang van de
gehele nationale burgerij nastreeft. De volwassenheid van de burgerlijke
maatschappij wordt ingeluid door de grootscheepse industrialisering en de
daarmee gepaard gaande schaalvergroting van het proletariseringproces. Voor de
industrialisering vormde het bestaande proletariaat maar een klasse in zover
het in dezelfde of vergelijkbare levensomstandigheden deelde. Vanaf de
industrialisering begint het proletariaat pas echt een klasse te worden omdat
het ook tot het bewustzijn komt van zijn gemeenschappelijk belang, van het feit
dat het een klasse vormt. De kapitalistische productiewijze zelf vernietigt
ongenadig alle voorkapitalistische klassen en vereenvoudigt de maatschappelijke
tegenstellingen steeds duidelijker tot deze tussen loonarbeid en kapitaal,
zodat ook de fundamentele sociale en
politieke krachtmetingen steeds duidelijker uitingen worden van deze tegenstelling.
Anderzijds zijn de maatschappelijke gevechten tussen het proletariaat en de
kapitaalbezitters niet slechts uitdrukkingen van hun antagonistische
verhoudingen. Ze worden uiteindelijk werkelijke historische krachtmetingen die
beschikken over het voortbestaan of het verdwijnen van de bestaande orde.
Uit de voornaamste structurele antagonismen van de
maatschappijen waarin de kapitalistische productiewijze overheerst, laat zich
het volgende stadium van maatschappelijke ontwikkeling afleiden. Deze antagonismen
bestaan erin dat, ten eerste, de ongeziene vermaatschappelijking
van de productie in een steeds ondraaglijker tegenstelling komt te staan
met de particuliere toe-eigening van de
winst en, ten tweede, onder de heersende verhoudingen het internationale karakter van de productie voortdurend botst
tegen de nationale staat. Kortom: de
voornaamste beperkingen van de kapitalistische productiewijze zijn het
privé-bezit van de productiemiddelen en de nationale staat. Het socialisme is
de praktische overwinning van de arbeidende mensheid op deze beide beperkingen
die de verdere ontwikkeling van de produktieve krachten in de weg staan.
De geschiedenis in een notendop; zeer zeker geen
gedetailleerde uiteenzetting die op zich de naam geschiedschrijving verdient,
maar alleszins een "meer geïntegreerde" weergave dan het
empiristische knip- en plakwerk van de Wereldsysteem Analyse.
IV.
Hogerop zagen we reeds hoe Wallerstein de lezer zijn
meest oprechte voornemens op het hart drukt "de totaal geïntegreerde realiteit
zo adequaat mogelijk weer te geven door achtereenvolgens datgene te behandelen
wat tot uitdrukking komt op het economische, politieke en
cultureel-ideologische gebied."
De materialistische opvatting over de geschiedenis stelt
echter hogere eisen dan het domweg achter elkaar behandelen van economie,
politiek en cultuur. Zolang hij deze elementen waaruit de maatschappij is
opgebouwd in de juiste betrekking tot elkaar zou hebben geplaatst, mocht
Wallerstein gerust de volgorde van bespreking totaal hebben omgekeerd.
Anderzijds kan het achter elkaar behandelen van economie, politiek en ideologie
nooit meer zijn dan een surrogaatoplossing waarop men zich moet beroepen om te
camoufleren dat men van het historisch materialisme geen zak begrepen heeft.
Wallerstein mag dan voor mijn part honderd jaar lang geknield gelegen hebben
voor hetzelfde altaar en evenlang "gevormd zijn in dezelfde smidse als al
zijn makkers"(zie p.82)... verder dan een stumperig afkooksel van de
marxistische geschiedschrijving komt hij in geen geval.
