De Tao van WallersteinPeter Van der Biest1997
De
brochure die hier aan de lezer wordt voorgelegd, is een antwoord op de
theoretische samenvatting die Immanuel Wallerstein van zijn leerstellingen
heeft gegeven in Historisch kapitalisme.
Wat betreft de methode in de maatschappijkritiek en het historisch onderzoek
bevat dit korte werkje van nog geen honderd bladzijden in grote druk in alle
opzichten de sleutel tot de grondslagen van de denkrichting die zich de school
van de Wereld Systeemanalyse noemt.
Van marxistische zijde zijn de ideeën van de Wereld
Systeem-analyse allerminst onbesproken gebleven. We hoeven slechts te
vermelden: Robert Brenners kritiek op Sweezy en Wallerstein in zijn artikel The Origins of Capitalist Development, A
Critique of Neo-Smithean Marxism (in de New
Left Review n°104, 1977); C.H. Georges' opmerkingen bij de door Wallerstein
geschetste overgang van feodalisme naar kapitalisme in The Origins of Capitalism: A Marxist Epitome & A Critique Of
Immanuel Wallerstein's Modern World System (in: Marxist Perspectives, zomernr. 1980); Ernest Mandels kanttekeningen
bij Oliver Cox, A. Emmanuel, Samir Amin etc. in het tweede en elfde hoofdstuk
van zijn Laatkapitalisme.
"Oliver Cox," schrijft Mandel, "heeft een,
zij het vage, voorstelling van een dergelijk geleed systeem (van ongelijke ruil
en neokolonialisme- P.V.d.B.) ontwikkeld. Maar onder invloed van zijn
voorbereidende studies over het Venetiaans handelskapitalisme meent hij dat de
'hiërarchie van de economieën en naties' alleen bepaald wordt door een 'gedifferentieerde marktsituatie' en laat hij het probleem van de
onderscheiden productieverhoudingen volledig buiten beschouwing. Dit is een
fout die auteurs als A. Emmanuel, Samir Amin en André Gunder Frank min of meer
met hem gemeen hebben." (Laatkapitalisme, p.38-mijn cursief)
Waar Mandel bij de tiërmondistische literatuur (dewelke
de onmiddellijke voorloper vormt van de
hedendaagse Wereld Systeemanalyse) vaagheid ontdekt in het beschrijven en
verklaren van 'de onderscheiden productieverhoudingen' in de relatie tussen ont-wikkelde
kapitalistische en achtergebleven landen ontdekt, vindt C.H. George een
gelijkaardige theoretische onbeholpenheid terug in Wallersteins behandeling van
het zogenoemde 'overgangsvraagstuk', de kwestie van de overgang van feodalisme
in kapitalisme:
"Net zoals Sweezy en anderen voor hem, aanvaardt hij
(Wallerstein) het feodalisme als een entiteit die sociologisch onafhankelijk
bestaan heeft van, vreemd aan en uiteindelijk binnen-gedrongen is door dit andere, simplistisch
voorgestelde wezen, het kapitalisme. (…) Wallersteins hoogsteigen, originele en
indringende analytische fout vloeit voort uit zijn buitengewoon ahistorische
beschrijving van het vroege moderne kapitalisme as 'wereld-economie' in een
'wereld systeem' tegengesteld aan het feodalisme dat hij dan beschrijft als
'christelijke beschaving'…"
Marxist Perspectives, p.86) Brenner tenslotte, tracht de sociologische en historische
vaagheid van Wallerstein, Sweezy & Co terug te brengen tot de werkwijze
waarvan deze auteurs zich bedienen:
"Ik zal erop wijzen dat de methode van een hele
lichting schrijvers in de marxistische traditie ertoe geleid heeft dat de
klassenverhoudingen verschoven zijn naar de marge van hun analyses over
ontwikkeling en onderontwikkeling verschoven."
(New Left Review, p.27)
Brenner verwijt Wallerstein de dwaling dat hij , net
zoals de oude Adam Smith, het kapitalisme in de eerste plaats ziet als een
systeem van ruil en arbeidsdeling i.p.v. als een op een bepaald
klassenonderscheid gestoeld productiestelsel.