Voor ons is het de gepaste gelegenheid om een
vooroordeel in verband met het historisch materialisme van antwoord te dienen,
dat al zo grijsgedraaid is dat de muziek van de ommezijde er doorheen klinkt
maar niettemin een bijzonder taai leven leidt. En wat Wallerstein betreft, zal
meteen ook aangetoond worden dat de materialistische maatschappijkritiek de
zaken een beetje ingewikkelder ziet dan het slaafs achterna hobbelen van de
economie door politiek en cultuur.
Dit godje van de vooroordelen is natuurlijk de
zogenaamde eenzijdige bepaling van de
bovenbouw door de onderbouw.
Wanneer ze de maatschappelijke productie van hun leven
verzorgen, zo zegt Marx, gaan de mensen bepaalde verhoudingen aan, de
productieverhoudingen, die aan een bepaalde trap van ontwikkeling van hun
materiele productiekrachten beantwoorden. Het geheel van deze verhoudingen
noemt Marx de onderbouw, waarop zich een juridische en politieke bovenbouw
verheft en waarmee bepaalde maatschappelijke bewustzijnsvormen overeenkomen.
Dit is een woordelijke weergave van de wijze waarop Marx in het woord vooraf
tot zijn Bijdrage tot de politieke
economie de beschrijving van zijn historische methode begint.
Voor de intellectuele Respectability van de moderne samenleving die, net zoals
Wallerstein slechts inductie of deductie kent, enkel op de hoogte zijn van determinisme en voluntarisme, is de verleiding bij verschillende gelegenheden te
machtig geweest om het verwijt van eenzijdig determinisme aan het adres van
Marx te vermijden. Voor wie slechts de eenzijdige bepaling kent of de
richtingloze opeenhoping van losse feiten, zijn de uitdrukkingen "in de laatste instantie", "in de laatste analyse",
natuurlijk spijkerschrift.
"... Volgens de materialistische opvatting over de
geschiedenis is de bepalende factor in de geschiedenis in laatste instantie, de productie en reproductie van het
onmiddellijke leven. Noch Marx, noch mijzelf hebben nooit meer beweerd dan dat.
Indien iemand deze stellingname verdraait in die zin dat de economische factor
het enige bepalende gegeven vormt,
verandert hij ze tegelijkertijd in een lege, abstracte en absurde frase. De
economische omstandigheden vormen de basis, maar de verschillende elementen van
de bovenbouw: de politieke vormen van de klassenstrijd en haar resultaten - de
Grondwettelijke ordes eens ze zijn gegrondvest, het gevecht gewonnen door de
zegevierende klasse, enz.- de juridische vormen en zelfs de weerspiegelingen
van al deze werkelijke gevechten in de hersenen van de deelnemers, politieke en
juridische theorieën, filosofische stelsels, religieuze opvattingen en hun
verdere ontwikkeling tot dogmatische systemen, oefenen evengoed hun invloed uit
op het verloop van de historische krachtmetingen en bepalen, in veel gevallen,
op doorslaggevende wijze hun vorm. Er
bestaat een wisselwerking van al deze factoren in de schoot waarvan de
economische beweging zich uiteindelijk als noodzaak een weg baant, doorheen een
oneindige veelheid van toevalligheden (t.t.z. zaken en gebeurtenissen waarvan
het onderlinge verband zo verafgelegen is of zo moeilijk aan te tonen dat we
het mogen beschouwen als onbestaand en verwaarloosbaar). Zoniet zou de
toepassing van de theorie op om het even welk tijdperk me dunkt makkelijker
zijn dan de oplossing van een eerste graadsvergelijking." (Engels, Brief
van 21-22 september 1890 aan A.J. Bloch, in: Lettres sur le Matérialisme historique, Progres, Moskou, 1980,
p.8-9 -eigen cursief)
Engels veegt niet alleen de vloer met het verwijt van
economisch determinisme, hij schetst ook nog op onnavolgbare wijze de wisselwerking tussen onderbouw en
bovenbouw. De economische ontwikkeling baant zich als noodzaak een weg door de
contingente gebeurtenissen die de vorm bepalen waarin de historische
krachtmetingen zich hullen.
Over de inwerking van de politiek op de economie
schrijft Georgy Plechanow, de vader
van het Russische marxisme:
"De politieke instellingen oefenen een invloed uit
op het economische leven: ofwel dragen ze
bij tot de vooruitgang ervan, ofwel vormen
ze er een obstakel voor. In het eerste geval gebeurt er, vanuit het
standpunt van Marx, niets verrassends, aangezien elk politiek systeem (bewust
of onbewust, dit is hier van weinig belang) in het leven geroepen is om bij te dragen tot de voorwaartse
ontwikkeling der produktieve krachten. Het tweede geval spreekt de
marxistische voorstelling van zaken evenmin tegen. De historische ervaring
toont aan dat, vanaf het ogenblik dat een bepaald politiek systeem ophoudt
overeen te stemmen met de toestand van de productiekrachten, vanaf het ogenblik
dat het een hinderpaal wordt voor hun ontwikkeling, dit (politieke systeem)
begint af te takelen en uiteindelijk wordt afgeschaft. Verre van de leer van
Marx tegen te spreken is het laatste geval er uiteindelijk de beste bevestiging
van, aangezien het ons laat zien hoe de economie de politiek beheerst en hoe de
ontwikkeling der productiekrachten van een volk aan de politieke ontwikkeling
ervan voorafgaat." Essai sur le
Développement de la Conception moniste de l'Histoire, Progres, Moskou,
1973, p.166)
Plechanows taal is zo duidelijk als ze maar kan zijn.
Ofwel belemmeren de politieke instellingen de ontwikkeling van de
productiekrachten, ofwel werken ze haar in de hand. Ofwel vertraagt de
bovenbouw de processen in de onderbouw, ofwel versnellen ze ze. De ontwikkeling
van het kapitalisme in Duitsland was een natuurnoodzakelijk proces, waarvan
slechts de snelheid waarmee het zich voltrok beïnvloed kon worden door het
politieke initiatief. Door de politieke verbrokkeling en het politieke
onvermogen van de Duitse bourgeoisie op krachtdadige wijze de
burgerlijk-demokratische revolutie door te voeren tegen de feodale krachten die
als rem werkten op de ontwikkeling van de handel en de industrie, werd het
proces van grootscheepse industrialisering bijna een kwarteeuw uitgesteld. Niet
aan de Duitse bourgeoisie, maar aan de politieke vertegenwoordigers van het
Pruisische reactionaire Junkertum was
het politieke initiatief gegeven om van dit staatkundige lappendeken de
voornaamste kapitalistische grootmacht van het Europese continent te maken.
Hier waren het de oude krachten van de feodale reactie die zich lieten gelden
als vooruitstrevende beweging! En heeft de geschiedenis van Duitsland zich dan
verdergezet in tegenstrijd met de door Marx geschetste algemene historische fasen ?
Allerminst: bij het einde van de negentiende eeuw was Duitsland het klassieke land van de moderne
socialistische arbeidersbeweging.
De ontwikkeling van de productiekrachten geeft
"alleen" de algemene zin van de geschiedenis aan. En deze algemene
richting laat zich voorspellen voor zover de aanzetten ertoe reeds in het heden
aanwezig zijn. De socialistische revolutie, de heerschappij van het
proletariaat en de overgang naar het socialisme zijn dan ook geen mystieke heilsboodschappen
meer, maar voorspellingen die gerechtvaardigd worden door de objectieve
bewegingswetten werkzaam in de moderne samenleving. Dit gezegd zijnde moet het voor de lezer nu toch al voldoende
duidelijk geworden zijn, vanuit welke positie we in de volgende bladzijden de
historische analyse en de
toekomstverwachtingen van Wallerstein zullen beoordelen.