"Net zoals Smith vereenzelvigen zowel Sweezy als
Wallerstein impliciet of expliciet, het kapitalisme met een op handel
gebaseerde arbeidsdeling. Bijgevolg verstaan ze ij bijzondere dynamiek van
accumulatie door technische vernieuwing als een dictaat van de ruil op de markt
en van de gevolgen dezer vernieuwingen op de productie. Als gevolg daarvan
wordt in hun verklaringen over de overgang van feodalisme in kapitalisme de
fundamentele kwestie van de transformatie der klassenverhoudingen -de
klassenstrijd die deze transformatie met zich meebracht- uiteindelijk
weggecijferd. Op die manier wordt de opkomst van specifiek kapitalistische
klassen-verhoudingen in de productie niet langer gezien als de basis
voor kapitalistische ontwikkeling, maar als het resultaat ervan."
(p.38-39 -cursief van Brenner)
Samengevat: Mandel ziet dat de Wereld Systeemanalyse
"de onderscheiden productieverhoudingen" buiten beschouwing laat;
George ontdekt bij Wallerstein een mechanisch
onderscheid tussen feodalisme en kapitalisme in plaats van een historische overgang; Brenner herleidt
de vaagheden in Wallersteins analyse tot het voorgewende primaat van ruil op
productie.
Hoewel Brenner alleszins dieper doordringt tot de kern
van de zaak dan Mandel en George, heeft hij met beiden desondanks gemeen dat hij
zich beperkt tot het vaststellen van de foute van de Wereld Systeemanalyse.
Evenmin als beide andere schrijvers raakt Brenner de essentie van Wallersteins
denken.
Ontdekt George met voelbare opluchting enkele fouten en
onzuiverheden in Wallersteins historische schets, Mandel heeft het over
theoretische vaagheid in het algemeen en Brenner van zijn kant slaagt erin om
enkele klassiek-burgerlijke trekjes -hij maakt gewag van "Neo-Smitheaans
marxisme"- in de economische en historische analyse van Wallerstein e.d.
bloot te leggen.
Maar deze theoretische verdiensten verhouden zich tot de
werkelijke ontknoping van de discussie zoals de symptoomstudie tot de isolering
van het virus.
In de tekst die hier wordt aangeboden worden de fouten
van Wallerstein, ondertussen de meest gezaghebbende figuur van de Wereld Systeemanalyse, één voor één
teruggebracht tot het wijsgerig empirisme
dat hij in de plaats gesteld heeft van de marxistische methode vervat in het
dialectische materialisme. De lezer zal dan ook moeten begrijpen dat de
inhoudelijke kritiek op de denkbeelden van Wallerstein voortdurend gepaard zal
gaan met een uiteenzetting van de authentiek marxistische opvattingen over
geschiedenis, economie en wetenschapsleer. En wanneer hierbij rijkelijk wordt
teruggegrepen naar uittreksels uit de marxistische klassieken, dan heeft dit
niets te maken met verstard dogmatisme dat de burgerlijke kritiek ons
onvermijdelijk voor de voeten zal werpen, maar met de bedoeling om Wallersteins
poging zijn eigen werk als de logische voortzetting van het marxisme voor te
stellen, van de gepaste kritiek te voorzien.
Wallersteins doctrine is immers geen marxisme, maar ecclecticisme, een onstandvastig
schommelen tussen de burgerlijke ideologie en het marxisme. De geschiedenis
geeft er ons talrijke voorbeelden van hoe een dergelijke werkwijze een grot
obstakel vormt voor de verspreiding van socialistische ideeën onder de linkse
intelligentsia en de meest geavanceerde lagen van de arbeidersklasse. De
marxistische kritiek van haar kant heeft er alle belang bij om elke schroom
voor openbare veroordeling opzij te zetten en met de meest energieke
betrokkenheid ook het theoretische bestanddeel van de klassenstrijd tot zijn
uiterste consequentie te volbrengen; niet alleen omwille van de verdediging van
zijn wetenschappelijke verworvenheden maar ook omdat het marxisme zich slechts
ontwikkelt door de polemiek.
Voor de rest heb ik aan de voor de burgerlijke publieke
opinie met hun staart kwispelende professoren en assistenten, die mij een
dergelijke "tegen de tijdsgeest indruisende onderneming" zeker
kwalijk zullen nemen, nog slechts te zeggen dat de lijfspreuk van Dante waarmee
Marx het voorwoord tot de eerste druk van Het Kapitaal, dl.I, besluit, in deze
ook de mijne is:
Peter Van der Biest
* Volg je eigen weg en laat de mensen praten! |