§2.Centrum en
periferie: de transnationaliteit van de productketens
De Wereldsysteem Analyse put haar zelfzekerheid uit de
wetenschap dat ze de fundamentele mechanismen van de ongelijke ruil heeft
ontdekt en gaat bijzonder prat op deze omwenteling dewelke ze in de moderne
wetenschap heeft teweeggebracht...
"Ongelijke ruil is een eeuwenoude praktijk. Wat
opmerkelijk was aan het kapitalisme als een historisch systeem, was de manier
waarop deze ongelijke ruil verhuld kon worden; inderdaad zo goed verhuld dat
zelfs de verklaarde tegenstanders van het systeem nu pas begonnen zijn dit mechanisme systematisch te ontmaskeren,
nadat het reeds vijfhonderd jaar in werking is." (Wallerstein, Historisch kapitalisme, p.25-26-mijn
cursief)
De sleutel voor het verhullen van het centrale
mechanisme van de ongelijke ruil lag in de structuur van de kapitalistische
wereldeconomie zelf, aldus Wallerstein, namelijk:
"... de ogenschijnlijke
scheiding in het kapitalistische wereldsysteem tussen enerzijds het economisch
gebied (een wereldwijde sociale arbeidsverdeling met geïntegreerde
productieprocessen die alle werkten voor de eindeloze accumulatie van kapitaal)
en anderzijds het politieke gebied (schijnbaar bestaande uit afzonderlijke
soevereine staten, elk met autonome verantwoordelijkheden voor politieke
besluiten binnen het eigen rechtsgebied, en elk beschikkend over gewapende
troepen om hun gezag te ondersteunen)."(p.26-mijn cursief)
Met andere woorden: de werkelijke mechanismen van
ongelijke ruil hebben zich volgens Wallerstein zolang aan het oog van de
wetenschap onttrokken omwille van de schijnbare
tegenstelling tussen de nationale staat en de internationale markt.
In werkelijkheid, zo gaat Wallerstein verder,
overschreden bijna alle enigszins belangrijke productketens de staatsgrenzen
en...
"Dat is geen recente ontwikkeling. Het gold vanaf
het begin van het historisch kapitalisme zelf. De transnationaliteit van de
productketens gaat evengoed op voor de kapitalistische wereld van de zestiende
eeuw als voor die van de twintigste eeuw." (p.26)
Hoe ging deze ongelijke ruil nu in zijn werk ?
"Uitgaande van een werkelijk verschil op de markt,
dat ofwel ontstond door het (vooralsnog) ontbreken van een complex
productieproces, ofwel door kunstmatige schaarstes die geschapen werden met
militaire hand (...) verplaatsten de producten zich op zo'n manier tussen de
zones, dat het gebied met het minst 'schaarse' artikel dit verkocht aan een
ander gebied voor een prijs die meer reële kosten moest dekken dan een gelijk
geprijsd artikel dat zich in de tegenovergestelde richting bewoog. Wat
feitelijk gebeurde was een verplaatsing van een deel van het totale surplus van
de ene zone naar de andere. Zo'n relatie is een centrumperiferie-relatie.
Algemeen gezegd, de verliezende zone kunnen we een 'periferie' noemen en de
winnende zone een 'centrumgebied'. Deze benamingen geven feitelijk de
geografische structuur van de economische stromen weer."(p.26)
Het was dit proces van ongelijke ruil op internationale
schaal, deze verplaatsing van het surplus naar het centrum, waar het als
kapitaal werd geaccumuleerd dat "onevenredig grote fondsen beschikbaar
maakte voor verdere mechanisatie." (p.27)
Voor het gemak van de lezer vatten we de gedachtegang
die Wallerstein hier ontvouwt even samen. Als we alles goed begrepen hebben dan
wil hij vooral de volgende vier punten vaststellen:
1. Hoewel hij op zichzelf een eeuwenoude praktijk is,
geschiedt de ongelijke ruil onder het kapitalisme op dermate verhulde wijze dat
men hem pas nu aan het ontdekken en doorgronden is.
2. De sleutel voor deze verhulling ligt in de
ogenschijnlijke tegenstelling tussen de al even bedrieglijke wederzijdse onafhankelijkheid
van de nationale staten en het geïntegreerd zijn van de wereldmarkt.
3. De internationale arbeidsdeling, zeg maar de
transnationaliteit der productketens, bestond evengoed in het kapitalisme van
de zestiende eeuw, als voor dat van de twintigste.
4. De ongelijke ruil vormt een relatie van centrum tot
periferie. Het eerste is het winnende gebied, het tweede het verliezende.
Deze vier stappen in Wallersteins redenering zijn even
zovele dwalingen of op zijn minst dubbelzinnigheden in één groot sofisme.
Ten eerste
zijn de mechanismen van de ongelijke ruil beter in
kaart gebracht door het marxisme dan door de Wereldsysteem Analyse, die ten
allen tijde nooit verder geraakt is dan een impressionistische
schets van de wereldverhoudingen.
Ten tweede is de tegenstelling
tussen de nationale staat en de wereldmarkt allesbehalve een illusie, maar één
van de meest fundamentele tegenstrijdigheden en beperkingen van de moderne
samenleving.
Ten derde
is de omschrijving van het kapitalisme als wereldsysteem
allesbehalve een uitvinding van de lieden die zichzelf de school van de
Wereldsysteem Analyse noemen, maar werd reeds glashelder naar voor geschoven
door het marxisme, dat de historische consequenties daarvan veel grondiger
heeft begrepen dan Wallerstein en zijn Heilige
Schare.
Ten vierde en
tenslotte
laat de eenzijdige fixatie van
Wallerstein op de geopolitiek, op de verhouding tussen centrum en periferie, de
tegenstrijdige verhoudingen zowel binnen
het centrum als binnen de periferie,
die minstens evenzeer hun wereldhistorische rol vervullen in de ontwikkeling
van de moderne samenleving grotendeels buiten beschouwing.
Zoals we reeds zagen in het vorige hoofdstuk vormt
Wallersteins vertoog over de proletarisering slechts het voorwendsel -hijzelf
zou zeggen: de empirische grondslag, om tot de algemene wetmatigheden van de
centrumperiferie verhouding te komen.
Maar Wallerstein is al zodanig in de ban van zichzelf en
zijn geniale ontdekking, dat hij onmogelijk nog oog kan hebben voor
bijkomstigheden zoals het werkelijke ontstaansproces van de klasse die het
kapitaal voortbrengt. "Onmiddellijk ontdekken we verscheidene mechanismen
die historisch gezien de ongelijkheid vergrootten," roept hij
triomfantelijk uit ! (zie p.27)
Het is goed dat hij erbij vermeldt dat hij verscheidene mechanismen ontdekt en niet
alle. Het ontstaan van de
kapitalistische productiewijze en meer in het bijzonder het proces waarbij de
initiële opstapeling van kapitaal plaatsgreep, de zogenoemde primitieve of
oorspronkelijke accumulatie, voltrokken zich als een gecombineerde ontwikkeling
van processen die later het "centrum" van de kapitalistische wereld
zouden gaan uitmaken en op de wereldmarkt die bij het begin van de zestiende
eeuw een feit geworden was.
De wereldmarkt en de internationale arbeidsdeling of de
transnationaliteit van de productketens is een bestendig kenmerk van het
kapitalisme, is van bij het prilste begin tot het bittere einde aanwezig.
En waarom? Omdat
deze het uitgangspunt van de
kapitalistische productiewijze vormt. Internationale arbeidsdeling bestond
reeds voor er sprake was van kapitalisme. Ze werd ons overgeleverd door het
hoogste ontwikkelingsstadium van de oude middeleeuwse samenleving, met haar
doorgedreven arbeidsdeling tussen stad en platteland, tussen commerciële en
ambachtelijke activiteit in de stad en tenslotte tussen de steden zelf.
In de eerste bladzijden van zijn Modern World System zegt Wallerstein:
"De stelling in dit boek zal zijn dat er drie
dingen essentieel waren voor het ontstaan van een dergelijke kapitalistische
wereldeconomie. De uitbreiding van de geografische omvang van de betreffende
wereld, de ontwikkeling van zeer uiteenlopende manieren van arbeidsbeheersing
voor verschillende producten en verschillende gebieden van de wereldeconomie en
de vorming van betrekkelijk sterke staatsapparaten in wat de centrumlanden van
deze kapitalistische wereldeconomie zouden gaan worden" (Het moderne wereldsysteem, dl.I,
p.25)
De wereldmarkt en de eerste ophoping van geld -dat later
besteed kon worden als kapitaal- in de handen van een paar individuen bestond
reeds voor de kapitalistische productiewijze, en dat is geen recente ontdekking
en zeker niet de ontdekking van Wallerstein en de tiërmondistische schrijvers
die het pad voor de Wereldsysteem Analyse hebben geëffend.
"Het eerste gevolg van de arbeidsdeling tussen de
verschillende steden was het ontstaan van de manufacturen, productietakken die
het gildenwezen waren ontgroeid. De manufacturen kwamen het eerst tot bloei in
Italië en later in Vlaanderen; historische
voorwaarde hiervoor was de aanwezigheid van handelsverkeer met buitenlandse
naties. In andere landen, Engeland en Frankrijk bijvoorbeeld, beperkten de
manufacturen zich aanvankelijk tot de binnenlandse markt. Behalve de
voorwaarden die genoemd zijn, veronderstellen de manufacturen bovendien nog een
reeds vergevorderde concentratie van de bevolking- met name op het platteland- én van kapitaal dat, de gildewetten ten
spijt, deels in de gilden, deels bij de kooplieden in handen van enkele individuen
begon te accumuleren."(Marx, De
Duitse Ideologie, dl.I, SUN, Nijmegen, 1971, p.62-63- mijn cursief)
Het voordeel van Wallersteins wereldschematisme bestaat
erin dat men het zowat overal kan op toepassen. Een groot nadeel evenwel
bestaat erin dat men het ook kan toepassen op verhoudingen waarvoor Wallerstein
zijn leer helemaal niet voorbestemd heeft. In de logica noemt men dat trivialiteit. Nadat hij de hinderlijke kwestie van de ontstaansgeschiedenis
van het proletariaat uit de plooien van zijn gelaat heeft gewreven, bestaat
voor Wallerstein nu nog slechts de wereldmarkt, de transnationaliteit van de
productketens als centrumperiferie verhouding. Als we met alle geweld willen
vasthouden aan het idee van centrum en periferie, dan kunnen we in het tijdvak
van de primitieve accumulatie deze verhoudingen op het economische vlak zelfs
waarnemen binnen centrum en periferie
en dan nog niet eens noodzakelijk als verhouding tussen "winners en
verliezers". De opbloei van de wolmanufaktuur in Vlaanderen gaf
ongetwijfeld een krachtige stoot aan de kapitalistische landbouwhervormingen in
Engeland, waar de weg voor de nieuwe plattelandsburgerij en de verburgerlijkte
aristocratie op 28 klassiek-feodale
geslachten na was schoongeveegd door de Rozenoorlogen. De eersten die
hierbij verloren waren de duizenden Engelse boeren die plaats moesten ruimen
voor de schapenkudden waarin hun heren grootgrondbezitters nu eenmaal een meer
geschikte bron van inkomsten zagen dan het oude pachtstelsel.
Zelfs voor de Wallersteiniaanse invulling van de
verhouding centrumperiferie gaat de abstract gestelde wereldomspannende
verhouding tussen winnaar en verliezer maar op als men één en ander een beetje
willekeurig buiten beschouwing laat. Zoals geweten verhief het Nederlandse kapitaal
zich aanvankelijk op de achteruitgang en zelfs bewuste onderwerping van de
Hanzesteden aan de Oostzee. De Poolse edellieden die hun vrije pachters vanaf
de vijftiende eeuw opnieuw tot lijfeigenschap brachten ten behoeve van de
voedselproductie en de bosontginning voor de handel met de Nederlanden zullen
zichzelf waarschijnlijk alleen maar in een hysterisch-katholieke uitspatting
van boetedoening en zelfbeklag als verliezers hebben beschouwd. De Afrikaanse
stamhoofden die mensen van hun eigen ras bij duizenden uitleverden aan
Portugese, Spaanse, Engelse en Hollandse slavendrijvers waren evenmin de grote
verliezers van de primitieve accumulatie. Als
men eraan houdt de zaken zo abstract te stellen, waren de tienduizenden
landlopers die in Europa de manufaktuur werden ingedreven even grote verliezers
als de Afrikaanse, Aziatische en Oost-Europese boeren.
Zoveel weet ook Wallerstein. Maar hij spreekt allang
niet meer over de uitbuitingsverhoudingen binnen centrum en periferie Voor hem
zijn nu nog slechts de politiekgeografische verhoudingen, waarvan hij de
ontdekking op de naam van de Wereldsysteem Analyse schrijft, van tel.
Om de door Wallerstein zo zelfzeker opgeëiste
originaliteit in verband met de transnationaliteit van de productketens en de
wereldwijde indeling in "winners en verliezers" enigszins tot haar
ware proporties terug te brengen, geven we enige uittreksels die zo duidelijk
voor zich spreken dat ze volgens ons maar weinig aansluitende commentaar
behoeven.
Marx in 1847:
"Zonder de slavernij zou Noord-Amerika, het verst
ontwikkelde land, in een patriarchaal land veranderen. Veegt men Noord-Amerika van de wereldkaart, dan heeft men anarchie, het
volledige verval van de handel en van de moderne beschaving. Laat de
slavernij verdwijnen en U veegt Amerika van de wereldkaart (...) De moderne
volken hebben de slavernij in hun landen enkel en alleen kunnen verhullen,
terwijl ze haar in de Nieuwe Wereld onverhuld hebben ingevoerd."(Armoede van de filosofie, p.103)
"De behoefte aan een voortdurend uitbreidende markt
voor haar producten jaagt de bourgeoisie voort over het gehele aardoppervlak.
Ze moet zich overal nestelen, overal vestigen, overal verbindingen tot stand
brengen. Door middel van haar uitbuiting
van de wereldmarkt heeft de burgerij een kosmopolitisch karakter gegeven aan
productie en consumptie in elk land. Tot groot verdriet van de
reactionairen heeft ze de industrie de nationale grond waarop zij gevestigd
was, van onder de voeten getrokken. Alle oude gevestigde nationale industrieën
zijn vernietigd of worden dagelijks met de grond gelijkgemaakt. Ze worden
ontworteld door nieuwe industrieën, wier invoering een kwestie van leven en
dood wordt voor alle beschaafde naties, door industrieën die niet langer
inheemse grondstoffen verwerken, maar ruwe materialen onttrokken aan de meest
afgelegen zones; industrieën wier producten niet slechts in de thuislanden
verbruikt worden, maar evengoed in elke uithoek van de wereld. In de plaats van
de oude behoeften, die bevredigd werden door de productie van het eigen land,
vinden we nieuwe behoeften, die voor hun bevrediging de producten van
verafgelegen landen en luchtstreken behoeven. In plaats van het oude lokale en
nationale isolement en onafhankelijkheid, krijgen we nu verkeer in alle
richtingen, universele wederzijdse
afhankelijkheid tussen de naties."
(Manifesto of the Communist Party,
integraal opgenomen in The Revolutions of
1848, Pelican Books, Harmondsworth, 1973, p.71)
Marx in 1867:
"De ontdekking van goud- en zilverlanden in
Amerika, de uitroeiing en onderdrukking van de inheemse bevolking en haar
opsluiting in de mijnen, de beginnende verovering en plundering van Oost-Indië,
de verandering van Afrika tot een gebied voor de handelsjacht op de zwarte
bevolking vormden de dageraad van het tijdperk der kapitalistische productie. Deze idyllische gebeurtenissen zijn de
voornaamste elementen van de oorspronkelijke accumulatie. (...) De
verschillende factoren van de oorspronkelijke accumulatie vindt men nu, min of
meer in chronologische volgorde, voornamelijk over Spanje, Portugal, Holland,
Frankrijk en Engeland verdeeld. In Engeland worden zij tegen het einde van de
zeventiende eeuw systematisch samengevat in het
koloniale stelsel, het systeem van staatsschulden, het moderne
belastingsysteem en het stelsel van protectie. Deze methoden berusten ten dele
op het meest brute geweld, bijvoorbeeld het koloniale stelsel." (Het
Kapitaal, dl.I, hfst.24, p.586)
"De behandeling van de inheemse bevolking was
natuurlijk het ergst in de nederzettingen, die
uitsluitende bestemd waren voor de export, zoals in West-Indië, en in de
aan roofmoord prijsgegeven rijke en dichtbevolkte landen als Mexico en
Oost-Indië. Maar ook in de eigenlijke koloniën verloochende het Christelijke
karakter de oorspronkelijke accumulatie niet. De nuchtere virtuozen van het
Protestantisme, de puriteinen van Nieuw-Engeland, stelden in 1703 volgens een
besluit van hun Assembly (volksvergadering) een premie van £40 iedere Indiaanse
scalp en voor iedere gevangen roodhuid, ..." (p.587)
"Het
koloniale systeem liet handel en scheepvaart als in een broeikas rijpen. De
Gesellschaften-Monopolia (Luther) waren geweldige hefbomen voor de concentratie
van het kapitaal. De kolonie verschafte aan de als paddestoelen uit de grond
opschietende manufacturen een afzetmarkt en een accumulatie, die door het
marktmonopolie werd verveelvoudigd. De buiten Europa rechtstreeks door
plundering, onderwerping en roofmoord buitgemaakte schat vloeide terug naar het moederland en werd daar in kapitaal omgezet.
Holland, dat het eerst het koloniale stelsel volledig ontwikkelde, bereikte
reeds in 1648 het hoogtepunt in de bloei van zijn handel. Holland was in het
vrijwel uitsluitend bezit van de
Oost-Indische handel en van het verkeer tussen het Zuidwesten en Noordoosten
van Europa. Zijn visserij, scheepvaart en manufacturen overtroffen die van
elk ander land. De kapitalen van de republiek waren misschien wel omvangrijker
dan die van de rest van Europa bij elkaar.' Gülich vergeet eraan toe te voegen:
de Hollandse volksmassa (de verliezers van het centrum-P.V.d.B.) was in 1648
reeds meer overwerkt, verarmd en wreder onderdrukt dan die van de rest van
Europa bij elkaar." (p.588)
"Terwijl de katoenindustrie in Engeland de
kinderslavernij invoerde, gaf deze tegelijkertijd de stoot tot omzetting van
het vroeger min of meer patriarchale slavenbedrijf in de Verenigde Staten in
een commercieel uitbuitingssysteem. In
het algemeen had de verkapte slavernij der loonarbeiders in Europa de slavernij
sans phrase (zonder omhaal) van de Nieuwe Wereld als voetstuk nodig."(p.593)
Rosa Luxemburg in
1912
: "De kapitalistische accumulatie
heeft (...)